Beschadigd endotheel geeft nieuw inzicht in ME/cvs en Long Covid
Beschadigd endotheel geeft nieuw inzicht in ME/cvs en Long Covid
Beschadigd endotheel geeft nieuw inzicht in ME/cvs en Long Covid
Nu 2026 begonnen is, is het ook weer tijd om de meest interessante onderzoeken van 2025 naar ME/cvs te bekijken. Ook deze keer maakte ME/CFS Skeptic een blog over dit jaar wat hieronder letterlijk vertaald, met toestemming, is overgenomen.
Nederlandse onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam hebben een belangrijk autopsieonderzoek uitgevoerd naar de hersenen van mensen met ME/cvs (Myalgische Encefalomyelitis/Chronisch Vermoeidheidssyndroom). Dit hersenonderzoek levert nieuw biologisch bewijs op.
Publicatiedatum: 19-10-2025
Een groep internationale onderzoekers, onder wie artsen en wetenschappers uit de Verenigde Staten, Duitsland, Noorwegen, Zweden, Nederland en Canada, heeft een belangrijk artikel gepubliceerd in Nature Communications.
De titel is: “Veranderd inspanningsgedrag en deconditionering zijn geen geldige verklaringen voor ME/cvs.”
Ze reageren hiermee op een eerdere studie van Walitt en collega’s (2024), waarin werd beweerd dat mensen, die ME/cvs ontwikkelen na een infectie, minder moeite zouden willen doen en daardoor hun conditie verliezen.
Volgens Davenport en zijn team is dat onjuist. Die uitleg doet geen recht aan de echte lichamelijke problemen die mensen ervaren.
Het idee dat patiënten “gewoon wat actiever moeten worden”, houdt al te lang erkenning en goede zorg tegen.
De eerdere studie van Walitt onderzocht mensen met postinfectieuze ME/cvs (ME/cvs die is ontstaan na een infectie). Zij gebruikten een één-daagse inspanningstest (de zogeheten Cardiopulmonale inspanningstest, of CPET). Op basis daarvan concludeerden ze dat de klachten bij ME/cvs vooral te maken hebben met minder inspanning leveren en afgenomen conditie.
Volgens Davenport en zijn collega’s is dat te kort door de bocht. Een één-daagse test kan namelijk niet laten zien wat er gebeurt na inspanning. En juist dat, het niet kunnen herstellen van fysieke of mentale inspanning, is het belangrijkste kenmerk van ME/cvs. Dat heet post-exertionele malaise (PEM).
Onderzoekers die deze ziekte al langer bestuderen, gebruiken meestal een tweedaagse inspanningstest om goed te kunnen zien wat er in het lichaam gebeurt.
Op de eerste dag wordt gemeten hoe goed iemand zuurstof gebruikt en hoeveel energie hij of zij kan leveren. De volgende dag wordt exact dezelfde test herhaald, om te onderzoeken hoe het lichaam herstelt na inspanning.
Bij gezonde mensen blijft de prestatie op dag twee ongeveer gelijk.
Bij patiënten zakt de prestatie echter duidelijk: ze nemen minder zuurstof op, leveren minder kracht en hun hartslag reageert anders.
Deze terugval is een objectieve meting van post-exertionele malaise (PEM), het belangrijkste kenmerk van de ziekte.
PEM komt niet voor bij mensen die gewoon een slechte conditie hebben.
De onderzoekers benadrukken dat deconditionering (verlies van conditie door weinig beweging) iets heel anders is dan PEM.
Bij deconditionering stijgt de hartslag juist sneller bij inspanning, terwijl bij deze patiënten vaak sprake is van een te lage hartslagrespons (chronotrope incompetentie). Dat laat zien dat er iets misgaat in het energie- en zuurstofgebruik van het lichaam, niet in de motivatie of inzet van de patiënt.
De studie van Walitt gebruikte slechts één inspanningstest, maar dat is volgens de onderzoekers niet voldoende. Zonder de tweede test kun je PEM niet vaststellen, en mis je dus het belangrijkste bewijs voor de lichamelijke aard van de ziekte. Door deze fout lijkt het soms alsof mensen “gewoon moe zijn” of “minder hun best doen”, terwijl de cijfers juist het tegenovergestelde laten zien.
De verkeerde interpretatie van deze gegevens heeft geleid tot misverstanden en een gebrek aan erkenning. De resultaten tonen niet aan dat patiënten te weinig inspanning leveren, maar dat hun lichaam fundamenteel anders reageert op belasting. Dat maakt de tweedaagse test onmisbaar voor goed onderzoek én voor de broodnodige erkenning van deze ernstige ziekte.
De onderzoekers leggen uit waarom de één-daagse test van Walitt niet volstaat.
Zonder de tweede dag kun je PEM niet zien, en mis je dus het belangrijkste kenmerk van de ziekte. Door die fout lijkt het alsof mensen “gewoon moe zijn” of “minder hun best doen”. Maar de cijfers laten iets heel anders zien: bij echte deconditionering stijgt de hartslag juist sneller bij inspanning, terwijl bij patiënten vaak een te lage hartslagreactie wordt gemeten. Dat wijst op stoornissen in energiehuishouding en zuurstofgebruik, niet op gebrek aan inzet.
Met andere woorden: de test van Walitt toonde niet aan dat patiënten minder hun best deden. Hij toonde juist onbedoeld aan dat hun lichaam anders werkt. Door dat verkeerd te interpreteren, is kostbare erkenning opnieuw vertraagd.
De kritiek van Davenport en collega’s richt zich op meerdere punten:
PEM betekent letterlijk: verslechtering na inspanning. Het is het belangrijkste symptoom van ME/cvs.
Na lichamelijke of mentale inspanning, soms zelfs na een klein klusje of een gesprek, verslechteren de klachten flink. Mensen kunnen dagen of weken moeten herstellen. Typische klachten zijn:
PEM is dus geen gewone vermoeidheid, maar een ernstige reactie van het lichaam. Daarom noemde het Amerikaanse Institute of Medicine (nu de National Academy of Medicine) ME/cvs in 2015 een systeemziekte met inspanningsintolerantie. Een krachtige erkenning van hoe ernstig het probleem is.
De auteurs waarschuwen dat verkeerde conclusies, zoals “ME/cvs komt door minder inspanning”, grote gevolgen hebben. Ze kunnen leiden tot misverstanden bij artsen, beleidsmakers en onderzoekers, en tot verkeerde behandelingen.
In het verleden werden patiënten bijvoorbeeld vaak aangemoedigd om steeds meer te bewegen (graded exercise therapy, GET), wat bij veel mensen juist ernstige terugvallen veroorzaakte.
Davenport en collega’s benadrukken daarom dat ME/cvs een echte, lichamelijke ziekte is, met meetbare afwijkingen in energiehuishouding, hartslagregulatie en herstelvermogen. Het is geen kwestie van motivatie, angst of gebrek aan wilskracht. Echte erkenning betekent luisteren naar patiënten, hun ervaringen serieus nemen en werken aan biomedische oplossingen.
De auteurs van deze reactie zijn bekende namen in het internationale ME-onderzoek. Naast Davenport zijn ook deze auteurs hierbij betrokken:
Zij roepen op tot zorgvuldige communicatie over ME/cvs.
Onderzoek moet de biologische basis van de ziekte respecteren, en patiënten mogen niet opnieuw gestigmatiseerd worden.
Ze pleiten voor het gebruik van de 2-daagse inspanningstest als standaard, omdat die het unieke ziektebeeld van ME/cvs beter laat zien.
Voor mensen met ME/cvs is dit artikel een belangrijke steun.
Het bevestigt wat patiënten al jaren ervaren: hun klachten komen niet doordat ze “te weinig bewegen” of “geen zin hebben om iets te doen”. Hun lichaam reageert anders op inspanning. Zelfs kleine activiteiten kunnen een zware lichamelijke terugslag veroorzaken.
Deze erkenning is van groot belang voor betere zorg, beleid en wetenschappelijk begrip. Het helpt ook om de hardnekkige vooroordelen over de ziekte verder af te breken.
Het artikel van Davenport en collega’s maakt duidelijk:
De onderzoekers roepen daarom op tot zorgvuldige en eerlijke wetenschap, waarin het lijden van patiënten serieus wordt genomen en de biomedische aard van ME/cvs centraal staat. Erkenning is geen gunst, maar een recht.
Het onderzoek zelf is hier te vinden.
Wil je ons steunen of lid worden? Dan steun je ook ons om onderzoeken en richtlijnen voor ME/cvs patiënten onder de aandacht te brengen en voor goede zorg en erkenning te zorgen.
Publicatiedatum: 30-09-2025
Mensen met ME/cvs of Long Covid raken uitgeput na een kleine inspanning. Nieuw onderzoek laat zien dat vooral de spieren moeite hebben om zuurstof te gebruiken. Dit verklaart de ernstige vermoeidheid en kortademigheid. De studie benadrukt dat beide ziekten lichamelijk van aard zijn en meer erkenning en onderzoek verdienen.
Omdat de klachten zo overeenkomen, vroegen onderzoekers zich af of er misschien ook dezelfde lichamelijke oorzaken zijn. Zij wilden weten wat er precies misgaat in het lichaam wanneer patiënten zich inspannen. Om dit te onderzoeken, deden ze een bijzondere test waarbij ze konden meten hoe zuurstof door het lichaam wordt opgenomen en gebruikt.
Normaal gesproken werkt ons lichaam bij inspanning op een efficiënte manier samen. De longen halen zuurstof uit de lucht, het hart pompt dit zuurstofrijke bloed rond en de spieren nemen de zuurstof op om er energie van te maken. Bij gezonde mensen zorgt dit ervoor dat ze langer kunnen bewegen en hun spieren sterk blijven.
Bij mensen met ME/cvs en Long Covid gaat er ergens in dit proces iets mis. Zij vertellen vaak dat hun lichaam niet meer functioneert zoals voorheen. Zelfs een kleine inspanning kan voelen alsof ze een marathon hebben gelopen. Dit geeft aan dat er een lichamelijke beperking is, en niet simpelweg een gebrek aan conditie of doorzettingsvermogen.
Om dit beter te begrijpen, voerden onderzoekers een test uit bij drie groepen mensen: 15 mensen met Long Covid, 11 mensen met ME/cvs en 11 gezonde vrijwilligers. De gezonde groep diende als vergelijking, zodat goed te zien was wat er bij de patiënten anders verliep.
Alle deelnemers deden mee aan een inspanningsproef op een hometrainer. Tijdens deze test droegen zij slangen en meetapparatuur waarmee onder andere hun ademhaling, hartslag, bloed en zuurstofopname in de spieren nauwkeurig gevolgd konden worden. Het ging hier niet om een gewone inspanningstest, maar om een zeer uitgebreide en ook deels invasieve test. Hierdoor konden de onderzoekers precies meten wat er tijdens de inspanning gebeurde, van de longen tot in de kleinste haarvaatjes van de spieren.
De resultaten waren duidelijk. Mensen met ME/cvs en mensen met Long Covid hadden allebei een sterk verminderde capaciteit om zuurstof op te nemen en te gebruiken. Dit viel vooral op in de spieren. Bij gezonde mensen halen de spieren tijdens inspanning makkelijk zuurstof uit het bloed en zetten dit om in energie. Bij patiënten met ME/cvs of Long Covid gebeurt dat veel minder goed.
Dit probleem heet een stoornis in de zuurstofdiffusie van de spieren. Dat betekent dat zuurstof wel in het bloed aanwezig is, maar niet voldoende doordringt in de spiercellen waar het nodig is voor de energieproductie. Het gevolg is dat patiënten veel sneller uitgeput raken en niet kunnen herstellen zoals gezonde mensen.
Daarnaast bleek bij sommige patiënten sprake te zijn van zenuwschade, met name in de kleine zenuwvezels die de doorbloeding van de spieren aansturen. Deze schade, die bekendstaat als small fiber neuropathie, kan ervoor zorgen dat de spieren onvoldoende zuurstof krijgen. Dit kan ook leiden tot pijnklachten en problemen met het autonome zenuwstelsel, dat onder andere hartslag en bloeddruk regelt.
Een belangrijke conclusie van dit onderzoek is dat de problemen niet simpelweg te verklaren zijn door een slechte conditie. Natuurlijk kunnen mensen die lang ziek zijn geraakt wat spierkracht verliezen, maar de afwijkingen die gevonden werden gaan verder dan dat.
Sommige deelnemers hadden zelfs voor hun ziekte een uitstekende conditie en waren sportief zeer actief. Toch lieten zij dezelfde ernstige beperkingen zien tijdens de test. Dit laat zien dat de oorzaak dieper ligt, in het functioneren van de spieren en het zenuwstelsel zelf.
De onderzoekers geven verschillende mogelijke verklaringen voor wat zij zagen. Eén verklaring is dat er in de spieren zelf iets misgaat, bijvoorbeeld door ontstekingen of beschadigingen na een infectie. Een andere mogelijkheid is dat zenuwen die de doorbloeding regelen, niet meer goed functioneren. Dit past bij de bevinding van small fiber neuropathie bij een deel van de patiënten.
Ook wordt gedacht dat microklonters in het bloed een rol kunnen spelen. Dit zijn kleine stolsels die de doorbloeding verstoren. Er zijn aanwijzingen dat deze klonters voorkomen bij zowel ME/cvs als bij Long Covid. Ze zouden ervoor kunnen zorgen dat spieren minder zuurstof krijgen, vooral tijdens inspanning.
Daarnaast is er bewijs dat de mitochondriën, de energiefabriekjes in de cellen, minder goed werken. Daardoor kan de zuurstof die wél in de spier terechtkomt, niet goed worden omgezet in bruikbare energie. Dit leidt tot extra vermoeidheid en spierzwakte.
Waarschijnlijk is er dus niet één oorzaak, maar gaat het om een combinatie van factoren die elkaar versterken.
Voor patiënten is het belangrijk om te weten dat hun klachten een duidelijke lichamelijke basis hebben. Het is dus niet iets dat “tussen de oren” zit of alleen maar komt doordat ze minder bewegen. Dit kan bijdragen aan meer erkenning, zowel bij artsen als bij de samenleving in het algemeen.
Ook kan het helpen om betere methoden te ontwikkelen om deze ziekten vast te stellen. Veel standaardonderzoeken, zoals longfoto’s of bloedtesten, laten vaak niets afwijkends zien. Pas tijdens inspanning worden de echte problemen duidelijk. Daarom zou het nuttig kunnen zijn om vaker dit soort uitgebreide inspanningstesten in te zetten.
Daarnaast kan deze kennis richting geven aan het zoeken naar behandelingen. Als vooral de spieren en de zuurstofopname daar het probleem vormen, kan onderzoek zich meer richten op therapieën die juist dit verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan medicijnen die de doorbloeding bevorderen, behandelingen die de werking van de mitochondriën ondersteunen, of manieren om zenuwschade te beperken.
Toch is het onderzoek nog maar een begin. Het aantal deelnemers was klein en er is meer onderzoek nodig om zeker te weten dat de resultaten ook gelden voor grotere groepen patiënten. Verder is nog onduidelijk welke behandelingen echt effectief zouden kunnen zijn.
De onderzoekers benadrukken dat er nog veel vragen openstaan. Hoe groot is de rol van microklonters precies? Kunnen zenuwschade en spierafwijkingen hersteld worden? En waarom herstelt de ene patiënt wel enigszins, terwijl een ander jarenlang ernstig ziek blijft?
Wat wel duidelijk is: zowel ME/cvs als Long Covid gaan gepaard met ernstige lichamelijke beperkingen. Vooral de spieren blijken niet goed in staat zuurstof op te nemen en te gebruiken tijdens inspanning. Dit verklaart waarom patiënten vaak zo’n zware reactie hebben op zelfs kleine activiteiten.
Het onderzoek laat zien dat beide ziekten veel overeenkomsten hebben en waarschijnlijk ook deels dezelfde oorzaken. Voor patiënten betekent dit meer erkenning en hopelijk in de toekomst betere behandelingen. Voor de medische wereld is het een duidelijke oproep om deze ziekten serieus te nemen en verder te onderzoeken.
Het onderzoek waar dit artikel over gaat kun je hier vinden. Het onderzoek is in september 2025 gepubliceerd en is peer reviewed. De definitie die de auteurs gebruikt hebben voor ME/cvs is de IOM definitie. Ook deelden we al eerder natuurlijk het artikel waarin een interview werd gehouden met Rob Wüst en ons eerdere bericht over onderzoek naar spieren en inspanningsintolerantie. Dat vind je hier.
Wil je ons helpen om meer bekendheid te geven aan onderzoeken of zaken die voor je belangrijk zijn te verwoorden in de politiek of bij andere instanties dan kun je ons ondersteunen door lid te worden van de ME/cvs Vereniging
Publicatiedatum: 06-09-2025
Een internationaal team van wetenschappers heeft onderzocht of het bloedeiwit haptoglobine (Hp) een rol speelt bij ME/cvs en post exertionele malaise (PEM) en cognitieve functies. Hun resultaten zijn onlangs gepubliceerd in het Journal of Translational Medicine.
ME/cvs is een ernstige en langdurige ziekte. Mensen die deze aandoening hebben, kampen vaak met een constante vermoeidheid die niet overgaat door rust. Andere klachten zijn slechte slaap, pijn in spieren en gewrichten en problemen met geheugen en concentratie.
Het meest opvallende kenmerk van ME/cvs is post-exertionele malaise (PEM). Dit betekent dat klachten veel erger worden na een kleine lichamelijke of geestelijke inspanning. Dat kan bijvoorbeeld een korte wandeling zijn, of zelfs een eenvoudig gesprek. Waar een gezond persoon na rust herstelt, blijven mensen met ME/cvs vaak dagen- of wekenlang zieker en uitgeput.
Tot nu toe is nog niet duidelijk wat er precies in het lichaam gebeurt bij PEM. Wetenschappers zijn daarom op zoek naar biologische verklaringen en naar meetbare stoffen in het bloed die kunnen helpen om ME beter te begrijpen en vast te stellen. Zulke stoffen worden biomarkers genoemd.
Haptoglobine is een eiwit dat normaal in het bloed voorkomt. Het heeft een belangrijke taak: het ruimt hemoglobine op dat vrijkomt als rode bloedcellen beschadigd raken of afbreken. Hemoglobine is de stof die zuurstof vervoert door het lichaam. Als het los in het bloed terechtkomt, kan het schadelijk zijn en leiden tot ontstekingen en stress in het lichaam. Haptoglobine zorgt ervoor dat dit wordt opgeruimd en dat het lichaam beschermd blijft.
Er bestaan verschillende vormen van haptoglobine, die worden bepaald door onze genen. Deze vormen worden fenotypes genoemd:
Onderzoek laat zien dat deze vormen niet allemaal even goed werken. Sommige vormen zijn minder sterk in het beschermen van het lichaam tegen schade en stress.
In de studie deden in totaal 140 mensen met ME/cvs en 44 gezonde mensen mee. De gezonde mensen werden zorgvuldig gekozen: ze hadden geen familie met ME/cvs of soortgelijke ziektes.
De onderzoekers deden het onderzoek in twee fases:
Alle deelnemers kregen een uitgebreide gezondheidstest en vragenlijsten over vermoeidheid, slaap, geheugen en andere klachten. Daarna ondergingen zij een lichte prikkel die bedoeld was om PEM op te wekken. Dit gebeurde niet via zware inspanning, maar met een veilige methode waarbij de arm met een manchet zachtjes werd samengedrukt en losgelaten. Zelfs deze milde prikkel is voor mensen met ME/cvs genoeg om klachten te verergeren.
Voor en na deze prikkel werden bloedmonsters afgenomen. Ook deden de deelnemers geheugen- en concentratietesten via een digitale tool. Zo konden de onderzoekers zien of er veranderingen waren in het bloed en in de hersenfunctie.
De onderzoekers ontdekten duidelijke verschillen tussen mensen met ME/cvs en gezonde mensen:
Veranderingen in structuur
Bij sommige ME/cvs-patiënten, vooral met het Hp2-1 type, vonden de onderzoekers veranderingen in de vorm en bouw van het haptoglobine. Deze afwijkingen leken samen te hangen met ernstigere klachten na inspanning.
Daling van haptoglobine na inspanning
Bij ME/cvs-patiënten daalde de hoeveelheid haptoglobine in het bloed na inspanning. Bij gezonde mensen bleef het niveau gelijk. Dit wijst erop dat het lichaam van mensen met ME/cvs anders reageert op stress of belasting.
Haptoglobine en geheugenproblemen
Mensen die van nature lagere haptoglobinewaarden hadden, scoorden slechter op testen voor geheugen en concentratie. Dit betekent dat haptoglobine mogelijk invloed heeft op de hersenfunctie.
Verschillende typen haptoglobine
Het Hp2-1 type kwam vaker voor bij mensen met ME/cvs dan bij gezonde mensen. Dit type hing samen met ernstiger PEM en meer geheugenproblemen.
Het Hp2-2 type kwam ook veel voor bij ME/cvs, maar leek iets minder sterk verbonden met de klachten.
Het Hp1-1 type was juist minder vaak aanwezig bij mensen met ME/cvs. Wie dit type had, had meestal mildere klachten en meer bescherming tegen geheugenproblemen.
Dit onderzoek geeft nieuwe inzichten in de ziekte ME/cvs. Voor het eerst is aangetoond dat haptoglobine zich bij ME/cvs anders gedraagt na inspanning, en dat dit samenhangt met geheugenproblemen en verergering van klachten.
De resultaten laten ook zien dat genetische verschillen (zoals het type haptoglobine dat iemand heeft) bepalen hoe heftig iemand reageert op inspanning. Het Hp1-1 type lijkt een soort bescherming te bieden, terwijl het Hp2-1 type juist een risico geeft op ernstiger klachten.
De ontdekking van haptoglobine als mogelijke Biomarker is belangrijk, want dit kan op drie manieren helpen:
ME/cvs is een ernstige ziekte die grote gevolgen heeft voor het dagelijks leven van patiënten. Dit nieuwe onderzoek laat zien dat haptoglobine een belangrijke rol speelt in het ontstaan van klachten na inspanning en bij problemen met geheugen en concentratie.
De vondst dat bepaalde genetische vormen van haptoglobine meer risico geven op klachten, terwijl andere juist beschermen, opent de weg naar nieuwe behandelingen. Hoewel er nog veel vervolgonderzoek nodig is, biedt dit hoop voor de toekomst: betere diagnostiek, meer begrip en mogelijk gerichte therapieën voor mensen met ME/cvs.
Wil je het onderzoek zelf lezen dan kun je dat hier vinden. Wil je meer informatie over de ME/cvs Vereniging of lid worden dan kan dat via deze link en neem bijvoorbeeld ook eens een kijk in onze webshop.
Publicatiedatum 28-08-2025
ZonMw heeft vandaag de projecten voor de tweede ronde voor ME/cvs bekend gemaakt. De tweede subsidieronde is bedoeld om biomedisch onderzoek naar ME/cvs te financieren. Er werden in de tweede ronde in totaal 12 uitgewerkte subsidieaanvragen ingediend.
ZonMw heeft daarbij aangegeven dat zij samenwerking tussen onderzoekers, onderzoeksdisciplines en (internationale) onderzoeksgroepen heel belangrijk vindt. Hoe meer men samenwerkt, hoe meer onderzoeken kunnen opleveren. Ze hebben dan ook als eis gesteld aan de twee consortia (samenwerkingsverbanden), die in het onderzoeksprogramma ME/cvs zijn opgenomen, dat zij met elkaar samenwerken.
Het NMCB en ME/CFS Lines werken dus met elkaar samen. ME/CFS Lines heeft met de DSQ-2 vragenlijst mensen uit de Lifelines databank gehaald die ME/cvs hebben, zo geeft hun website aan. Het NMCB is bezig een biobank op te zetten waarin de data van ME/cvs patiënten zijn opgenomen die de diagnose ME/cvs hebben.
ME/CFS Lines kan de ontwikkeling van de ziekte in de tijd volgen, doordat de deelnemers voorheen al in de Lifelines databank aanwezig waren en deze mensen dus voor langere tijd zijn gevolgd. Een aantal mensen in de Lifelines databank ontwikkelt ME/cvs en de data (bloed, ECG, etc.) van voor de ziekte kan vergeleken worden met de data na het ontwikkelen van de ziekte. Het NMCB bouwt aan een biobank met gegevens (bloed, feces, etc.) van mensen die nog maar net, al langer of een ernstige vorm van ME/cvs hebben. Het NMCB kan dan ook onderzoek doen naar de ziekte in een beginstadium, maar ook een vergevorderd stadium.
De consortia vullen elkaar dus aan doordat ze allebei een andere insteek hebben. De bedoeling is dat onderzoekers onderzoek willen blijven doen naar ME/cvs, ook in de toekomst. Daarvoor is een ‘duurzame onderzoeksinfrastructuur voor ME/cvs’ nodig. Oftewel een systeem waarin langdurig onderzoek mogelijk is en dat niet ophoud zodra de 32,9 miljoen euro die nu beschikbaar uitgegeven is.
De 7 projecten die subsidie krijgen zijn als beste beoordeeld door de programmacommissie. Binnen de tweede subsidieronde kon financiering worden aangevraagd voor het uitvoeren van fundamenteel, klinisch of epidemiologisch onderzoek naar de oorzaak, diagnose en/of behandeling van ME/CVS.
Binnen het onderzoeksprogramma speelt de betrokkenheid van ervaringsdeskundigen een belangrijke rol. Ook in deze ronde zijn ervaringsdeskundigen betrokken geweest bij de beoordeling van subsidieaanvragen. Verder zijn ervaringsdeskundigen in de opzet en uitvoering van de projecten een belangrijke samenwerkingspartner.
Deze projecten dienen binnen 6 maanden na ontvangst van de besluitbrief van start gaan.
We hopen dat de onderzoeken in zowel de eerste als in de tweede ronde de weg opent naar een toekomst met meer begrip, meer steun en vooral meer goed nieuws voor iedereen die leeft met ME/cvs.
We blijven deze projecten volgen en zodra een update komt zullen we jullie op de hoogte houden. Tot die tijd kun je ook ons steunen door te doneren of lid te worden.
Meer lezen over het biomedisch onderzoek in Nederland.
Hier kun je de informatie over de toegekende projecten en andere projecten lezen die binnen het onderzoeksprogramma ME/cvs lopen.
Publicatiedatum 22-08-2025
Het onderzoek naar ME/cvs komt in De Volkskrant in de vorm van een interview met Jos Bosch van het NMCB. Daar besteden we graag aandacht aan en in dit artikel zullen we beschrijven wat Jos Bosch in zijn interview laat weten, waar het onderzoek is begonnen en wat het voor ME/cvs patiënten kan betekenen.
Er zijn duizenden Nederlanders die lijden aan ME/cvs (Myalgische Encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom). Schattingen naar aanleiding van internationale onderzoeken en review studies duiden op 100.000-160.000 patiënten. Zij zijn extreem uitgeput, vaak al na kleine inspanningen. Rust helpt niet of nauwelijks, en het herstel kan dagen duren.
Voor deze groep is het leven vaak compleet veranderd. Werken, sporten, of zelfs een bezoek aan vrienden kan onmogelijk zijn. Toch is er nog veel onduidelijk over de oorzaken. Daarom zijn Nederlandse wetenschappers nu gestart met een grootschalig onderzoek naar ME/cvs, samen met patiënten.
ZonMw heeft op aangeven van de overheid een onderzoeksprogramma ME/cvs gestart om de 32,9 miljoen euro die hiervoor beschikbaar is gesteld te verdelen over consortia en onderzoeksprojecten. Verschillende onderzoeksprojecten lopen momenteel al binnen dit onderzoeksprogramma.
In het kader hiervan werd door Ellen de Visser van de Volkskrant een interview gehouden met Jos Bosch van het NMCB. Projectleider van een van de belangrijkste consortia die zich toelegt op onderzoek naar ME/cvs. Naar aanleiding van dat interview schrijven wij dit artikel.
Mensen met ME/cvs krijgen al jaren te maken met onbegrip. Ze horen vaak dat ze “gewoon meer moeten rusten” of dat de klachten “tussen de oren” zitten. Maar patiënten en onderzoekers weten dat dit niet klopt.
ME/cvs is een ernstige ziekte die het dagelijks leven zwaar beperkt. Veel patiënten kunnen niet meer werken, sommigen zijn zelfs volledig aan huis of bed gebonden. Ondanks deze impact bestaat er nog steeds geen duidelijke test en geen bewezen behandeling.
Wetenschappelijk onderzoek is dus hard nodig. Alleen zo kan duidelijk worden wat er in het lichaam en de hersenen van ME/cvs-patiënten gebeurt. Dit benadrukt ook Jos Bosch in zijn interview met de Volkskrant.
Het nieuwe project is, vertelt Jos Bosch, bijzonder groot opgezet. Wetenschappers willen duizenden ME/cvs-patiënten volgen en hun gegevens verzamelen. Daarvoor wordt een biobank ingericht.
Een biobank is een plek waar lichaamsmateriaal, zoals bloed, DNA of andere monsters, veilig wordt bewaard. Onderzoekers kunnen dat materiaal later gebruiken om bijvoorbeeld het immuunsysteem, de energiehuishouding of de werking van de hersenen te bestuderen.
Door al dit materiaal op één centrale plek te bewaren, kunnen onderzoekers veel sneller verbanden ontdekken. Denk aan:
De biobank maakt het mogelijk om jarenlang onderzoek te doen en steeds nieuwe technieken toe te passen, zonder steeds opnieuw patiënten te hoeven belasten.
Een ander belangrijk punt is dat patiënten vanaf het begin meedenken. Zij weten immers het beste wat het betekent om met ME/cvs te leven.
Uit eerder onderzoek is gebleken dat ME/cvs vaak ontstaat na een infectie, zoals griep of een andere virusziekte. Sommige mensen herstellen, maar bij anderen blijft de uitputting bestaan en verergert deze zelfs.
Naast extreme uitputtig hebben patiënten vaak last van concentratieproblemen, spierpijn, overgevoeligheid voor prikkels en slaapproblemen. Deze klachten samen maken duidelijk dat ME/cvs veel meer is dan alleen “moe zijn”. Toch blijft onduidelijk waarom sommige mensen ziek worden en anderen niet. Het onderzoek naar ME/cvs met de biobank moet daar meer licht op werpen.
Het belangrijkste doel van het onderzoek naar ME/cvs is meer duidelijkheid. Wanneer is ME/cvs een gevolg van een probleem in het immuunsysteem? Zijn er afwijkingen in het zenuwstelsel of de energieproductie van cellen?
De onderzoekers hopen met de biobank en de grote hoeveelheid data:
De resultaten laten nog even op zich wachten, maar dit grootschalige biobankonderzoek is een belangrijke stap. Voor het eerst wordt in Nederland op zo’n systematische manier gekeken naar ME/cvs.
Voor patiënten betekent dit hoop:
ME/cvs is een ernstige ziekte die duizenden Nederlanders treft en hun leven ingrijpend verandert. Tot nu toe was er te weinig onderzoek en erkenning. Met het nieuwe grootschalige onderzoek komt daar verandering in.
Door de combinatie van medische gegevens, ervaringen van patiënten en biologisch materiaal hopen wetenschappers eindelijk antwoorden te vinden. Voor patiënten en hun naasten betekent dit een sprankje licht: eindelijk uitzicht op meer kennis, erkenning en misschien zelfs behandelingen in de toekomst.
Voor degene die interesse hebben om te lezen welke onderzoeken er op dit moment lopen bij ZonMw klik hier
Het artikel dat hierover is verschenen kun je lezen op de site van de Volkskrant. Het kan zijn dat dit wel achter een betaalmuur zit en alleen voor abonnees te lezen is.
Deze studie onderzocht ME/cvs en Long Covid. De onderzoekers wilden begrijpen of antistoffen in het bloed van deze patiënten bijdragen aan de klachten en of zij invloed hebben op de mitochondriën.
Veel mensen met ME/cvs en mensen met Long Covid kampen met een breed scala aan klachten:
Ondanks dat deze klachten ernstig en invaliderend zijn, was het nog altijd onduidelijk wat er op biologisch niveau precies misgaat.
Onderzoekers uit Duitsland, Letland, de VS en andere landen hebben nu gekeken naar een mogelijk belangrijke veroorzaker: de antistoffen (IgG) in het bloed van deze patiënten.
Normaal gesproken zijn antistoffen bedoeld om virussen en bacteriën op te sporen en onschadelijk te maken. Maar soms kan het immuunsysteem zich “vergissen” en ook lichaamseigen structuren aanvallen – een proces dat we auto-immuniteit noemen.
De wetenschappers verzamelden bloed van vier groepen: mensen met ME/cvs, mensen met langdurige klachten na Covid (PASC/Long Covid), gezonde vrijwilligers en mensen met multiple sclerose (MS, een andere auto-immuunziekte).
Uit het bloed werden de IgG-antistoffen geïsoleerd en in het laboratorium toegevoegd aan gezonde menselijke cellen en getest in muizen. Daarbij keken ze vooral naar wat er gebeurde met de mitochondriën – de kleine energiefabriekjes in onze cellen.
De resultaten waren opvallend. Antistoffen van ME/cvs- en Long Covid-patiënten zorgden ervoor dat de mitochondriën in gezonde cellen uit elkaar vielen in kleinere stukjes. Dit fenomeen, mitochondriale fragmentatie genoemd, kan de energieproductie verstoren en cellen kwetsbaarder maken.
Bij gezonde mensen en MS-patiënten werd dit effect niet gezien, wat aangeeft dat het waarschijnlijk iets specifieks is voor deze ziekten. Opmerkelijk genoeg waren vooral de antistoffen van vrouwelijke patiënten effectief in het veroorzaken van deze schade.
De onderzoekers ontdekten dat de effecten afhankelijk waren van welk deel van het antistof actief was.
Deze wisselende effecten laten zien dat de relatie tussen antistoffen en de celenergie heel complex is.
Naast de veranderingen in de energiefabriekjes zagen de onderzoekers ook dat de antistoffen het afweersysteem op een andere manier beïnvloedden: ze zetten gezonde afweercellen aan tot het produceren van ontstekingsstoffen (cytokinen).
Bij Long Covid was deze ontstekingsreactie sterker en vaker aanwezig dan bij ME/cvs, wat kan betekenen dat Long Covid een meer “actieve” en ontstekingsrijke fase van de ziekte vertegenwoordigt, terwijl ME/cvs een latere, chronische fase kan zijn waarin vooral de stofwisseling verstoord is.
De onderzoekers onderzochten ook welke eiwitten door de antistoffen werden herkend. Daaruit bleek dat er duidelijke verschillen waren tussen ME/cvs en Long Covid.
Bij ME/cvs waren de gebonden eiwitten vaak betrokken bij de opbouw en reparatie van spieren en bindweefsel.
Bij Long Covid waren het juist vaker eiwitten die te maken hebben met bloedstolling en de regulatie van de bloedcirculatie. Dit past bij eerdere bevindingen dat stollingsproblemen een rol spelen bij Long Covid klachten.
De onderzoekers zagen ook enkele andere patronen: bepaalde eiwitten, die normaal helpen bij het herstellen van weefsels of het reguleren van ontstekingen, waren in lagere hoeveelheden aanwezig in het immuuncomplex, maar juist verhoogd in het bloed. Dat suggereert dat het evenwicht in het afweersysteem verstoord is.
Alles bij elkaar schetsen deze bevindingen een duidelijker beeld van wat er in het lichaam van deze patiënten gebeurt: antistoffen kunnen rechtstreeks de energiefabriekjes van cellen beschadigen, ontstekingsreacties aanjagen, en de eiwitbalans in het bloed veranderen.
Dit geeft meer bewijs dat ME/cvs en Long Covid een lichamelijke, biologische basis hebben – en dat het geen ‘onverklaarde’ klachten zijn.
Deze inzichten openen de deur naar nieuwe behandelmethoden. Als schadelijke antistoffen herkend kunnen worden, is het mogelijk om deze te neutraliseren of te verwijderen, bijvoorbeeld met medicijnen die het immuunsysteem bijsturen.
Ook kunnen de gevonden eiwitpatronen als basis dienen voor diagnostische tests, waardoor patiënten sneller een juiste diagnose en behandeling kunnen krijgen.
Bron: https://www.medrxiv.org/content/10.1101/2025.08.06.25332978v1
11 augustus 2025
Jarred Younger toont in nieuw onderzoek met PET-scans aan dat bij mensen met ME/cvs de hersenen ontstoken zijn. En niet maar één klein stukje van de hersenen, maar de ontstekingen zijn door de hele hersenen zichtbaar.
Jarred Younger, een Amerikaanse neuro-wetenschapper, is gespecialiseerd in pijn, vermoeidheid en ontsteking in de hersenen. Hij houdt zich al meer dan tien jaar bezig met de vraag of neuro-inflammatie een hoofdrol speelt bij ME/cvs.
Zijn hypothese is dat bepaalde hersencellen, de microglia, bij deze patiënten overdreven sterk reageren op prikkels en dat zij ontstekingsstoffen blijven produceren, zelfs zonder duidelijke aanleiding.
Dit zou kunnen verklaren waarom ME/cvs-patiënten kampen met aanhoudende vermoeidheid, pijn, prikkelgevoeligheid en cognitieve problemen. Tot nu toe waren de wetenschappelijke bewijzen hiervoor schaars en soms tegenstrijdig.
Eerdere PET-scans, de gouden standaard om microglia-activatie in beeld te brengen, gaven verschillende uitkomsten: één studie vond wijdverspreide ontsteking, een andere vond hier geen aanwijzingen voor.
Younger gebruikte nu een nieuwe, nauwkeurigere radioactieve tracer en ontdekte overtuigend bewijs voor uitgebreide ontstekingen in de hersenen van ME/cvs-patiënten.
De ontstekingen waren verspreid door het hele brein: voorin, achterin, in diepe kernen en in gebieden die cruciaal zijn voor emotie, motivatie, geheugen en het verwerken van lichamelijke signalen.
Vooral de aanwezigheid van bilaterale ontsteking – aan beide hersenhelften – is belangrijk, omdat dan geen “gezonde” kant beschikbaar is om functies over te nemen.

Het totale beeld lijkt op een brein dat blijft hangen in een aanhoudende herstelmodus.
Normaal gesproken schakelt het brein bij ziekte over op een energiebesparende toestand: vermoeidheid, verminderde motivatie en de behoefte aan rust helpen het lichaam om te herstellen.
Bij ME/cvs lijkt deze biologische herstelreactie niet uitgeschakeld te worden, zelfs lang nadat de oorspronkelijke infectie verdwenen is. Het is alsof het centrale zenuwstelsel blijft reageren alsof er nog steeds herstel nodig is.
Younger ziet ook een duidelijke link met de energieproblemen in het lichaam.
Ontstekingen in de hersenen kunnen via het autonome zenuwstelsel, de hormoonhuishouding en stofwisselingsprocessen de mitochondria (energiefabriekjes van cellen) in spieren en de immuuncellen minder efficiënt laten werken. Dat past bij de extreme uitputting die ME/cvs-patiënten ervaren.
De exacte oorzaak van de hersenontstekingen is nog onduidelijk, maar ontstekingssignalen uit het lichaam lijken een logische boosdoener.
Younger noemt verschillende mogelijke behandelopties, zoals ontstekingsremmende medicijnen en supplementen, zenuwstimulatie (bijvoorbeeld tFUS-ultrasound) en methoden om het stress- en waakzaamheidssysteem van het brein te kalmeren.
Zijn boodschap is helder:
‘We moeten hersenontstekingen verminderen als we ME/cvs willen verbeteren’
Hij werkt op dit moment aan meerdere onderzoeken en hoopt binnenkort meer nieuws te hebben over klinische trials die zich specifiek richten op het verminderen van neuro-inflammatie.
Bronnen:
Video Jarred Younger en Cort Johnson (Health Rising)
11 augustus 2025
DecodeME is het grootste DNA-onderzoek ooit naar ME/cvs. Het onderzoek werd uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk, met de hulp van duizenden mensen met ME/cvs. Op 6 augustus 2025 deelde het DecodeME-team hun eerste grote resultaten. De resultaten geven een idee over wat maakt dat sommige mensen ME/cvs ontwikkelen na bijvoorbeeld een infectie en anderen niet.
Dit artikel legt op een eenvoudige manier uit wat de onderzoekers hebben ontdekt en waarom dit belangrijk is voor iedereen die te maken heeft met ME/cvs.
DecodeME is een wetenschappelijk onderzoek dat probeert te begrijpen waarom sommige mensen ME/cvs krijgen. De onderzoekers vergelijken het DNA van mensen met ME/cvs met dat van mensen die gezond zijn. DNA is het erfelijk materiaal in je lichaam. Het bepaalt bijvoorbeeld je haarkleur, maar ook hoe je lichaam werkt.
In dit onderzoek deden 15.579 mensen met ME/cvs mee en 259.909 mensen zonder ME/cvs. Dat is een enorm aantal, wat de resultaten betrouwbaar maakt.
Bij mensen met ME/cvs zijn acht verschillen in het DNA gevonden. Die verschillen komen vaker voor bij mensen met ME/cvs dan bij gezonde mensen. Dat is belangrijk, want DNA verandert niet door de ziekte zelf. Als er een verschil in het DNA zit, was dat er al voordat iemand ziek werd.
Deze verschillen kunnen dus aanwijzingen geven over wat ME/cvs veroorzaakt. Ze laten zien dat er iets mis kan zijn in bepaalde processen in het lichaam.
De verschillen in het DNA wijzen op een aantal systemen in het lichaam:
Het immuunsysteem – Dat is het systeem dat je lichaam beschermt tegen virussen en bacteriën. Veel mensen met ME/cvs vertellen dat hun klachten begonnen na een infectie, zoals een virus. In het DNA van mensen met ME/cvs zijn veranderingen gevonden die te maken hebben met hoe het immuunsysteem werkt.
Het zenuwstelsel – Dit is het netwerk van zenuwen dat signalen door je lichaam stuurt. Sommige DNA-verschillen komen voor in genen die ook in verband worden gebracht met chronische pijn of hoe het lichaam signalen verwerkt. Dat kan iets zeggen over waarom mensen met ME/cvs vaak overgevoelig zijn voor licht, geluid of aanraking.
Celwerking en energie – Er zijn ook aanwijzingen dat sommige cellen in het lichaam van mensen met ME/cvs anders werken. Dit kan bijdragen aan het extreme gebrek aan energie dat veel mensen met ME/cvs ervaren.
Deze genen laten zien dat een en andere mis gaat in het systeem van mensen die deze genen hebben. Het zou mogelijk kunnen verklaren waarom sommige mensen ook een auto-immuunziekte hebben. Er is geen hard bewijs dat ME/cvs het risico op kanker of andere ziekten verhoogt. Daar is meer onderzoek voor nodig.
Dit is de eerste keer dat er op zo’n grote schaal bewijs is gevonden dat ME/cvs samenhangt met genetische verschillen. Het bevestigt dat ME/cvs een lichamelijke ziekte is en geen psychisch probleem. Dat wisten mensen met ME/cvs natuurlijk al, maar nu is er hard wetenschappelijk bewijs dat dit ondersteunt.
Bovendien geeft het richting aan verder onderzoek. Als we weten welke processen in het lichaam een rol spelen, kunnen onderzoekers kijken of daar ook medicijnen of behandelingen voor zijn. Dat kan in de toekomst leiden tot betere zorg.
Op korte termijn verandert er misschien nog niet zoveel in de praktijk. Er is nog geen medicijn of test beschikbaar op basis van deze resultaten. Maar dit onderzoek is wel een grote stap vooruit:
DecodeME is nog niet klaar. De onderzoekers gaan verder met het analyseren van de gegevens. Ze willen onder andere onderzoeken of mensen met ME/cvs die na een infectie ziek werden, andere DNA-kenmerken hebben dan mensen die op een andere manier ziek werden. Ook wordt gekeken naar verschillen tussen mannen en vrouwen, en naar hoe ernstig de klachten zijn.
Daarnaast wordt het hele onderzoeksbestand beschikbaar gesteld aan andere wetenschappers, zodat ook zij er verder mee kunnen werken.
Op donderdag 14 augustus 2025 organiseert DecodeME een online bijeenkomst waarin de onderzoekers uitleg geven over deze resultaten en vragen beantwoorden. Iedereen die geïnteresseerd is, kan zich daarvoor aanmelden. Er zijn helaas maar 500 plaatsen beschikbaar, maar mocht het niet lukken om te kijken dan komt de opname daarna ook op hun website te staan. Ook proberen we of we als ME/cvs Vereniging het webinar kunnen volgen en daarna een update kunnen plaatsen.
Wil je meer weten of het webinar volgen? Ga dan naar de website van DecodeME: https://www.decodeme.org.uk/initial-dna-results/
Er was over deze uitkomst een grote aandacht door de media en andere organisaties. Je kunt een deel van deze media hier onder vinden. Let wel dat sommige artikelen achter een betaalmuur zitten en wellicht niet helemaal te lezen zijn.
United Kingdom:
Van DecodeME zelf een uiterst goede blog
BacME gaf deze reactie en ME Research met deze reactie
David Tuller interview met Chris Pointing van DecodeME en zijn blog
Diverse media: The Times; The Guardian; IFL Sience; ABC Listen; The Straits Times; Channel 4 news
USA:
The New York Post
Belgie:
Nieuwsblad en De Specialist
Frankrijk:
Courrier International en Trust my Sience
Nederland:
Dagblad Trouw
Voor mensen met ME/cvs is dit onderzoek een belangrijk moment. Het laat zien dat er echt iets mis is in het lichaam, dat het meetbaar is, en dat het serieus onderzocht wordt. Het betekent erkenning, maar ook hoop op betere zorg in de toekomst.
De studie (engels) vind je hier
7 juli 2025
Bij een hersenscan zijn verschillen zichtbaar tussen patiënten met ME/cvs. Een onderzoek door Xiang Yu et al uit Australië, gepubliceerd in Nature, vergeleek ME/cvs-patiënten met een geleidelijk begin van de ziekte, ME/cvs-patiënten met een post-infectueus begin van de ziekte en gezonde controles. Zij gebruikten daarvoor een diffusion-MRI.
Dit onderzoek richtte zich op mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), een complexe en invaliderende ziekte die zich kenmerkt door extreme vermoeidheid, post-exertionele malaise (PEM), cognitieve problemen zoals “brainfog”, slaapproblemen en andere lichamelijke klachten.
ME/cvs kan op verschillende manieren ontstaan: bij sommige mensen ontwikkelen de klachten zich plotseling na een infectie (de zogenoemde post-infectieuze vorm , of PI-ME/cvs), terwijl bij anderen de klachten geleidelijk ontstaan zonder duidelijke aanleiding (de geleidelijk beginnende vorm, of GO-ME/cvs).
Hoewel beide vormen van ME/cvs vergelijkbare symptomen hebben, is er al langer het vermoeden dat ze verschillende onderliggende biologische oorzaken hebben.
Dit onderzoek wilde met behulp van een geavanceerde hersenscan (diffusion-MRI) nagaan of er verschillen zijn in de witte stof van de hersenen tussen deze twee groepen patiënten.
De witte stof bestaat uit zenuwbanen die verschillende hersengebieden met elkaar verbinden en dus essentieel zijn voor een goede communicatie tussen hersendelen. Veranderingen in deze structuur kunnen bijdragen aan vermoeidheid, concentratieproblemen en andere klachten die bij ME/cvs vaak voor komen.
In totaal werden 143 personen onderzocht: 43 patiënten met PI-ME/cvs, 33 patiënten met GO-ME/cvs, en een bijpassende groep gezonde controles, die allemaal een overwegend zittende levensstijl hadden. Die laatste groep werd bewust gekozen om verschillen door bijvoorbeeld sport of beweging uit te sluiten. De ME/cvs-patiënten voldeden aan de Canadese Consensus Criteria.
De onderzoekers gebruikten een hersenscan met een techniek genaamd diffusion-MRI. Die meet hoe water zich verplaatst in de hersenen, wat informatie geeft over de gezondheid en structuur van zenuwbanen.
De onderzoekers ontdekten door de hersenscan dat mensen met PI-ME/cvs opvallend hogere waarden hadden van wat men “axiale diffusiviteit” (AD) noemt.
Dat is een maat voor hoe gemakkelijk water zich langs zenuwbanen in de hersenen kan verplaatsen, wat iets zegt over de gezondheid van die zenuwbanen. Deze verhoogde AD-waarden werden vooral gezien in banen die betrokken zijn bij motoriek en emotionele verwerking.
Bovendien bleek dat hoe slechter de lichamelijke gezondheid van de patiënt was, hoe groter deze afwijkingen in de hersenen waren.
Bij mensen die korter ziek waren, waren de afwijkingen op de hersenscan sterker aanwezig, wat suggereert dat er in de eerste fase mogelijk sprake is van ontstekingen in de hersenen die later wat afnemen.
In tegenstelling tot de PI-ME/cvs-groep, vertoonden mensen met GO-ME/cvs juist lagere AD-waarden, met name in de hersenbalk (corpus callosum), het gebied dat de twee hersenhelften met elkaar verbindt. Deze afwijkingen gingen samen met slechtere scores op het gebied van mentale gezondheid.
De onderzoekers denken dat dit kan wijzen op een ander ziekteproces dan bij PI-ME/cvs, bijvoorbeeld een langzaam voortschrijdend verlies van zenuwvezels of verstoringen in energiehuishouding van de hersenen.
Dit sluit aan bij eerdere vermoedens dat bij GO-ME/cvs factoren zoals langdurige stress, mitochondriale problemen of verminderde doorbloeding een rol kunnen spelen.
Opvallend genoeg zagen de onderzoekers alleen afwijkingen in één specifieke MRI-meting, terwijl andere metingen die iets zeggen over de structuur en dichtheid van de hersenverbindingen geen verschil lieten zien tussen patiënten en gezonde mensen.
De onderzoekers denken dat hun strengere methodologie en nauwkeurige beeldverwerking een betrouwbaarder beeld geven dan sommige eerdere studies.
Belangrijk is dat uit dit onderzoek blijkt dat traditionele vragenlijsten en symptoomscores, zoals die vaak in de kliniek worden gebruikt, geen verschil kunnen maken tussen de twee vormen van ME/cvs.
De afwijkingen in de hersenen zijn dus subtiel en alleen zichtbaar met geavanceerde beeldvorming. Dit onderstreept dat de huidige manier van diagnosticeren mogelijk onvoldoende is en dat er behoefte is aan nieuwe, gevoelige meetmethoden.
De uitkomsten van dit onderzoek (met deze specifieke hersenscan) wijzen erop dat PI-ME/cvsen GO-ME/cvs niet alleen klinisch, maar ook biologisch van elkaar verschillen.
Dat heeft belangrijke implicaties voor de behandeling: mensen met PI-ME/cvs zouden mogelijk baat hebben bij therapieën die zich richten op het immuunsysteem en het verminderen van ontstekingen, terwijl mensen met GO-ME/cvs wellicht meer geholpen zijn met behandelingen die zich richten op neuroprotectie, energievoorziening of cognitieve ondersteuning.
Tot slot erkennen de onderzoekers dat hun studie beperkingen kent.
Zo waren de patiëntengroepen relatief klein, werd er geen bloedonderzoek gedaan om de MRI-bevindingen aan andere biologische markers te koppelen, en konden ze door het beperkte aantal deelnemers geen onderscheid maken naar ernst van de ziekte binnen de subgroepen.
Toch leveren deze resultaten een belangrijke bijdrage aan ons begrip van ME/cvsen vormen ze een eerste stap naar een meer op maat gemaakte benadering van deze ziekte.
Bron: https://www.nature.com/articles/s41598-025-09379-z?s=09