2025: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek

Nu 2026 begonnen is, is het ook weer tijd om de meest interessante onderzoeken van 2025 naar ME/cvs te bekijken. Ook deze keer maakte ME/CFS Skeptic een blog over dit jaar wat hieronder letterlijk vertaald, met toestemming, is overgenomen.

Younger: Ontstekingen in hersenen gevonden

11 augustus 2025

Jarred Younger toont in nieuw onderzoek met PET-scans aan dat bij mensen met ME/cvs de hersenen ontstoken zijn. En niet maar één klein stukje van de hersenen, maar de ontstekingen zijn door de hele hersenen zichtbaar.

Wie is Jarred Younger en wat heeft hij onderzocht?

Jarred Younger, een Amerikaanse neuro-wetenschapper, is gespecialiseerd in pijn, vermoeidheid en ontsteking in de hersenen. Hij houdt zich al meer dan tien jaar bezig met de vraag of neuro-inflammatie een hoofdrol speelt bij ME/cvs.

Zijn hypothese is dat bepaalde hersencellen, de microglia, bij deze patiënten overdreven sterk reageren op prikkels en dat zij ontstekingsstoffen blijven produceren, zelfs zonder duidelijke aanleiding.

Waarom is dit belangrijk?

Dit zou kunnen verklaren waarom ME/cvs-patiënten kampen met aanhoudende vermoeidheid, pijn, prikkelgevoeligheid en cognitieve problemen. Tot nu toe waren de wetenschappelijke bewijzen hiervoor schaars en soms tegenstrijdig.

Eerdere PET-scans, de gouden standaard om microglia-activatie in beeld te brengen, gaven verschillende uitkomsten: één studie vond wijdverspreide ontsteking, een andere vond hier geen aanwijzingen voor.

Wat kwam er uit het onderzoek?

Younger gebruikte nu een nieuwe, nauwkeurigere radioactieve tracer en ontdekte overtuigend bewijs voor uitgebreide ontstekingen in de hersenen van ME/cvs-patiënten.

De ontstekingen waren verspreid door het hele brein: voorin, achterin, in diepe kernen en in gebieden die cruciaal zijn voor emotie, motivatie, geheugen en het verwerken van lichamelijke signalen.

Vooral de aanwezigheid van bilaterale ontsteking – aan beide hersenhelften – is belangrijk, omdat dan geen “gezonde” kant beschikbaar is om functies over te nemen.

Belangrijkste ontstoken gebieden

  • Insula: verstoort het voelen en interpreteren van signalen uit het lichaam (interoceptie), beïnvloedt emoties en regelt het autonome zenuwstelsel. Ontsteking hier kan op zichzelf al veel ME/cvs-klachten veroorzaken, zoals vermoeidheid, hartslag- en bloeddrukschommelingen, slaapstoornissen en overgevoeligheid voor prikkels.
  • Precuneus: samen met de insula betrokken bij aandacht, concentratie en zelfbewustzijn. Ontsteking kan ervoor zorgen dat negatieve lichamelijke gewaarwordingen constant op de voorgrond blijven en afleiden van andere taken.
  • Parahippocampus: speelt een rol bij geheugen en vermoeidheidsbeleving, en is gekoppeld aan het emotionele systeem, wat gevoelens van angst en malaise kan versterken.
  • Mediale orbitofrontale cortex: beïnvloedt motivatie en het gevoel van beloning. Ontsteking maakt dat activiteiten minder plezier geven en sneller als zwaar worden ervaren.
  • Slaapkwab (temporale kwab): kan bijdragen aan prikkelgevoeligheid, stemmingswisselingen, gehoorstoornissen en hoofdpijn.

Ook eenzijdige (unilaterale) ontstekingen:

  • Amygdala: versterkt angst en verhoogde waakzaamheid.
  • Posterior cingulate: stimuleert piekeren en herhalende gedachten.
  • Linker hippocampus: belangrijk voor geheugen en leerprocessen.
  • Linker thalamus: centrale doorgang voor bijna alle zintuiglijke signalen. Ontsteking hier kan op zichzelf veel symptomen veroorzaken.

Het totale beeld lijkt op een brein dat blijft hangen in een aanhoudende herstelmodus.

Normaal gesproken schakelt het brein bij ziekte over op een energiebesparende toestand: vermoeidheid, verminderde motivatie en de behoefte aan rust helpen het lichaam om te herstellen.

Bij ME/cvs lijkt deze biologische herstelreactie niet uitgeschakeld te worden, zelfs lang nadat de oorspronkelijke infectie verdwenen is. Het is alsof het centrale zenuwstelsel blijft reageren alsof er nog steeds herstel nodig is.

Gevolgen van een ontstoken brein kunnen zijn:

  • Aanhoudende vermoeidheid en pijn
  • Verminderde motivatie en beloningsgevoel
  • Overmatige waakzaamheid en angst
  • Slecht geheugen en verminderde concentratie
  • Slechte slaap
  • Overgevoeligheid voor prikkels

Younger ziet ook een duidelijke link met de energieproblemen in het lichaam.

Ontstekingen in de hersenen kunnen via het autonome zenuwstelsel, de hormoonhuishouding en stofwisselingsprocessen de mitochondria (energiefabriekjes van cellen) in spieren en de immuuncellen minder efficiënt laten werken. Dat past bij de extreme uitputting die ME/cvs-patiënten ervaren.

Oorzaak

De exacte oorzaak van de hersenontstekingen is nog onduidelijk, maar ontstekingssignalen uit het lichaam lijken een logische boosdoener.

Younger noemt verschillende mogelijke behandelopties, zoals ontstekingsremmende medicijnen en supplementen, zenuwstimulatie (bijvoorbeeld tFUS-ultrasound) en methoden om het stress- en waakzaamheidssysteem van het brein te kalmeren.

Zijn boodschap is helder:

‘We moeten hersenontstekingen verminderen als we ME/cvs willen verbeteren’

Hij werkt op dit moment aan meerdere onderzoeken en hoopt binnenkort meer nieuws te hebben over klinische trials die zich specifiek richten op het verminderen van neuro-inflammatie.


Bronnen:
Video Jarred Younger en Cort Johnson (Health Rising)

Hersenscan laat verschillen zien

Hersenscan laat verschillen zien tussen ME/cvs-patiënten

7 juli 2025

Bij een hersenscan zijn verschillen zichtbaar tussen patiënten met ME/cvs. Een onderzoek door Xiang Yu et al uit Australië, gepubliceerd in Nature, vergeleek ME/cvs-patiënten met een geleidelijk begin van de ziekte, ME/cvs-patiënten met een post-infectueus begin van de ziekte en gezonde controles. Zij gebruikten daarvoor een diffusion-MRI.

Dit onderzoek richtte zich op mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), een complexe en invaliderende ziekte die zich kenmerkt door extreme vermoeidheid, post-exertionele malaise (PEM), cognitieve problemen zoals “brainfog”, slaapproblemen en andere lichamelijke klachten. 

Ontstaan en symptomen ME/cvs

ME/cvs kan op verschillende manieren ontstaan: bij sommige mensen ontwikkelen de klachten zich plotseling na een infectie (de zogenoemde post-infectieuze vorm , of PI-ME/cvs), terwijl bij anderen de klachten geleidelijk ontstaan zonder duidelijke aanleiding (de geleidelijk beginnende vorm, of GO-ME/cvs).

Hoewel beide vormen van ME/cvs vergelijkbare symptomen hebben, is er al langer het vermoeden dat ze verschillende onderliggende biologische oorzaken hebben.

Hersenscan als onderzoek

Dit onderzoek wilde met behulp van een geavanceerde hersenscan (diffusion-MRI) nagaan of er verschillen zijn in de witte stof van de hersenen tussen deze twee groepen patiënten.

De witte stof bestaat uit zenuwbanen die verschillende hersengebieden met elkaar verbinden en dus essentieel zijn voor een goede communicatie tussen hersendelen. Veranderingen in deze structuur kunnen bijdragen aan vermoeidheid, concentratieproblemen en andere klachten die bij ME/cvs vaak voor komen.

Opzet van het onderzoek

In totaal werden 143 personen onderzocht: 43 patiënten met PI-ME/cvs, 33 patiënten met GO-ME/cvs, en een bijpassende groep gezonde controles, die allemaal een overwegend zittende levensstijl hadden. Die laatste groep werd bewust gekozen om verschillen door bijvoorbeeld sport of beweging uit te sluiten. De ME/cvs-patiënten voldeden aan de Canadese Consensus Criteria.

De onderzoekers gebruikten een hersenscan met een techniek genaamd diffusion-MRI. Die meet hoe water zich verplaatst in de hersenen, wat informatie geeft over de gezondheid en structuur van zenuwbanen.

Belangrijkste bevindingen bij PI-ME/cvs

De onderzoekers ontdekten door de hersenscan dat mensen met PI-ME/cvs opvallend hogere waarden hadden van wat men “axiale diffusiviteit” (AD) noemt.

Dat is een maat voor hoe gemakkelijk water zich langs zenuwbanen in de hersenen kan verplaatsen, wat iets zegt over de gezondheid van die zenuwbanen. Deze verhoogde AD-waarden werden vooral gezien in banen die betrokken zijn bij motoriek en emotionele verwerking.

Bovendien bleek dat hoe slechter de lichamelijke gezondheid van de patiënt was, hoe groter deze afwijkingen in de hersenen waren.

Bij mensen die korter ziek waren, waren de afwijkingen op de hersenscan sterker aanwezig, wat suggereert dat er in de eerste fase mogelijk sprake is van ontstekingen in de hersenen die later wat afnemen.

Belangrijkste bevindingen bij GO-ME/cvs

In tegenstelling tot de PI-ME/cvs-groep, vertoonden mensen met GO-ME/cvs juist lagere AD-waarden, met name in de hersenbalk (corpus callosum), het gebied dat de twee hersenhelften met elkaar verbindt. Deze afwijkingen gingen samen met slechtere scores op het gebied van mentale gezondheid.

De onderzoekers denken dat dit kan wijzen op een ander ziekteproces dan bij PI-ME/cvs, bijvoorbeeld een langzaam voortschrijdend verlies van zenuwvezels of verstoringen in energiehuishouding van de hersenen.

Dit sluit aan bij eerdere vermoedens dat bij GO-ME/cvs factoren zoals langdurige stress, mitochondriale problemen of verminderde doorbloeding een rol kunnen spelen.

Wat viel er nog meer op?

Opvallend genoeg zagen de onderzoekers alleen afwijkingen in één specifieke MRI-meting, terwijl andere metingen die iets zeggen over de structuur en dichtheid van de hersenverbindingen geen verschil lieten zien tussen patiënten en gezonde mensen. 

De onderzoekers denken dat hun strengere methodologie en nauwkeurige beeldverwerking een betrouwbaarder beeld geven dan sommige eerdere studies.

Belangrijk is dat uit dit onderzoek blijkt dat traditionele vragenlijsten en symptoomscores, zoals die vaak in de kliniek worden gebruikt, geen verschil kunnen maken tussen de twee vormen van ME/cvs.

De afwijkingen in de hersenen zijn dus subtiel en alleen zichtbaar met geavanceerde beeldvorming. Dit onderstreept dat de huidige manier van diagnosticeren mogelijk onvoldoende is en dat er behoefte is aan nieuwe, gevoelige meetmethoden.

Mogelijke gevolgen voor behandeling

De uitkomsten van dit onderzoek (met deze specifieke hersenscan) wijzen erop dat PI-ME/cvsen GO-ME/cvs niet alleen klinisch, maar ook biologisch van elkaar verschillen.

Dat heeft belangrijke implicaties voor de behandeling: mensen met PI-ME/cvs zouden mogelijk baat hebben bij therapieën die zich richten op het immuunsysteem en het verminderen van ontstekingen, terwijl mensen met GO-ME/cvs wellicht meer geholpen zijn met behandelingen die zich richten op neuroprotectie, energievoorziening of cognitieve ondersteuning.

Beperkingen van het onderzoek

Tot slot erkennen de onderzoekers dat hun studie beperkingen kent.

Zo waren de patiëntengroepen relatief klein, werd er geen bloedonderzoek gedaan om de MRI-bevindingen aan andere biologische markers te koppelen, en konden ze door het beperkte aantal deelnemers geen onderscheid maken naar ernst van de ziekte binnen de subgroepen.

Toch leveren deze resultaten een belangrijke bijdrage aan ons begrip van ME/cvsen vormen ze een eerste stap naar een meer op maat gemaakte benadering van deze ziekte.

Bron: https://www.nature.com/articles/s41598-025-09379-z?s=09

Waarom dunnevezel-neuropathie (DVN) herkennen bij ME/cvs belangrijk is

Dunnevezelneuropathie (DVN) en ME/cvs – ME Research UK

Veel ME/cvs patiënten rapporteren symptomen die passen bij Dunnevezelneuropathie (DVN). Het is daarom een interessant onderwerp en verschillende onderzoeken bespreken de associatie tussen ME/cvs en DVN. In dit artikel gaan we daarop in.

Dunnevezelneuropathie (DVN) is een aandoening die dunne zenuwvezels in het hele lichaam aantast, wat leidt tot verschillende sensorische symptomen zoals pijn, “pinnen en naalden” , een branderig gevoel, en autonome symptomen zoals hartkloppingen, maag-darmproblemen en overmatig zweten.

Verminderde sensorische functie bij ME/cvs door DVN

Onderzoekers in Spanje beoordeelden 50 personen met ME/cvs, 87 personen met langdurige COVID en 50 gezonde controles. De aanwezigheid van autonome en sensorische DVN werd geëvalueerd met behulp van een Sudoscan (instrument dat zenuwbeschadiging meet door de zweetklierfunctie te beoordelen), contact heat evoked potentials (hersenreacties op thermische stimuli die op de huid worden aangebracht) en kwantitatieve sensorische tests (meet veranderingen in gevoeligheid voor verschillende sensaties zoals temperatuur, druk en trillingen).

Dunnevezelneuropathie en ME/cvs - De resultaten duiden op mogelijke schade aan soorten sensorische vezels die bekend staan als niet-gemyeliniseerde vezels van het C-type.

Zowel personen met ME/cvs als personen met langdurige COVID vertoonden significante verschillen in detectie van en reactie op hitte in vergelijking met gezonde controles. De resultaten duiden op mogelijke schade aan soorten sensorische vezels die bekend staan als niet-gemyeliniseerde vezels van het C-type.

DVN en dysautonomie

Eén studie stelde een hoge prevalentie van DVN vast bij ongeveer een derde van de ME/cvs-patiënten, iets minder dan de prevalentie van ongeveer 50% die wordt gezien bij het posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS), een vorm van dysautonomie (aantasting van het autonome zenuwstelsel) en een veel voorkomende comorbiditeit bij ME/cvs.

Bij POTS ervaren mensen abnormale bloedophoping (blood pooling) in de benen bij het opstaan, wat mogelijk te wijten is aan een slechte vernauwing van de aderen (venoconstrictie) veroorzaakt door beschadigde dunne zenuwvezels.

Bloedophoping in de benen kan ook betekenen dat er minder bloed terugstroomt naar het hart – een aandoening die bekendstaat als preload failure (falen van de voorbelasting) en die geassocieerd wordt met inspanningsintolerantie. Daarom stellen de onderzoekers DVN voor als “de belangrijkste oorzaak van preload failure bij een aanzienlijk, nog niet volledig gemeten, percentage ME/cvs-patiënten”.

Onderliggende mechanismen

Auto-immuniteit speelt mogelijk een rol bij DVN, waarbij het immuunsysteem van het lichaam zijn eigen zenuwen aanvalt. Er wordt ook verondersteld dat bij ME/cvs een overmatige productie van stoffen zoals bradykinine zou kunnen leiden tot een verhoogde doorlaatbaarheid van de bloed-hersenbarrière en de productie van cerebrospinaal vocht, wat op zijn beurt de druk op de zenuwen verhoogt, wat leidt tot DVN.

Bij ME/cvs en mestcelactiveringssyndroom (MCAS; een andere comorbiditeit van ME/cvs) kan geassocieerde DVN de productie verminderen van belangrijke neuropeptiden (chemische boodschappers) die betrokken zijn bij het verwijden van bloedvaten. Het tekort hieraan bij ME/cvs zou kunnen leiden tot een slechte bloedtoevoer naar de spieren, wat kan bijdragen aan symptomen zoals vermoeidheid en pijn.

Behandeling van DVN

De behandeling lijkt complex en afhankelijk van meerdere factoren. Eén bron stelt: “De behandeling van DVN moet bestaan uit behandeling van de onderliggende etiologie [sic] bij patiënten met een vastgestelde oorzaak van de neuropathie…

Pijnbehandeling is belangrijk bij de behandeling, omdat neuropathische pijn slopend kan zijn en een vermindering van het functioneren en depressie kan veroorzaken. Pijn die secundair is aan DVN kan vaak het beste worden behandeld door een multidisciplinair team, dat kan bestaan uit een huisarts, een specialist op het gebied van pijnbestrijding, een neuroloog en een psychiater.

Medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling, zijn onder andere anticonvulsiva, antidepressiva, lokale anesthetica [sic], verdovende middelen, niet-narcotische pijnstillers en antiaritmica, terwijl niet-farmacologische behandelingen zoals warmte, ijs, massage van pijnlijke gebieden en transcutane elektrische zenuwstimulatie (TENS) ook gebruikt kunnen worden.”

Zoals NICE stelt in hun richtlijn over neuropathische pijn: “Neuropathische pijn is zeer moeilijk te behandelen vanwege de heterogeniteit van etiologie, symptomen en onderliggende mechanismen…”.

Conclusie

Het diagnosticeren van DVN bij mensen met ME/cvs kan helpen de behandelingsbenadering te verschuiven naar meer gerichte therapieën, waarbij de onderliggende mechanismen worden aangepakt. Bij het beheersen van comorbiditeiten, zoals DVN, hebben zorgverleners de mogelijkheid om de symptoomlast bij ME/cvs te verlichten.

Verder stelt een artikel treffend: “Een uitgebreidere evaluatie wordt aanbevolen om de bijdrage van DVN aan ME/cvs volledig te onderzoeken. Hoewel noch ME/cvs noch enig op symptomen gebaseerd syndroom wordt veroorzaakt door slechts één enkele ziekte of pathofysiologie, zorgt het diagnosticeren van vastgestelde ziekten, indien aanwezig, ervoor dat in ieder geval deze patiënten in een effectiever klinisch kader terechtkomen en vergemakkelijkt het de detectie van resterende bijdragers.”

Dunnevezelneuropathie en ME/cvs
Dunnevezelneuropathie (DVN) = schade of verlies aan dunne zenuwvezels die leidt tot een scala van sensorische en autonome symptomen
DVN treft mogelijk een derde van de personen met ME/cvs en de helft van de personen met posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS)
Hypotheses voor mechanismen van zenuwschade: auto-immuniteit; druk van cerebrospinaal vocht…
pijn – autonome disfunctie – brandend gevoel – spelden en naalden

Lees meer over wat ME/cvs zo invaliderend maakt [in het Engels]

© ME Research UK, 10 juni 2024
Vertaling ME-gids.

Brain Changes – Inzichtelijk interview met Prof. dr. Inge Huitinga

Het onderzoek van Huitinga: Brain Changes

Datum interview met Prof. dr. Inge Huitinga: 15 maart 2024

Professor dr. Huitinga is directeur van de Nederlandse Hersenbank en zij leidt daarnaast ook een  neuro-immunologische onderzoeksgroep in het Nederlands Herseninstituut in Amsterdam. Zij geeft leiding aan het onderzoeksproject Brain Changes in ME/CFS.

1. Kun je iets vertellen over jezelf?

Ik heb biologie gestudeerd. Tijdens mijn studie heb ik mij gericht op zowel de neurobiologie als de immunologie. Ik ben daarom neuro-immunoloog en combineer onderzoek binnen beide velden. 

Mijn promotieonderzoek was gericht op de vraag hoe het zit met de immunologische afweer in het brein tijdens multiple sclerosis (MS), en auto-immuun encefalomyelitis, d.w.z. een hersenziekte waarbij ontstekingen in het brein een belangrijke rol spelen (Toelichting: encefalomyelitis is een ontsteking van de hersenen en het ruggenmerg. Auto-immuun betekent afweer tegen eigen lichaamscellen). Afweer in het brein is dus mijn deskundigheid.

Empirisch onderzoek en (d.m.v. proeven) toetsbare wetten vind ik belangrijk: ‘meten is weten’. Ik ben een tijd met MS onderzoek bezig geweest, heb ook een tijd in Oxford gewerkt maar wilde terug naar Nederland.

2. Wat is je binding met ME/cvs? 

Al in de vroege jaren ‘90 was ik geïnteresseerd in ME/cvs, terwijl ik werkte aan MS, maar er was toen nog erg weinig over bekend. ME betekent myalgische encefalomyelitis en zou daarom overeenkomsten met MS kunnen hebben. 

Als neuro-immunoloog ben ik per definitie geïnteresseerd in ontstekingen in de hersenen. Maar er was geen proefdiermodel voor ME en er waren geen hersenen van mensen met ME beschikbaar. Er waren wel ontstekingswaarden in het bloed te meten maar op de MRI was niets te zien.

Dat beperkte toen de mogelijkheden voor mij om nader onderzoek naar ME/cvs te doen. In de loop van de tijd hebben we wel aanmeldingen van ME-patiënten als hersendonor bij de Hersenbank gekregen. Die mensen waren gedreven om aan hersenonderzoek bij te dragen. 

Het was toen nog onduidelijk onder welke diagnose ze moesten worden ondergebracht. Vanwege de neurologische symptomen is het waarschijnlijk dat er in de hersenen iets fout gaat. Of dat de oorzaak of een gevolg is, bijvoorbeeld van veranderingen in het afweersysteem, moet nog blijken. 

We hebben al hersenen van 6 ME/cvs hersendonoren die we in detail gaan onderzoeken. Daarbij hebben we 90 symptomen van 3000 hersendonoren in kaart gebracht in de zgn. Netherlands Neurogenomic Database (NND). Die symptomen kunnen in relatie met afwijkingen in de hersenen nu nader worden onderzocht. 

In de NND kunnen we bijvoorbeeld vermoeidheid en ook andere symptomen van ME zoeken en dan relateren aan veranderingen in het hersenweefsel. Zo kunnen we achterhalen of en wat er mis gaat in de hersenen bij ME.

3. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/cvs

Jörg Hamann is het hoofd van de AMC Biobank. Hij stelde voor te reageren op de onderzoeksoproep van ZonMw naar ME/cvs. Er werden al veel weefsels verzameld maar nog geen hersenen. Dat is wat we willen gaan doen, als hersenonderzoeker en neuro-immunoloog zouden we dan ME/cvs hersenonderzoek kunnen gaan doen. 

Als Hersenbank kunnen we door een nieuw hersendonorprogramma rond ME/cvs, hersenonderzoek naar deze ziekte zelfs wereldwijd mogelijk maken. Voor mij is een belangrijke vraag of er daadwerkelijk een encefalomyelitis gaande is in mensen met ME/cvs, zoals de naam suggereert. 

Dat zou betekenen dat er mogelijk een ontsteking is van de hersenen en het ruggenmerg, waar dan misschien met medicatie wat aan te doen zou kunnen zijn. Dat wil ik graag onderzoeken. 

Samen met Paul Lucassen, die de plasticiteit van het brein onderzoekt aan de Universiteit van Amsterdam, en Jörg Hamann, vormen we een mooi onderzoeksteam waarin veel ervaring en deskundigheid aanwezig is. 

Bij de WHO is ME/cvs nu ondergebracht bij postvirale neurologische ziekten zoals Longcovid en Q-koorts. We hebben biomarkers nodig om de diagnose ME betrouwbaar te kunnen stellen. 

Om biomarkers te vinden moet je ook eerst weten welke moleculaire en cellulaire veranderingen in ME/cvs aan de orde zijn.

In het brein zouden we wellicht specifieke veranderingen bij ME/cvs kunnen vinden. We hebben nu het hersenweefsel en nieuw ontwikkelde technieken zijn er nu ook gevoelig genoeg voor, zodat we per cel kunnen vaststellen wat er verandert bij ME/cvs. 

Om zeker te weten dat veranderingen door ME/cvs komen, is een homogene groep nodig (een groep met zeer veel overeenkomsten). Anders ga je geen kenmerkende verschillen vinden.

Dus we moeten goed naar de diagnose ME/cvs kijken en ook veranderingen per symptoom bekijken. Aan de andere kant kunnen die verschillen ook wel weer helpen als je heel grote afwijkingen van het gemiddelde vindt.

4. Wat voor beeld heb jij van ME/cvs? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?

Ik verwacht dat de afweerrespons verstoord is. Dat is geen hersenziekte (waarbij de ziekte begint in het brein zoals de ziekte van Alzheimer of Parkinson) maar een immuunziekte die verstoringen in de hersenen veroorzaakt.

Bij ME/cvs verwachten wij veranderingen te vinden op het gebied van afweer in de hersenen. Ik vind het ook een beetje een erezaak om dat uit te zoeken als neuro-immunoloog.

5. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?

Het project bestaat uit twee afzonderlijke delen. We starten ten eerste een hersendonorprogramma op. Dat betekent dat we mensen met ME/cvs en gezonde controles vragen om na overlijden hun hersenen via de hersenbank ter beschikking te stellen voor onderzoek. 

Er wordt naar gestreefd 200 hersendonoren te registreren. We verwachten 50 autopsies te kunnen doen. Dat is veel om in de loop van vier jaar (de looptijd van de subsidie) te bereiken. Dat hersenweefsel wordt door de Nederlandse Hersenbank vervolgens uitgegeven voor wereldwijd onderzoek naar ME zodat ook andere groepen hier onderzoek naar kunnen doen.

Naast het hersendonorprogramma willen we zelf ook onderzoek doen op het hersenweefsel van mensen met ME of symptomen van ME/cvs patiënten. Dat is deel twee van het onderzoek. 

6. Hoe wordt de doelgroep bepaald?

Iedereen die de diagnose ME bij leven kreeg, wordt ingedeeld in de grote groep ME. Het is aan de onderzoekers die een aanvraag bij de hersenbank indienen om te bepalen wat ze precies willen onderzoeken.

Als tweede stap kunnen we dan in de NND op zoek gaan naar mensen met dezelfde symptomen, zoals vermoeidheid, balans problemen, vergeetachtigheid en slecht herstel na inspanning. We kunnen die symptomen dan vergelijken met die van een groep donoren zonder die symptomen. 

7. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?

Het antwoord op de vraag: zijn er aanwijzingen van een encefalomyelitis te vinden, dus een ontsteking van brein en ruggenmerg? Kunnen we moleculaire verstoringen vinden in de afweercellen, het stress systeem en in de mitochondriën in het brein, in de hersenvloeistof en in het bloed van mensen met ME/cvs. 

Dat willen we vervolgens omzetten naar bruikbare “instrumenten”, in de zorg ‘biomarkers’ genoemd, om te helpen de diagnose ME/cvs betrouwbaar te stellen en op termijn een therapie te ontwikkelen.

8. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?

Voor het hersendonorprogramma van de Nederlandse Hersenbank helpen de patiëntvertegenwoordigers mee om de teksten voor de patiëntenfolder vorm te geven en geven ze advies over de communicatie, via hen bereiken we ook ME/cvs patiënten, hun familieleden en (mantel)zorgers en potentiële hersendonoren. We schrijven korte teksten en we hebben een voorleesfunctie geïnstalleerd op de website van de Hersenbank.  

Ook geven patiëntvertegenwoordigers informatie over diagnostiek en over de symptomen die zij ervaren waar we weer van leren. Het is belangrijk om te weten hoe mensen de ziekte ervaren. 

Voor de onderzoeken zelf hebben wij de wetenschappelijke expertise, maar wij kunnen het hele beeld beter interpreteren als we het verhaal van de patiënten kennen. 

We horen van hen over het gebrek aan erkenning. Dit alles te weten, verbetert ook onze communicatie naar buiten toe. Daarmee wordt hopelijk de onbekendheid rondom ME/cvs minder.

9. Wat is de stand van zaken voor jouw onderzoek?

Dit project is in de startfase waarbij de patiënteninformatie momenteel door patiëntvertegenwoordigers wordt bekeken. Zij maken daar opmerkingen bij om de tekst goed af te stemmen op de patiënten. We gaan het Hersendonorprogramma voor ME/cvs lanceren met een persbericht. Ook wordt er al gewerkt aan het speciaal onderzoeksprotocol om het hersenweefsel van ME/cvs te onderzoeken.

Er is al van zes ME patiënten hersenmateriaal beschikbaar (maart 2024). De postdoc die het onderzoek binnen dit programma zal uitvoeren start in mei in het Nederlands Herseninstituut (Een postdoc is een onderzoeker die kortgeleden is gepromoveerd). 

Het is belangrijk om de klinische gegevens van de ME/cvs hersendonoren goed te bekijken. We zijn al gestart met onderzoek naar de energiehuishouding in de hersenen. We kijken naar microglia (ontstekingscellen) en mitochondriën (energieleveranciers voor de cellen) in brein en spieren. 

Ten derde gaan we na of de stress-as is geactiveerd, de HPA-as. De hypothalamus (een klein gebiedje onder in de hersenen) heeft een belangrijke regelfunctie voor allerlei  processen in het lichaam. Is er iets op tilt geslagen of juist niet?

10. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?

We doen een oproep aan mensen met en zonder ME om hersendonor te worden. Het is erg belangrijk dat er meer inzicht komt in de biologische achtergronden van ME/cvs, daarvoor zullen we het weefsel in groot detail gaan onderzoeken, maar die informatie is alleen dan waardevol als we ook weten of het van een patiënt of bv controle individu afkomstig is en wat de symptomen waren. 

Alle gegevens van hersendonoren zijn geanonimiseerd. De Nederlandse Hersenbank heeft tot doel om hersenweefsel uit te geven voor onderzoek aan onderzoekers wereldwijd. Zo kan het onderzoek naar ME in een stroomversnelling komen. 

Wij kunnen altijd informatie geven wat het betekent om hersendonor te zijn. Mensen moeten het gevoel hebben dat ze het echt graag willen. We kunnen bellen of e-mailen en informatie opsturen.

Heeft u interesse in Hersendonatie en wilt u meer informatie, vraag dan een informatiepakket aan bij de Nederlandse Hersenbank voor ME/CVS: www.hersenbank.nl

Logo NHB voor Donorprogramma ME/cvs

Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.

Meer over Brain Changes op de NMCB website

Meer over Brain Changes op de ZonMw website

Meer over de Hersenbank

Studie van Nath Deel I: “Het is een hersenziekte…”

De ME/cvs-Intramurale Studie van Nath Deel I: “Het is een hersenziekte…”

“Eén ding is duidelijk: het is een ziekte die vanuit de hersenen komt”

Nancy Klimas

Het was een van de duurste ME/cvs-studies ooit. Het was het geesteskind van voormalig NIH-directeur Francis Collins en de ongebruikelijke studie was ontworpen om de NIH een solide basis te geven om vooruitgang te boeken bij een controversiële ziekte.

De studie was niet ontworpen om de oorzaak van ME/cvs te bepalen. In plaats daarvan was de studie van 8 miljoen dollar, met zijn uiterst strenge selectieproces van patiënten, ontworpen om naar een zeer breed scala aan factoren te kijken en zo met stevige pistes voor toekomstig onderzoek te komen.

Avindra Nath noemde het project het meest complexe dat hij ooit heeft geleid.

Dat vooruitzicht leek twijfelachtig toen de NIH het onderzoek tijdens de pandemie stillegde en nooit heropende, waardoor het ongeveer 50% onder het oorspronkelijke streefcijfer van 80 deelnemers bleef.

Avindra Nath, de leider van het project, waarbij uiteindelijk meer dan 75 wetenschappers betrokken waren, zei dat het zonder twijfel het meest complexe project was dat hij ooit had geleid. Nancy Klimas zei dat het “de meest grondige evaluatie was ooit uitgevoerd in een klinische studie die ik ken voor welke ziekte dan ook“.

De inzet was hoog. Een studie met een nulresultaat zou de interesse in de ziekte bij de NIH wel eens kunnen doen kelderen. Aan de andere kant zou een positief onderzoeksresultaat de lage positie van ME/cvs bij de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld – de NIH – een boost geven.

Prestigieus tijdschrift

De kleine onderzoeksgroep baarde zorgen – die uiteindelijk overdreven bleken te zijn – over de kans dat het artikel gepubliceerd zou worden in een prestigieus tijdschrift. De studie “Deep phenotyping of post-infectious myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome” werd gepubliceerd in Nature Communications – een multidisciplinair tijdschrift met een hoge impactfactor dat afkomstig is van de prestigieuze Nature Publications-groep. Een recensie rapporteerde dat “het rigoureuze peerreviewproces en de hoge redactionele standaarden hebben bijgedragen tot de sterke reputatie van het tijdschrift onder wetenschappers”.

De publicatie van het onderzoek in dit tijdschrift betekent dat het wordt verspreid onder een “groot publiek van onderzoekers, wetenschappers en academici uit verschillende disciplines over de hele wereld”. Met andere woorden, iedereen zal het lezen.

En inderdaad, mediakanalen van de New York Times, “Studie over patiënten met het chronischevermoeidheidssyndroom kan aanwijzingen geven voor Long Covid“, tot Science, “Grootschalig onderzoek naar chronische vermoeidheid brengt aanwijzingen maar geen duidelijkheid over mysterieus syndroom”“, tot Stat News  “NIH-onderzoek naar ME/cvs wijst op immuundisfunctie en hersenafwijkingen aan de basis van lang verwaarloosde ziekte“, tot Medical Express, “Studie biedt nieuwe aanwijzingen in de oorzaken van postinfectieus chronischevermoeidheidssyndroom“, tot de Scientific American, “Personen met Myalgische Encefalomyelitis/Chronische vermoeidheidssyndroom kunnen een “uitgeput” immuunsysteem hebben“, tot de Guardian, “Wetenschappers vinden verband tussen verstoord evenwicht in de hersenen en het chronischevermoeidheidssyndroom“, behandelden het.

De groep

Eén ding moet je in gedachten houden: dit was een selecte en in sommige opzichten vreemde groep patiënten, op manieren die de onderzoekers niet hadden kunnen weten. De patiënten moesten de ziekte hebben opgelopen na een infectie in de afgelopen vijf jaar.

Met bijna een kwart van de groep die aan de beterhand was en zonder bewijs van verhoogde percentages orthostatische intolerantie, dunnevezelneuropathie, slaapproblemen of cognitieve stoornissen leek de ME/cvs-groep een beetje afwijkend.

In haar zoektocht naar nauwgezetheid sloot de studie 190 van de 217 patiënten uit die een gedetailleerde casusbeoordeling kregen van een groep ME/cvs-experts. Vier van de personen die de eerste week in het ziekenhuis hadden doorlopen, werden uitgesloten omdat ze iets anders bleken te hebben (kanker, atypische myositis, primaire biliaire cholangitis, Parkinsonisme).

De patiënten moesten goed genoeg zijn om naar de locatie in Baltimore te komen en moesten studies van meer dan 2 weken kunnen doorstaan, waaronder ten minste één uitputtende inspanningssessie; dat betekent dat ze er beter aan toe waren dan de meesten. Verschillende veel voorkomende bevindingen bij ME/cvs die goed gevalideerd zijn (dunnevezelneuropathie, orthostatische intolerantie/POTS, slaapproblemen, cognitieve stoornissen) waren niet verhoogd bij de ME/cvs-groep.

De vreemdste uitkomst was echter dat bijna een kwart van de groep (4/17) ME/cvs-patiënten “spontaan herstelde” na de studie – wat aangeeft dat een aanzienlijke subgroep van patiënten op een fundamentele manier anders was dan jij of ik.

Niet psychologisch – Afgevinkt!

De auteurs stelden dat de deelnemers uitgebreide neuropsychologische tests ondergingen die aangaven “dat hun symptomen geloofwaardig waren en een waarheidsgetrouwe weergave van hun ziekte”, en zij concludeerden dat “psychiatrische stoornissen geen belangrijk kenmerk waren in dit cohort en niet verantwoordelijk waren voor de ernst van hun symptomen”.

Stoornis in het autonome zenuwstelsel – Afgevinkt!

Verhoogde activiteit van het sympathische zenuwstelsel/verlaagde activiteit van het parasympathische zenuwstelsel overdag (HRV) en ‘s nachts (nachtelijke hartslag), volgens de auteurs als gevolg van problemen met het centrale zenuwstelsel [n.v.d.r. in eerste instantie maken het sympathische en parasympatische zenuwstelsel deel uit van het autonome zenuwstelsel].

Inspanningsvoorkeur (Inspanningsvoorkeur?)

Een test die ik nog nooit eerder gebruikt heb zien worden bij ME/cvs, de “Effort-Expenditure for Rewards Task (inzet van inspanning-versus-beloning-taak) (EEfRT)” kreeg een nogal prominente plaats in het rapport. Deze test bestaat uit een reeks herhaalde proeven waarbij de deelnemers kiezen tussen het uitvoeren van een “moeilijke taak” of een “gemakkelijke taak” om daarmee verschillende geldbedragen te verdienen.

Een lage EEfRT betekent dat een persoon geneigd is om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht de beloning of kansen. Dit kan wijzen op een gebrek aan motivatie, een hoge gevoeligheid voor inspanning of een lage gevoeligheid voor beloning.

Aangezien ME/cvs per definitie vol inspanning is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores halen, en dat was ook zo. Dat ze in de loop van de tijd steeds minder snel op knoppen tikten, deed de auteurs vermoeden dat de PI-ME/cvs-deelnemers zich aan het inhouden waren [pacing] om de inspanning en de daarmee gepaard gaande gevoelens van ongemak te beperken”; m.a.w. ze werden door inspanning op de proef gesteld. Men kan zich afvragen of de patiënten niet gewoon “uitgetikt” (niet grappig bedoeld) konden zijn. Een onderzoek naar het vingertikken bij fibromyalgie toonde aan dat FM-patiënten ook snel verslapten.

Toestand in rust – prima

Geen verschillen in “ademhalingsfunctie, zuurstoftoevoer in de spieren, mechanische efficiëntie, energieverbruik in rust, primaire mitochondriale functie van immuuncellen, spiervezelsamenstelling of lichaamssamenstelling” suggereerden dat er geen sprake was van een lage energiestand in rust.

Let wel op de nadruk op de “toestand in rust”. De conditie van de “toestand in rust” is nooit het belangrijkste aandachtspunt geweest bij ME/cvs. Het belangrijkste probleem is inspanning en postexertionele malaise en dat is precies de reden waarom fysieke of mentale inspanningsstressoren zo nuttig zijn geweest om te onthullen wat we weten over ME/cvs.

De handknijptest

Wie had kunnen denken dat een eenvoudige handknijptest zou leiden tot de belangrijkste bevinding in deze studie?

Waar een lage energietoestand in rust niet de oorzaak leek te zijn van ME/cvs, rapporteerden de auteurs dat er “substantiële verschillen werden waargenomen bij PI-ME/cvs deelnemers tijdens fysieke taken”. Dit is haast de basisdefinitie van ME/cvs – een ziekte die meer fysiologische afwijkingen vertoont tijdens momenten van inspanning dan tijdens rust. Vandaar dat zoveel onderzoekers fysieke/cognitieve stressoren gebruiken in hun studies.

Die fysieke taak was zo eenvoudig als een maximale grijpkrachttest. Deze tests zijn ontworpen om de spierkracht van de hand- en onderarmspieren te evalueren. De proefpersonen met ME/cvs waren in staat om een normale grijpkracht te ontwikkelen.

Zie hoe de reacties uiteenlopen in de Dimitrov-index van vermoeidheidsweerstand in [b], in de TMS-test in [c], en de vetgedrukte hersenscan in [e], aangezien de ME/cvs patiënten er niet in slagen om na verloop van tijd een sterke handgreep aan te houden. (ME/cvs patiënten – rode lijn) © Walitt et al., 2024.

De auteurs gebruikten de Dimitrov-index om de “vermoeidheidsweerstand” te meten, d.w.z. het vermogen van de deelnemer om een sterke grijpkracht aan te houden. Dit wordt gedaan door het aantal niet-vermoeide “blokken” tijdens de test te meten. Er is sprake van een niet-vermoeid blok als de grijpkracht meer dan 50% van de maximale grijpkracht bedraagt. Een vermoeid blok treedt op wanneer de grijpkracht onder 50% van de maximale grijpkracht blijft.

Deze eenvoudige test lijkt een goede manier om de aanwezigheid van postexertionele malaise te bepalen. Als de grijpkracht normaal blijft, kan de deelnemer de inspanning volhouden. Zo niet, dan kan hij dat niet. Merk op dat dit allemaal lijkt te gebeuren tijdens anaerobe energieproductie. Er is geen of weinig aerobe energieproductie nodig en het is niet duidelijk hoe conclusies die worden getrokken tijdens een handknijptest, toepasbaar zijn op de resultaten van een aerobe inspanningstest.

Terwijl de grijpkracht van de ME/cvs-patiënten aan het begin normaal was, ging hun grijpkracht snel achteruit. Het feit dat ze een significant lager aantal “niet-vermoeide blokken” lieten zien, wees erop de ze te weinig uithoudingsvermogen hadden en suggereerde dat ze een verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” hadden. Dat deed zich niet voor bij de gezonde controles.

Dit patroon – een normale maximale grijpkracht maar een onvermogen om deze lang vol te houden, deed de auteurs vermoeden dat de verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” niet te wijten was aan problemen met de spieren zelf, maar werd veroorzaakt door de hersenen.

Handgreepkracht werd echter verschillende keren als verlaagd vastgesteld in eerdere ME/cvs-onderzoeken. In één studie was de kracht van de handgreep zelfs zo verminderd dat de onderzoekers voorstelden om dit als diagnose voor ME/cvs te gebruiken.

Slechte motor? De motorische cortex staat op het voorplan

Een transcraniële magnetische resonantiestimulatie (TMS) tijdens de handgreepoefening suggereerde dat problemen met de motorische cortex de boosdoener waren. De motorische cortex is verantwoordelijk voor het activeren van de spieren tijdens inspanning.

Wanneer we een fysieke taak uitvoeren, activeert de primaire motorische cortex in onze hersenen de motorneuronen in ons ruggenmerg, die vervolgens een signaal sturen naar de neuromusculaire verbinding van de spier om die spier te doen bewegen. Als een spiervezel vermoeid raakt, worden er meer spiervezels aangesproken. Zolang er nieuwe, verse spiervezels overblijven om geactiveerd te worden, kan de oefening doorgaan. Als er geen spiervezels meer zijn om te rekruteren of als de hersenen een probleem hebben met het rekruteren van nieuwe spiervezels, dan treedt vermoeidheid op.

Niet alleen zorgt de motorische cortex ervoor dat de spieren worden geactiveerd bij inspanning, maar een onderzoek naar fibromyalgie suggereerde dat hij ook een rol kan spelen bij pijn. © 3D brain data is from AnatomographyCC BY-SA 2.1 JP, via Wikimedia Commons

Bij TMS worden magnetische velden gebruikt om de werkzaamheid en integriteit van de verbinding tussen de motorische cortex en de spieren te beoordelen. (Ze doen dit door de amplitude van de motorisch geëvoceerde potentialen (MEP’s) te meten. Bij gezonde, en depressieve, personen daalt de amplitude in de loop van de tijd tijdens de inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten bleef de motorische cortex geactiveerd, wat resulteerde in, om het met de woorden van de auteur te zeggen, “verminderde motorische inzet”. Het was alsof de motorische cortex op de ‘aan’-knop bleef drukken in een poging de spieren in gang te krijgen. Bij de ME/cvs-patiënten vertoonde de overactieve motorische cortex een zogenaamde verhoogde “corticospinale prikkelbaarheid”.

Dit was een interessant resultaat omdat je misschien het tegenovergestelde had verwacht. Een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid wordt vaker in verband gebracht met een verhoogd uithoudingsvermogen. Wie veel pijn verwacht, en wie een vermoeiende en pijnlijke vorm van multiple sclerose heeft, vertoont een verminderde corticospinale prikkelbaarheid.

Deze onderzoekers vonden echter een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid. Verhoogde corticospinale prikkelbaarheid is ook vastgesteld bij ziektes als migraine – een veel voorkomende comorbiditeit bij ME/cvs – en epilepsie. Een recente studie vond dat hyperventilatie – een vaak voorkomend probleem bij ME/cvs – ook geassocieerd kan worden met een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid.

De auteurs stelden het volgende:

“De vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers is te wijten aan een disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen, waarvan de oorzaak verder onderzocht moet worden. Dit is een observatie die nog niet eerder is beschreven in deze populatie.”

Eerdere bevindingen i.v.m. de motorische cortex

Hoewel de meeste onderzoeken de oorzaken van het disfunctioneren van de motorische cortex bij ME/cvs niet hebben onderzocht, is de motorische cortex al eerder opgedoken bij ME/cvs en fibromyalgie.

Een onderzoek uit 1999, waarin een vermindering van de hersenactiviteit “voorafgaand aan de beweging” en langzamere reactietijden werden gevonden, concludeerde dat de “centrale motorische mechanismen” die de basis leggen voor een bijbehorende beweging, aangetast waren bij ME/cvs. Een onderzoek uit 1999 kwam tot de opmerkelijke conclusie dat er sprake was van “een inspanningsgerelateerde vermindering van de centrale motorische aansturing”; dat wil zeggen dat de hersenen moeite hadden om de spieren te laten bewegen bij ME/cvs. Een studie uit 2001 vond dat het moeilijker was voor de hersenen om de spieren van ME/cvs-patiënten te doen reageren. Een ander onderzoek (2003) suggereerde dat er problemen zijn met “motorische planning“.

Een onderzoek uit 2003, “Deficit in motor performance correlates with changed corticospinal excitability in patients with chronic fatigue syndrome” [Tekort aan motorische prestaties correleert met veranderde corticospinale prikkelbaarheid bij patiënten met het chronischevermoeidheidssyndroom], suggereerde dat verminderde spiervezelrekrutering ten gevolge van verminderde output van de motorische cortex, de oorzaak zou kunnen zijn van de vermoeidheid bij ME/cvs. Die studie stelde dat “… veranderende motorische tekorten bij CVS een neurofysiologische basis hebben [die] … de theorie ondersteunt van een tekort in motorische voorbereidende gebieden in de hersenen“.

In een onderzoek naar fibromyalgie was de motorische cortexactiviteit (oxyhemoglobinegehalte) vergelijkbaar tussen de personen met FM en de gezonde controles bij rust en tijdens langzaam tikken, maar toen hen werd gevraagd snel te tikken, nam de activiteit in de motorische cortex van de FM-patiënten af (en daarmee ook hun tikvermogen). De motorische cortex leek niet de metabole capaciteit te hebben om de gezonde controles bij te houden.

De kwestie van de motorische cortex klopt dus met wat we eerder hebben gezien. In zekere zin is het een perfecte verklaring voor ME/cvs.

De vreemde temporopariëtale junctie

(Dit is een lang en moeilijk gedeelte waarin ik zin voor zin moeite had om te begrijpen wat de auteurs bedoelden. Misschien wil je verder gaan naar de Kernpunten :))

De temporale pariëtale junctie verscheen in deze studie voor het eerst bij ME/cvs. © Henry Vandyke Carter, Public domain, via Wikimedia Commons

Om te achterhalen wat er precies aan de hand was tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens de zuurstofniveaus in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in drie delen van hun hersenen – de temporopariëtale junctie (TPJ), de superieure pariëtale kwab en de rechter temporale hersenwinding.

De TPJ – het deel van de hersenen waar ze zich op hebben geconcentreerd – is nog nooit eerder bij ME/cvs naar voren gekomen – maar niemand heeft ooit beelden gemaakt van de hersenen tijdens een handgreepinspanning – en hier begint het een beetje vreemd te worden.

De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emotiesovertuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.

Die bevinding over de voorkeur voor weinig inspanning – die volkomen logisch was – waarom moeite doen als de kosten hoog zijn? – raakte verstrikt in de bevinding van de temporale pariëtale junctie – en je had het gevoel dat de auteurs het ofwel moeilijk vonden om er iets zinnigs over te zeggen, ofwel het moeilijk vonden om het uit te leggen.

De bevinding over de voorkeur voor inspanning kwam vroeg en prominent naar voren in het discussiegedeelte. De eerste zin luidt: “Inspanningsvoorkeur is hoeveel inspanning een persoon subjectief wil leveren.” Terwijl de publicatie zich altijd focuste op de hersenen, verwijzen de auteurs nu naar hoeveel iemand zich subjectief wil inspannen, als in, wat jij, een denkend mens, besluit dat je kunt doen. Het lijkt erop dat we net niet meer met de hersenen te maken hebben, maar met psychologie. Het gaat verder:

“Het wordt vaak gezien als een afweging tussen de energie die nodig is om een taak uit te voeren versus de beloning nadat je geprobeerd hebt om de taak met succes uit te voeren. Als er vermoeidheid begint te ontstaan, zal de inspanning moeten toenemen en zal de verhouding tussen inspanning en voordeel toenemen, misschien wel tot het punt waarop iemand liever een beloning misloopt dan zich in te spannen. Dus, als vermoeidheid zich ontwikkelt, kan er falen optreden door uitputting van capciteit of een nadelige voorkeur.”

Dus is het een uitputting van capaciteit? Het antwoord is nee – de auteurs geloven dat de spieren de capaciteit hebben om het werk te doen. Waarom denken ze dat? Omdat de spieren in staat waren om een geschikte maximale grijpkracht te produceren, omdat de spiermassa normaal was en omdat ze geen bewijs vonden van veranderingen in de spiervezels. Bovendien vonden ze geen aanwijzingen voor problemen in “de ademhalingsfunctie, de zuurstoftoevoer naar de spieren, de mechanische efficiëntie, het energieverbruik in rust, de basale mitochondriale functie van de immuuncellen, de samenstelling van de spiervezels of de lichaamscompositie”. Merk echter op dat heel wat andere studies, waaronder een recente, bewijs hebben gevonden van spierdisfunctie bij ME/cvs en dat er twee grote spierbiopsiestudies momenteel lopen bij de Open Medicine Foundation.

Lees ook:

https://www.me-gids.net/nieuwsartikel/inspanning-veroorzaakt-spierschade-en-energie-uitputting-bij-langdurige-covid/embed/#?secret=ElYp7Sg8l0#?secret=emu7UcNz1k

Lees ook:

https://www.me-gids.net/nieuwsartikel/het-verband-tussen-me-cvs-en-de-spieren-vertelt-dit-het-verhaal/embed/#?secret=4UsUDuXjFe#?secret=Qw7Z1TLemI

Het probleem moet dus – volgens de auteurs – “een nadelige voorkeur” zijn – wat de auteurs in verband brachten met een recente hypothese over de activiteit van de temporale pariëtale junctie. Naast alle andere bizarre dingen waarmee de TPJ in verband is gebracht – die niets met ME/cvs te maken hebben – is het ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.

De “daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben. Misschien weet een beschadigd TPJ niet wat het moet doen als het op inspanning aankomt.

Zouden de bevindingen met betrekking tot inspanningsvoorkeur en TPJ een weerspiegeling kunnen zijn van de moeite die mensen met ME/cvs hebben om hun weg te vinden in een onzekere omgeving?

Eén hypothese betreffende de TPJ (en er zijn er vele) suggereert dat besluitvorming “een optimalisatieprobleem is gericht op het minimaliseren van de variationele vrije energie”. Het minimaliseren van vrije energie impliceert de selectie van acties die onzekerheid over toekomstige uitkomsten verminderen (een groot, groot probleem bij ME/cvs) en die tegelijkertijd de beoogde uitkomsten maximaliseren. Gezien hun onzekerheid over wat er zal gebeuren, hebben ME/cvs-patiënten enorme problemen om te beslissen of ze voor de “gewenste uitkomst” gaan (d.w.z. naar de winkel gaan, vrienden zien, een wandeling maken, naar een doktersafspraak gaan) en daarbij tegelijkertijd de onzekerheid minimaliseren. De beste optie is vaak om de beoogde uitkomst gewoon te laten varen.

Toen kwam deze bizarre zin. “Grotere activering bij de gezonde vrijwilligers suggereert dat ze uitgebreid aandacht besteden aan hun kleine mislukkingen, terwijl de ME/cvs-deelnemers juist bereiken wat ze zich voorgenomen hebben.” (???)

In een poging om alles met een mooie strik in te pakken, zeiden de auteurs: ” Alles bij elkaar suggereren deze bevindingen dat inspanningsvoorkeur, en niet vermoeidheid, het bepalende motorische gedrag van deze ziekte is.” – wat zeker een gekke uitspraak is en moeilijk te interpreteren. Inspanningsvoorkeur kan gewoon betekenen dat je ervoor kiest om je inspanning op bepaalde manieren te spenderen. Voeg daar het deel “motorisch gedrag” aan toe en mogelijk heb je een brein dat zowel bewust als onbewust dingen uitschakelt – zoals de verbinding van de motorische cortex met de spieren.

In die context zou “motorisch gedrag” zoiets kunnen zijn als “ziektegedrag” – een door de hersenen veroorzaakte aandoening die allerlei symptomen en problemen veroorzaakt in een poging om het lichaam zo goed mogelijk te houden.  Laat ik het hierbij houden: motorisch gedrag is een brede en algemene term die “elke vorm van beweging omvat, van onwillekeurige zenuwtrekjes tot doelgerichte acties, in elk deel van het lichaam van top tot teen”.

Het is geen verrassing te noemen dat, gezien de moeite om te begrijpen wat de auteurs bedoelden, de interpretaties van dat deel van het rapport nogal een warboel vormen.

De reacties van de media

We geven dit deel van het onderzoek misschien te veel aandacht. De reacties van de media op het onderzoek waren positief en stonden er verder niet bij stil. Het is meer een kwestie voor ons als gemeenschap gezien onze geschiedenis.

Dat was goed, want zelfs Brian Walitt, de hoofdonderzoeker van de studie, sprak onduidelijk over dit deel van de studie. Het persbericht van de NIH begon goed met de volgende bewering: “Dit suggereert dat vermoeidheid bij ME/cvs veroorzaakt zou kunnen worden door een disfunctie van hersengebieden die de motorische cortex aansturen, zoals de TPJ”. En zo ook Wallitt: “We hebben mogelijk een fysiologisch aandachtspunt geïdentificeerd voor vermoeidheid bij deze populatie”, voordat hij helaas de deur opende voor een psychologische interpretatie door er “denken” bij te halen, toen hij stelde: “In plaats van fysieke uitputting of een gebrek aan motivatie, kan vermoeidheid voortkomen uit een mismatch tussen wat iemand denkt dat hij kan bereiken en wat zijn lichaam presteert.”

Je zou toch denken dat Walitt voorzichtiger zou zijn met dit onderwerp. Naar mijn ervaring is dit een probleem van de hersenen – niet van het denken. De signalen van vermoeidheid, pijn enz. komen zo snel dat ze wel uit de hersenen moeten komen. Twee mediakanalen hebben tot nu toe Walitts onhandige verklaring opgepikt. Het is nogal ironisch hoe vaak mensen met ME/cvs denken en voelen dat ze iets kunnen doen om er halverwege achter te komen dat ze echt in de knoei zitten.

De Medical Express heeft gelijk:

“Uit het onderzoek bleek dat tijdens de handknijptest bij ME/cvs er een verminderde activiteit was in de rechter temporale-pariëtale junctie, een hersengebied dat betrokken is bij zelfwaarneming. Dit is een deel van de hersenen dat een actie voorspelt voordat men zich er bewust van wordt.”

Zo ook Nath in Scientific American

“Nath veronderstelt dat deze dip in activiteit suggereert dat de hersenen personen met ME/cvs ervoor behoeden om kracht uit te oefenen tijdens de grijptest, wat volgens hem logisch is omdat ME/cvs-symptomen vaak verergeren als mensen met de aandoening zichzelf overbelasten. De bevinding is echter nog maar voorlopig en verdere experimenten zijn nodig om het te bevestigen.”

Jonathan Edwards, een reumatoloog aan de UCL, heeft het bij het juiste eind in het Science-artikel

“De onderzoekers suggereren dat hersensignalen stoptekens kunnen laten oplichten om fysieke activiteit te vermijden – vergelijkbaar met hoe een golf van ziekte rust afdwingt. “Als we een zware griep hebben, kunnen we het bed niet uitkomen,” “Het is een centraal signaalprobleem” in de hersenen, zegt hij. “Er is niets mis met je spieren.”

En Tony Komaroff sloeg de spijker op de kop in twee nieuwsmedia:

“ME/cvs-patiënten hadden ook een abnormale werking in een deel van hun hersenen dat inspanning regelt. Als hen wordt gevraagd zich in te spannen, licht het niet zoveel op. Het is alsof je probeert te zwemmen tegen de stroom in.” en “Dat hersengebied, de rechter temporaal-pariëtale junctie, is betrokken bij “het vragen aan de benen om te bewegen, het vragen aan de mond om te openen en te eten – het vraagt als het ware om iets te doen. Als het niet correct oplicht, is het lastiger om het lichaam die inspanning te laten leveren”.

Het blijkt dat in het model dat in het artikel voor ME/cvs wordt voorgesteld, de TPJ geen prominente rol lijkt te spelen. De auteurs geloven dat de TPJ-disfunctie veroorzaakt wordt door andere factoren, maar dat is voor de volgende blog. Er staat nog veel meer in deze studie om op te broeden.

Het vervolg – Deel 2: Lichaamsbeweging, het immuunsysteem en het Grotere Plaatje

De kernpunten

  • De 8 miljoen dollar kostende NIH-studie was misschien wel de belangrijkste ME/cvs-studie om één simpele reden – als ze een succes zou worden, zou dit de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld het vertrouwen geven om meer middelen aan de ziekte te besteden.
  • De studie omvatte twee verblijven van een week in het klinisch centrum van de NIH waar de deelnemers zowat alles kregen wat de NIH hen kon voorschotelen. De geplande studie van 80 personen werd echter ingekort door de pandemie. Tegen het einde van de studie hadden 41 deelnemers (17 ME/cvs-patiënten en 24 gezonde controles) het volgehouden. Plus, ergens na hun deelname aan de studie, herstelden 4 van de ME/cvs-patiënten spontaan – wat suggereert dat ze op een essentiële manier wellicht anders waren dan jij en ik.
  • Een eenvoudige handknijptest waarbij de deelnemers werd gevraagd een handgreep in te knijpen en vast te houden terwijl de onderzoekers het functioneren van de hersenen onderzochten, bleek een grote rol te spelen in het artikel. De ME/cvs-patiënten hadden een normale handgreepkracht, maar deze verslapte snel en hun grijpkracht nam snel af.
  • De auteurs stelden dat het probleem niet in de spieren zat, maar in een deel van de hersenen dat de motorische cortex wordt genoemd. Tijdens inspanning stimuleert de motorische cortex de zenuwen om meer spiereenheden aan te spreken als een spier vermoeid raakt. De motorische cortex van de ME/cvs-patiënten was abnormaal geactiveerd – wat er misschien op wijst dat het tevergeefs bleef proberen om meer spiereenheden te activeren en de vermoeidheid af te wenden.
  • De auteurs beweerden dat “de vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers te wijten is aan disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen”. Een disfunctie van de motorische cortex zou dus veel van de problemen met inspanning bij ME/cvs kunnen verklaren. Hoewel disfunctie van de motorische cortex geen prominente rol gespeeld heeft in het ME/cvs-onderzoek, hebben ten minste vier studies/papers de aanwezigheid ervan voorgesteld.
  • Om te achterhalen wat er gebeurde tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens het zuurstofgehalte in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in een deel van de hersenen dat nog nooit eerder bij ME/cvs was waargenomen – de temporopariëtale junctie (TPJ).
  • De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emoties, overtuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
  • De ” daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben.
  • Een inspanningstest (EEfRT) – die ook nog nooit gedaan is bij ME/cvs – vond dat personen met ME/cvs de neiging hadden om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht of de beloning hoog dan wel waarschijnlijk was. Aangezien ME/cvs per definitie inspannend is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores hebben, en dat was ook zo.
  • De TPJ-bevinding, gecombineerd met de inspanningsbevinding, gecombineerd met de afwezigheid van bevindingen die suggereerden dat de spieren beschadigd waren, deed de auteurs vermoeden dat “inspanningsvoorkeur” de bepalende oorzaak was van het “motorische gedrag” bij ME/cvs – het motorische gedrag was het onvermogen van de motorische cortex om de spieren te activeren.
  • Het was moeilijk om precies te begrijpen wat de auteurs bedoelden, maar het kan iets geweest zijn in de trant van: wanneer de motorische cortex wordt geconfronteerd met inspannende taken zoals lichaamsbeweging, stopt het de signalen naar de spieren, waardoor vermoeidheid wordt veroorzaakt. Dit zou werken op een onbewust (de hersenen schakelen de motorische cortex uit) en mogelijk ook op een bewust niveau (vermijden van inspanning) .
  • Het is geen verrassing dat sommige berichten in de media over dit deel van het onderzoek een beetje psychologisch klonken, terwijl andere dat niet deden. Over het algemeen was de reactie van de media op het onderzoek vrij goed.
  • Maar er komt nog veel meer en deel 2 van de blogserie komt binnenkort.

© Health Rising, 22 februari 2024
Vertaling ME-gids.

Deel 2 van de 3-delige serie blogs over de studie is op de website van MEgids te lezen: https://www.me-gids.net/nieuwsartikel/de-intramurale-me-cvs-studie-van-nath-deel-ii-gemiste-kansen-verkeerde-interpretaties-ensucces/

2023: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek

2023 zal worden herinnerd als het jaar waarin artificiële intelligentie haar grote doorbraak maakte, maar wat bracht het voor het onderzoek naar ME/cvs? Nu het jaar zijn laatste hoofdstuk nadert, is het tijd om de meest interessante ME/cvs-onderzoeken van 2023 te beoordelen.

WASF3 en de spierbiopten van het NIH

We beginnen met de intrigerende bevindingen gepubliceerd door Paul Hwang, een NIH-onderzoeker die grotendeels per ongeluk op ME/cvs stuitte.

Hwang deed onderzoek naar een heel andere ziekte, een genetische kanker met de naam Li-Fraumenisyndroom (LFS). Zijn laboratorium had aangetoond dat de mitochondriën van LFS-patiënten te veel energie produceren die kankercellen in hun voordeel gebruiken om zich te vermenigvuldigen.

Een LFS-patiënte genaamd Amanda Twinam schreef Hwang vervolgens dat ze leed aan invaliderende chronische vermoeidheid die niet gemakkelijk paste in zijn beeld van overactieve mitochondriën. Haar symptomen leken op ME/cvs. Zoals Hwangs studie uitlegt: “Ze meldde krampen in de spieren van haar onderste ledematen, vergelijkbaar met krampen die geassocieerd worden met zware inspanning maar die in rust optreden, en inspanningsintolerantie die dagen nodig had om te herstellen na fysieke inspanning.” Amanda vroeg zich af of ze een ander type mutatie had die haar langdurige vermoeidheid zou kunnen verklaren.

Hwang was geïntrigeerd en besloot Amanda te vergelijken met haar mannelijke broer of zus die de LFS-mutatie had maar geen chronische vermoeidheid of inspanningsintolerantie. Tijdens een van de onderzoeken liet hij beide broers en zussen een eenvoudige voetoefening uitvoeren. Met magnetische resonantie-spectroscopie kon Hwang aantonen dat Amanda’s cellen leden onder een traag herstel van fosfocreatine na de inspanningstest. Fosfocreatine is een stof die een sleutelrol speelt bij het leveren van energie tijdens korte uitbarstingen van intense activiteit. De test suggereerde daarom dat er iets abnormaals was in de energievoorziening van Amanda’s spieren. Interessant is dat een aantal oude onderzoeken naar ME/cvs, die begin jaren negentig werden uitgevoerd, soortgelijke bevindingen rapporteerden. Zo werd de eerste link met ME/cvs gelegd.

Hwang zette zijn experimenten voort om uit te zoeken wat de afwijking in fosfocreatine in Amanda’s spiercellen zou kunnen hebben veroorzaakt. Uiteindelijk stuitte hij op een eiwit met de naam WASF3 (Wiskott-Aldrich syndrome protein family member 3) als mogelijke boosdoener. Amanda had veel meer van dit eiwit in haar cellen dan haar broer. Van WASF3 is bekend dat het een rol speelt bij verschillende celfuncties zoals de organisatie van het cytoskelet, maar Hwang vermoedde dat het ook de mitochondriale functie kan verstoren.

Hij bewees dit met twee opmerkelijke experimenten. Ten eerste blokkeerde hij de expressie van WASF3 in kweekcellen van Amanda en ontdekte dat dit de mitochondriale functie herstelde. Ten tweede ontwikkelde het team van Hwang laboratoriummuizen waarin WASF3 tot overexpressie werd gebracht en dit leidde tot een verminderde inspanningscapaciteit en een verstoorde mitochondriale functie. En er valt nog meer te zeggen over dit eiwit. Interessant is dat een meta-analyse uit 2011 WASF3 al had aangewezen als een topkandidaatgen geassocieerd met ME/cvs, waardoor een tweede verband met ME/cvs werd gelegd.

Het is echter de derde link die het meest interessant is. Hwang kwam in contact met de onderzoekers van het intramurale NIH-onderzoek naar ME/cvs. Ze stemden ermee in om samen te werken en WASF3 te testen in de spiermonsters die ze verzamelden. Hwang en collega’s ontdekten dat de WASF3-concentraties ongeveer 40% hoger waren bij de 14 ME/cvs-patiënten vergeleken met de 10 controles.

Omdat de steekproeven klein waren, moeten we deze bevinding niet overdrijven. Hwang waarschuwde ook dat hij niet gelooft dat WASF3 de hoofdoorzaak is van ME/cvs. Hij vermoedt dat het slechts “één van de factoren is die het energietekort in de spieren mediëren”. Hij wil dieper graven en heeft al een idee over wat de oorzaak zou kunnen zijn van WASF3 overexpressie: endoplasmatische reticulum (ER)-stress.

Het ER is een uitgebreid netwerk van membranen in de cel dat werkt als een drukke fabriek waarin eiwitten worden gemaakt, gevouwen en voorbereid op verschillende taken. Als die fabriek onder stress komt te staan, heeft hij de neiging om fouten te maken. Hwang denkt dat overexpressie van WASF3 één van deze fouten zou kunnen zijn. Zijn team is nu op zoek naar medicijnen die zowel ER-stress als WASF3-concentraties kunnen verminderen. Hopelijk horen we in 2024 meer over deze spannende onderzoekslijn.

DNA streng

Vragenlijststudies

De eerste resultaten van DecodeME

In 2023 verschenen ook de eerste resultaten van de DecodeME-studie, de grootste ME/cvs-studie die de wereld ooit heeft gezien. Deze eerste resultaten bevatten nog geen genetische analyses, maar zijn gebaseerd op rijke vragenlijstgegevens die deelnemers invulden toen ze aan de studie deelnamen. Omdat het onderzoek zo groot is – het bevat gegevens van meer dan 17.000 ME/cvs-patiënten! – is het de moeite waard om de bevindingen nader te bekijken.

Twee derde van de deelnemers meldde een infectieus begin en bij de meeste deelnemers ontstond de ziekte ergens tussen de 25 en 50 jaar. Vrouw zijn, ouder zijn en de ziekte langer dan 10 jaar hebben, werden allemaal geassocieerd met een grotere ernst van de ziekte.

Wat het meest opviel, was de sterke vrouwelijke overheersing: 83,5% van alle deelnemers was vrouw. Hoewel deze cijfers vertekend kunnen zijn door verschillende vooroordelen (vrouwen kunnen bijvoorbeeld meer kans hebben om de diagnose ME/cvs te krijgen dan mannen), is het heel opmerkelijk dat het verschil zo groot was. Er waren 5 keer zoveel vrouwelijke als mannelijke deelnemers. Ter vergelijking, een recente review over chronische vermoeidheid toonde een veel zwakker vrouwelijk overwicht, waar slechts 58% van de patiënten vrouw was. Het hoge aantal vrouwelijke ME/cvs-patiënten is ook gevonden in verschillende prevalentiestudies, dus het zou ons iets belangrijks kunnen vertellen over de pathologie van ME/cvs.

De belangrijkste beperking van de DecodeME is dat deelnemers zelf rapporteerden dat ze de diagnose ME/cvs hadden gekregen van een zorgverlener. Het onderzoek omvatte geen klinisch onderzoek zoals de meeste ME/cvs-diagnosecriteria vereisen. Dat was een bewuste keuze omdat het anders onmogelijk zou zijn geweest om de enorme steekproefgrootte te bereiken die nodig is voor een genoomwijde associatiestudie.

De nieuwe prevalentieschatting van de CDC

Twee andere onderzoeken gebruikten een vergelijkbare aanpak: omdat ze geen klinische bevestiging van ME/cvs-diagnoses vereisten, konden ze een enorm aantal deelnemers bereiken.

De eerste werd een paar weken geleden gepubliceerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) in de VS. Het bestaat uit een representatief gezinsonderzoek onder de Amerikaanse bevolking met meer dan 50.000 deelnemers. De vragen waren onder andere: “Heeft een arts of andere gezondheidswerker u ooit verteld dat u het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of Myalgische Encefalomyelitis (ME) had?” en “Heeft u nog steeds het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of ME?”. 1,3 procent zei ja op beide vragen.

Deze schatting is vergelijkbaar met Canadese volkstellingsgegevens uit 2014, maar veel hoger dan wat prevalentiestudies van de CDC hadden gevonden. Deze oudere onderzoeken vereisten klinisch onderzoek en vonden dat slechts 0,2 tot 0,4 procent van de bevolking aan ME/cvs leed en dat de meerderheid van deze patiënten ongediagnosticeerd was.

Dit verschil is zo groot dat het nauwelijks verklaard kan worden door toegenomen erkenning van ME/cvs, veranderingen in diagnostische praktijken of de COVID-19-pandemie. Het lijkt waarschijnlijker dat er iets mis is gegaan met het onderzoek. We vermoeden dat verwarring rond de term ‘chronisch vermoeidheidssyndroom’ de resultaten van de vragenlijststudies kan hebben vertekend. Deelnemers met andere vermoeidheidsproblemen dan ME/cvs (burn-out, slaapstoornis, idiopathische vermoeidheid, etc.) zouden ‘ja’ hebben geantwoord op de vraag als hen verteld was dat ze CVS of ME hebben. De leeftijdsverdeling van de CDC-enquête wijst in de richting van die verklaring. Het laat zien dat de prevalentie van ME/cvs het hoogst was in de groep van 60-69 jaar, wat in tegenspraak is met eerdere epidemiologische studies.

Hopelijk zal verder onderzoek deze discrepantie ophelderen. Een interessant vervolgonderzoek zou zijn om te testen hoeveel van de 1,3 procent die geïdentificeerd werden in het onderzoek, voldoen aan de diagnostische criteria van ME/cvs na een volledig klinisch onderzoek.

De studie onder verpleegkundigen

In een andere grote studie, gepubliceerd in 2023, namen onderzoekers contact op met meer dan 40.000 verpleegkundigen voor een vragenlijst per e-mail. 102 (0,2%) van de verpleegkundigen voldeden aan de Fukuda-criteria voor ME/cvs, terwijl nog eens 522 (1,2%) chronische vermoeidheid hadden maar zonder bijkomende symptomen. Het meest interessante resultaat van deze studie was dat toenemende leeftijd, BMI, roken, alcoholgebruik, enz. allemaal significante voorspellers waren voor ernstige vermoeidheid, maar niet voor de ME/cvs-groep.

Naturalkillercellen

Twee studies uit 2023 waren belangrijk vanwege hun nulresultaten.

De eerste keek naar naturalkillercellen (NK-cellen) en hun vermogen om andere cellen te beschadigen en te vernietigen; hun zogenaamde ‘cytotoxiciteit’. In het verleden werd verminderde NK-cytotoxiciteit vaak beschouwd als een van de weinige objectieve afwijkingen op het gebied van ME/cvs. Het rapport uit 2015 van het Institute of Medicine over ME/cvs noemde het bijvoorbeeld “een van de meest consistente bevindingen bij proefpersonen met ME/cvs”. In recentere jaren zijn er echter een paar studies geweest die geen verminderde NK-celfunctie vonden bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. In 2023 werd er een grote gepubliceerd die ook geen verschil kon vinden.

Dit was de Multi-Site Clinical Assessment (MCAM)-studie georganiseerd door de CDC. Het idee achter de MCAM-studie was om deelnemers aan te melden bij meerdere deskundige ME/cvs-klinieken in de VS en hen te onderwerpen aan hetzelfde protocol van testen en metingen. Dit maakt grotere steekproeven en nauwkeurigere schattingen mogelijk. Een eerdere MCAM-publicatie was in staat om verschillende misvattingen over de resultaten van inspanningstesten bij ME/cvs weg te nemen (zie onze review uit 2022 voor een bespreking van deze bevindingen). De resultaten over NK-cytotoxiciteit zouden ook opmerkelijke resultaten opleveren.

174 ME/cvs-patiënten werden gerekruteerd in 5 gespecialiseerde klinieken: de Mount Sinai-kliniek van Benjamin Natelson in New York, het Institute for NeuroImmune Medicine van Nancy Klimas in Miami, het Bateman Horne Center van Lucinda Bateman in Utah, The Open Medicine Clinic van Richard Podell in Californië en Sierra Internal Medicine van Daniel Peterson in Incline Village, Nevada.

Toen de NK-celfunctie van patiënten werd vergeleken met die van gezonde controles, waren hun waarden bijna exact hetzelfde. De onderzoekers keken ook naar subgroepen zoals patiënten met ernstige ME/cvs of patiënten met een plotseling begin van ME/cvs, maar deze hadden ook normale NK-celcytotoxiciteit. Er was ook geen significante correlatie tussen NK-functie en verschillende symptoomvragenlijsten.

We weten niet of dit het laatste woord is in het verhaal over NK-celfunctie bij ME/cvs, maar het laat wel zien dat we er niet vanuit kunnen gaan dat dit een vaststaande bevinding is. Sommige studies, zoals die van de Griffith University in Australië, waren al gericht op het proberen te verklaren van abnormale NK-celfunctie bij ME/cvs. De MCAM-studie suggereert dat we een stap terug moeten doen en eerst moeten proberen een sterkere basis te leggen.

Het einde van de jacht op virussen?

Het andere belangrijke nulresultaat kwam van het team van Ian Lipkin van Columbia University. Lipkin is een van de meest gerenommeerde virusexperts ter wereld en wordt vaak geraadpleegd door overheden en media over dit onderwerp.

In zijn ME/cvs-studie uit 2023 stelde Lipkin een van de grondigste screenings op virusdeeltjes in de ME/cvs-historie samen. Zijn team gebruikte twee grote cohorten van meer dan 100 ME/cvs-patiënten om hun bloed, ontlasting en speeksel te bestuderen. Ze gebruikten verschillende complexe screeningsmethoden (MassTag PCR, VirCapSeq, Ion Torrent Proton platform screening, etc.) maar toch konden ze geen noemenswaardig verschil vinden tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles.

De enige uitzondering was een lagere prevalentie van anellovirussen bij patiënten in vergelijking met gezonde controles. Anellovirussen komen veel voor bij mensen en veroorzaken vaak geen symptomen. Lipkin en zijn team speculeren dat hun lagere prevalentie bij ME/cvs kan wijzen op een hyperimmuunstatus, maar het zou ook een gevolg kunnen zijn van antivirale geneesmiddelen, aangezien patiënten die antivirale middelen gebruikten niet werden uitgesloten in deze studie.

Lipkin en zijn team hebben niet getest op virussen in weefsel zoals spiermonsters. Maar zoals iemand ons opmerkte“De vraag is wat deze virussen kunnen doen terwijl ze zich met zo’n lage frequentie vermenigvuldigen dat ze niet in het bloed worden gedetecteerd.” Lipkin en collega’s lijken te denken dat het tijd is om verder te gaan en schrijven: “Onze bevindingen suggereren dat toekomstige onderzoeken naar virale infecties bij ME/cvs zich moeten richten op adaptieve immuunreacties in plaats van surveillance voor virale genproducten.”

Fibronectine en de herpesvirussen

Maar er is meer te zeggen over virussen en ME/cvs. Een andere onderzoekslijn heeft zich gericht op de reactivering van gewone herpesvirussen en hoe deze de energieproductie en de immuunfunctie bij ME/cvs kunnen verstoren. Viroloog Bhupesh Prusty is een van de meest prominente voorstanders van deze visie en een expert op dit gebied. Zijn artikel over het humane herpesvirus 6A (HHV-6) van vorig jaar werd gepubliceerd in het prestigieuze tijdschrift Nature. Prusty vermoedt dat herpesvirussen zoals HHV-6 een belangrijke rol spelen in de pathologie van ME/cvs.

Zijn preprint uit 2023 levert verder bewijs voor deze hypothese. Net als eerdere papers van Prusty bestaat deze echter uit een reeks complexe experimenten die soms moeilijk te volgen zijn. We zullen proberen ze in twee delen op te splitsen.

Eerst keken Prusty en collega’s naar antilichamen tegen herpesvirus-dUTPases: enzymen die virussen maken wanneer ze zich voortplanten. ME/cvs- en longcovidpatiënten hadden meer antilichamen tegen deze enzymen van het Herpes-simplexvirus, HHV-6, en het Epstein-Barrvirus. In een ander experiment leverde Prusty bewijs dat deze dUTPase-enzymen de architectuur en functie van mitochondriën kunnen veranderen.

Ten tweede keken Prusty en zijn team nauwkeuriger naar de antilichamen van ME/cvs-patiënten en de eiwitten waarmee ze zich binden. ME/cvs-patiënten hadden de neiging om minder antilichamen te binden met het eiwit fibronectine (FN1) dan gezonde controles. Om dit verder te onderzoeken mat het team van Prusty de FN1-niveaus in het bloed en ontdekte dat deze hoger waren bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met controles. Tot zover wees het bewijs in de richting van iets interessants. Maar toen het lab van Prusty een grotere test van de antilichamen tegen FN1 opzette met behulp van ELISA-tests, was er helaas geen significant verschil meer tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles. Alleen in de subgroep van ernstige ME/cvs was er een afname van antilichamen tegen FN1. Voor longcovidpatiënten waren de resultaten complexer: de antilichamen tegen FN1 waren verminderd bij alle SARS-CoV-2-positieve patiënten, zelfs bij degenen zonder langdurige COVID, maar hoe symptomatischer de deelnemers waren, hoe lager hun waarden neigden te zijn.

Volgens Prusty en collega’s suggereren deze bevindingen dat FN-1 gebruikt kan worden als een “biomarker voor de ernst van zowel ME/cvs als langdurige COVID” met “een onmiddellijke implicatie in de diagnostiek en ontwikkeling van behandelingsmodaliteiten”. We denken niet dat het bewijs al sterk genoeg is om deze beweringen te ondersteunen. Niettemin zou een verband met FN-1 interessant zijn, aangezien het eiwit een rol speelt in verschillende cellulaire activiteiten, waaronder weefselherstel en celmigratie.

Ramanspectroscopie

Een andere paper die veel aandacht kreeg, werd gepubliceerd door het onderzoeksteam van Karl Morten van de Universiteit van Oxford. Zij gebruikten een nieuwe techniek genaamd ‘ramanspectroscopie’ waarbij licht op moleculen wordt geschenen om vervolgens de resulterende verstrooiing en breking van dat licht te meten. Door de chemische samenstelling heeft elk type molecuul een andere wisselwerking met het licht, waardoor er een uniek patroon ontstaat dat veel lijkt op een vingerafdruk. Door veranderingen in het verstrooide licht te analyseren, konden de onderzoekers in Oxford identificeren welke moleculen aanwezig waren in een enkele cel. Ze deden dit bij 61 deelnemers met ME/cvs, 21 met Multiple Sclerose (MS) en 16 gezonde controles.

Deze ramanspectroscopiemetingen leverden hen een schat aan gegevens op. Ze vonden onder andere een toename in tryptofaan en tyrosine, verhoogde glycerolspiegels, verlaagde cholesterolspiegels en verlaagde glycogeenniveaus. Om gebruik te maken van alle gegevens, gebruikten Morten en zijn team een algoritme met machine learning dat, na enige training, in staat was om onderscheid te maken tussen ME/cvs-patiënten, gezonde mensen en MS-patiënten met een hoge nauwkeurigheid van 91%. Bovendien was het in staat om milde, matige en ernstige ME/cvs-patiënten te onderscheiden met een nauwkeurigheid van 84%.

Dit zijn interessante bevindingen. Eén groot voorbehoud is echter dat een overvloed aan gegevens gemakkelijk valse verbanden kan creëren. Verdere tests zijn nodig om te zien of deze ‘ramanprofielen’ dezelfde nauwkeurigheid hebben in andere monsters. De Britse ME Association kondigde aan dat het verder werk van Morten en collega’s zal financieren om te zien of een celgebaseerde diagnostische test voor ME/cvs kan worden ontwikkeld met behulp van gegevens via ramanspectroscopie.

Provocatiestudies

Cognitieve testen na staan

Drie studies onderzochten ME/cvs-patiënten na een inspannings- of provocatietest in de hoop dat dit meer aanwijzingen zou geven over de onderliggende pathologieën van het syndroom.

De eerste studie werd uitgevoerd in het Bateman Horne Center en bestond uit een korte cognitieve test voor en na een orthostatische uitdaging. De cognitieve test werd uitgevoerd op smartphones van deelnemers en mat vooral reactietijd en aandacht. De orthostatische uitdaging was de leuntest waarbij deelnemers 10 minuten rechtop moesten staan. Voor het onderzoek werden 34 longcovidpatiënten, 140 ME/cvs-patiënten en 82 gezonde controles gerekruteerd.

De resultaten waren interessant. Terwijl de scores van de gezonde controles kort na de orthostatische uitdaging verbeterden, gingen die van de groepen met ME/cvs en langdurige COVID achteruit. De auteurs keken ook of er een correlatie was tussen hemodynamische variabelen zoals hartslag of polsdruk en cognitieve prestaties om te zien of het ene het andere kon verklaren, maar de relatie was gecompliceerd. Voor ME/cvs-patiënten die al meer dan 10 jaar ziek waren, was er bijvoorbeeld geen significante correlatie tussen hemodynamische veranderingen en cognitieve achteruitgang.

Van de darmen naar de bloedbaan

De tweede provocatiestudie kwam van Columbia University en richtte zich op de darmen. De onderzoekers gebruikten eerst een grote database van ME/cvs-stalen om hun hypothese van ‘microbiële translocatie’ te testen. Deze hypothese gaat ervan uit dat microben uit de darmen migreren naar de bloedbaan waar ze niet thuishoren en vervolgens worden aangevallen door het immuunsysteem.

De Columbia-onderzoekers vermoedden dat dit het geval zou kunnen zijn bij ME/cvs-patiënten en publiceerden verschillende bevindingen die dit ondersteunen. Ze vonden bijvoorbeeld verhoogde niveaus van vetzuurbindend eiwit 2 (FABP2), een marker van schade aan darmepitheelcellen, wat suggereert dat de darm minder goed in staat is om te voorkomen dat bacteriën in de bloedbaan terechtkomen. Vergeleken met gezonde controles hadden ME/cvs-patiënten ook hogere niveaus van antilichamen tegen eiwitten die gevonden worden in de staarten en buitenmembranen van bacteriën en meer antilichamen tegen voedingseiwitten, zoals gliadine (een bestanddeel van gluten) en caseïne (een melkeiwit).

Er was echter één ding dat niet klopte. De immuuncellen die bezig zouden moeten zijn met het opruimen van deze darmmicroben, LBP (lipopolysaccharidebindend eiwit) en sCD14 (soluble Cluster of Differentiation 14), waren niet verhoogd bij ME/cvs-patiënten. De onderzoekers vermoedden daarom dat er iets defect was in de immuunrespons van de patiënten.

Omdat lichaamsbeweging de darmslijmvliesbarrière bij gezonde volwassenen kan verstoren, dachten de onderzoekers dat ze een inspanningsuitdaging konden gebruiken om de immuunrespons van ME/cvs-patiënten te testen. Helaas was de studie slechts in staat om 9 ME/cvs-patiënten en 7 gezonde controles te rekruteren, en het aandeel vrouwen in de controlegroep was veel lager. De resultaten waren desalniettemin interessant.

Na de inspanningstest namen LBP en sCD14 toe in de controlegroep, maar niet of veel minder in de ME/cvs-groep. Aan de andere kant namen antilichamen tegen microbiële fragmenten toe na inspanning bij ME/cvs-patiënten, maar niet of veel minder in de controlegroep.

Het immuunsysteem van ME/cvs-patiënten bleek anders te werken. De acute immuunrespons ontbrak, terwijl de humorale immuunrespons (de respons die later komt en waarbij antilichamen betrokken zijn) harder werkte. De onderzoekers speculeren dat deze verhoogde antilichaamrespons een compensatiemechanisme zou kunnen zijn om de ontoereikende acute immuunrespons door LBP en sCD14 aan te pakken.

Urinemetaboloom

De derde provocatiestudie kwam van de Cornell University. De onderzoeksgroep van Maureen Hanson mat verschillende moleculen in urinemonsters voor en 24 uur na een cardiopulmonale inspanningstest (CPET). Slechts 10 ME/cvs-patiënten werden geïncludeerd in dit onderzoek, maar elk urinemonster werd gescreend op 1403 metabolieten, veel meer dan in eerdere onderzoeken.

Vóór de inspanning werden er geen significante verschillen gevonden tussen de controles en de ME/cvs-patiënten. Na de inspanning waren er echter vier verbindingen die significant van elkaar verschilden en die allemaal in lagere concentraties werden aangetroffen bij de ME/cvs-patiënten in vergelijking met de gezonde controles. Zoals de auteurs opmerken: “Onze meest onverwachte ontdekking is het gebrek aan veranderingen in het urinemetaboloom van ME/cvs-patiënten tijdens het herstel, terwijl significante veranderingen worden geïnduceerd bij controles na CPET, wat mogelijk het gebrek aan aanpassing aan een ernstige stress bij ME/cvs-patiënten aantoont.”

Endotheeldisfunctie

Endotheeldisfunctie en weefselhypoxie zijn naar voren gekomen als prominente theorieën in zowel ME/cvs als langdurige COVID. Het endotheel, dat zich aan de binnenkant van de bloedvaten bevindt, speelt een cruciale rol in het reguleren van de bloedstroom. Disfunctie van het endotheel kan daarom leiden tot onvoldoende zuurstoftoevoer naar spierweefsel, waardoor het vermogen om aan de energievraag te voldoen, wordt aangetast.

Een Noorse groep is al een paar jaar bezig met deze hypothese. In 2021 publiceerden ze bewijzen van endotheeldisfunctie bij ME/cvs-patiënten die deelnamen aan de studie met cyclofosfamide. Dit jaar konden ze deze bevindingen repliceren bij deelnemers aan de studie met rituximab.

De test ging als volgt. Eerst werd er een manchet rond de onderarm van de deelnemers geplaatst om de bloedstroom tijdelijk te blokkeren. Toen ze de manchet losmaakten om de bloedstroom te herstellen, maten de onderzoekers de diameter van de slagader en de verandering in de bloedstroom met behulp van ultrasone beeldvorming. Beide metingen waren verminderd bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles, wat objectief bewijs levert van endotheeldisfunctie.

Er was slechts één probleem. Deze afwijkingen correleerden niet goed met de metingen voor de ernst van de ziekte, zoals fysiek functioneren, of het aantal stappen dat patiënten zetten. Het blijft daarom onduidelijk of deze metingen van endotheelfunctie ook klinische waarde hebben bij ME/cvs.

MicroRNA’s

In 2023 vonden ook twee replicatiepogingen plaats in het onderzoek naar microRNA’s (miRNA’s); de kleine niet-coderende RNA’s die genexpressie reguleren.

Het Canadese onderzoeksteam van Alain Moreau testte 11 circulerende miRNA’s die in eerdere onderzoeken in verband werden gebracht met ME/cvs. 3 van deze miRNA’s waren significant hoger bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Moreau en zijn team testten de miRNA’s ook bij patiënten met fibromyalgie en ontdekten dat ze significant verlaagd waren in vergelijking met zowel ME/cvs-patiënten als gezonde controles. Deze tegengestelde resultaten voor ME/cvs (verhoogde waarden) en fibromyalgie (verlaagde waarden) zijn interessant, maar kunnen ook het resultaat zijn van verschillende steekproefmethoden: ME/cvs-patiënten werden rechtstreeks gerekruteerd voor het onderzoek, terwijl de fibromyalgiemonsters afkomstig waren van de CARTaGENE-biobank.

Een Italiaans-Litouwse studie testte ook 8 miRNA’s die in verband zijn gebracht met ME/cvs of met verschillende auto-immuunziekten. In hun cohort van 40 ME/cvs-patiënten waren 3 van de gemeten miRNA’s opwaarts gereguleerd in vergelijking met controles, wat eerdere gegevens bevestigt. Het grootste verschil werd gevonden voor miR-448, dat nog niet eerder was getest bij ME/cvs, maar verhoogd bleek te zijn bij auto-immuunziekten zoals reumatoïde artritis, Sjögren en Lupus.

Hersenscans

Er waren ook een paar beeldvormingsstudies bij ME/cvs in 2023.

De meest interessante kwam van het Australische team van Leighton Barnden van de Griffith University. Zij gebruikten een van de krachtigste MRI-scans ter wereld met een ultrahoge veldsterkte van 7 Tesla. Barnden en collega’s ontdekten dat het hersenstamgebied vergroot was bij zowel ME/cvs- als longcovidpatiënten met ongeveer 10 tot 20 procent in vergelijking met controles. Helaas was de steekproef klein: er werden slechts 10 ME/cvs-patiënten en 8 longcovidpatiënten onderzocht. Desalniettemin is dit een opwindend resultaat dat hopelijk in 2024 verder zal worden onderzocht.

Er waren ook twee beeldvormingsstudies van een andere Australische onderzoeksgroep die zich richtten op adolescenten met ME/cvs. Een van de studies zoomde in op de hypothalamus, terwijl de andere Diffusiegewogen MRI gebruikte, een techniek die diffusie van watermoleculen gebruikt om contrast te genereren in MR-beelden. Helaas vonden beide studies geen duidelijke afwijkingen.

Langdurige Covid en andere ziekten

Op het gebied van langdurige COVID rapporteerde een grote samenwerking van onderzoekers lagere serotonine bij patiënten in vergelijking met controles. De onderzoekers waren in staat om een muizenmodel te ontwikkelen dat vergelijkbaar verlaagde plasmaserotonineniveaus vertoonde toen de muizen werden geïnfecteerd door het vesiculaire stomatitisvirus. De auteurs merken ook op dat lagere serotoninespiegels zijn gevonden in andere gevallen van virale ontsteking, zoals infectie met het denguevirus. Ze vermoeden dat de uitputting van  serotonine de activiteit van de nervus vagus verstoort en dat dit een verklaring zou kunnen zijn voor de cognitieve problemen van langdurige COVID-patiënten.

Het grootste deel van de circulerende serotonine wordt aangemaakt in de darmen, waar het wordt gesynthetiseerd uit tryptofaan dat we uit onze voeding halen. De onderzoekers konden aantonen dat de tryptofaanwaarden ook verlaagd waren bij langdurige COVID-patiënten.

De paper bestaat uit een indrukwekkende reeks experimenten, maar de verklaring lijkt bijna te simpel. Serotonine is een neurotransmitter waar veel onderzoek naar is gedaan en het zou nogal een verrassing zijn als niemand dit eerder heeft opgepikt. Eerdere ME/cvs-studies vonden geen verlaagde serotoninespiegels bij patiënten en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) hebben de ME/cvs-symptomen niet verbeterd. Iets soortgelijks kan gezegd worden over de verlaagde cortisolspiegels die gerapporteerd zijn bij langdurige COVID-patiënten: bij ME/cvs zijn de resultaten over cortisol op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Misschien zijn deze markers alleen abnormaal kort na de infectie die het syndroom veroorzaakt.

Dia uit de presentatie van Maureen Hanson op de conferentie van de NIH in 2023

In onderzoek naar fibromyalgie was er een degelijke studie naar naltrexone in lage dosis (LDN) dat helaas geen significant voordeel vond in het verlichten van de pijn. Dit is belangrijk omdat sommige artsen LDN voorschrijven aan ME/cvs-patiënten in de overtuiging dat is aangetoond dat het werkt bij fibromyalgie. De Open Medicine Foundation plant momenteel een gerandomiseerde studie naar LDN bij ME/cvs-patiënten die meer informatie zou kunnen geven over het nut ervan.

Ten slotte werd in een grote, gerandomiseerde studie, gepubliceerd in de Lancet, een lage dosis orale amitriptyline getest voor het prikkelbaredarmsyndroom (PDS, net als fibromyalgie een frequente comorbiditeit van ME/cvs). Het tricyclische antidepressivum had een gunstig effect op PDS-symptomen, maar helaas was het effect vrij klein.

Eervolle vermeldingen

We eindigen ons overzicht met twee eervolle vermeldingen.

Testen aan huis

De eerste studie implementeerde een testprotocol voor thuis om de fysiologische reacties op alledaagse activiteiten bij ME/cvs te meten. De kinesi/fysiotherapeuten van Physios for ME bezochten de huizen van 17 ME/cvs-patiënten met hun draagbare metabole testapparaten. Bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en melkzuur werden gemeten tijdens een reeks alledaagse houdingen en activiteiten. Voorbeelden waren 5 minuten zitten, ontbijt klaarmaken, jezelf wassen, naar boven lopen, etc. De onderzoekers ontdekten dat ME/cvs-patiënten vaak hun anaerobe drempel overschreden tijdens deze alledaagse activiteiten.

Hoewel dit slechts een haalbaarheidsstudie is, zou het een nieuw kader kunnen bieden voor het testen van ME/cvs-patiënten tijdens PEM. Huidige studies richten zich vaak op korte en intensieve inspanningen zoals een fietstest om PEM uit te lokken, wat kan leiden tot misleidende resultaten. Sommige ME/cvs-patiënten hebben bijvoorbeeld aangegeven dat de reis naar de dokter al PEM veroorzaakte voordat ze op de hometrainer zaten. Het meten van fysiologische reacties bij patiënten thuis na alledaagse activiteiten kan leiden tot een nauwkeurigere beoordeling van PEM.

De FUNCAP-vragenlijst

De andere eervolle vermelding is de FUNCAP-vragenlijst, ontwikkeld door Kristian Sommerfelt en Trude Schei van de Noorse ME-Vereniging. Het bestaat uit 55 vragen om de functionele capaciteit van ME/cvs-patiënten te beoordelen, bijvoorbeeld voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of verzekeringsdoeleinden. Er wordt gevraagd naar verschillende dagelijkse taken zoals ‘staand douchen’, ‘ongeveer 5 minuten een gesprek voeren’, ‘boodschappen doen in de winkel’, ‘gebruik maken van openbaar vervoer’ enz. Er is ook een kortere versie met 27 vragen voor internationaal onderzoek. Beide versies zijn hier gratis verkrijgbaar (zie het aanvullend materiaal).

Het mooie van FUNCAP is dat het ontwikkeld is in nauw overleg met patiënten (er waren meerdere enquêterondes waar respondenten feedback konden geven) en dat het rekening houdt met PEM. Andere functionele beoordelingen presenteren meestal een lijst van activiteiten of taken en verwachten een ja of nee-antwoord: kunt u dit of niet? Voor ME/cvs-patiënten is het juiste antwoord vaak complexer. Ze kunnen zichzelf misschien overbelasten en de activiteit één keer doen, maar worden dan zieker, waardoor ze gedwongen worden hun andere activiteiten te verminderen. FUNCAP geeft je daarom 7 opties. Voor elke voorgestelde activiteit kun je antwoorden:

  • 0: Ik kan dit niet doen.
  • 1: Mijn capaciteit zal gedurende minstens drie dagen ernstig verminderd zijn.
  • 2: Ik kan weinig anders doen op dezelfde dag en gedurende één of twee dagen erna.
  • 3: Ik kan dezelfde dag weinig anders doen.
  • 4: Ik moet andere activiteiten op dezelfde dag beperken.
  • 5: Dit heeft zelden invloed op andere activiteiten.
  • 6: Niet problematisch – heeft geen invloed op andere activiteiten.

Hopelijk wordt deze FUNCAP-vragenlijst verder getest en gebruikt door ME/cvs-onderzoekers.

Dat was het! Als u een belangrijke ME/cvs-studie hebt gemist die we hebben vergeten in ons overzicht, kunt u deze in de commentaarsectie hieronder plaatsen.

Grote dank aan iedereen op het Science for ME-forum wiens doordachte discussies en gedetailleerde analyses van papers ons enorm hebben geholpen bij het maken van dit jaarlijkse overzicht.

Fijne feestdagen en een geweldig 2024 voor iedereen!

© ME/CFS Skeptic, 19 december 2023.
Vertaling ME-gids.

Onderzoek naar de gevolgen van COVID en ME/cvs op de hersenen

Zwart wit afbeelding van twee MRI hersenscans, de linker van een Long Covid patiënt en de rechter van een ME/cvs patiënt.
MRI-scan van de hersenen van een patiënt met Long COVID links en ME/cvs rechts.

Voor het eerst hebben onderzoekers van de Griffith University een MRI met ultrahoog veld (7 Tesla) gebruikt om te onderzoeken hoe COVID-19 en myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) dezelfde effecten op de hersenstructuur hebben.

Dr. Sonya Marshall-Gradisnik, directeur van Griffith’s National Centre for Neuroimmunology and Emerging Diseases en tevens werkzaam bij het Menzies Health Institute Queensland van de universiteit, zei dat het doel van de studie was om de mogelijke overeenkomsten tussen de ME/cvs en Long COVID patiënten aan te tonen.

“We gebruikten de 7T MRI vooral om de hersenstam en zijn subregio’s te onderzoeken, omdat het helpt om hersenstructuren nauwkeuriger op te lossen om afwijkingen te ontdekken die andere MRI’s niet kunnen detecteren,” zei Dr. Marshall-Gradisnik.

Hoofdauteur Dr. Kiran Thapaliya zei dat de 7T MRI liet zien dat de hersenstam aanzienlijk groter was bij ME/cvs en Long COVID patiënten in vergelijking met degenen die niet aan deze aandoeningen leden.

“Het toonde ook vergelijkbare volumes van de hersenstam in de patiënten, wat de reden zou kunnen zijn dat Long COVID patiënten alle gemeenschappelijke kernsymptomen van ME/cvs vertonen,” zei Dr Thapaliya.

“We ontdekten ook dat kleinere volumes van de middenhersenen geassocieerd waren met ernstigere ademhalingsmoeilijkheden bij ME/cvs en Long COVID-patiënten.”

“Daarom zou disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs en Long COVID-patiënten kunnen bijdragen aan hun neurologische, cardiorespiratoire symptomen en bewegingsstoornissen.”

De 7T MRI die in het onderzoek werd gebruikt is een van de slechts twee die in Australië staan.

Het onderzoek werd gefinancierd door de Stafford Fox Medical Research Foundation en ME Research UK en de bevindingen ‘Brainstem volume changes in myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome and Long COVID patients’ zijn gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience.

Achtergrond:

Studies tonen aan dat tot 43% van de mensen die met SARS-CoV-2 besmet zijn niet volledig herstellen en Long COVID ontwikkelen in alle cohorten, zelfs bij jonge volwassenen, studenten en kinderen.

Recente studies toonden aan dat 13-58% van de Long COVID-patiënten voldeden aan ME/cvs en dat symptomen zoals hersenmist, vermoeidheid, pijn en autonome disfunctie vergelijkbaar zijn bij ME/cvs en Long COVID-patiënten.

Bron: https://news.griffith.edu.au/2023/03/14/worlds-strongest-mri-investigates-covid-and-myalgic-encephalomyelitis-chronic-fatigue-impacts-on-the-brain/

2022: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek

De opbrengst voor 2022 is verre van indrukwekkend, maar er waren een paar interessante studies over ME/cvs die het bespreken waard zijn. Een terugkerend thema lijkt te zijn problemen met het transport (of gebruik) van zuurstof in de weefsels. Het zal interessant zijn om te zien of deze hypothese in 2023 verdere steun krijgt.

De grootste genetische ME/CVS-studie tot nu toe

Laten we beginnen met de grootste genetische studie over ME/cvs tot nu toe. Het Noorse onderzoeksteam van Riad Hajdarevic en collega’s screende het hele genoom op genetische verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles. Ze verzamelden gegevens van 2532 patiënten die afkomstig waren van drie verschillende bronnen. De eerste analyse werd uitgevoerd op patiënten uit Noorwegen en de auteurs hadden ook een Deens ‘replicatiecohort’ om te testen of hun bevindingen konden worden bevestigd in een andere patiëntengroep. De meeste gegevens kwamen echter van patiënten die in de UK Biobank geregistreerd stonden als patiënten met de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom.

De resultaten kunnen kort worden samengevat: geen enkel genetisch verschil tussen ME/cvs-patiënten bereikte de significantiedrempel die wetenschappers gebruiken voor genoomwijde associatiestudies (GWAS). Het sterkste signaal werd gevonden in de “Tubulin Polymerization Promoting Protein” (TPPP)-genregio. TPPP verwijst naar een familie van eiwitten die microtubuli helpen samenstellen, de dunne filamenten die het cytoskelet van cellen vormen. Hajdarevic en collega’s waren geïntrigeerd door TPPP omdat het in hoge mate tot expressie komt in hersenweefsel en een rol lijkt te spelen bij de myelinisatie van zenuwcellen. Het zal interessant zijn om te zien of deze bevinding kan worden herhaald in toekomstige genetische studies van ME/cvs.

Toch was de belangrijkste bevinding van deze studie dat geen van de genetische verschillen statistische significantie bereikte. Dit was niet echt een verrassing, want de consensus is dat GWAS tienduizenden deelnemers nodig heeft om op betrouwbare wijze genetische aanwijzingen op te sporen. In het discussiegedeelte van hun paper geven Hajdarevic en collega’s toe dat hun studie niet over voldoende middelen beschikte. Ze schatten dat “tot 10 keer meer patiënten” nodig zijn om risicovarianten met een kleine effectgrootte op te sporen. Gelukkig is dit jaar de langverwachte Britse GWAS, DecodeME genaamd, van start gegaan. Het is de bedoeling speekselmonsters van 25.000 ME/cvs-patiënten te verzamelen en het zal ons een beeld in hogere resolutie geven van de genetica van ME/cvs.

Een ander groot obstakel is de heterogeniteit. Omdat de diagnose ME/cvs nog steeds grotendeels gebaseerd is op symptoomrapportering, worden waarschijnlijk meerdere onbekende pathologieën onder één noemer gebracht. Deze heterogeniteit maakt het nog moeilijker om genetische risicofactoren te vinden. Gelukkig heeft een bedrijf, PrecisionLife genaamd, een nieuwe (gepatenteerde) analysemethode ontwikkeld die zich richt op het identificeren van subgroepen in genetische analyses. Terwijl studies meestal kijken naar verschillen in enkele DNA-letters, kan deze aanpak screenen op combinaties van kenmerken, zogenaamde ziektesignaturen. In 2022 publiceerde PrecisionLife een analyse van patiënten in de UK Biobank die 14 genen identificeerde als waarschijnlijk geassocieerd met ME/cvs. De auteurs hopen hun resultaten te repliceren met de grotere dataset die DecodeME zal opleveren.

Langzaam maar diep ademhalen

Dit jaar verscheen ook de beste studie tot nu toe over cardiopulmonale inspanningstesten bij ME/cvs. In het verleden hebben talloze studies verschillen gerapporteerd tussen ME/cvs-patiënten en (sedentaire) controles wanneer zij op een hometrainer werden gezet. Vrijwel al deze studies leden echter aan dezelfde tekortkomingen. Ze maakten geen gebruik van geblindeerde beoordelingen, ze gebruikten geen gestandaardiseerde criteria voor piekinspanningen, en, nog belangrijker, ze gebruikten geen op fitheid afgestemde controles. Zonder deze kunnen we niet weten of verschillen in inspanningstestresultaten te wijten zijn aan ME/cvs of een secundair gevolg zoals een lager fitheidsniveau of het niet bereiken van piekinspanning tijdens de test.

De studie van Dane Cook en zijn collega’s is de eerste waarbij alle drie bovengenoemde methodologische waarborgen zijn gebruikt. De gegevens waren afkomstig van 214 ME/cvs-patiënten en 189 controles die deelnamen aan het MCAM-project (Multi-site Clinical Assessment of ME/CFS), gecoördineerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC).

Toen Cook en collega’s de gegevens analyseerden zoals eerdere studies deden, vonden ze veel van de verschillen die eerder waren gemeld. ME/cvs-patiënten produceerden minder watt, hadden een lager zuurstofverbruik en hun hartslag was lager. Maar toen zijn team controleerde voor verschillen in fitheid door de gegevens uit te drukken ten opzichte van het piekzuurstofverbruik van elk individu (en door resultaten te verwijderen die wel de piekinspanning bereikten) ontstond een ander beeld.

Nu zijn veel van die verschillen verdwenen. Zoals de auteurs uitleggen, geven de resultaten “aan dat veel van de cardiopulmonale verschillen die in eerdere studies zijn gerapporteerd, worden verklaard door verschillen in aerobe conditie, en bijgevolg inspanningstijd, en geen pathofysiologische kenmerken zijn van ME/cvs.” Er was bijvoorbeeld weinig bewijs voor het idee dat de hartslag van ME/cvs-patiënten niet voldoende stijgt bij toenemende inspanning, wat anderen chronotrope intolerantie noemden. Cook en collega’s vonden ook geen verschil in de lactaatrespons in rust, tijdens inspanning of tijdens de herstelfase.

Slechts een paar kleine verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles bleven over na aanpassing voor fitheid, maar ze zijn wel interessant. Cook en collega’s vonden een speciaal ademhalingspatroon gekenmerkt door hogere ademhalingsvolumes en een lagere ademhalingsfrequentie. Met andere woorden, ME/cvs-patiënten ademden langzamer en dieper, ook al deden ze dezelfde inspanning als de controles. Cook en collega’s denken niet dat dit ademhalingspatroon een probleem weerspiegelt met de longen of het hart en het pompen van zuurstof naar de rest van het lichaam. In plaats daarvan vermoeden ze dat het iets te maken kan hebben met een slechte zuurstoftoevoer in de skeletspieren.

De studie naar Mestinon

Dit brengt ons bij Harvard-onderzoeker David Systrom. Zijn team is gespecialiseerd in invasieve cardiopulmonale inspanningstesten (iCPET), een procedure waarmee onderzoekers de gasuitwisseling en de bloedstroom door de slagaders kunnen meten terwijl patiënten een inspanningstest doen. Systrom doet al enige tijd iCPET op patiënten met onverklaarbare inspanningsintolerantie. Hij ontdekte dat een subgroep een abnormaal lage biventriculaire vullingsdruk of “preload failure” had, die niet kon worden verklaard door een bekende hartaandoening.  Zoals ons onderzoeksoverzicht uit 2021 aantoonde, voldeden de meeste van deze patiënten aan de diagnosecriteria van ME/cvs. Sommigen hadden een hoge pulmonale bloedstroom, maar waren minder efficiënt in het onttrekken van zuurstof. Net als de studie van Cook, lijkt het onderzoek van Systrom te wijzen op een probleem met de zuurstoftoevoer naar de spieren.

In 2022 vervolgde Systrom zijn bevindingen met een gerandomiseerde studie met het geneesmiddel pyridostigmine (beter bekend onder de handelsnaam Mestinon). Mestinon werkt door de afbraak van acetylcholine te remmen, een neurotransmitter die belangrijk is voor spiercontractie. Systrom dacht dat Mestinon de cardiale output en de inspanningsprestaties van zijn ME/cvs-patiënten zou verbeteren.

De resultaten van het onderzoek ondersteunen deze visie, maar de veranderingen waren klein en waarschijnlijk niet klinisch relevant. Het onderzoek keek ook alleen naar een acuut effect. Patiënten deden een iCPET, kregen een dosis van 60 mg Mestinon of een placebo, wachtten 50 minuten en deden opnieuw een iCPET. Het onderzoek vergeleek de verschillen tussen de eerste en tweede iCPET. Met andere woorden, het kan ons niet veel vertellen over de langetermijneffecten van Mestinon op symptomen van ME/cvs.

Metabolieten in het plasma

Er waren ook een paar interessante studies van de collaboratieve onderzoekscentra voor ME/cvs in de Verenigde Staten.

Het team van Ian Lipkin aan Columbia analyseerde 888 metabole verbindingen in het plasma van 106 ME/cvs-patiënten en 91 gezonde controles. Patiënten hadden lagere niveaus van carnitine en lagere niveaus van fosfolipiden, vooral plasmalogenen en fosfolipide-ethers. Volgens de auteurs wijst dit op een ontregeling van het “peroxisomaal metabolisme”. Peroxisomen zijn kleine, membraangebonden organellen die betrokken zijn bij diverse stofwisselingsprocessen, zoals de afbraak van vetzuren en aminozuren. Ze lijken veel op lysosomen, met als belangrijkste verschil dat enzymen van peroxisomen zuurstof nodig hebben om te functioneren. Bovendien vonden Lipkin en collega’s verhoogde niveaus van dicarboxylzuren bij ME/cvs-patiënten, waarbij ze stelden dat “onze resultaten in overeenstemming met eerdere literatuur wijzen op ontregeling van het peroxisomale metabolisme en de tricarbonzuurcyclus (TCA).”

Een andere indrukwekkende studie kwam van het onderzoeksteam van Maureen Hanson van de Cornell University. Zij testten 1157 metabolieten in het plasma bij 60 ME/cvs-patiënten en 45 gematchte gezonde controles. Het leuke van deze studie is dat zij metabolieten maten voor en na een dubbele cardiopulmonale inspanningstest. De twee inspanningstesten, die 24 uur na elkaar werden afgenomen, waren bedoeld om postexertionele malaise uit te lokken, zodat de onderzoekers konden zien welk effect dit had op het metabolisme van de patiënten.

Het leek een verschil te hebben gemaakt. Het aantal metabolieten dat significant verschilde tussen ME/cvs patiënten en controles nam aanzienlijk toe na de inspanningstesten. Het probleem was dat geen van de verschillen groot werd. Er was altijd een aanzienlijke overlap tussen de ME/cvs en de controlegroep. Hanson zei daarom dat geen van deze tests kan worden gebruikt als Biomarker voor de diagnose van patiënten. In plaats daarvan moeten de verschillen vooral gezien worden als aanwijzingen voor de onderliggende pathologie van ME/cvs.

Helaas is het niet duidelijk wat de aanwijzingen ons vertellen, mede omdat 224 van de in deze studie geteste metabolieten nog niet geïdentificeerd zijn (het is niet duidelijk wat ze doen en bij welke lichaamsprocessen ze betrokken zijn). In het algemeen wezen de gegevens echter op een verstoring van de vetstofwisseling. In de paper benadrukken Hanson en collega’s ook dat veel van de veranderde reactiepaden afhankelijk zijn van het glutamaatmetabolisme. Glutamaat is een aminozuur met verschillende functies in het lichaam. Het speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de overdracht van signalen tussen zenuwcellen. Glutamaat zelf was echter niet statistisch verschillend tussen patiënten en controles in de huidige studie, dus het valt nog te bezien of dit een waardevolle aanwijzing of een dood spoor is.

Het onderzoeksteam van Hanson heeft dit jaar weer een interessante studie gepubliceerd. Deze werd in oktober als preprint geplaatst en is nog niet gepeerreviewd en gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. In deze kleinere studie van 30 ME/cvs-patiënten gebruikten de onderzoekers “single-cell RNA sequencing” (scRNA-seq), een relatief nieuwe techniek waarmee ze de genexpressie van individuele cellen konden bestuderen. Deze analyse werd ook gedaan voor en na een inspanningstest. Deze keer maakte de inspanningstest echter weinig verschil. De enige significante verandering werd gezien in het transcriptoom van bloedplaatjes. Die waren abnormaal vóór de inspanningstest bij ME/cvs-patiënten en werden normaal na de inspanning. Volgens de auteurs wees dit ofwel op een verlies van bloedplaatjes met een defect transcriptoom, ofwel op een grote infusie van nieuwe, normale bloedplaatjes na de inspanning. De belangrijkste afwijkingen die in deze studie werden gevonden, werden echter niet beïnvloed door inspanning en werden gezien in monocyten. Volgens de auteurs “zijn de transcriptomen van klassieke monocyten van ME/cvs-patiënten gericht op een profiel dat migratie van monocyten naar weefsel en verhoogde progressie naar een macrofaag lot bevordert.” De monocyten hadden ook genen geactiveerd die geassocieerd worden met het anti-inflammatoire cytokine IL-10, wat een tegenstrijdige boodschap lijkt te zijn. Hoewel de geavanceerde technieken die in de samenwerkende onderzoekscentra over ME/cvs worden gebruikt ons veel interessante gegevens hebben opgeleverd, is het niet altijd duidelijk wat ze betekenen.

Endotheeldisfunctie

Terwijl sommige onderzoeksgroepen over ME/cvs een grote reeks metingen proberen te verzamelen en dan zien waar de gegevens hen heen leiden, hebben andere groepen een bepaalde hypothese voor ogen. Verschillende groepen vermoeden bijvoorbeeld dat ME/cvs-patiënten aan endotheeldisfunctie lijden. Endotheelcellen vormen een laag die de bloedvaten bekleedt en de uitwisseling tussen bloed en omliggend weefsel regelt. Door stikstofmonoxide (NO) af te geven, een gas dat de spiercellen in de wanden van de bloedvaten ontspant, kunnen zij regelen hoeveel bloed en zuurstof er naar de weefsels stroomt.

Vorig jaar meldde de onderzoeksgroep van Francisco Westermeier dat verschillende microRNA’s die de productie van NO verminderen, verhoogd zijn bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Dit jaar volgden ze deze bevindingen op met een nieuw experiment. Ze kweekten endotheelcellen in het labo en ontdekten vervolgens dat deze minder goed in staat waren om NO te produceren wanneer ze in het plasma van ME/cvs-patiënten werden gebracht in vergelijking met het plasma van gezonde controles.

Een Duitse onderzoeksgroep, waarvan Carmen Scheibenbogen deel uitmaakt, volgt een soortgelijke hypothese. Ze testten de reactieve hyperemie-index (RHI) bij 14 patiënten die ME/cvs ontwikkelden na COVID-19. De RHI is een maat voor de vaatfunctie die het vermogen beoordeelt van de bloedvaten om zich te verwijden in reactie op een toename van de bloedstroom. Vijf van de veertien ME/cvs-patiënten hadden een verlaagde RHI, terwijl dit bij geen van de controles het geval was. Een verlaagde RHI werd ook gevonden bij 5 van de 16 Long Covid-patiënten die geen ME/cvs hadden. Deze Duitse onderzoeksgroep rapporteerde ook dat concentraties van Endotheline-1 (ET-1) significant verhoogd waren bij ME/cvs- en Long Covid-patiënten in vergelijking met controles.

Dit is interessant omdat deze bevinding ook werd gerapporteerd in de Spaanse studie van 67 ME/cvs-patiënten en 48 gezonde controles. In tegenstelling tot NO is ET-1 een krachtige vasoconstrictor, wat betekent dat het de bloedvaten doet vernauwen. Deze Spaanse groep vond ook verhoogde niveaus van vasculaire celadhesiemolecule-1 (VCAM-1), een eiwit dat tot expressie komt op het oppervlak van endotheelcellen. Het speelt een rol bij de rekrutering van witte bloedcellen naar ontstekingshaarden. In tegenstelling tot ET-1 correleerden de niveaus van VCAM-1 echter niet goed met de ernst van de symptomen bij ME/cvs-patiënten.

Bloedklonters en ATG-13: overdreven onderzoek?

Dit brengt ons bij ons volgende onderwerp: bloedstolsels!

U hebt er waarschijnlijk over gehoord omdat deze onderzoekspiste veel aandacht kreeg in de media. De Zuid-Afrikaanse fysioloog Resia Pretorius en de Britse biochemicus Douglas Kell stelden dat Long Covid-patiënten lijden aan een overmaat aan kleine bloedklonters en dat deze de aanhoudende symptomen na COVID-19 verklaren. Hun onderzoeksteam beweerde verder dat de symptomen van Long Covid met succes kunnen worden behandeld door anticoagulantia en antiplaatjestherapie om microklontering te voorkomen. Terwijl sommige onderzoekers waarde zagen in deze theorie, reageerden anderen sceptisch en zeiden dat zij er geen bewijs voor konden vinden bij hun Long Covid-patiënten, bijvoorbeeld in capillairrijke organen zoals de longen en de nieren. Uit wanhoop en bij gebrek aan betere behandelingsmogelijkheden hebben veel Long Covid-patiënten al experimentele tests en behandelingen ondergaan voor de veronderstelde microklonters in hun bloed.

Dit jaar publiceerden Pretorius en Kell een studie over microklonters bij ME/cvs-patiënten. In hun paper stellen zij dat de oppervlakte van plasmabeelden die microklonters bevatten meer dan 10 keer groter was in het plasma van ME/cvs-patiënten dan in dat van gezonde controles. Beeldinterpretatie is echter zeer subjectief en het is onduidelijk of de onderzoekers goed geblindeerd waren voor de ME/cvs-status. Zij voerden ook trombo-elastografie (TEG) uit, een meer objectieve methode om de efficiëntie van de bloedstolling te testen. Er werd een afwijking gevonden in de snelheid van stolselvorming (alfa en MRTG), maar er waren geen significante verschillen in stollingstijd, maximale amplitude of totale trombusvorming. De auteurs merken op dat “de mate van hypercoagulabiliteit van de ME/cvs-groep niet zo ernstig was als eerder gerapporteerd bij diabetes, acute SARS-CoV-2-infectie, of Long COVID/PASC.” Dit maakt het vrij onwaarschijnlijk dat deze bloedklonters de oorzaak zijn van de karakteristieke symptomen van ME/cvs zoals malaise na inspanning. Kell heeft ook beweerd dat bloedklonters voorkomen bij meerdere andere aandoeningen, niet alleen bij Long Covid of diabetes, maar ook bij reumatoïde artritis en lupus, waardoor de hele theorie nogal twijfelachtig wordt.

Een andere onderzoeker die denkt bewijs van stolling te hebben gevonden, is Avik Roy, de chief scientific officer van Simmaron Research. Zijn team vond eiwitaggregatie in een kleine steekproef van 7 ME/cvs-patiënten. Ze vermoedden dat dit wees op een defect in autofagie, het opruim- en recyclageproces van cellen. Ze onderzochten dit verder en vonden dat het autofagiegerelateerde eiwit ATG13 verhoogd was in het serum van ME/cvs-patiënten. In plaats van dit te bevestigen in een grotere steekproef, gingen Roy en collega’s door met verdere experimenten. Ze merkten dat het serum van ME/cvs-patiënten de productie van reactieve zuurstofcomponenten (ROS) en stikstofoxide (NO) in microgliale cellen opriep. Het leuke van deze studie is dat toen zij ATG13 neutraliseerden, de productie van ROS en NO in microgliale cellen sterk verminderde. Al deze experimenten werden echter uitgevoerd bij slechts een handvol ME/cvs-patiënten en dus zijn de resultaten niet zo robuust.

Roy heeft zijn experimenten met ATG13 voortgezet met een muismodel dat met sterke uitspraken op sociale media werd aangekondigd. In november tweette Simmaron Research: “we zijn iets groots op het spoor: een behandelbare route voor PEM. De implicaties zijn enorm. We geloven niet alleen dat de chemische route waarbij het ATG-13-eiwit betrokken is, een boosdoener is bij PEM, we geloven ook dat het kan worden aangegrepen voor geneesmiddelen. Er is hoop voor behandeling!” Helaas ondersteunen de gegevens deze beweringen niet. Wij hopen dat Roy en Simmaron deze boude beweringen in 2023 met nieuwe publicaties kunnen staven.

Postinfectieuze syndromen

Postinfectieuze syndromen zijn historisch gezien over het hoofd gezien in de geneeskunde, maar krijgen nu meer aandacht tijdens de huidige COVID-19-pandemie. Jan Choutka schreef een mooi overzicht over dit onderwerp in Nature Medicine. Hij belicht hoe langdurige symptomen niet alleen zijn gerapporteerd na COVID-19, maar na diverse infecties, waaronder polio, de ziekte van Lyme, ebola, dengue, het Epstein-Barrvirus enz. Dit jaar zijn er nieuwe publicaties verschenen over “een onderschatte last van chronische restverschijnselen na een infectie” na knokkelkoorts en andere virale respiratoire ziekten. Uit een Nederlandse studie die gebruik maakte van het Lifelines-cohort, bleek dat ongeveer 12% van de patiënten aanhoudende symptomen heeft die kunnen worden toegeschreven aan COVID-19. In de VS bleek uit een prospectieve studie van John Aucott en collega’s dat deelnemers met een voorgeschiedenis van de ziekte van Lyme 2-3 keer meer kans hadden om matige of ernstige vermoeidheid te rapporteren dan deelnemers zonder.

Florence Brelier en collega’s pakten het anders aan, maar kwamen tot dezelfde conclusie. Zij bekeken de dossiers van de Britse eerstelijnszorg en ontdekten dat patiënten met een acute ziekte van Lyme vervolgens 2-3 keer meer kans hadden om de diagnose vermoeidheid te krijgen en 16 keer meer kans om de diagnose ME/cvs te krijgen. Het aantal patiënten met een diagnose ME/cvs in de studie was slechts 17, waardoor het moeilijk is sterke conclusies te trekken, ook al was de gevonden effectgrootte vrij groot. Een ander probleem is de betrouwbaarheid van de diagnoses in de dossiers van de eerstelijnszorg. De auteurs konden echter patiënten met de ziekte van Lyme en controles per huisarts matchen. Daarom zou onderdiagnose van vermoeidheid of ME/cvs minder een probleem zijn, omdat het geen verschil zou verklaren tussen groepen die naar dezelfde huisarts gingen. De meest waarschijnlijke verklaring is dat chronische Lyme en ME/cvs beide soortgelijke gezondheidsproblemen beschrijven na een acute Borrelia-infectie.

Op naar het Long Covid-onderzoek. Een van de meest indrukwekkende studies van het jaar werd gepubliceerd door een samenwerking tussen de teams van David Putrino van Mount Sinai en Akiko Iwasaki van Yale.  Zij vergeleken 99 Long Covid-patiënten met gezonde, niet-geïnfecteerde controles en controles die met SARS-CoV-2 waren geïnfecteerd maar geen aanhoudende symptomen hadden. Putrino & Iwasaki gebruikten complexe immunologische tests die verschillende (subtiele) verschillen tussen Long Covid-patiënten en de andere groepen aantoonden. Ze gebruikten ook een nieuwe aanpak om te testen op antilichamen, Rapid Extracellular Antigen Profiling (REAP) genaamd, maar hier werden geen betekenisvolle verschillen gevonden. Het belangrijkste resultaat kwam, nogal verrassend, van het stresshormoon cortisol. Bij Long Covid-patiënten waren de niveaus van cortisol in het plasma ongeveer de helft van die gevonden bij gezonde of herstellende controles. Cortisol is vaak onderzocht bij ME/cvs en de resultaten waren op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Het is ook een hormoon dat niet erg specifiek is en gemakkelijk beïnvloed kan worden door verschillende gedragspatronen.

Nulresultaten

Dan zijn er een paar studies die een vermelding verdienen, niet omdat ze intrigerende bevindingen opleverden, maar omdat ze nulresultaten rapporteerden die nuttig zouden kunnen zijn voor verder ME/cvs-onderzoek.

De eerste is een studie van de ELISA Autoantibody Assay van het Duitse bedrijf Celltrend. Deze test is gebruikt in eerder ME/cvs-onderzoek, bijvoorbeeld om aan te tonen dat patiënten verhoogde autoantilichamen hebben tegen beta-adrenerge en muscarine cholinerge receptoren. Veel patiënten hebben ook betaald om deze tests te laten doen. Dysautonomia International was sceptisch over de test en financierde een studie om de betrouwbaarheid ervan te testen. Monsters van POTS-patiënten en -controles werden geblindeerd naar Celltrend gestuurd. De onderzoekers kregen merkwaardige resultaten terug. Het percentage POTS-patiënten en gezonde controles die boven de diagnostische drempelwaarden vielen, verschilde voor geen van de geteste autoantilichamen. Bovendien had 98,3% van de POTS-patiënten en 100% van de controles autoantilichaamconcentraties tegen α1 adrenerge receptoren boven de door de fabrikant opgegeven seropositieve drempelwaarde. Wij hopen dat dit probleem met de CellTrend-assay zal worden opgelost voordat deze wordt gebruikt in toekomstig ME/cvs-onderzoek.

Een Israëlische onderzoeksgroep gebruikte een relatief nieuwe methode genaamd “phage immunoprecipitation sequencing” (PhIP-Seq) om te testen op antilichamen tegen darmmicrobiota en virale antigenen. Zij ontvingen bloedmonsters van 40 patiënten met ernstige ME/cvs uit de UK ME/CFS Biobank (UKMEB). Het aantal en de diversiteit van de totale antilichaamgebonden peptiden vertoonden geen significante verschillen tussen patiënten en gezonde controles. De onderzoekers vonden echter wel dat antilichaamresponsen tegen flagellinen oververtegenwoordigd waren bij ME/cvs-patiënten. Flagellinen vormen de staart van bepaalde soorten bacteriën om hun mobiliteit te vergroten (het Latijnse woord flagellum betekent “zweep”, vermoedelijk omdat de staart een zweepachtige beweging maakt).

Er was ook een Franse studie die keek naar voorspellers van herstel en substantiële verbetering bij 168 ME/cvs-patiënten. De patiënten die herstelden of verbeterden waren wat ouder toen ze de ziekte kregen, en ze werden eerder gediagnosticeerd dan de andere patiënten. Geen van de andere metingen, waaronder vermoeidheid, pijn, ernst van de PEM, een plotseling begin van ME/cvs enz, bleek een significante voorspeller. Een mogelijke verklaring is dat de steekproefomvang van de verbeterde groep te klein was, aangezien het percentage van herstel en verbetering slechts 8,3% respectievelijk 4,8% bedroeg.

Eervolle vermeldingen

Tot slot zijn er nog enkele eervolle vermeldingen die onze toplijst niet hebben gehaald en die we hieronder slechts kort zullen noemen.

Orji et al. publiceerden een prevalentiestudie in Australië op basis van primaire zorggegevens van 2015 tot 2019. De prevalentie van ME/cvs bij patiënten van 13 jaar of ouder werd geschat op ongeveer 1 op 1000, wat zich vertaalt in ongeveer 20.000 ME/cvs-patiënten in Australië. De auteurs waarschuwen echter dat dit waarschijnlijk een onderschatting is van de werkelijke prevalentie omdat niet alle gevallen van ME/cvs worden opgepikt in de eerstelijnszorg.

Vyas et al. voerden wat waarschijnlijk de grootste studie is naar de impact van ME/cvs op familieleden. Hun online enquête werd ingevuld door 1418 patiënten en hun familieleden uit 30 verschillende landen. Familieleden werden emotioneel het meest beïnvloed door zorgen, frustratie en verdriet en persoonlijk door gezinsactiviteiten, vakanties, seksleven en financiën.

Het onderzoeksteam van Bhupesh Prusty, een viroloog aan de Universiteit van Würzburg, was in staat om te zoeken naar herpesvirussen HHV-6 en EBV in 3 autopsies van ME/cvs-patiënten. Zij rapporteerden dat zij “overvloedig viraal miRNA hadden gevonden in verschillende regio’s van de menselijke hersenen en daarmee verbonden neuronale weefsels, waaronder het ruggenmerg, dat alleen bij ME/cvs-patiënten en niet bij controles is gedetecteerd.”

Brooke Scoles van de London School of Economics publiceerde een interessante studie als onderdeel van haar doctoraat. Ze haalde er commentaren uit van artsen op Reddit en analyseerde in welke termen ze verschillende ziekten bespraken. De resultaten voor ME/cvs bevatten meer dan vier keer meer negatieve taalwoorden dan de resultaten voor andere gestigmatiseerde ziekten zoals depressie.

Conclusie

Dat was het dan! Als er belangrijke ME/cvs-studies zijn die we gemist hebben, voel je vrij om ze in de commentaarsectie onder het artikel te plaatsen. We kijken nu al uit naar het lezen van de ME/cvs-studies van 2023 en hopen dat ze veel interessante bevindingen zullen brengen.

Beste wensen voor het nieuwe jaar aan allen!

© ME/CFS Skeptic, 31 december 2022.
https://mecfsskeptic.com/2022-looking-back-at-a-year-of-me-cfs-research/
Vertaling ME-gids.

HHV-6 gevonden in de hersenen van ME/cvs-patiënten

Het doel van Bhupesh Prusty lijkt om datgene wat we weten over de herpesvirussen, in het bijzonder humaan herpesvirus-6 (HHV-6), en hun relatie tot het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CFS) op zijn kop te zetten.

Bhupesh Prusty en team

Zijn Twitter handle noemt hem “een gepassioneerde moleculaire viroloog die gelooft in patiëntgericht wetenschappelijk onderzoek… Wetenschap is voor de samenleving.” Prusty ontving tot nu toe een Ramsay Award van het Solve ME/CFS Initiative en een Young Investigators award van de HHV-6 Foundation, en lijkt beide goed te hebben gebruikt.

Hieronder lees je de hoofdpunten uit het artikel van Cort Johnson
Of lees hier het gehele artikel.

***

De hoofdpunten

  • HHV-6 was een soort van het arme zusje van ME/cvs, maar recente studies suggereren dat het een belangrijke rol zou kunnen spelen. Het werk van Bhupesh Prusty heeft die ziekteverwekker echt onder de aandacht gebracht.
  • De studie van hem en Bob Naviaux toonde aan dat HHV-6 in staat was de mitochondriën te fragmenteren en het gebruik van de middelen die nodig zijn om overvloedig energie te produceren, te verhinderen. Terwijl ze dat deden, toonden ze aan dat serum van ME/cvs-patiënten hetzelfde resultaat opleverde (!).
  • Vervolgens identificeerden Prusty en collega’s in een publicatie in Nature het microRNA dat verantwoordelijk is voor het fragmenteren van de mitochondriën, en in een bevinding die de weg zou kunnen banen voor de volgende golf anti-herpesvirus geneesmiddelen, is het het miRNA dat HHV-6 uit de latentie doet ontwaken.
  • In zijn recente autopsiestudie vond Prusty bewijzen van wijdverspreide HHV-6 activering in de hersenen van 2/3 voormalige ME/cvs-patiënten, en EBV-activering in alle drie de patiënten. Zeer weinig HHV-6 werd gevonden in de gezonde controles.
  • De bevinding plaatst ME/cvs mogelijk in dezelfde groep – althans wat HHV-6 betreft – als andere ziekten zoals multiple sclerose, waarbij HHV-6-activatie in de hersenen is aangetroffen.
  • Een overzicht van vroegere autopsiebevindingen vond een patroon van schade aan de achterwortelganglia die verantwoordelijk zijn voor het doorgeven van sensorische en autonome signalen aan het ruggenmerg.
  • ME/cvs autopsies lijken schaars te zijn. Gezien de bevindingen tot nu toe lijkt het erop dat er een biobank moet komen die ze kan bevatten – als die er nog niet is.
  • De opzienbarende herpesvirusbevindingen van Prusty voegen meer gewicht toe aan de recente herpesvirusbevindingen bij ME/cvs en Long-COVID. We zullen in de toekomst zeker meer horen over de herpesvirussen bij deze ziekten.

Structurele veranderingen in hersenen bij ME/cvs

Hoogtepunten

  • Er werden veranderingen vastgesteld in de hippocampus van de hersenen van ME/cvs-patiënten
  • Deze veranderingen werden geassocieerd met vermoeidheid, pijn en fysieke functie
  • Ze waren groter bij patiënten die geïdentificeerd werden aan de hand van de ICC-criteria dan van de Fukuda-criteria

Achtergrond

Een recente paper van onderzoekers van de Griffith University in Queensland, Australië, suggereert dat sommige symptomen van ME/cvs zoals vermoeidheid, pijn en slaapstoornissen gelinkt kunnen worden aan structurele veranderingen in een deel van de hersenen, de hippocampus.

Onder de onderzoekers bevindt zich Dr. Leighton Barnden die momenteel ook de disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs onderzoekt als onderdeel van een studie gefinancierd door ME Research UK.

De hippocampus is een complexe structuur diep in de temporale kwab van de hersenen, en is betrokken bij cognitie, geheugen en regulering van de hypothalamus (die de autonome zenuwfunctie controleert).

De Australische studie omvatte 25 mensen met ME/cvs die alleen voldeden aan de diagnostische criteria van Fukuda, 18 ME/cvs-patiënten die voldeden aan de strengere Internationale Consensus Criteria (ICC), en 25 gezonde controlepersonen.

Wat hebben ze gevonden?

Gebruikmakend van beeldvorming met magnetische resonantie (MRI) om de structuur van de hersenen te onderzoeken, ontdekten de onderzoekers dat de volumes van specifieke gebieden van de hippocampus groter waren bij ME/cvs-patiënten die voldeden aan de ICC-criteria dan bij gezonde controles. Dit was niet het geval bij patiënten die alleen voldeden aan de Fukuda-criteria.

Het team keek ook naar verbanden tussen deze volumeveranderingen en de symptomen van ME/cvs. Er was een gemengd beeld, waarbij toe- of afnames in de omvang van verschillende gebieden van de hippocampus geassocieerd werden met vermoeidheid, pijn, slaapstoornissen of fysiek functioneren.

Hoewel deze associaties werden gevonden in beide groepen van patiënten, waren ze sterker bij wie voldeed aan de ICC-criteria voor ME/cvs.

Wat betekent dit?

In het algemeen suggereren de onderzoekers dat hun bevindingen de betrokkenheid van de hippocampus bevestigen bij sommige van de symptomen van ME/cvs-patiënten die voldoen aan de ICC-criteria, waaronder ‘hersenmist’, geheugenproblemen en het vermogen om complexe taken uit te voeren.

De hippocampus is een kwetsbare structuur die op verschillende manieren kan worden beschadigd, en veranderingen in hippocampusnetwerken werden gerapporteerd bij aandoeningen zoals chronische stress, de ziekte van Cushing, dementie en de ziekte van Alzheimer.

De Queensland-groep suggereert dat de toename die zij in de hippocampus hebben waargenomen, te wijten kan zijn aan het feit dat de hersenen zich aanpassen aan veranderingen in de hersenstam (wat zij in een eerdere studie hebben gerapporteerd), om de communicatie tussen deze twee gebieden van de hersenen in stand te houden.

De studie was relatief klein qua aantal patiënten, wat vaak het geval is met een dure techniek als MRI. De studie moet dus op grotere schaal worden herhaald om de bevindingen te bevestigen.

De studie draagt echter wel bij tot onze groeiende erkenning van de invloed van ME/cvs op de hersenen, en tekent ME/cvs af als een afzonderlijke neurologische ziekte. Het roept ook vragen op over welke types van patiënten worden vastgesteld door verschillende diagnostische criteria.

Als deze resultaten kunnen worden bevestigd door grotere studies, zien we misschien MRI-scans gebruikt worden om ME/cvs op te sporen, en artsen in staat om behandeling aan te bieden met bestaande of nieuwe geneesmiddelen.

Bron: https://www.meresearch.org.uk/structural-changes-in-the-brain/
© ME Research UK, 30 juni 2022.
Vertaling ME-gids.

Brainfog deel 2: Cognitief functioneren en ME/cvs

Lees hier deel 1, waarin het cognitief functioneren en de betrokken hersengebieden worden geïntroduceerd.

Cognitieve disfunctie kan één van de meest verontrustende symptomen zijn voor mensen met ME/cvs.

Dit omvat:

  • afname van het werkgeheugen
  • afname van aandacht
  • het vermogen om fouten op te sporen
  • organisatorische vaardigheden
  • probleemoplossing
  • verbale vloeiendheid
  • redeneren

Inleiding

Er zijn een aantal tests en technieken die worden gebruikt om de hersenstructuur en -functie te beoordelen, en sommige hiervan werden in een vorig artikel besproken.

Er is duidelijk cognitieve disfunctie bij ME/cvs, en een meta-analyse uit 2010 onthulde significante verschillen in informatieverwerking, werkgeheugen en aandacht bij mensen met ME/cvs in vergelijking met gezonde controlepersonen.

Echter, in tegenstelling tot plaatselijk letsel (zoals bij een beroerte), is bij ME/cvs geen enkel hersengebied bij iedereen verstoord. Schade en veranderingen die leiden tot cognitieve disfunctie kunnen niet alleen betrekking hebben op de grijze stof, waar neuronale cellichamen zitten, maar ook op de witte stof, waar axonen signalen verzenden tussen verschillende hersengebieden.

Naast neuronale structurele veranderingen kunnen er ook problemen ontstaan ​​door functieveranderingen. Verder kunnen afwijkingen betrekking hebben op problemen in hersengebieden die direct betrokken zijn bij cognitie en/of andere hersengebieden, die deze beïnvloeden via de onderlinge verbindingen (zoals besproken in deel 1).

In dit artikel kijken we naar enkele van de vele hersenstudies die zijn uitgevoerd bij mensen met ME/cvs, waarbij we ons concentreren op die onderzoeken die hersengebieden hebben onderzocht, die direct betrokken zijn bij het cognitief functioneren:

  • de anterieure cingulate cortex (ACC)
  • de dorsolaterale prefrontale cortex (dlPFC)
  • de laterale orbitofrontale cortex (lOFC)

Struktuur van de hersenen

  • Om te beginnen toonde een studie, die onderzocht hoe de hersenstructuur verandert bij mensen met ME/cvs, een significante vermindering van het volume van de grijze stof in al deze frontale kwabgebieden.
  • Deze studie toonde ook  een correlatie aan tussen hoeveel dit was verminderd en de mate waarin patiënten in staat waren taken uit te voeren. Verminderingen van het volume in de dlPFC (die betrokken is bij het oplossen van problemen, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit) waren significant gecorreleerd met vermoeidheidsscores.
  • Een andere studie onderzocht de microstructuur van hersenweefsel en hoe de kleine uitsteeksels van neuronen, dendrieten en neurieten genaamd, waren gerangschikt en verspreid (stel je een tarweveld voor dat rechtop zou moeten staan, maar wordt platgedrukt en/of in delen gemaaid). Deze studie vond structurele afnames in de ACC, die betrokken is bij cognitieve processen zoals aandacht, cognitieve flexibiliteit en emotionele regulatie, samen met andere delen van de frontale en pariëtale lobben.
  • De auteurs suggereerden dat hun bevindingen wijzen op krimp van neuronen en van de dichtheid van axonen en de myeline-omhulling die helpt bij het overbrengen van celsignalen.
  • Ze vonden ook veranderingen in het aantal en het patroon van neurieten in andere gebieden van de cingulate, temporale en occipitale lobben, wat wijst op een afname van de neuronale functie omdat ze minder goed in staat zijn om naburige celsignalen op te pikken.
  • Ook werden in deze studie afnames getoond in de superieure longitudinale fasciculus-route, een grote bundel axonen van veel neuronen, die signalen van de frontale kwab naar andere delen van de cortex brengt, die betrokken zijn bij veel cognitieve processen, waaronder emotionele verwerking, aandacht en geheugen .

Metabolische en chemische veranderingen

Studies hebben ook metabolische en chemische veranderingen onderzocht in de hersengebieden die betrokken zijn bij het cognitief functioneren.

  • Eén studie onderzocht het molecuul acetylcarnitine (waarvan wordt gedacht dat het betrokken is bij de productie en het gebruik van hersenenergie) en bestudeerde ook om de bloedstroom (wat een marker is voor hersenactivatie). Analyse toonde een afname van beide factoren in de ACC, wat een weerspiegeling zou kunnen zijn van een verstoring in signalen die door de neurotransmitter glutamaat worden overgebracht.
  • Een andere studie vond een afname van een serotoninetransporter in de ACC (het mechanisme dat serotonine helpt om te worden gerecycled door een neuron, zodat het beschikbaar is om een ​​signaal door te geven), wat ook de cognitieve verwerking kan beïnvloeden.

Elektrische activiteit

Een andere manier om te kijken naar hoe de hersenen werken, is door elektrische activiteit en connectiviteit binnen en tussen hersengebieden te beoordelen.

  • Een studie waarbij gebruik werd gemaakt van elektro-encefalografie (EEG) vond bij mensen met ME/cvs een tekort aan neuronale activiteit in verschillende hersengebieden. Deze gebieden omvatten de cingulate, pariëtale en occipitale lobben, die worden geassocieerd met aandacht, geheugen, concentratie en informatieverwerking.
  • De studie vond ook verminderde connectiviteit in cognitieve netwerken die betrokken zijn bij gerichte aandacht, interpreteren van input, doelgericht gedrag en werkgeheugen, waaronder in onze drie belangrijkste gebieden – de ACC, dlPFC en OFC.
  • In een ander onderzoek werd abnormale functionele connectiviteit gevonden zowel lokaal, binnen de ACC, als tussen dit gebied en de rechter insula, een deel van de hersenschors dat betrokken is bij perceptie, cognitief functioneren, emotie en bewustzijn. De auteurs suggereerden dat deze verminderde connectiviteit geassocieerd zou kunnen zijn met neuropsychologische tekorten.
  • De connectiviteit was ook verminderd tussen de ACC en de hippocampus, een gebied dat betrokken is bij het geheugen, en tussen de hippocampus en andere delen van de frontale kwab, waaronder de dlPFC en OFC, waarvan de laatste betrokken is bij cognitieve initiatie, probleemoplossing, interferentiecontrole en Sensorische integratie.
  • Een verdere studie toonde abnormale functionele connectiviteit aan tussen gebieden binnen de cingulate cortex, die, zo veronderstelden ze, “kunnen resulteren in tekorten aan cognitie en emotie” bij mensen met ME/cvs.

Ondersteuning en immuuncellen

Zelfs als neuronen structureel en functioneel gezond zijn, kunnen ze worden beïnvloed door wat er gebeurt in de ‘ondersteunende’ cellen van de hersenen, astrocyten en cellen van het immuunsysteem (de microglia).

Activatie van deze cellen wordt in verband gebracht met inflammatie in de hersenen, zoals werd gevonden in een onderzoek bij mensen met ME/cvs, waar inflammatie correleerde met de ernst van cognitieve stoornissen, evenals met vermoeidheid en pijn. Specifieke getroffen regio’s waren de ACC en andere regio’s die betrokken zijn bij het corticale functioneren, zoals de thalamus, hippocampus, middenhersenen en pons.

De auteurs stelden dat de neuro-inflammatie die ze vonden mogelijk te wijten is aan het feit dat neuronen zichzelf moeten ‘overbelasten’ om verlies van functie te compenseren.

Inderdaad, een ander onderzoek dat mentale vermoeidheid tijdens cognitieve taken onderzocht, vond dat de scores significant voorspellend waren voor verhoogde hersenactiviteit in regio’s, waaronder verschillende gebieden van de cingulate cortex, evenals regio’s in de frontale, temporale en pariëtale lobben, en subcorticale gebieden zoals de kleine hersenen en hippocampus.

Deze auteurs concludeerden dat hun resultaten “suggereren dat acute mentale vermoeidheid wijdverbreide effecten heeft op aandacht, werkgeheugen en executieve controleprocessen en het is aannemelijk dat gevoelens van vermoeidheid van invloed kunnen zijn op het vermogen van een persoon om efficiënt aandacht te besteden aan informatie, informatie op te slaan, te manipuleren en terug te halen uit het geheugen”.

Dit zijn allemaal omstandigheden waar mensen met ME/CVS veel mee te maken kunnen hebben.

Conclusie

Hoewel dit slechts enkele van de onderzoeken zijn naar cognitieve disfunctie bij ME/cvs, laat deze momentopname zien dat wat mensen ervaren onder de vlag van ‘brainfog’ geassocieerd kan worden met:

  • daadwerkelijke veranderingen in de structuur van de hersenen,
  • disfunctie van neuronen, en
  • activering van ondersteunende en immuunsysteemcellen in de hersenen.

Bron: https://www.meresearch.org.uk/brain-fog-2/
Een artikel van ME Research UK, 11 November 2021
Geschreven door Dr. Eleanor Roberts
Vertaling ME/cvs Vereniging