Nu 2026 begonnen is, is het ook weer tijd om de meest interessante onderzoeken van 2025 naar ME/cvs te bekijken. Ook deze keer maakte ME/CFS Skeptic een blog over dit jaar wat hieronder letterlijk vertaald, met toestemming, is overgenomen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2026/01/Nieuws-wetenschap-onderzoek-in-2025-.jpg9821700Sylvia van de Donkhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngSylvia van de Donk2026-01-11 11:33:122026-01-11 11:33:162025: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek
Het onderzoek naar ME/cvs komt in De Volkskrant in de vorm van een interview met Jos Bosch van het NMCB. Daar besteden we graag aandacht aan en in dit artikel zullen we beschrijven wat Jos Bosch in zijn interview laat weten, waar het onderzoek is begonnen en wat het voor ME/cvs patiënten kan betekenen.
Er zijn duizenden Nederlanders die lijden aan ME/cvs (Myalgische Encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom). Schattingen naar aanleiding van internationale onderzoeken en review studies duiden op 100.000-160.000 patiënten. Zij zijn extreem uitgeput, vaak al na kleine inspanningen. Rust helpt niet of nauwelijks, en het herstel kan dagen duren.
Voor deze groep is het leven vaak compleet veranderd. Werken, sporten, of zelfs een bezoek aan vrienden kan onmogelijk zijn. Toch is er nog veel onduidelijk over de oorzaken. Daarom zijn Nederlandse wetenschappers nu gestart met een grootschalig onderzoek naar ME/cvs, samen met patiënten.
Het onderzoeksprogramma van ZonMw:
ZonMw heeft op aangeven van de overheid een onderzoeksprogramma ME/cvs gestart om de 32,9 miljoen euro die hiervoor beschikbaar is gesteld te verdelen over consortia en onderzoeksprojecten. Verschillende onderzoeksprojecten lopen momenteel al binnen dit onderzoeksprogramma.
In het kader hiervan werd door Ellen de Visser van de Volkskrant een interview gehouden met Jos Bosch van het NMCB. Projectleider van een van de belangrijkste consortia die zich toelegt op onderzoek naar ME/cvs. Naar aanleiding van dat interview schrijven wij dit artikel.
Waarom onderzoek naar ME/cvs nodig is:
Mensen met ME/cvs krijgen al jaren te maken met onbegrip. Ze horen vaak dat ze “gewoon meer moeten rusten” of dat de klachten “tussen de oren” zitten. Maar patiënten en onderzoekers weten dat dit niet klopt.
ME/cvs is een ernstige ziekte die het dagelijks leven zwaar beperkt. Veel patiënten kunnen niet meer werken, sommigen zijn zelfs volledig aan huis of bed gebonden. Ondanks deze impact bestaat er nog steeds geen duidelijke test en geen bewezen behandeling.
Wetenschappelijk onderzoek is dus hard nodig. Alleen zo kan duidelijk worden wat er in het lichaam en de hersenen van ME/cvs-patiënten gebeurt. Dit benadrukt ook Jos Bosch in zijn interview met de Volkskrant.
Groot onderzoek met biobank:
Het nieuwe project is, vertelt Jos Bosch, bijzonder groot opgezet. Wetenschappers willen duizenden ME/cvs-patiënten volgen en hun gegevens verzamelen. Daarvoor wordt een biobank ingericht.
Een biobank is een plek waar lichaamsmateriaal, zoals bloed, DNA of andere monsters, veilig wordt bewaard. Onderzoekers kunnen dat materiaal later gebruiken om bijvoorbeeld het immuunsysteem, de energiehuishouding of de werking van de hersenen te bestuderen.
Door al dit materiaal op één centrale plek te bewaren, kunnen onderzoekers veel sneller verbanden ontdekken. Denk aan:
Zijn er afwijkingen in het immuunsysteem bij mensen met ME/cvs?
Zijn er genetische factoren die de ziekte verklaren?
Hoe verschilt het bloed of DNA van patiënten van dat van gezonde mensen?
De biobank maakt het mogelijk om jarenlang onderzoek te doen en steeds nieuwe technieken toe te passen, zonder steeds opnieuw patiënten te hoeven belasten.
Samenwerking met patiënten:
Een ander belangrijk punt is dat patiënten vanaf het begin meedenken. Zij weten immers het beste wat het betekent om met ME/cvs te leven.
Wat weten we nu al?
Uit eerder onderzoek is gebleken dat ME/cvs vaak ontstaat na een infectie, zoals griep of een andere virusziekte. Sommige mensen herstellen, maar bij anderen blijft de uitputting bestaan en verergert deze zelfs.
Naast extreme uitputtig hebben patiënten vaak last van concentratieproblemen, spierpijn, overgevoeligheid voor prikkels en slaapproblemen. Deze klachten samen maken duidelijk dat ME/cvs veel meer is dan alleen “moe zijn”. Toch blijft onduidelijk waarom sommige mensen ziek worden en anderen niet. Het onderzoek naar ME/cvs met de biobank moet daar meer licht op werpen.
Doelen van het onderzoek
Het belangrijkste doel van het onderzoek naar ME/cvs is meer duidelijkheid. Wanneer is ME/cvs een gevolg van een probleem in het immuunsysteem? Zijn er afwijkingen in het zenuwstelsel of de energieproductie van cellen?
De onderzoekers hopen met de biobank en de grote hoeveelheid data:
Meer erkenning te creëren voor ME/cvs als ernstige ziekte.
Betere diagnostiek te ontwikkelen, zodat patiënten sneller en duidelijker geholpen worden.
Nieuwe behandelingen te vinden, gebaseerd op echte biologische oorzaken.
Hoop voor de toekomst:
De resultaten laten nog even op zich wachten, maar dit grootschalige biobankonderzoek is een belangrijke stap. Voor het eerst wordt in Nederland op zo’n systematische manier gekeken naar ME/cvs.
Voor patiënten betekent dit hoop:
Hoop op meer begrip en erkenning.
Hoop dat artsen in de toekomst sneller een diagnose kunnen stellen.
Hoop dat er behandelingen komen die echt helpen.
Tot slot:
ME/cvs is een ernstige ziekte die duizenden Nederlanders treft en hun leven ingrijpend verandert. Tot nu toe was er te weinig onderzoek en erkenning. Met het nieuwe grootschalige onderzoek komt daar verandering in.
Door de combinatie van medische gegevens, ervaringen van patiënten en biologisch materiaal hopen wetenschappers eindelijk antwoorden te vinden. Voor patiënten en hun naasten betekent dit een sprankje licht: eindelijk uitzicht op meer kennis, erkenning en misschien zelfs behandelingen in de toekomst.
Voor degene die interesse hebben om te lezen welke onderzoeken er op dit moment lopen bij ZonMw klik hier
Het artikel dat hierover is verschenen kun je lezen op de site van de Volkskrant. Het kan zijn dat dit wel achter een betaalmuur zit en alleen voor abonnees te lezen is.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2025/08/Groot-onderzoek-NMCB-in-Nederland.jpg9821700Sylvia van de Donkhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngSylvia van de Donk2025-08-22 15:20:492025-08-22 15:57:31Groot onderzoek naar ME/cvs in Nederland
Deze samenvatting van een artikel van Health Rising biedt een overzicht van de belangrijkste punten uit het artikel en benadrukt de noodzaak van meer aandacht voor jongeren met ME/cvs en Long Covid.
Het artikel benadrukt dat het merendeel van het onderzoek naar ME/cvs en Long Covid zich richt op volwassenen. Jongeren worden vaak over het hoofd gezien, ondanks dat zij mogelijk de zwaarste lasten dragen. De impact op hun leven is aanzienlijk: schoolverzuim, het opgeven van sport en sociale isolatie zijn enkele van de gevolgen.
Prevalentie onder jongeren
ME/cvs wordt traditioneel beschouwd als een aandoening bij volwassenen. Toch tonen studies aan dat het ook bij jongeren voorkomt. Onderzoek van Leonard Jason (regio Chicago) wees uit dat ongeveer 0,75% van de kinderen tussen 5 en 17 jaar ME/cvs heeft. Dit suggereert dat in de VS ongeveer 550.000 jongeren aan deze aandoening lijden, waarvan velen geen diagnose hebben.
De prevalentie (mate waarin ME/cvs voorkomt) neemt toe met de leeftijd: van 0,14% bij kinderen van 5-8 jaar tot 1,25% bij adolescenten van 15-17 jaar. Opmerkelijk is dat 43% van de volwassenen met ME/cvs aangaf dat hun symptomen begonnen vóór de leeftijd van 18 jaar.
Long Covid bij jongeren
Long Covid, een aandoening die optreedt na een Covid-19-infectie, treft ook jongeren. Symptomen variëren van vermoeidheid/uitputting en concentratieproblemen tot duizeligheid en hartkloppingen. Sommige jongeren ervaren ernstige beperkingen, zoals niet kunnen opstaan of langdurig bedlegerig zijn.
Een voorbeeld is Kitty McFarland, een 16-jarig meisje uit het VK. Na een milde Covid-19-infectie ontwikkelde ze ernstige symptomen, die haar dagelijks leven beïnvloedden. Ze was maandenlang bedlegerig, had moeite met eten en kon nauwelijks communiceren. Haar verhaal illustreert de ernstige impact van Long Covid op jongeren.
Onderzoek en Behandeling
De noodzaak om jongeren met ME/cvs en Long Covid te bestuderen wordt steeds meer erkend. Het RECOVER-initiatief in de VS heeft besloten om ongeveer 15.000 kinderen en jongeren te volgen, gelijk aan het aantal volwassenen in het onderzoek. Dit is een positieve stap richting beter begrip en behandeling van deze aandoeningen bij jongeren.
Behandeling blijft echter een uitdaging. Er zijn momenteel geen goedgekeurde therapieën voor ME/cvs of Long Covid. Behandelingen richten zich op symptoombestrijding en het verbeteren van de levenskwaliteit. Activiteiten doseren (pacing) en psychologische ondersteuning kunnen helpen, maar volledige genezing is zeldzaam.
Impact op onderwijs en sociaal leven
De aandoeningen hebben een aanzienlijke impact op het onderwijs en sociale leven van jongeren. Schoolverzuim is gebruikelijk, en het bijhouden van lessen kan moeilijk zijn vanwege concentratieproblemen en vermoeidheid. Sociale isolatie is een ander probleem, aangezien jongeren minder in staat zijn om deel te nemen aan sociale activiteiten.
Kitty’s ervaring onderstreept dit: ze moest overstappen op thuisonderwijs en had moeite met het bijhouden van haar studie. Haar moeder richtte de organisatie Long Covid Kids op om bewustwording te creëren en ondersteuning te bieden aan getroffen gezinnen.
Oproep tot actie
Het artikel roept op tot meer onderzoek naar ME/cvs en Long Covid bij jongeren. Er is behoefte aan betere diagnostische criteria, behandelingsopties en ondersteuning in het onderwijs. Daarnaast is het belangrijk om de aandoeningen serieus te nemen en jongeren niet weg te zetten als “lui” of “overdreven”.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2025/05/NIEUWS-meer-aandacht-voor-jongeren-.jpg9821700Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2025-05-26 13:34:002025-08-09 11:24:27Jongeren met ME/cvs en Long Covid
Er zijn twee verschillende hemodynamische reacties gezien bij ME/cvs-patiënten met Posturaal Orthostatisch TachycardieSyndroom (POTS) tijdens kanteltafeltesten. Deze reacties bij POTS zijn bestudeerd. Een nieuwe studie hierover is gepubliceerd. We plaatsen daarom een vertaalde samenvatting van deze studie van dr. van Campen, dr. Rowe en prof. dr. Visser.
Een nieuwe studie van dr. van Campen, dr. Rowe en prof.dr. Visser.
Inleiding
De diagnose van het posturale orthostatische tachycardiesyndroom (POTS) wordt gesteld op basis van hartslag en bloeddruk. Maar we begrijpen nog niet precies hoe POTS ontstaat, omdat er meerdere oorzaken mogelijk zijn.
De functie van het hart is niet voldoende onderzocht. Het functioneren van het hart is afhankelijk van hoeveel bloed er naar het hart stroomt (preload), hoeveel weerstand het hart moet overwinnen (afterload), hoe krachtig het hart samenknijpt (samentrekbaarheid) en de hartslag zelf.
Afterload speelt een kleine rol bij POTS omdat een normale bloeddruk vereist is voor de diagnose. Dit is daarom niet onderzocht.
Veranderingen in preload en samentrekbaarheid kunnen worden afgeleid uit hoe de slagvolume-index (SVI) verandert tijdens een kanteltest. De SVI is het bloedvolume dat per hartslag wordt gepompt. Door de SVI te meten kan iets gezegd worden over de preload en samentrekbaarheid.
Daarom hebben we, om de reacties bij POTS zichtbaar te maken, gekeken naar de relatie tussen hartslag en slagvolume-index tijdens een kanteltest bij ‘patiënten met Myalgische Encefalomyelitis (ME/cvs) met POTS’. We vergeleken deze resultaten met ‘ME/cvs-patiënten zonder afwijkende hartslag-bloeddruk-respons’ en met ‘gezonde mensen’.
Methoden onderzoek reacties bij POTS
We onderzochten 233 ME/cvs-patiënten met POTS, 507 ME/cvs-patiënten zonder afwijkende hartslag-bloeddruk-respons en 48 gezonde mensen. Bij hen maten we de SVI (met een echo bij de borstkas), hartslag en bloeddruk tijdens een kanteltest.
Resultaten
Bij alle ME/cvs-patiënten nam de SVI meer af dan bij de gezonde mensen. Maar er werden wel twee verschillende reacties bij POTS gezien.
Bij ME/cvs patiënten zonder afwijkende hartslag-bloeddruk-respons en bij ME/cvs patiënten met POTS – met een stijging van de hartslag met 30-39 slagen per minuut – was er een omgekeerd verband tussen de stijging van hartslag en de afname van SVI tijdens de kanteltest. Dit wijst op meer ophoping van bloed in de aderen (veneuze pooling).
Bij ME/cvs patiënten met POTS – met een stijging van de hartslag van 40 slagen per minuut of meer – verdween dit verband. De veranderingen in SVI waren ook kleiner dan bij patiënten met een stijging van 30-39 slagen per minuut. Dit duidt op een overactieve respons van het zenuwstelsel (hyperadrenerge respons).
Conclusies
Bij ME/cvs-patiënten met POTS zijn er twee verschillende patronen te zien:
Bij patiënten met een beperkte stijging van de hartslag is er vooral sprake van veneuze pooling.
Bij patiënten met een grotere stijging van de hartslag (40 slagen per minuut of meer) lijkt er sprake te zijn van een overactieve reactie van het zenuwstelsel.
Deze twee profielen kunnen leiden tot verschillende behandelstrategieën.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/12/Nieuws-wetenschap-twee-verschillende-reacties-bij-POTS.jpg9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-12-19 14:07:322025-01-02 22:10:37Verschillende reacties bij POTS tijdens kanteltest
Symptomen die de spieren aantasten zijn een van de belangrijkste kenmerken van ME/cvs. Spierpijn, zwakte en vermoeidheid veroorzaken aanzienlijk lijden en kunnen de dagelijkse activiteiten en levenskwaliteit van mensen ernstig beperken.
Bovendien kunnen deze en andere symptomen verergeren of terugkomen na zelfs maar een lichte fysieke inspanning – een cruciaal kenmerk van ME/cvs dat bekend staat als post-exertionele malaise (PEM), die dagen of weken kan aanhouden.
Er is heel weinig bekend over de oorzaken van spierafwijkingen en PEM bij ME/cvs, maar dr. Rob Wüst en collega’s van de Vrije Universiteit Amsterdam in Nederland denken dat ze misschien een aanknopingspunt hebben.
Er is veel gesproken over de overeenkomsten in symptomen tussen ME/cvs en long COVID – de chronische aandoening die sommige patiënten ontwikkelen na besmetting met COVID-19 – en of er een verband zou kunnen zijn tussen de twee.
Dr. Wüst’s eigen onderzoek in een cohort van patiënten met long COVID bracht een aantal afwijkingen in de spierfunctie na inspanning aan het licht, evenals een toename in de ophoping van microscopische bloedstolsels (microklonters) in het spierweefsel. (Lees meer over het onderzoek van Dr. Wüst naar long COVID in deze presentatie op de UniteToFight2024 conferentie).
De dichtheid van deze microklonters was hoger in spiermonsters van mensen met long COVID dan in die van gezonde controlepersonen en nam toe na een trainingssessie om PEM op te wekken.
Deze bevindingen leveren dus enig bewijs voor een verband tussen lichaamsbeweging, lokale ophoping van microklonters en activering van immuuncellen bij mensen met long COVID. Maar zou er een vergelijkbaar beeld kunnen zijn bij mensen met ME/cvs? Dat is de vraag die Dr. Wüst en collega’s in deze nieuwe studie willen beantwoorden.
Doelstellingen
De onderzoekers willen biopten van de skeletspieren en bloedmonsters verzamelen, voor en na het opwekken van PEM, van 25 mensen die voldoen aan de Canadese Consensus Criteria voor ME/cvs. Veel van deze monsters zijn al verkregen. Er worden ook monsters verzameld van patiënten met long COVID en gezonde controlepersonen.
Immunofluorescentietechnieken zullen worden gebruikt om de locatie van microklonters in de spier en in bloedmonsters te bepalen en deze te vergelijken met de aanwezigheid van klinische symptomen.
Elektronenmicroscopie zal ook worden uitgevoerd om de structuur van de haarvaten (microscopische bloedvaten) en mitochondriën (verantwoordelijk voor de energieproductie in cellen) in de skeletspiervezels te beoordelen.
Een derde doel is om te zoeken naar markers in het bloed die wijzen op stress in het spierweefsel en om te bepalen of deze overeenkomen met afwijkingen in de structuur van het spierweefsel.
Mogelijke voordelen
Het begrijpen van de klinische gevolgen van PEM is niet mogelijk zonder een beter begrip van de betrokken pathologische mechanismen. De onderzoekers verwachten dat hun bevindingen hierbij zullen helpen.
De resultaten zullen worden opgenomen in de nieuw ontwikkelde Nederlandse ME/cvs Biobank en Cohort, en kunnen de weg vrijmaken voor een nieuwe therapie die, als deze gebaseerd is op gevestigde behandelingen, relatief snel zou kunnen worden toegepast.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Afwijkingen-in-haarvaten-en-kleine-stolsels-in-spieren.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-06-20 13:02:402024-08-18 20:50:17Afwijkingen in haarvaten en kleine stolsels in spieren
Wat is een lekkende darm en wat kan het verband zijn met ME/cvs-symptomen?
De beschermende slijmlaag van de darmen, bekend als de intestinale barrière, werkt als een filter waardoor nutriënten uit voedsel naar de bloedbaan kunnen geraken, maar waardoor ziekteverwekkers, zoals schadelijke bacteriën, de oversteek niet kunnen maken. Zoals wordt benadrukt in een recent artikel van Harvard Health Publishing, heeft iedereen tot op zekere hoogte een lekkende darm, die op een selectieve manier stoffen binnen- of buitenlaat. Een toename van de darmdoorlaatbaarheid is wel een mogelijk probleem.
Er wordt beweerd dat bij personen met ME/cvs wijzigingen in de darmbarrière kunnen voorkomen, waardoor ziekteverwekkers gemakkelijker naar buiten kunnen lekken in de bloedsomloop – een fenomeen dat ‘leaky gut syndrome’ (lekkendedarmsyndroom) wordt genoemd. Voorts veronderstelt de wetenschap dat het immuunsysteem van individuen met ME/cvs onderdrukt is, waardoor het niet in staat is om een ‘normale’ reactie te bieden op ziekteverwekkers in het bloed.
In het domein van lichamelijke inspanning is het bekend dat intense fysieke activiteit bij gezonde personen de darmdoorlaatbaarheid verhoogt, wat kan leiden tot endotoxemie – bacteriële gifstoffen in het bloed. Als het immuunsysteem naar behoren functioneert, speelt het een cruciale rol in het verwijderen van deze schadelijke stoffen uit het bloed. Daarom zou je kunnen verwachten dat een mogelijk gecompromitteerde darmbarrière bij personen met ME/cvs meer ziekteverwekkers doorlaat tijdens inspanning, waardoor een al verzwakt immuunsysteem wordt overweldigd. Een recente studie onderzocht dit en suggereerde dat bepaalde symptomen van endotoxemie, zoals vermoeidheid, cognitieve veranderingen, misselijkheid en hoofdpijn, een weerspiegeling zijn van symptomen die gerapporteerd worden door mensen met ME/cvs tijdens postexertionele malaise (PEM).
Hierbij moet benadrukt worden dat het ‘leaky gut syndrome’ nog steeds een onderwerp van discussie is, en dat er meer onderzoek nodig is om een beter beeld te krijgen van de rol van de darmen bij ME/cvs.
Lees meer over een lopend, door ME Research UK gefinancierd onderzoek naar het darmmicrobioom.
Vraag: wat is een lekkende darm?
Antwoord: Er wordt beweerd dat bij personen met ME/cvs wijzigingen in het darmslijmvlies (intestinale barrière) kunnen voorkomen, waardoor ziekteverwekkers (b.v. schadelijke bacteriën) gemakkelijker naar buiten kunnen lekken in de bloedsomloop – een fenomeen dat ‘leaky gut syndrome’ (lekkendedarmsyndroom) wordt genoemd. Men denkt dat dit gepaard gaat met gewijzigde immuunreacties.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Lekkende-darm-en-het-verband-met-ME_cvs-symptomen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-03-20 17:27:402024-08-18 19:47:33Lekkende darm en het verband met ME/cvs-symptomen
2023 zal worden herinnerd als het jaar waarin artificiële intelligentie haar grote doorbraak maakte, maar wat bracht het voor het onderzoek naar ME/cvs? Nu het jaar zijn laatste hoofdstuk nadert, is het tijd om de meest interessante ME/cvs-onderzoeken van 2023 te beoordelen.
WASF3 en de spierbiopten van het NIH
We beginnen met de intrigerende bevindingen gepubliceerd door Paul Hwang, een NIH-onderzoeker die grotendeels per ongeluk op ME/cvs stuitte.
Hwang deed onderzoek naar een heel andere ziekte, een genetische kanker met de naam Li-Fraumenisyndroom (LFS). Zijn laboratorium had aangetoond dat de mitochondriën van LFS-patiënten te veel energie produceren die kankercellen in hun voordeel gebruiken om zich te vermenigvuldigen.
Een LFS-patiënte genaamd Amanda Twinam schreef Hwang vervolgens dat ze leed aan invaliderende chronische vermoeidheid die niet gemakkelijk paste in zijn beeld van overactieve mitochondriën. Haar symptomen leken op ME/cvs. Zoals Hwangs studie uitlegt: “Ze meldde krampen in de spieren van haar onderste ledematen, vergelijkbaar met krampen die geassocieerd worden met zware inspanning maar die in rust optreden, en inspanningsintolerantie die dagen nodig had om te herstellen na fysieke inspanning.” Amanda vroeg zich af of ze een ander type mutatie had die haar langdurige vermoeidheid zou kunnen verklaren.
Hwang was geïntrigeerd en besloot Amanda te vergelijken met haar mannelijke broer of zus die de LFS-mutatie had maar geen chronische vermoeidheid of inspanningsintolerantie. Tijdens een van de onderzoeken liet hij beide broers en zussen een eenvoudige voetoefening uitvoeren. Met magnetische resonantie-spectroscopie kon Hwang aantonen dat Amanda’s cellen leden onder een traag herstel van fosfocreatine na de inspanningstest. Fosfocreatine is een stof die een sleutelrol speelt bij het leveren van energie tijdens korte uitbarstingen van intense activiteit. De test suggereerde daarom dat er iets abnormaals was in de energievoorziening van Amanda’s spieren. Interessant is dat een aantal oude onderzoeken naar ME/cvs, die begin jaren negentig werden uitgevoerd, soortgelijke bevindingen rapporteerden. Zo werd de eerste link met ME/cvs gelegd.
Hwang zette zijn experimenten voort om uit te zoeken wat de afwijking in fosfocreatine in Amanda’s spiercellen zou kunnen hebben veroorzaakt. Uiteindelijk stuitte hij op een eiwit met de naam WASF3 (Wiskott-Aldrich syndrome protein family member 3) als mogelijke boosdoener. Amanda had veel meer van dit eiwit in haar cellen dan haar broer. Van WASF3 is bekend dat het een rol speelt bij verschillende celfuncties zoals de organisatie van het cytoskelet, maar Hwang vermoedde dat het ook de mitochondriale functie kan verstoren.
Hij bewees dit met twee opmerkelijke experimenten. Ten eerste blokkeerde hij de expressie van WASF3 in kweekcellen van Amanda en ontdekte dat dit de mitochondriale functie herstelde. Ten tweede ontwikkelde het team van Hwang laboratoriummuizen waarin WASF3 tot overexpressie werd gebracht en dit leidde tot een verminderde inspanningscapaciteit en een verstoorde mitochondriale functie. En er valt nog meer te zeggen over dit eiwit. Interessant is dat een meta-analyse uit 2011 WASF3 al had aangewezen als een topkandidaatgen geassocieerd met ME/cvs, waardoor een tweede verband met ME/cvs werd gelegd.
Het is echter de derde link die het meest interessant is. Hwang kwam in contact met de onderzoekers van het intramurale NIH-onderzoek naar ME/cvs. Ze stemden ermee in om samen te werken en WASF3 te testen in de spiermonsters die ze verzamelden. Hwang en collega’s ontdekten dat de WASF3-concentraties ongeveer 40% hoger waren bij de 14 ME/cvs-patiënten vergeleken met de 10 controles.
Omdat de steekproeven klein waren, moeten we deze bevinding niet overdrijven. Hwang waarschuwde ook dat hij niet gelooft dat WASF3 de hoofdoorzaak is van ME/cvs. Hij vermoedt dat het slechts “één van de factoren is die het energietekort in de spieren mediëren”. Hij wil dieper graven en heeft al een idee over wat de oorzaak zou kunnen zijn van WASF3 overexpressie: endoplasmatische reticulum (ER)-stress.
Het ER is een uitgebreid netwerk van membranen in de cel dat werkt als een drukke fabriek waarin eiwitten worden gemaakt, gevouwen en voorbereid op verschillende taken. Als die fabriek onder stress komt te staan, heeft hij de neiging om fouten te maken. Hwang denkt dat overexpressie van WASF3 één van deze fouten zou kunnen zijn. Zijn team is nu op zoek naar medicijnen die zowel ER-stress als WASF3-concentraties kunnen verminderen. Hopelijk horen we in 2024 meer over deze spannende onderzoekslijn.
Vragenlijststudies
De eerste resultaten van DecodeME
In 2023 verschenen ook de eerste resultaten van de DecodeME-studie, de grootste ME/cvs-studie die de wereld ooit heeft gezien. Deze eerste resultaten bevatten nog geen genetische analyses, maar zijn gebaseerd op rijke vragenlijstgegevens die deelnemers invulden toen ze aan de studie deelnamen. Omdat het onderzoek zo groot is – het bevat gegevens van meer dan 17.000 ME/cvs-patiënten! – is het de moeite waard om de bevindingen nader te bekijken.
Twee derde van de deelnemers meldde een infectieus begin en bij de meeste deelnemers ontstond de ziekte ergens tussen de 25 en 50 jaar. Vrouw zijn, ouder zijn en de ziekte langer dan 10 jaar hebben, werden allemaal geassocieerd met een grotere ernst van de ziekte.
Wat het meest opviel, was de sterke vrouwelijke overheersing: 83,5% van alle deelnemers was vrouw. Hoewel deze cijfers vertekend kunnen zijn door verschillende vooroordelen (vrouwen kunnen bijvoorbeeld meer kans hebben om de diagnose ME/cvs te krijgen dan mannen), is het heel opmerkelijk dat het verschil zo groot was. Er waren 5 keer zoveel vrouwelijke als mannelijke deelnemers. Ter vergelijking, een recente review over chronische vermoeidheid toonde een veel zwakker vrouwelijk overwicht, waar slechts 58% van de patiënten vrouw was. Het hoge aantal vrouwelijke ME/cvs-patiënten is ook gevonden in verschillende prevalentiestudies, dus het zou ons iets belangrijks kunnen vertellen over de pathologie van ME/cvs.
De belangrijkste beperking van de DecodeME is dat deelnemers zelf rapporteerden dat ze de diagnose ME/cvs hadden gekregen van een zorgverlener. Het onderzoek omvatte geen klinisch onderzoek zoals de meeste ME/cvs-diagnosecriteria vereisen. Dat was een bewuste keuze omdat het anders onmogelijk zou zijn geweest om de enorme steekproefgrootte te bereiken die nodig is voor een genoomwijde associatiestudie.
De nieuwe prevalentieschatting van de CDC
Twee andere onderzoeken gebruikten een vergelijkbare aanpak: omdat ze geen klinische bevestiging van ME/cvs-diagnoses vereisten, konden ze een enorm aantal deelnemers bereiken.
De eerste werd een paar weken geleden gepubliceerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) in de VS. Het bestaat uit een representatief gezinsonderzoek onder de Amerikaanse bevolking met meer dan 50.000 deelnemers. De vragen waren onder andere: “Heeft een arts of andere gezondheidswerker u ooit verteld dat u het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of Myalgische Encefalomyelitis (ME) had?” en “Heeft u nog steeds het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of ME?”. 1,3 procent zei ja op beide vragen.
Deze schatting is vergelijkbaar met Canadese volkstellingsgegevens uit 2014, maar veel hoger dan wat prevalentiestudies van de CDC hadden gevonden. Deze oudere onderzoeken vereisten klinisch onderzoek en vonden dat slechts 0,2 tot 0,4 procent van de bevolking aan ME/cvs leed en dat de meerderheid van deze patiënten ongediagnosticeerd was.
Dit verschil is zo groot dat het nauwelijks verklaard kan worden door toegenomen erkenning van ME/cvs, veranderingen in diagnostische praktijken of de COVID-19-pandemie. Het lijkt waarschijnlijker dat er iets mis is gegaan met het onderzoek. We vermoeden dat verwarring rond de term ‘chronisch vermoeidheidssyndroom’ de resultaten van de vragenlijststudies kan hebben vertekend. Deelnemers met andere vermoeidheidsproblemen dan ME/cvs (burn-out, slaapstoornis, idiopathische vermoeidheid, etc.) zouden ‘ja’ hebben geantwoord op de vraag als hen verteld was dat ze CVS of ME hebben. De leeftijdsverdeling van de CDC-enquête wijst in de richting van die verklaring. Het laat zien dat de prevalentie van ME/cvs het hoogst was in de groep van 60-69 jaar, wat in tegenspraak is met eerdere epidemiologische studies.
Hopelijk zal verder onderzoek deze discrepantie ophelderen. Een interessant vervolgonderzoek zou zijn om te testen hoeveel van de 1,3 procent die geïdentificeerd werden in het onderzoek, voldoen aan de diagnostische criteria van ME/cvs na een volledig klinisch onderzoek.
De studie onder verpleegkundigen
In een andere grote studie, gepubliceerd in 2023, namen onderzoekers contact op met meer dan 40.000 verpleegkundigen voor een vragenlijst per e-mail. 102 (0,2%) van de verpleegkundigen voldeden aan de Fukuda-criteria voor ME/cvs, terwijl nog eens 522 (1,2%) chronische vermoeidheid hadden maar zonder bijkomende symptomen. Het meest interessante resultaat van deze studie was dat toenemende leeftijd, BMI, roken, alcoholgebruik, enz. allemaal significante voorspellers waren voor ernstige vermoeidheid, maar niet voor de ME/cvs-groep.
Naturalkillercellen
Twee studies uit 2023 waren belangrijk vanwege hun nulresultaten.
De eerste keek naar naturalkillercellen (NK-cellen) en hun vermogen om andere cellen te beschadigen en te vernietigen; hun zogenaamde ‘cytotoxiciteit’. In het verleden werd verminderde NK-cytotoxiciteit vaak beschouwd als een van de weinige objectieve afwijkingen op het gebied van ME/cvs. Het rapport uit 2015 van het Institute of Medicine over ME/cvs noemde het bijvoorbeeld “een van de meest consistente bevindingen bij proefpersonen met ME/cvs”. In recentere jaren zijn er echter een paar studies geweest die geen verminderde NK-celfunctie vonden bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. In 2023 werd er een grote gepubliceerd die ook geen verschil kon vinden.
Dit was de Multi-Site Clinical Assessment (MCAM)-studie georganiseerd door de CDC. Het idee achter de MCAM-studie was om deelnemers aan te melden bij meerdere deskundige ME/cvs-klinieken in de VS en hen te onderwerpen aan hetzelfde protocol van testen en metingen. Dit maakt grotere steekproeven en nauwkeurigere schattingen mogelijk. Een eerdere MCAM-publicatie was in staat om verschillende misvattingen over de resultaten van inspanningstesten bij ME/cvs weg te nemen (zie onze review uit 2022 voor een bespreking van deze bevindingen). De resultaten over NK-cytotoxiciteit zouden ook opmerkelijke resultaten opleveren.
174 ME/cvs-patiënten werden gerekruteerd in 5 gespecialiseerde klinieken: de Mount Sinai-kliniek van Benjamin Natelson in New York, het Institute for NeuroImmune Medicine van Nancy Klimas in Miami, het Bateman Horne Center van Lucinda Bateman in Utah, The Open Medicine Clinic van Richard Podell in Californië en Sierra Internal Medicine van Daniel Peterson in Incline Village, Nevada.
Toen de NK-celfunctie van patiënten werd vergeleken met die van gezonde controles, waren hun waarden bijna exact hetzelfde. De onderzoekers keken ook naar subgroepen zoals patiënten met ernstige ME/cvs of patiënten met een plotseling begin van ME/cvs, maar deze hadden ook normale NK-celcytotoxiciteit. Er was ook geen significante correlatie tussen NK-functie en verschillende symptoomvragenlijsten.
We weten niet of dit het laatste woord is in het verhaal over NK-celfunctie bij ME/cvs, maar het laat wel zien dat we er niet vanuit kunnen gaan dat dit een vaststaande bevinding is. Sommige studies, zoals die van de Griffith University in Australië, waren al gericht op het proberen te verklaren van abnormale NK-celfunctie bij ME/cvs. De MCAM-studie suggereert dat we een stap terug moeten doen en eerst moeten proberen een sterkere basis te leggen.
Het einde van de jacht op virussen?
Het andere belangrijke nulresultaat kwam van het team van Ian Lipkin van Columbia University. Lipkin is een van de meest gerenommeerde virusexperts ter wereld en wordt vaak geraadpleegd door overheden en media over dit onderwerp.
In zijn ME/cvs-studie uit 2023 stelde Lipkin een van de grondigste screenings op virusdeeltjes in de ME/cvs-historie samen. Zijn team gebruikte twee grote cohorten van meer dan 100 ME/cvs-patiënten om hun bloed, ontlasting en speeksel te bestuderen. Ze gebruikten verschillende complexe screeningsmethoden (MassTag PCR, VirCapSeq, Ion Torrent Proton platform screening, etc.) maar toch konden ze geen noemenswaardig verschil vinden tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles.
De enige uitzondering was een lagere prevalentie van anellovirussen bij patiënten in vergelijking met gezonde controles. Anellovirussen komen veel voor bij mensen en veroorzaken vaak geen symptomen. Lipkin en zijn team speculeren dat hun lagere prevalentie bij ME/cvs kan wijzen op een hyperimmuunstatus, maar het zou ook een gevolg kunnen zijn van antivirale geneesmiddelen, aangezien patiënten die antivirale middelen gebruikten niet werden uitgesloten in deze studie.
Lipkin en zijn team hebben niet getest op virussen in weefsel zoals spiermonsters. Maar zoals iemand ons opmerkte: “De vraag is wat deze virussen kunnen doen terwijl ze zich met zo’n lage frequentie vermenigvuldigen dat ze niet in het bloed worden gedetecteerd.” Lipkin en collega’s lijken te denken dat het tijd is om verder te gaan en schrijven: “Onze bevindingen suggereren dat toekomstige onderzoeken naar virale infecties bij ME/cvs zich moeten richten op adaptieve immuunreacties in plaats van surveillance voor virale genproducten.”
Fibronectine en de herpesvirussen
Maar er is meer te zeggen over virussen en ME/cvs. Een andere onderzoekslijn heeft zich gericht op de reactivering van gewone herpesvirussen en hoe deze de energieproductie en de immuunfunctie bij ME/cvs kunnen verstoren. Viroloog Bhupesh Prusty is een van de meest prominente voorstanders van deze visie en een expert op dit gebied. Zijn artikel over het humane herpesvirus 6A (HHV-6) van vorig jaar werd gepubliceerd in het prestigieuze tijdschrift Nature. Prusty vermoedt dat herpesvirussen zoals HHV-6 een belangrijke rol spelen in de pathologie van ME/cvs.
Zijn preprint uit 2023 levert verder bewijs voor deze hypothese. Net als eerdere papers van Prusty bestaat deze echter uit een reeks complexe experimenten die soms moeilijk te volgen zijn. We zullen proberen ze in twee delen op te splitsen.
Eerst keken Prusty en collega’s naar antilichamen tegen herpesvirus-dUTPases: enzymen die virussen maken wanneer ze zich voortplanten. ME/cvs- en longcovidpatiënten hadden meer antilichamen tegen deze enzymen van het Herpes-simplexvirus, HHV-6, en het Epstein-Barrvirus. In een ander experiment leverde Prusty bewijs dat deze dUTPase-enzymen de architectuur en functie van mitochondriën kunnen veranderen.
Ten tweede keken Prusty en zijn team nauwkeuriger naar de antilichamen van ME/cvs-patiënten en de eiwitten waarmee ze zich binden. ME/cvs-patiënten hadden de neiging om minder antilichamen te binden met het eiwit fibronectine (FN1) dan gezonde controles. Om dit verder te onderzoeken mat het team van Prusty de FN1-niveaus in het bloed en ontdekte dat deze hoger waren bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met controles. Tot zover wees het bewijs in de richting van iets interessants. Maar toen het lab van Prusty een grotere test van de antilichamen tegen FN1 opzette met behulp van ELISA-tests, was er helaas geen significant verschil meer tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles. Alleen in de subgroep van ernstige ME/cvs was er een afname van antilichamen tegen FN1. Voor longcovidpatiënten waren de resultaten complexer: de antilichamen tegen FN1 waren verminderd bij alle SARS-CoV-2-positieve patiënten, zelfs bij degenen zonder langdurige COVID, maar hoe symptomatischer de deelnemers waren, hoe lager hun waarden neigden te zijn.
Volgens Prusty en collega’s suggereren deze bevindingen dat FN-1 gebruikt kan worden als een “biomarker voor de ernst van zowel ME/cvs als langdurige COVID” met “een onmiddellijke implicatie in de diagnostiek en ontwikkeling van behandelingsmodaliteiten”. We denken niet dat het bewijs al sterk genoeg is om deze beweringen te ondersteunen. Niettemin zou een verband met FN-1 interessant zijn, aangezien het eiwit een rol speelt in verschillende cellulaire activiteiten, waaronder weefselherstel en celmigratie.
Ramanspectroscopie
Een andere paper die veel aandacht kreeg, werd gepubliceerd door het onderzoeksteam van Karl Morten van de Universiteit van Oxford. Zij gebruikten een nieuwe techniek genaamd ‘ramanspectroscopie’ waarbij licht op moleculen wordt geschenen om vervolgens de resulterende verstrooiing en breking van dat licht te meten. Door de chemische samenstelling heeft elk type molecuul een andere wisselwerking met het licht, waardoor er een uniek patroon ontstaat dat veel lijkt op een vingerafdruk. Door veranderingen in het verstrooide licht te analyseren, konden de onderzoekers in Oxford identificeren welke moleculen aanwezig waren in een enkele cel. Ze deden dit bij 61 deelnemers met ME/cvs, 21 met Multiple Sclerose (MS) en 16 gezonde controles.
Deze ramanspectroscopiemetingen leverden hen een schat aan gegevens op. Ze vonden onder andere een toename in tryptofaan en tyrosine, verhoogde glycerolspiegels, verlaagde cholesterolspiegels en verlaagde glycogeenniveaus. Om gebruik te maken van alle gegevens, gebruikten Morten en zijn team een algoritme met machine learning dat, na enige training, in staat was om onderscheid te maken tussen ME/cvs-patiënten, gezonde mensen en MS-patiënten met een hoge nauwkeurigheid van 91%. Bovendien was het in staat om milde, matige en ernstige ME/cvs-patiënten te onderscheiden met een nauwkeurigheid van 84%.
Dit zijn interessante bevindingen. Eén groot voorbehoud is echter dat een overvloed aan gegevens gemakkelijk valse verbanden kan creëren. Verdere tests zijn nodig om te zien of deze ‘ramanprofielen’ dezelfde nauwkeurigheid hebben in andere monsters. De Britse ME Association kondigde aan dat het verder werk van Morten en collega’s zal financieren om te zien of een celgebaseerde diagnostische test voor ME/cvs kan worden ontwikkeld met behulp van gegevens via ramanspectroscopie.
Provocatiestudies
Cognitieve testen na staan
Drie studies onderzochten ME/cvs-patiënten na een inspannings- of provocatietest in de hoop dat dit meer aanwijzingen zou geven over de onderliggende pathologieën van het syndroom.
De eerste studie werd uitgevoerd in het Bateman Horne Center en bestond uit een korte cognitieve test voor en na een orthostatische uitdaging. De cognitieve test werd uitgevoerd op smartphones van deelnemers en mat vooral reactietijd en aandacht. De orthostatische uitdaging was de leuntest waarbij deelnemers 10 minuten rechtop moesten staan. Voor het onderzoek werden 34 longcovidpatiënten, 140 ME/cvs-patiënten en 82 gezonde controles gerekruteerd.
De resultaten waren interessant. Terwijl de scores van de gezonde controles kort na de orthostatische uitdaging verbeterden, gingen die van de groepen met ME/cvs en langdurige COVID achteruit. De auteurs keken ook of er een correlatie was tussen hemodynamische variabelen zoals hartslag of polsdruk en cognitieve prestaties om te zien of het ene het andere kon verklaren, maar de relatie was gecompliceerd. Voor ME/cvs-patiënten die al meer dan 10 jaar ziek waren, was er bijvoorbeeld geen significante correlatie tussen hemodynamische veranderingen en cognitieve achteruitgang.
Van de darmen naar de bloedbaan
De tweede provocatiestudie kwam van Columbia University en richtte zich op de darmen. De onderzoekers gebruikten eerst een grote database van ME/cvs-stalen om hun hypothese van ‘microbiële translocatie’ te testen. Deze hypothese gaat ervan uit dat microben uit de darmen migreren naar de bloedbaan waar ze niet thuishoren en vervolgens worden aangevallen door het immuunsysteem.
De Columbia-onderzoekers vermoedden dat dit het geval zou kunnen zijn bij ME/cvs-patiënten en publiceerden verschillende bevindingen die dit ondersteunen. Ze vonden bijvoorbeeld verhoogde niveaus van vetzuurbindend eiwit 2 (FABP2), een marker van schade aan darmepitheelcellen, wat suggereert dat de darm minder goed in staat is om te voorkomen dat bacteriën in de bloedbaan terechtkomen. Vergeleken met gezonde controles hadden ME/cvs-patiënten ook hogere niveaus van antilichamen tegen eiwitten die gevonden worden in de staarten en buitenmembranen van bacteriën en meer antilichamen tegen voedingseiwitten, zoals gliadine (een bestanddeel van gluten) en caseïne (een melkeiwit).
Er was echter één ding dat niet klopte. De immuuncellen die bezig zouden moeten zijn met het opruimen van deze darmmicroben, LBP (lipopolysaccharidebindend eiwit) en sCD14 (soluble Cluster of Differentiation 14), waren niet verhoogd bij ME/cvs-patiënten. De onderzoekers vermoedden daarom dat er iets defect was in de immuunrespons van de patiënten.
Omdat lichaamsbeweging de darmslijmvliesbarrière bij gezonde volwassenen kan verstoren, dachten de onderzoekers dat ze een inspanningsuitdaging konden gebruiken om de immuunrespons van ME/cvs-patiënten te testen. Helaas was de studie slechts in staat om 9 ME/cvs-patiënten en 7 gezonde controles te rekruteren, en het aandeel vrouwen in de controlegroep was veel lager. De resultaten waren desalniettemin interessant.
Na de inspanningstest namen LBP en sCD14 toe in de controlegroep, maar niet of veel minder in de ME/cvs-groep. Aan de andere kant namen antilichamen tegen microbiële fragmenten toe na inspanning bij ME/cvs-patiënten, maar niet of veel minder in de controlegroep.
Het immuunsysteem van ME/cvs-patiënten bleek anders te werken. De acute immuunrespons ontbrak, terwijl de humorale immuunrespons (de respons die later komt en waarbij antilichamen betrokken zijn) harder werkte. De onderzoekers speculeren dat deze verhoogde antilichaamrespons een compensatiemechanisme zou kunnen zijn om de ontoereikende acute immuunrespons door LBP en sCD14 aan te pakken.
Urinemetaboloom
De derde provocatiestudie kwam van de Cornell University. De onderzoeksgroep van Maureen Hanson mat verschillende moleculen in urinemonsters voor en 24 uur na een cardiopulmonale inspanningstest (CPET). Slechts 10 ME/cvs-patiënten werden geïncludeerd in dit onderzoek, maar elk urinemonster werd gescreend op 1403 metabolieten, veel meer dan in eerdere onderzoeken.
Vóór de inspanning werden er geen significante verschillen gevonden tussen de controles en de ME/cvs-patiënten. Na de inspanning waren er echter vier verbindingen die significant van elkaar verschilden en die allemaal in lagere concentraties werden aangetroffen bij de ME/cvs-patiënten in vergelijking met de gezonde controles. Zoals de auteurs opmerken: “Onze meest onverwachte ontdekking is het gebrek aan veranderingen in het urinemetaboloom van ME/cvs-patiënten tijdens het herstel, terwijl significante veranderingen worden geïnduceerd bij controles na CPET, wat mogelijk het gebrek aan aanpassing aan een ernstige stress bij ME/cvs-patiënten aantoont.”
Endotheeldisfunctie
Endotheeldisfunctie en weefselhypoxie zijn naar voren gekomen als prominente theorieën in zowel ME/cvs als langdurige COVID. Het endotheel, dat zich aan de binnenkant van de bloedvaten bevindt, speelt een cruciale rol in het reguleren van de bloedstroom. Disfunctie van het endotheel kan daarom leiden tot onvoldoende zuurstoftoevoer naar spierweefsel, waardoor het vermogen om aan de energievraag te voldoen, wordt aangetast.
Een Noorse groep is al een paar jaar bezig met deze hypothese. In 2021 publiceerden ze bewijzen van endotheeldisfunctie bij ME/cvs-patiënten die deelnamen aan de studie met cyclofosfamide. Dit jaar konden ze deze bevindingen repliceren bij deelnemers aan de studie met rituximab.
De test ging als volgt. Eerst werd er een manchet rond de onderarm van de deelnemers geplaatst om de bloedstroom tijdelijk te blokkeren. Toen ze de manchet losmaakten om de bloedstroom te herstellen, maten de onderzoekers de diameter van de slagader en de verandering in de bloedstroom met behulp van ultrasone beeldvorming. Beide metingen waren verminderd bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles, wat objectief bewijs levert van endotheeldisfunctie.
Er was slechts één probleem. Deze afwijkingen correleerden niet goed met de metingen voor de ernst van de ziekte, zoals fysiek functioneren, of het aantal stappen dat patiënten zetten. Het blijft daarom onduidelijk of deze metingen van endotheelfunctie ook klinische waarde hebben bij ME/cvs.
MicroRNA’s
In 2023 vonden ook twee replicatiepogingen plaats in het onderzoek naar microRNA’s (miRNA’s); de kleine niet-coderende RNA’s die genexpressie reguleren.
Het Canadese onderzoeksteam van Alain Moreau testte 11 circulerende miRNA’s die in eerdere onderzoeken in verband werden gebracht met ME/cvs. 3 van deze miRNA’s waren significant hoger bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Moreau en zijn team testten de miRNA’s ook bij patiënten met fibromyalgie en ontdekten dat ze significant verlaagd waren in vergelijking met zowel ME/cvs-patiënten als gezonde controles. Deze tegengestelde resultaten voor ME/cvs (verhoogde waarden) en fibromyalgie (verlaagde waarden) zijn interessant, maar kunnen ook het resultaat zijn van verschillende steekproefmethoden: ME/cvs-patiënten werden rechtstreeks gerekruteerd voor het onderzoek, terwijl de fibromyalgiemonsters afkomstig waren van de CARTaGENE-biobank.
Een Italiaans-Litouwse studie testte ook 8 miRNA’s die in verband zijn gebracht met ME/cvs of met verschillende auto-immuunziekten. In hun cohort van 40 ME/cvs-patiënten waren 3 van de gemeten miRNA’s opwaarts gereguleerd in vergelijking met controles, wat eerdere gegevens bevestigt. Het grootste verschil werd gevonden voor miR-448, dat nog niet eerder was getest bij ME/cvs, maar verhoogd bleek te zijn bij auto-immuunziekten zoals reumatoïde artritis, Sjögren en Lupus.
Hersenscans
Er waren ook een paar beeldvormingsstudies bij ME/cvs in 2023.
De meest interessante kwam van het Australische team van Leighton Barnden van de Griffith University. Zij gebruikten een van de krachtigste MRI-scans ter wereld met een ultrahoge veldsterkte van 7 Tesla. Barnden en collega’s ontdekten dat het hersenstamgebied vergroot was bij zowel ME/cvs- als longcovidpatiënten met ongeveer 10 tot 20 procent in vergelijking met controles. Helaas was de steekproef klein: er werden slechts 10 ME/cvs-patiënten en 8 longcovidpatiënten onderzocht. Desalniettemin is dit een opwindend resultaat dat hopelijk in 2024 verder zal worden onderzocht.
Er waren ook twee beeldvormingsstudies van een andere Australische onderzoeksgroep die zich richtten op adolescenten met ME/cvs. Een van de studies zoomde in op de hypothalamus, terwijl de andere Diffusiegewogen MRI gebruikte, een techniek die diffusie van watermoleculen gebruikt om contrast te genereren in MR-beelden. Helaas vonden beide studies geen duidelijke afwijkingen.
Langdurige Covid en andere ziekten
Op het gebied van langdurige COVID rapporteerde een grote samenwerking van onderzoekers lagere serotonine bij patiënten in vergelijking met controles. De onderzoekers waren in staat om een muizenmodel te ontwikkelen dat vergelijkbaar verlaagde plasmaserotonineniveaus vertoonde toen de muizen werden geïnfecteerd door het vesiculaire stomatitisvirus. De auteurs merken ook op dat lagere serotoninespiegels zijn gevonden in andere gevallen van virale ontsteking, zoals infectie met het denguevirus. Ze vermoeden dat de uitputting van serotonine de activiteit van de nervus vagus verstoort en dat dit een verklaring zou kunnen zijn voor de cognitieve problemen van langdurige COVID-patiënten.
Het grootste deel van de circulerende serotonine wordt aangemaakt in de darmen, waar het wordt gesynthetiseerd uit tryptofaan dat we uit onze voeding halen. De onderzoekers konden aantonen dat de tryptofaanwaarden ook verlaagd waren bij langdurige COVID-patiënten.
De paper bestaat uit een indrukwekkende reeks experimenten, maar de verklaring lijkt bijna te simpel. Serotonine is een neurotransmitter waar veel onderzoek naar is gedaan en het zou nogal een verrassing zijn als niemand dit eerder heeft opgepikt. Eerdere ME/cvs-studies vonden geen verlaagde serotoninespiegels bij patiënten en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) hebben de ME/cvs-symptomen niet verbeterd. Iets soortgelijks kan gezegd worden over de verlaagde cortisolspiegels die gerapporteerd zijn bij langdurige COVID-patiënten: bij ME/cvs zijn de resultaten over cortisol op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Misschien zijn deze markers alleen abnormaal kort na de infectie die het syndroom veroorzaakt.
Dia uit de presentatie van Maureen Hanson op de conferentie van de NIH in 2023
In onderzoek naar fibromyalgie was er een degelijke studie naar naltrexone in lage dosis (LDN) dat helaas geen significant voordeel vond in het verlichten van de pijn. Dit is belangrijk omdat sommige artsen LDN voorschrijven aan ME/cvs-patiënten in de overtuiging dat is aangetoond dat het werkt bij fibromyalgie. De Open Medicine Foundation plant momenteel een gerandomiseerde studie naar LDN bij ME/cvs-patiënten die meer informatie zou kunnen geven over het nut ervan.
Ten slotte werd in een grote, gerandomiseerde studie, gepubliceerd in de Lancet, een lage dosis orale amitriptyline getest voor het prikkelbaredarmsyndroom (PDS, net als fibromyalgie een frequente comorbiditeit van ME/cvs). Het tricyclische antidepressivum had een gunstig effect op PDS-symptomen, maar helaas was het effect vrij klein.
Eervolle vermeldingen
We eindigen ons overzicht met twee eervolle vermeldingen.
Testen aan huis
De eerste studie implementeerde een testprotocol voor thuis om de fysiologische reacties op alledaagse activiteiten bij ME/cvs te meten. De kinesi/fysiotherapeuten van Physios for ME bezochten de huizen van 17 ME/cvs-patiënten met hun draagbare metabole testapparaten. Bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en melkzuur werden gemeten tijdens een reeks alledaagse houdingen en activiteiten. Voorbeelden waren 5 minuten zitten, ontbijt klaarmaken, jezelf wassen, naar boven lopen, etc. De onderzoekers ontdekten dat ME/cvs-patiënten vaak hun anaerobe drempel overschreden tijdens deze alledaagse activiteiten.
Hoewel dit slechts een haalbaarheidsstudie is, zou het een nieuw kader kunnen bieden voor het testen van ME/cvs-patiënten tijdens PEM. Huidige studies richten zich vaak op korte en intensieve inspanningen zoals een fietstest om PEM uit te lokken, wat kan leiden tot misleidende resultaten. Sommige ME/cvs-patiënten hebben bijvoorbeeld aangegeven dat de reis naar de dokter al PEM veroorzaakte voordat ze op de hometrainer zaten. Het meten van fysiologische reacties bij patiënten thuis na alledaagse activiteiten kan leiden tot een nauwkeurigere beoordeling van PEM.
De FUNCAP-vragenlijst
De andere eervolle vermelding is de FUNCAP-vragenlijst, ontwikkeld door Kristian Sommerfelt en Trude Schei van de Noorse ME-Vereniging. Het bestaat uit 55 vragen om de functionele capaciteit van ME/cvs-patiënten te beoordelen, bijvoorbeeld voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of verzekeringsdoeleinden. Er wordt gevraagd naar verschillende dagelijkse taken zoals ‘staand douchen’, ‘ongeveer 5 minuten een gesprek voeren’, ‘boodschappen doen in de winkel’, ‘gebruik maken van openbaar vervoer’ enz. Er is ook een kortere versie met 27 vragen voor internationaal onderzoek. Beide versies zijn hier gratis verkrijgbaar (zie het aanvullend materiaal).
Het mooie van FUNCAP is dat het ontwikkeld is in nauw overleg met patiënten (er waren meerdere enquêterondes waar respondenten feedback konden geven) en dat het rekening houdt met PEM. Andere functionele beoordelingen presenteren meestal een lijst van activiteiten of taken en verwachten een ja of nee-antwoord: kunt u dit of niet? Voor ME/cvs-patiënten is het juiste antwoord vaak complexer. Ze kunnen zichzelf misschien overbelasten en de activiteit één keer doen, maar worden dan zieker, waardoor ze gedwongen worden hun andere activiteiten te verminderen. FUNCAP geeft je daarom 7 opties. Voor elke voorgestelde activiteit kun je antwoorden:
0: Ik kan dit niet doen.
1: Mijn capaciteit zal gedurende minstens drie dagen ernstig verminderd zijn.
2: Ik kan weinig anders doen op dezelfde dag en gedurende één of twee dagen erna.
3: Ik kan dezelfde dag weinig anders doen.
4: Ik moet andere activiteiten op dezelfde dag beperken.
5: Dit heeft zelden invloed op andere activiteiten.
6: Niet problematisch – heeft geen invloed op andere activiteiten.
Hopelijk wordt deze FUNCAP-vragenlijst verder getest en gebruikt door ME/cvs-onderzoekers.
Dat was het! Als u een belangrijke ME/cvs-studie hebt gemist die we hebben vergeten in ons overzicht, kunt u deze in de commentaarsectie hieronder plaatsen.
Grote dank aan iedereen op het Science for ME-forum wiens doordachte discussies en gedetailleerde analyses van papers ons enorm hebben geholpen bij het maken van dit jaarlijkse overzicht.
Fijne feestdagen en een geweldig 2024 voor iedereen!
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Terugblik-op-het-onderzoek-naar-ME_cvs-in-2023.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-01-08 10:54:152024-09-03 21:12:032023: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek
Er wordt flink wat wetenschappelijk onderzoek gedaan naar oorzaak en behandeling van ME/cvs en een heel aantal patiënten volgt dit onderzoek ook. Maar wat is nu dat wetenschappelijk onderzoek en hoe wordt dat uitgevoerd? Wie doet de onderzoeken en hoe wordt het onderzoek betaald?
Wat is wetenschappelijk onderzoek?
Wetenschappelijk onderzoek is onderzoek dat volgens bepaalde criteria, regels en methoden wordt uitgevoerd. Deze criteria, regels en methoden zijn ontstaan door ervaringen met het doen van onderzoek en het willen verkrijgen van goede resultaten als gevolg van een meting of een interventie.
Die resultaten zijn controleerbaar wat betekent dat je het onderzoek en de resultaten kunt controleren. Ook is het onderzoek herhaalbaar. Dat betekent dat je het onderzoek nog eens op dezelfde manier uitvoeren en dan krijg je dezelfde resultaten. Dit klinkt logisch, maar regelmatig krijg je niet dezelfde resultaten als je het onderzoek nog eens uitvoert omdat er toch net iets anders is gedaan of de omstandigheden bijvoorbeeld anders waren. Bij (bio)medisch onderzoek speelt dat nog meer: de ene groep proefpersonen kan toch anders zijn dan de andere groep proefpersonen, ondanks dat ze volgens bepaalde eisen zijn geselecteerd.
Wat is het doel van wetenschappelijk onderzoek?
Het doel van wetenschappelijk onderzoek is om meer kennis en begrip te krijgen van de wereld om ons heen. Met die kennis kunnen we vervolgens toepassingen maken die ons helpen.
Fundamenteel en toegepast onderzoek
Fundamenteel of zuiver wetenschappelijk onderzoek is onderzoek om kennis en begrip van fenomenen en vakgebieden te vergroten. Het heeft vaak geen vooraf vastgesteld praktisch doel. Toch komen er vaak praktische toepassingen voort uit de resultaten van fundamenteel onderzoek. Resultaten van fundamenteel onderzoek worden meestal met vakgenoten gedeeld via wetenschappelijke tijdschriften en conferenties. Voor wetenschappelijke onderzoekers is het aantal en de kwaliteit van publicaties dan ook een belangrijk doel: daaraan wordt afgemeten hoe goed de onderzoeker bezig is.
Toegepast onderzoek is gericht op het ontwikkelen of verbeteren van toepassingen. Daarvoor is kennis uit fundamenteel onderzoek nodig. Tegenwoordig is toegepast onderzoek vaak multidisciplinair, omdat er steeds meer kennis uit verschillende vakgebieden gecombineerd moet worden om een toepassing werkelijkheid te kunnen maken.
Epidemiologisch en klinisch onderzoek
Epidemiologisch onderzoek is onderzoek naar het voorkomen en de verspreiding van ziektes binnen en tussen groepen mensen. De onderzoekers proberen zo beter te begrijpen welke risicofactoren een rol spelen bij het optreden van ziektes. Deze informatie helpt bij het opstellen van preventieve
maatregelen. Daarmee kunnen het voorkomen en de verspreiding van ziektes worden beperkt. Epidemiologisch onderzoek heeft niet als doel om de oorzaak van een ziekte aan het licht te brengen.
Klinische onderzoeken zijn medisch-wetenschappelijke onderzoeken bij mensen waarbij het doel is om medicijnen of behandelingen te testen. Als een medicijn of behandeling bij een meer fundamenteel onderzoek veelbelovend lijkt kan een klinisch onderzoek worden opgezet. Daarbij wordt dan gekeken of het medicijn of de behandeling helpt om mensen zich beter te laten voelen. Bij klinische onderzoeken wordt ook getest of deze medicijnen of behandelingen veilig zijn en of ze bijwerkingen hebben. Het kan zijn dat het resultaat is dat het geen verbetering oplevert of dat er ernstige bijwerkingen zijn.
Hoe wordt wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd?
Vaak wordt onderzoek gedaan met behulp van een interventie: je brengt een verandering aan in een systeem en kijkt wat er vervolgens gebeurt. Maar er wordt ook onderzoek gedaan door gewoon te kijken naar wat er te meten is in een systeem of in een groep patiënten. Er zijn heel veel verschillende meetmethodes die kunnen worden gebruikt en er wordt ook veel onderzoek gedaan naar het ontwikkelen van meetmethodes.
Als onderzoeker wil je dat wat je meet herhaalbaar is, dus dat het door jezelf of door anderen nog eens gedaan kan worden en dat dat dan dezelfde uitkomsten geeft. Je wilt ook zo min mogelijk invloeden hebben op je metingen die je niet zelf beheerst zodat je echt meet wat je wilt meten. Om dat goed te kunnen doen en om zo min mogelijk invloeden te hebben in de metingen scherm je dat wat je wilt meten zoveel mogelijk af en houd je alle omstandigheden zoveel mogelijk gelijk. Ook wil je dat de resultaten zijn wat je daadwerkelijk wilt meten. Dat is nog niet zo makkelijk: er zijn vaak verstorende invloeden of omstandigheden die je uit de resultaten moet zien te houden en waar je dus rekening mee moet houden.
Kortom, er zijn veel valkuilen waar je als onderzoeker rekening mee moet houden om goed onderzoek te doen en de juiste, goede en betrouwbare resultaten te krijgen. Daarom bestaan al deze criteria, regels en methodes.
Metingen en experimenten doen is duur en kost veel tijd. Daarom zal een onderzoeker eerst nadenken over een centrale vraag van zijn of haar onderzoek of een hypothese opstellen: een bewering over iets wat vervolgens via onderzoek wordt bevestigd of ontkracht. Dan zal een onderzoeker de wetenschappelijke literatuur doorzoeken om zoveel mogelijk kennis en resultaten te vinden die helpen bij het beantwoorden van de vraag. Ook gaan onderzoekers op zoek naar methoden en metingen om hun onderzoek uit te kunnen voeren om de vraag te beantwoorden. Als dat allemaal gedaan is kan het werkelijke praktische onderzoek beginnen. Het onderzoek wordt uitgevoerd en alle resultaten worden verzameld. Daarna worden de resultaten geïnterpreteerd: passen de resultaten bij wat er in de wetenschappelijke literatuur te vinden is? Kunnen de resultaten verklaard worden vanuit de theorie, zijn ze logisch? Als dat allemaal gedaan is kan de centrale vraag beantwoord worden of, als een hypothese was opgesteld, kan deze worden bevestigd of ontkracht. Dit alles wordt dan opgeschreven in een artikel voor een wetenschappelijk tijdschrift of in bijvoorbeeld een proefschrift.
Door wie wordt wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd?
Wetenschappelijk onderzoek wordt vaak uitgevoerd aan universiteiten en onderzoeksinstituten zoals TNO. Aan universiteiten wordt veelal meer fundamenteel onderzoek uitgevoerd. Veel (bio)medisch onderzoek wordt uitgevoerd aan universiteiten of in universitaire medische centra.
Onderzoek aan universiteiten is georganiseerd in faculteiten, die weer bestaan uit leerstoelen of vakgroepen. In deze vakgroepen vindt het onderzoek plaats. Aan het hoofd van een vakgroep staat vaak een hoogleraar, iemand die zijn of haar sporen verdiend heeft in de wetenschap en die de richting van het onderzoek van de vakgroep bepaalt en uiteindelijk verantwoordelijk is voor het onderwijs vanuit de vakgroep. Er zijn vaste medewerkers als universitair hoofddocenten (UHD) en universitair docenten (UD), die zowel onderwijs verzorgen als onderzoek doen. Zij begeleiden ook meestal de promovendi of aio’s die een promotieonderzoek uitvoeren en ze zijn zelf gepromoveerd. Ook zijn er vaak postdocs, mensen die net gepromoveerd zijn en die een tijdelijke aanstelling hebben en zo hun onderzoekservaring uitbreiden. De bulk van het onderzoekswerk wordt vaak uitgevoerd door promovendi. Zij doen promotieonderzoek onder begeleiding van bijvoorbeeld een UHD of UD. Over hun onderzoek schrijven zij een proefschrift dat ze openbaar moeten verdedigen. Als ze slagen mogen ze zich Dr of PhD noemen. Het is eigenlijk een opleiding tot onderzoeker. De universiteit krijgt een onderwijsbonus voor succesvol volbrachte promotieonderzoeken. Dat verklaart waarom veel onderzoek wordt gedaan door promovendi: het is een vorm van onderwijs, het levert een bonus op en promovendi zijn relatief goedkoop.
Bij onderzoeksprojecten bij universiteiten zie je vaak dat projecten in bijvoorbeeld 4 jaar worden uitgevoerd en typisch een bepaald bedrag kosten, want daar past een promotieonderzoek precies in.
Hoe wordt wetenschappelijk onderzoek betaald?
Voor wetenschappelijk onderzoek zijn er grofweg drie geldstromen waaruit geld kan komen voor onderzoek: eerste, tweede en derde geldstroom.
Eerste geldstroom geld is directe financiering vanuit de overheid. Hiermee worden het onderwijs, faciliteiten en een deel van het onderzoek betaald. Onderzoek betaald vanuit de eerste geldstroom is meestal het meest vrij en ongebonden: het is algemene financiering van onderzoek zonder specifieke opdracht. Dit is echter bij lange na niet genoeg om al het onderzoek van te betalen.
Tweede geldstroom geld komt vanuit subsidies vanuit de overheid, die verdeeld worden door organisaties zoals NWO, KNAW en ZonMw, maar ook lokalere subsidieorganisaties vallen hieronder. Vaak zijn deze organisaties gericht op bepaalde werkvelden of vakgebieden. Zo richt ZonMw zich op de zorgsector. Zij schrijven calls uit, oproepen voor onderzoeksvoorstellen of aanvragen voor een bepaald thema of onderzoeksonderwerp. Er staat beschreven waar onderzoeksaanvragen en -voorstellen aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor een deel van die subsidie. Een flink deel van het onderzoeksgeld voor vakgroepen komt vaak uit deze tweede geldstroom. Deze subsidies zijn allemaal tijdelijk en bedoeld voor onderzoeksprojecten met een bepaalde termijn, maximaal zo’n 8 tot 10 jaar maar veel zijn voor rond de 4 jaar (de lengte van een promotieonderzoek). Sommige onderzoekers zijn heel goed in het schrijven van goede aanvragen of brengen een goede reputatie mee waardoor de kans groter is dat ze succesvol zijn bij zulke subsidieaanvragen. Meestal zijn er (veel) meer aanvragen dan dat er subsidie voor is, 10 of 20 % kans op succes (dus 10 tot 5 keer meer aanvragen dan er subsidie voor is) is niet vreemd.
Derde geldstroom geld komt van alle overige bronnen. Dat kunnen zijn Europese of wereldwijde subsidies, buitenlandse partneruniversiteiten, buitenlandse overheidsinstellingen, beurzen en geld
van non-profitorganisaties en commerciële partijen. Die laatsten kunnen dat direct doen of via publiek-private organisaties en van particulieren.
Kortom, voor de financiering van een vakgroep is een deel vaste financiering en een vaak groter deel is tijdelijke financiering, waardoor onderzoekers altijd op zoek zijn naar een volgende financiering. De geldverstrekker (subsidieverstrekker of anderszins) bepaalt vaak wat de onderwerpen van onderzoek zijn voor het geld dat ze verstrekken. Onderzoekers zoeken dan subsidies met onderwerpen die zo goed mogelijk passen bij hun expertise en algemene focus.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2025/09/Wat-is-wetenschappelijk-onderzoek.jpg9821700Sylvia van de Donkhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngSylvia van de Donk2024-01-03 11:30:002025-09-06 11:27:12Hoe werkt onderzoek eigenlijk?
Het endotheel is een dunne laag cellen die de binnenkant van elk bloedvat bekleedt. Het speelt een cruciale rol bij het reguleren van de verwijding en vernauwing van bloedvaten, bloedstolling en ontstekingsreacties.
Een theorie is dat er bij postvirale aandoeningen schade is aan het endotheel, waardoor zich microklonters vormen die de haarvaten blokkeren. Dit verhindert de doorstroming van het bloed en de zuurstof naar het weefsel en kan vermoeidheid, cognitieve stoornissen en pijn tot gevolg hebben.
Bij gezond, goed werkend endotheel zorgt een toename van de doorstroming van het bloed dat er stikstofmonoxide vrijkomt. Dit zorgt ervoor dat er meer bloed door de bloedvaten kan stromen. Bij ME/cvs en Long Covid bleek uit eerder onderzoek dat het endotheel aanzienlijk minder goed functioneert.
In het onderzoek van dit artikel werden 17 ME/cvs patiënten, 17 Long Covid patiënten en 17 gezonde controles met elkaar vergeleken. Daarvoor werd de stikstofmonoxide in het bloed gemeten.
Tussen de groep ME/cvs en de groep Long Covid was er in dit onderzoek geen verschil in functioneren van het endotheel, ondanks de langere ziekteduur bij ME/cvs. Schade aan het endotheel zou mogelijk kunnen zijn ontstaan kort nadat een virus is doorgemaakt en daarna niet verder zijn toegenomen.
Het is volgens de auteurs niet waarschijnlijk dat deze minder goed werkende endotheelfunctie en vaatverwijding bij ME/cvs en Long Covid komt door deconditionering.
Bij sommige ME/cvs en Long Covid patiënten was de endotheelfunctie zeer ernstig verminderd en bij anderen niet. Het zou dus zo kunnen zijn dat bij postvirale aandoeningen een verminderde endotheelfunctie niet algemeen voorkomt. Het is ook mogelijk dat patiënten individueel verschillen in verloop van de ziekte en in welke symptomen zij hebben.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Verminderde-endotheelfunctie-bij-ME_cvs-en-Long-COVID.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-12-17 16:52:152024-08-18 19:19:06Verminderde endotheelfunctie bij ME/cvs en Long COVID
Op de website van ZonMw staat sinds vandaag een update over het onderzoeksprogramma ME/CVS.
Daar leest u onder andere meer over de start van de eerste door ZonMw gefinancierde onderzoeken naar ME/CVS, de ontwikkelingen op het gebied van patiëntparticipatie en de start van Sjaak de Gouw als programmacommissievoorzitter.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-Update-ZonMw-over-onderzoeksprogramma-1.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-09-29 14:21:452024-08-19 01:55:49Update ZonMw onderzoeksprogramma ME/CVS
Reproductieve gezondheid is het volledig sociaal, mentaal en fysiek welbevinden met betrekking tot de functies en processen van het voortplantingssysteem. Dit omvat het kunnen nemen van weloverwogen beslissingen rond gezinsplanning, anticonceptie en vruchtbaarheid, en is belangrijk voor zowel mannen als vrouwen.
Eerder bewijs suggereert dat het verschil in het aantal gevallen van ME/cvs tussen mannen en vrouwen gedeeltelijk gerelateerd kan zijn aan geslachtshormonen en vrouwelijke voortplantingsprocessen zoals menstruatie, zwangerschap en menopauze.
Een studie uit Noorwegen, met 5.809 mensen met ME/cvs, onderscheidde twee leeftijdsgroepen waar het aantal nieuwe gevallen van ME/cvs het hoogst was:
Voor mannen was dit 10-19 jaar
Voor vrouwen was dit 10-19 jaar en 30-39 jaar.
Deze leeftijdsgroepen zijn belangrijk voor de reproductieve gezondheid omdat ze perioden van aanzienlijke en snelle veranderingen in geslachtshormonen omvatten. De leeftijdsgroep van 10-19 jaar omvat meestal de puberteit voor zowel mannen als vrouwen, en de leeftijdsgroep van 30-39 jaar omvat vaak de zwangerschap en kraamtijd voor vrouwen.
Wat vertelt het bestaande bewijs ons?
Hoewel er momenteel geen gepubliceerde systematische reviews zijn die zich uitsluitend richten op de reproductieve gezondheid bij ME/cvs, geeft een recent literatuuroverzicht, dat zich richtte op Long COVID en de reproductieve gezondheid van vrouwen, ook een samenvatting van het bewijs bij andere aandoeningen, waaronder ME/cvs. Helaas lijken dergelijke onderzoeken naar de reproductieve gezondheid van mannen niet te bestaan.
Het beschikbare onderzoek met betrekking tot vrouwen met ME/cvs suggereert dat er hogere percentages zijn van:
Onregelmatige menstruaties, waarbij het aantal dagen tussen de menstruaties (de lengte van de menstruatiecyclus) steeds verandert.
Zware menstruaties, die een impact kunnen hebben op de levenskwaliteit en kunnen leiden tot afwezigheid van school en werk.
Stoppen van de menstruatie.
Bloedingen tussen de menstruaties door.
Endometriose waarbij cellen, vergelijkbaar met die in het baarmoederslijmvlies, op andere plaatsen groeien, bijvoorbeeld in de eierstokken en eileiders. Symptomen zijn pijn en moeite met zwanger worden.
Polycysteus ovarium syndroom, dat onregelmatige menstruaties en hoge niveaus van mannelijke hormonen in het lichaam veroorzaakt, en kan leiden tot problemen met zwanger worden.
Vorming van met vloeistof gevulde zakjes in de eierstokken, eierstokcysten genoemd.
Bekkenpijn die geen verband houdt met de menstruatie (niet-menstruele bekkenpijn).
Vroege menopauze (wanneer de menstruatie stopt voor de leeftijd van 45 jaar).
De review vond ook dat hormonale factoren, waaronder menstruatie, zwangerschap en menopauze, kunnen fungeren als een trigger voor en invloed kunnen hebben op de symptomen en het beloop van deze ziekten.
Bewijs in het overzichtsartikel suggereerde dat voor vrouwen met ME/cvs:
Hormonale veranderingen tijdens de menstruatiecyclus, met name voorafgaand aan de menstruatie, perimenopauze, menopauze en postmenopauze, kunnen allemaal de symptomen verergeren, of fungeren als een trigger voor de ziekte.
Zwangerschap kan ook een trigger zijn voor de ziekte of het risico op het ontwikkelen van de ziekte in de toekomst verhogen.
Het bewijs voor de invloed van zwangerschap op de symptomen is minder duidelijk; bij sommige mensen verbeterden de symptomen, terwijl ze bij anderen hetzelfde bleven of zelfs erger werden.
Wat zijn de beperkingen van de bewijzen?
Hoewel de auteurs van het overzichtsartikel geen systematische zoektocht naar bewijsmateriaal hebben uitgevoerd (waarbij wetenschappelijke databases worden doorzocht met specifieke termen om alle literatuur met betrekking tot een bepaalde onderzoeksvraag te identificeren), ontdekten ze wel dat reproductieve gezondheid bij vrouwen een te weinig onderzocht gebied is voor elk van de onderzochte ziekten.
Daarnaast concludeerden ze dat de onderzoeken die in de review waren opgenomen, beperkt waren door:
Kleine aantallen monsters, wat kan betekenen dat de onderzoeken niet in staat waren om een significant verschil te detecteren met behulp van statistiek, zelfs als dat er wel was.
Door een gebrek aan een relevante of gezonde controlegroep, wat betekent dat het onduidelijk is of een bepaalde observatie anders zou zijn in een gezonde of controlepopulatie.
Door de gebruikte onderzoeksopzetten, namelijk cross-sectionele studies en case reports.
Cross-sectionele studies geven inzicht op één moment in de tijd, maar maken het niet mogelijk om conclusies te trekken over een langere periode.
Casestudies geven gedetailleerde informatie over één persoon (soms een groep mensen of een gebeurtenis), maar de resultaten zijn mogelijk niet relevant voor een hele populatie.
Zonder meer onderzoek is het onmogelijk om conclusies te trekken over de associaties tussen ME/cvs en reproductieve gezondheid.
Het overzichtsartikel benadrukt een aantal onderzoeksprioriteiten voor de reproductieve gezondheid van vrouwen bij Long COVID, ME/cvs, POTS en EDS. Deze zijn:
Hoe menstruatie, zwangerschap, seksueel functioneren en menopauze worden beïnvloed door en impact hebben op deze ziekten.
Sekseverschillen en de rol van geslachtshormonen in de mechanismen van deze ziekten en hun verloop.
Onderzoek naar ondervertegenwoordigde en gemarginaliseerde groepen.
Cijfers en mechanismen van reproductieve gezondheidsaandoeningen.
In dit artikel werd niet gekeken naar de gevolgen voor de reproductieve gezondheid van Long COVID, ME/cvs, POTS en EDS bij mannen.
Samenvatting
Voor zo’n belangrijk onderdeel in het leven van de meeste mensen is het bewijs met betrekking tot reproductieve gezondheid en ME/cvs beperkt – vooral bij mannen. Het is van vitaal belang dat onderzoek van goede kwaliteit naar reproductieve gezondheid en de relatie met ME/cvs, inclusief mechanismen en ziektetrajecten, wordt voortgezet voor vrouwen, en dat kwesties ook worden onderzocht voor mannen. Zonder dit bewijs is het onmogelijk voor medische professionals om op feiten gebaseerd advies te geven aan mensen met ME/cvs over reproductieve gezondheidskwesties.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-voortplanting-en-gezondheid-bij-ME_cvs.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-07-26 09:30:002024-08-18 17:11:00Voortplanting en gezondheid bij ME/cvs
Twee maanden geleden publiceerde Clinical Infectious Diseases (CID), een tijdschrift met een hoge impact, een onderzoek genaamd “Efficacy of Cognitive-Behavioral Therapy Targeting Severe Fatigue Following Coronavirus Disease 2019: Results of a Randomized Controlled Trial.” De studie, die de bijnaam ReCOVer kreeg en werd uitgevoerd in Nederland, beweerde het “eerste bewijs te leveren voor het positieve effect van CGT bij patiënten met ernstige post-COVID-19 vermoeidheid.” De studie kreeg wijdverspreide aandacht en werd geloofwaardig uitgelicht in sociale media en nieuwsartikelen, waaronder een recent artikel in Slate.
De 114 proefpersonen werden gerandomiseerd om ofwel een 17 weken durende cursus CGT te ontvangen, genaamd Fit after COVID, of “care as usual” (CAU). Toen dit onderzoek een paar jaar geleden werd aangekondigd, merkte ik op dat het een niet-geblindeerd onderzoek was dat zich baseerde op subjectieve uitkomsten – een recept voor het genereren van een significante hoeveelheid vooringenomenheid. Met andere woorden, het was in wezen ontworpen om positieve bevindingen te produceren. En dat is ook gebeurd.
De primaire uitkomst was het gemiddelde verschil in zelfgerapporteerde vermoeidheid aan het einde van de behandeling en zes maanden later op een instrument genaamd de Checklist Individual Strength (CIS). De subschaal vermoeidheid van de CIS bevat acht vragen die elk gewaardeerd kunnen worden van 1 tot 7; de eindscores variëren van 8 tot 56, waarbij hogere scores duiden op grotere vermoeidheid. Het verschil in de gemiddelden tussen de twee groepen was respectievelijk 9,3 punten en 8,4 punten aan het einde van de therapie en zes maanden later. Op dat moment was de gemiddelde score 31,5 in de CGT-groep en 39,9 in de CAU-groep.
Zoals met zoveel onderzoek van de CGT-ideologische brigades, waren de resultaten minder dan je zou denken; het is onmogelijk om dat zomaar aan te nemen. Het zou niet moeilijk moeten zijn om te begrijpen dat als je een groep gedurende een aantal maanden ondersteunende en meelevende aandacht geeft van een sympathieke therapeut, de kans groter is dat ze positieve antwoorden geven op vragenlijsten dan leden van een groep die de interventie niet krijgen. Zelfs nog meer als je ze herhaaldelijk verzekert dat CGT bewezen heeft te werken bij dit soort aandoeningen, zoals vaak het geval is bij dit soort onderzoek.
Met andere woorden, de bevindingen zijn geen verrassing. Zoals ik in een recente post schreef, heeft het onderzoek aangetoond dat ongeblindeerde onderzoeken die vertrouwen op subjectieve uitkomsten, positieve resultaten opleveren. Van Amsterdam tot de Harvard Medical School zijn deze resultaten overdreven opgehemeld, ook al waren de zelfgerapporteerde voordelen vrij bescheiden – ruim binnen het bereik dat alleen al op basis van vertekening verwacht zou kunnen worden.
De auteurs merkten op dat zes punten wordt beschouwd als een klinisch significant verschil op de CIS-schaal voor vermoeidheid. Het verschil tussen de twee groepen lag dus maar net buiten wat als een klinisch significant verschil beschouwd zou worden. Toch beweerden de auteurs dat meer mensen uit de CGT-groep niet langer “ernstige” vermoeidheid hadden. Dat komt omdat een score van 35 werd aangewezen als de drempel tussen ernstige en minder ernstige vermoeidheid. Hoewel het waar is dat meer mensen in de CGT-groep aan die drempel voldeden, zou het verschil van 3,5 punt tussen het gemiddelde van 31,5 en de drempel van 35 niet als klinisch significant worden beschouwd. Evenmin als het verschil tussen die drempel en de gemiddelde score van 39,9 voor de CAU-groep.
Dus om het voor de hand liggende te herhalen: deze schijnbare voordelen van CGT zijn uiterst bescheiden, hoe je ze ook ontleedt.
Twee overtuigende gepubliceerde reacties – hier en hier – zijn de moeite waard om te lezen.
Een merkwaardige omissie in het gepubliceerde rapport deed de wenkbrauwen fronsen. Het onderzoeksprotocol vermeldde het primaire resultaat, verschillende secundaire resultaten en een categorie met de naam “andere onderzoeksresultaten”. Onder deze laatste was de enige objectieve meting: actigrafie. Bij actigrafie worden apparaten gedragen die de fysieke beweging over een bepaalde periode nauwkeurig meten. In dit geval droegen de deelnemers deze apparaten gedurende 14 dagen op de basislijn en gedurende 14 dagen aan het einde van de therapie. Volgens het protocol “is aangetoond dat de actigrafie een betrouwbaar en valide instrument is voor de beoordeling van fysieke activiteit”.
Het ontbreken van enige vermelding van deze gegevens in het artikel suggereerde dat de resultaten voor die metingen waarschijnlijk slecht waren. In hun reactie op de gepubliceerde commentaren erkenden de auteurs dat dit het geval was. Zoals ze schreven:
“Voorgestelde alternatieve uitkomsten, zoals fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie of fysieke fitheid, zijn geen betrouwbare markers van vermoeidheid en worden ook beïnvloed door de perceptie van patiënten en subjectief ervaren symptomen. Onderzoek toonde aan dat een aanzienlijk aantal patiënten met ernstige vermoeidheid geen afwijkend niveau van lichamelijke activiteit heeft. Dit werd ook gevonden in onze steekproef, d.w.z. 81% van de deelnemers had een fluctuerend actief activiteitenpatroon en slechts 19% had een laag actief activiteitenpatroon. Vermindering van vermoeidheid leidt niet noodzakelijkerwijs tot hogere niveaus van objectieve fysieke activiteit of omgekeerd. Verminderde vermoeidheid gaat ook niet noodzakelijk samen met een verbeterde aerobe capaciteit. In onze studie was er geen significant verschil tussen de condities in de toename van fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie.”
Voor de goede orde voegde een van de co-auteurs, Dr. Chantal Rovers, nog een excuus toe in op Twitter: “Je hebt altijd meer gegevens dan binnen de woordlimiet van medische tijdschriften past. Primaire en secundaire uitkomstmaten zijn opgenomen. Het plan was om de andere resultaten in een apart artikel te publiceren, zoals heel gebruikelijk is.”
**********
Het ontkrachten van smoesjes voor het niet verstrekken van objectieve gegevens
Is een van deze redeneringen steekhoudend? Nee. Laten we ze stuk voor stuk bekijken
• Eerdere studies hebben aangetoond dat actigrafieresultaten niet overeenkomen met de zelfrapportages van patiënten over hun vermoeidheidsniveaus. Daarom zijn ze irrelevant.
Het is waar dat eerdere studies van deze en andere auteurs hebben gevonden dat positieve rapporten over subjectieve maten van vermoeidheid niet gepaard gaan met overeenkomstige toenames in fysieke activiteit, zoals objectief gemeten door actometers die gedurende een periode gedragen worden. De schijnbare conclusie die deze onderzoekers trekken – dat de actigrafieresultaten kunnen worden afgedaan als niet gerelateerd aan vermoeidheid – is belachelijk en duidelijk uit eigenbelang.
De Nederlandse onderzoekers hebben deze strategie geperfectioneerd door objectieve metingen op te nemen en deze pas te rapporteren lang nadat ze al aandacht hebben gekregen voor hun artikelen waarin ze de positieve bevindingen op subjectieve metingen benadrukken. Dit gebeurde in drie onderzoeken in de jaren 2000 naar CGT voor wat zij CVS noemden. Jaren later publiceerden de onderzoekers de nietszeggende actigrafiebevindingen van alle drie de onderzoeken en concludeerden ze – gelukkig maar – dat de vermindering van vermoeidheid niet gemedieerd werd door een toename in lichamelijke activiteit. Recenter haalden ze dezelfde stunt uit met een onderzoek naar Q-koorts.
Met andere woorden, ze accepteerden enthousiast de nauwkeurigheid van subjectieve verslagen van verbeteringen en verwierpen het belang van het onbetwistbare feit dat patiënten niet meer fysieke activiteit gingen uitoefenen – ook al verklaarden ze dat het doel hiervan is om de invaliditeit die met de aandoening gepaard gaat te verminderen. Deze discrepantie is nu veranderd in de botte bewering – het dogma eigenlijk – dat objectieve metingen van lichamelijke activiteit geen verband houden met de constructie van vermoeidheid. Het enige dat telt is de zelfrapportage – of mensen daadwerkelijk meer doen is irrelevant zolang ze maar zeggen dat ze minder vermoeid zijn. Het is moeilijk om te weten hoe je op zo’n absurd, op eigenbelang berustend argument moet reageren, behalve door erop te wijzen dat het absurd en op eigenbelang berustend is.
• De meeste patiënten hadden fluctuerende activiteitenniveaus in plaats van continu lage activiteitenniveaus, dus de actigrafiemetingen konden niet echt een verbetering laten zien bij deze patiënten.
Ten eerste, het weglaten van belangrijke bevindingen wordt gerechtvaardigd door het feit dat ze informatie geven over de niveaus van lichamelijke activiteit op de basislijn die ze niet in het onderzoek zelf presenteerden. We hebben geen idee wat ze bedoelen met “fluctuerende activiteitsniveaus” – vermoedelijk waren deze gebaseerd op de actigrafiemetingen op de basislijn – en ons wordt gevraagd hen op hun woord te geloven op basis van gegevens die niet door vakgenoten zijn beoordeeld en die we niet hebben gezien.
Afgezien van deze methodologische complicatie is het argument vreemd: Tenzij mensen 24 uur per dag actief zijn, is het onzinnig om te stellen dat ze niet meer zouden kunnen doen en dat actigrafie geen saillante informatie zou geven. En dit punt gaat ook voorbij aan het voor de hand liggende omgekeerde – dat patiënten het veel slechter zouden kunnen doen in één of beide studiearmen. Als patiënten een hoog activiteitenniveau hebben en terugvallen met of zonder CGT, dan zou de actigrafie dat waarschijnlijk documenteren. Deze auteurs zijn zo overtuigd van hun eigen theorievorming dat ze niet lijken te begrijpen dat metingen ontworpen zijn om zowel achteruitgang in gezondheidsstatus als verbeteringen vast te leggen.
• De actigrafie was geen primaire of secundaire uitkomst, dus we hoefden niet alle bevindingen te rapporteren in dit eerste artikel.
Kom op! Echt waar? Dit is misschien wel mijn favoriete valse rechtvaardiging. De nulresultaten op deze objectieve uitkomst roepen onvermijdelijk vragen op over de geldigheid en betrouwbaarheid van de subjectieve primaire en secundaire metingen. Onderzoekers hebben een verplichting, vastgelegd in ethische codes voor onderzoek, om alle saillante gegevens te verstrekken en geen informatie te verbergen die vragen oproept over hun bevindingen of die de interpretaties ervan verandert. Het is onmogelijk om met een uitgestreken gezicht te beweren – hoewel het Nederlandse team het heeft geprobeerd; misschien ontbreekt het hen aan gevoel voor humor en ironie – dat een objectieve functiemeting zoals actigrafie zinloos is, zelfs als de resultaten subjectieve rapporten tegenspreken.
Als de actigrafieresultaten geweldig waren geweest – als ze hadden aangetoond dat patiënten hun activiteitsniveaus verhoogden – gelooft dan iemand serieus dat de onderzoekers de gegevens uit het eerste onderzoeksrapport zouden hebben achtergehouden op grond van het feit dat het geen primair of secundair resultaat was?
Hoe dan ook, het waren de onderzoekers zelf die besloten om hun enige objectieve meting geen primaire of secundaire uitkomst te laten zijn, vermoedelijk omdat ervaringen uit het verleden aantoonden dat de bevindingen de subjectieve beweringen waarschijnlijk zouden tegenspreken. Dus om deze twijfelachtige beslissing aan te halen als de reden om deze bevindingen opzettelijk achter te houden is uiterst vals. Er is een enorme hoeveelheid brutaliteit voor nodig – zoals in het klassieke verhaal van iemand die zijn ouders vermoordt en dan als wees om genade smeekt.
Bovendien, als activiteitenniveaus “fluctueren” en de actigrafiegegevens die gedurende 12 dagen zijn verzameld daarom twijfelachtig zijn, waarom zouden we dan aandacht besteden aan subjectieve meldingen van vermoeidheid uit acht items op een enkele vragenlijst? Ik begrijp het niet. Met hun argument over fluctuerende niveaus zouden alle onderzoeksgegevens als irrelevant en betekenisloos moeten worden beschouwd.
Hoe zit het met het argument dat ze gewoon te veel gegevens hadden voor één artikel en dus begrijpelijkerwijs een deel opzij moesten zetten voor toekomstige publicaties? Dit standpunt neemt een vanzelfsprekend feit van wetenschappelijk onderzoek en verdraait het om het niet rapporteren van belangrijke gegevens te rechtvaardigen. Onderzoekers willen altijd meer publicaties uit een enkel onderzoek persen – dat is prima. Wat niet goed is, is het weglaten van informatie die vragen oproept over je conclusie. De Nederlandse onderzoekers zien dat natuurlijk niet zo. Omdat ze geloven dat de actigrafiebevindingen geen waarde hebben bij het beoordelen van vermoeidheid, zien ze er geen probleem in om te wachten met het publiceren ervan tot een toekomstige datum.
Kortom, deze reacties zijn niet serieus. Het zijn zelfingenomen afleidingsmanoeuvres; of de auteurs ze nu geloven of niet, ze hebben zichzelf ontmaskerd als ongekwalificeerd en te ethisch uitgedaagd om zich überhaupt met onderzoek bezig te houden. Het is moeilijk te begrijpen hoe legitieme onderzoekers zich inlaten met zulke misleidende redeneringen.
Dr. Daniel Griffin, een specialist op het gebied van infectieziekten in het gebied rond New York en regelmatig te horen op de populaire podcast This Week in Virology (gepresenteerd door Vincent Racaniello, een professor microbiologie aan Columbia die ook de gastheer is van Virology Blog) was het ermee eens dat de beslissing om de objectieve bevindingen van actigrafie niet te rapporteren niet te rechtvaardigen is. Dit is wat hij te zeggen had:
“De kritiek is terecht. Het belangrijkste voor mij is dat we open en eerlijk zijn en geen gegevens ‘verbergen’ of negeren die onze agenda niet ondersteunen. Zoals we nu zien, kan iemand melden dat hij zich beter voelt. Maar als we geen toename in daadwerkelijke activiteit zien, is dat belangrijke informatie om te delen.”
David Tuller, DrPH. 11 juli 2023 Bron: https://virology.ws/2023/07/11/trial-by-error-dutch-team-offers-dog-ate-my-data-excuses-for-not-reporting-null-objective-findings/ Vertaling ME/cvs Vereniging
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-D3-hond-heeft-mijn-gegevens-opgegeten-excuus.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-07-14 20:13:452024-08-19 02:25:24“De-Hond-heeft-mijn-gegevens-opgegeten”-excuus