Dr. Niels Eijkelkamp is verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht waar hij zijn eigen onderzoeksgroep heeft. Hij is leider van het onderzoeksproject Energize ME.
1. Kun je iets vertellen over jezelf?
Ik heb de studie biomedische wetenschappen gedaan. Toen heette dat nog medische biologie. Neurowetenschappen en immunologie hadden in het bijzonder mijn belangstelling.
Tijdens mijn master heb ik verschillende stages gedaan. Ook één in Amerika. Daar ben ik Jos Bosch tegengekomen die ook werkte aan stress en wondheling.
De wisselwerking tussen alle de verschillende systemen in het lichaam vind ik interessant. In die wisselwerking kan iets mis gaan. Dat kan leiden tot pathologie (ziekte). Na mijn promotie onderzoek in Utrecht, heb ik gedurende twee jaar pijnonderzoek gedaan in Londen. In 2012 begon ik een eigen onderzoeksgroep in het UMCU.
In het chronische pijn onderzoek zag ik: het zit niet tussen de oren. Er is echt een biologisch proces dat leidt tot pijn. Signalen worden op allerlei niveaus verwerkt.
Op elk niveau kan er iets misgaan. Het is een zoektocht hoe je dat kunt meten. Je ziet het niet bij een patiënt, maar het is er wel.
2. Wat is je binding met ME/CVS?
Een familielid met ME/CVS heb ik niet. Wel iemand in mijn familie met Long-covid. Long-covid heeft het probleem zichtbaarder gemaakt. Door SARS-Covid 19 ontstond de prikkel om meer aan ME/CVS te willen doen.
Van de zijlijn had ik onderzoek naar glucocorticoïde bij ME/CVS gezien. Voor Long-covidonderzoek zijn Jeroen den Dunnen (een oud-studiegenoot) en ik een samenwerking gestart.
Jeroen is nu ook bezig met onderzoek naar ME/CVS. Dat is het project AutonoME. We kunnen onze onderzoeken en de uitkomsten op elkaar afstemmen.
3. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS?
Samen met Jeroen wilde ik meer gaan doen aan ME/CVS en we hadden van de subsidieoproep gehoord van ZonMw.
Ik hoorde dat Jos Bosch bezig was een consortium te bouwen. Daarom hebben we direct contact gezocht. Het is mooi om met verschillende velden samen iets doen.
Tunnelvisie gaat een complex probleem niet oplossen. Als je alle kennis goed kan inzetten, dan hoop ik dat we tot goede oplossingen komen.
Ook het feit dat er zo weinig onderzoek is gedaan naar deze ziekte heeft mijn belangstelling gewekt. Het is superleuk om het in een consortium te doen: samen optrekken.
4. Wat voor beeld heb jij van ME/CVS? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Ik ben specifieker geworden in de criteria die er zijn. Het is belangrijk die steeds in beeld te hebben. En wat is PEM (Post Exertional Malaise) nu eigenlijk?
Het gaat niet alleen om PEM die ontstaat door beweging. Er zijn meer aanleidingen (triggers) die PEM veroorzaken. Wat kunnen we leren op basis van de verschillende triggers.
5. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?
We willen de stofwisseling van afweercellen van volwassen en adolescente ME/CVS-patiënten in kaart brengen. Daarom gaan we ook een cohort van kinderen met ME/CVS verzamelen.
Er wordt onderzocht hoe de verstoringen of veranderingen de afweercellen beïnvloeden en hoe ze symptomen van ME/CVS veroorzaken.
Er wordt ook nagegaan of deze veranderingen worden veroorzaakt door autoantistoffen (afweerstoffen tegen de eigen lichaamscellen) in ME/CVS-patiënten. Er zal worden vergeleken met buitenlandse bevindingen.
Het gaat dus om onderzoek naar miscommunicatie tussen zenuwstelsel en afweerstoffen. Worden de veranderingen in het metabolisme (stofwisseling in de cellen) veroorzaakt door auto-immuniteit (afweer tegen eigen lichaamscellen)?
Dit onderzoek richt zich op volwassenen en jongeren (het aantal is 160). Recent hebben we geld gekregen om deze groep uit te breiden met jonge patiënten met Long covid, waarvan een groot deel ook voldoet aan de criteria voor ME/CVS.
We gaan beginnen met de analyse van een grote groep. Aan de hand van wat we zien in het bloed, maken we subgroepen. In deze subgroepen gaan we inzoomen op het metabolisme in de cellen. We willen meer grip krijgen op de verschillen tussen de patiënten.
6. Hoe heb je de doelgroep bepaald?
We beginnen breed, daarna gaan we vernauwen. We zullen patiënten met strenge en minder strenge criteria gebruiken om biologische verschillen aan te wijzen die passen bij de criteria.
In de pilot (vooronderzoek) kwamen we erop uit dat we 2 tot 4 groepen zouden vinden. Uit de analyses zal dat moeten gaan blijken.
7. Wat is de stand van zaken voor jouw onderzoek?
We zijn een verzoek voor de Medisch Ethische ToetsingsCommissie (METC) aan het schrijven.
We gebruiken daarbij de inbreng van patiënten voor het protocol en voor de patiënteninformatie.
We hebben al een klein cohort (een groep) adolescenten (jongeren) uit een eerder project dat gericht was op het Q-koortsvermoeidheidssyndroom.
Daar hebben we drie extra groepen aan toegevoegd: jeugdreuma, ME/CVS en Longcovid. Er zijn 20 deelnemers per groep en 60 controles.
Op basis van de eerste resultaten zien we verschillen, dus daar zit zeker muziek in!
Op basis van de interacties met patiënten hebben we ook al ideeën voor nieuw onderzoek: bijvoorbeeld met de bus bij bedlegerige patiënten langsgaan en ook bij hen nagaan in real life wat er gebeurt als PEM optreedt. Dat moeten we nog gaan regelen.
8. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?
We hopen op biologisch inzicht. Wat is er verstoord en welke subgroepen kunnen we vinden.
Een diagnostische tool zou mooi zijn. Als daarmee bepaalde zaken bij elkaar komen, dan heb je aangrijpingspunten voor behandeling met inzet van bepaalde stoffen. Bijvoorbeeld het gebruik van bestaande geneesmiddelen voor deze groep. We moeten een heel duidelijk fundament maken.
9. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?
Ze hebben een rol gehad bij de subsidieaanvraag. Ze werken nu ook mee aan de aanvraag voor de METC.
En straks zullen we de data en de voortgang bespreken. Onze bevindingen zullen we bespreken.
Alle experts zijn daarbij betrokken. Met onze wisselwerking krijg je meer beeld hoe je in het vervolg elkaar kunt versterken.
10. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
Dat zit in het beleid van het consortium. Alles wat in een biobank is opgenomen moet via een gerichte vraag opgevraagd worden.
Je moet elkaar duidelijk maken wat de wet- en regelgeving is en wat je daarmee kunt doen. Dat gaat in het algemeen geanonimiseerd.
11. Via welke weg worden kinderen/jongeren meegenomen in de biobank? Wie stelt de ME/CVS diagnose? Wie bepaalt de ernst? Om hoeveel patiënten gaat het?
De ME/CVS diagnose wordt gesteld door artsen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. De start-criteria die worden gebruikt zijn de CDC94-criteria (Fukuda), maar alle andere symptomen, zoals PEM, worden vastgesteld.
Daarnaast nemen we verschillende vragenlijsten mee (zoals DSQ2), zodat we ook kunnen diagnosticeren volgens de strengere criteria (CCC). Hiermee kunnen we biologische verschillen gaan zien tussen die criteria.
12. Vanuit het Wilhelmina Kinderziekenhuis worden in het geval van kinderen met ME/CVS soms meldingen gedaan bij Veilig Thuis of worden anderen geadviseerd om een melding te doen. Ook is er biopsychosociaal onderzoek gedaan dat suggereert dat gedachten en gedrag de ziekte in stand houden. Hoe verhoudt zich dat tot het biomedisch onderzoek dat jij uitvoert?
Dit onderzoek betreft biomedisch onderzoek. Daarnaast kiest de patiënt zelf om wel of niet deel te nemen aan het onderzoek. We hebben al een heel aantal ouders van kinderen met ME/CVS gesproken.
Ook voeren we het gesprek met patiëntvertegenwoordigers en afgevaardigden van artsen om duidelijk te maken dat het over biomedisch onderzoek gaat en hoe het proces loopt
Ik hoop dat deze verhalen kinderen met ME/CVS en hun ouders er niet van weerhouden om deel te nemen aan dit belangrijke biomedische onderzoek.
We hopen met dit onderzoek echt duidelijke biomedische oorzaken te ontrafelen waar kinderen en volwassenen met ME/CVS uiteindelijk wat aan hebben.
Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1385.jpeg491850Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-29 11:00:002024-08-21 12:27:27Energize ME – Interview met Dr. Niels Eijkelkamp
Immunestratify is één van de zes onderzoeksprojecten van NMCB die in deze eerste ronde zijn gesubsidieerd door ZonMw.
We spreken met Marjan Versnel die werkzaam is bij de afdeling Immunologie van het Erasmus MC en leiding geeft aan dit project.
1. Kun je iets vertellen over je achtergrond?
Van oorsprong ben ik bioloog. Ik ben al lange tijd werkzaam op het gebied van de immunologie.
Mijn werk is gericht op systemische auto-immuunziekten. Moeheid is onderdeel van meerdere auto-immuunziekten. Daardoor ben ik in de loop van de jaren geïnteresseerd geraakt in moeheid die zich bij die ziekten kan voordoen.
Een voorbeeld daarvan is de ziekte Sjögren. Een gedeelte van de patiënten met die ziekte hebben ernstige moeheid en brainfog.
In het bloed van mensen met Sjögren hebben we de ontstekingsstof Interferon gevonden. Onze veronderstelling was dat die een rol zou spelen bij de vermoeidheid.
We hebben vervolgens vermoeidheidsvragenlijsten afgenomen en de resultaten vergeleken met de aanwezigheid van de interferon handtekening.
Maar de samenhang die wij verwacht hadden, bleek er niet te zijn. Door dat onderzoek raakte ik gemotiveerd om de biologische basis van de moeheid verder te onderzoeken en hebben we een set moleculen gevonden in het bloed die verhoogd zijn bij vermoeide mensen met Sjögren.
Er wordt nauwelijks onderzoek naar moeheid gedaan, maar het is wel een groot probleem dat bij meerdere ziektes voorkomt.
2. Hoe is Wim Dik bij het onderzoek betrokken?
Wim is medisch immunoloog en geeft leiding aan een diagnostiek eenheid binnen het laboratorium medische immunologie, dat onderdeel uitmaakt van de afdeling Immunologie.
In een eerdere samenwerking bij de ziekte Sjögren hebben we een immuunhandtekening gevonden. Het gaat om een ontstekingsstof die verhoogd is bij systemische auto-immuunziekten.
De in de research gevonden interferon handtekening heeft Wim aangepast voor de diagnostiek. De test wordt ongeveer 250-300 keer per jaar door artsen uit het hele land aangevraagd.
Mensen met ME/CVS vormen een heel uiteenlopende groep met verschillende onderliggende ziektepatronen.
Interferon zou ook een rol kunnen spelen bij ME/CVS. Misschien heeft een groep ME/CVS patiënten ook zo’n handtekening.
In immunestratify gaan we handtekeningen testen van ziekten waar moeheid een rol speelt. We verwachten zo een onderverdeling in subgroepen te kunnen maken.
Als je die groepen hebt kun je je ook voorstellen dat er een behandeling aan gekoppeld kan worden op basis van de immunologische afwijkingen in die groep.
We testen een aantal immuunhandtekeningen waaronder ook de interferon handtekening. We voeren verschillende experimentele procedures uit: op de cellen, op het serum (het vocht in het bloed).
3. Wat is je binding met ME/CVS?
Ik heb geen mensen in de omgeving die lijden aan ME/CVS. Mijn belangstelling is gewekt door overeenkomsten met andere ziekten.
4. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS
Toen ik de oproep van ZonMw zag voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS, was ik ook daarin geïnteresseerd.
Via een collega, Hemmo Drexhage, was ik daar attent op gemaakt. Ik ben toen naar een informatiebijeenkomst van ZonMw in Utrecht geweest. Dat heeft geleid tot het schrijven van een aanvraag.
5. Wat voor beeld heb jij van ME/CVS? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Mijn beeld werd bepaald door de verhalen over moeheid bij mensen met Sjögren.
Ik heb via de patiënten begrepen hoe ernstig deze ziekte is, hoe ingrijpend. Dat is heel indrukwekkend. Het is nauwelijks voor te stellen wat voor invloed de ziekte heeft.
Dat geef ik ook door aan de mensen in mijn groep; aan collega’s en studenten.
6. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?
Niet alle ME/CVS patiënten zijn hetzelfde. Met behulp van al bestaande immuunhandtekeningen willen we onderzoeken of ME/CVS patiënten in subgroepen kunnen worden ingedeeld.
De tweede poot in het project is onderzoek naar het mechanisme van “trained immunity”. Dat is een overgevoeligheid die in de immuuncellen is ontwikkeld. Daardoor reageer je veel sterker op prikkels.
Dat staat los van de handtekeningen. Het onderzoeken gaat plaats vinden in celkweken. Een model waarbij je lichaamsmateriaal van patiënten test op overgevoeligheid.
7. Hoe heb je de doelgroep bepaald?Hoe ga je hun gegevens koppelen aan je bevindingen?
We hebben zoveel mogelijk gegevens van patiënten nodig. Een bioinformaticus gaat daarmee aan de slag.
Is er bijvoorbeeld een relatie met postexcertionele malaise (PEM)? Wat geven de moeheidslijsten aan? Is er een koppeling te maken met andere klinische gegevens?
We zijn ook van plan een relatie te leggen met de bevindingen van andere projecten. Bijvoorbeeld het onderzoeksproject van Jeroen den Dunnen (AutonoME).
8. Kunnen ook huis- en bedgebonden patiënten deelnemen aan jouw onderzoek?
Dat kan zeker. We krijgen patiënten via de biobank van NMCB. Die hebben het voornemen om patiënten aan huis te bezoeken voor afname van lichaamsmateriaal.
9. Wat is de stand van zaken van jouw onderzoek?
We hebben een promovendus aangesteld. Die is nu al de testen voor de celkweken aan het opzetten. Dat verloopt goed. Voor het lichaamsmateriaal en de patiëntgegevens moeten we wachten op de biobank van NMCB.
10. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?
We hopen immuunhandtekeningen te vinden bij de patiënten waardoor we de patiënten in subgroepen kunnen verdelen.
Dat geeft dan hopelijk mogelijkheden voor het stellen van de diagnose. Ook geeft het hopelijk aanknopingspunten voor behandeling.
Als we een overgevoeligheid in de immuuncellen vinden, kan dat ook mogelijkheden bieden voor nieuwe behandelingen.
11. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?
Er waren al patiëntpartners betrokken bij het schrijven van de subsidieaanvraag. Nu nemen 7 patiënt vertegenwoordigers deel aan de researchpartners groep. Begin maart hebben we de eerste vergadering via internet gehad.
Zij zijn nu vooral toehoorder. Als we verder zijn met het project, hebben ze een veel actievere rol. Dan kunnen ze informatie uit het project verspreiden. Ook kunnen zij als adviseurs meedenken bij de keuze welke patiëntgroepen getest worden.
12. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
Dat gaat via de biobank.
13. Wat zou je verder willen toevoegen?
De kracht van ons project is de relatie tussen research en diagnostiek. Een diagnostische test is belangrijk.
Het invoeren van zo’n test is een proces dat moet voldoen aan strenge regelgeving. Het fijne van de samenwerking met Wim Dik is dat we al eerder een diagnostische test hebben ontwikkeld. Een test moet redelijk eenvoudig uit te voeren en betaalbaar zijn.
Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1386.jpeg491850Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-26 11:00:002024-08-21 19:20:10ImmuneStratify – Interview met Dr. Marjan Versnel
Dr. Rob Wüst is de projectleider van Muscle ME. Hij is bewegingswetenschapper en is als universitair docent verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zijn vakgebied is fysiologie, (menselijke) beweging en stofwisseling.
1. Kun je iets vertellen over jezelf?
In 2000 ben ik begonnen met de studie bewegingswetenschappen aan de VU. In 2005 ben ik afgestudeerd. Mijn promotieonderzoek heb ik gedaan in Manchester in Engeland. Het was een gecombineerd traject met de VU. Dat heeft 4 jaar geduurd. Vervolgens heb ik in Leeds onderzoek gedaan naar de stofwisseling in de spier tijdens inspanning en het effect van hartfalen.
Na een paar jaar wilde ik weer terug naar Nederland. Ik kon aan de slag bij Amsterdam UMC. Mijn werk richtte zich ook op de stofwisseling in het hart bij hartfalen. Ook heb ik aan onderzoek gewerkt bij genetisch metabole ziektes. Dat ging om mitochondriën en stofwisselingsproblemen die vergelijkbare klachten opleveren als bij ME/CVS.
In 2009 ben ik mijn eigen onderzoeksgroep begonnen op de VU. Toen ben ik ook gestart met onderzoek naar inactiviteit in samenwerking met de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Het onderzoek vond plaats in Duitsland.
2. Wat is je binding met ME/CVS?
Mijn binding was in eerste instantie met Long Covid. Iedereen kent wel mensen met Long Covid in de eigen omgeving. Dat geldt ook voor mij. Dat speelt niet de hoofdrol. Vanuit mijn wetenschappelijke achtergrond ben ik geïnteresseerd in PEM. Vooral het feit dat inspanning klachten kan verergeren was voor mij de wetenschappelijke trigger. Ik ben toen gestart met onderzoek naar Long Covid. Pas daarna kwam ik in aanraking met ME/CVS.
3. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS?
Eerst werd ik betrokken bij Long Covid. Toen de Covid epidemie zich voordeed, kreeg ik een telefoontje van professor Michèle van Vugt. Waarom zijn de mensen met Long Covid die we zien tijdens het poliklinisch spreekuur zo moe? Waarom hebben ze spierproblemen?
We wisten dat er een biologische oorzaak voor moest zijn. We konden mijn kennis en ervaring combineren. Daarna zagen we dat de dingen die we vonden bij Long Covid ook van toepassing waren bij ME/CVS. Al heel snel hadden we beide groepen in beeld die op het oog onder dezelfde paraplu lijken te vallen.
Met inspanningsfysiologie als mijn achtergrond vond ik dit interessant. Vaak is bewegen goed, maar hier lag dat anders.
We kwamen in contact met Jos Bosch. Die was een consortium voor onderzoek naar ME/CVS aan het opzetten. We waren dus al aan de slag voordat we bij het ME/CVS onderzoeksprogramma betrokken waren.
Zonder Long Covid was ME/CVS een ondergeschoven kindje gebleven. Long Covid heeft toch gezorgd voor meer bekendheid van het ziekteprofiel.
Intussen is het een groot deel van het onderzoek in ons lab geworden. We kunnen ook de link leggen met inactiviteitsstudies en de verschillen zien met Long Covid en ME/CVS.
We hebben intussen meerdere subsidieaanvragen ingediend. Ook voor interventiestudies (onderzoek naar behandelmogelijkheden). Dus ook daar gaat de aandacht nu naar uit. Het fundamentele onderzoek dat we nu doen, biedt daar een goede basis voor.
Goede klinische partners en artsen als Michèle van Vugt en Brent Appelman zijn dan heel belangrijk om het onderzoek goed op te zetten. Zij zien als arts de patiënten.
4. Wat voor beeld heb jij van ME/CVS? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Mijn beeld van ME/CVS was eigenlijk niet bestaand. Ik wist dat het een ziekte was waar vermoeidheid een rol speelde, maar het was voor mij allemaal vaag. Er waren geen duidelijke diagnosecriteria. Mijn focus lag bij andere ziekten. Niemand in ons onderzoeksinstituut deed er onderzoek naar, dus je wordt er dan ook niet mee geconfronteerd.
5. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?
We doen onderzoek naar spierweefsel vóór en na inspanning. We doen dat om de oorzaken en gevolgen van PEM te vinden. Het gaat om veranderingen in de stofwisseling in de cel, vormveranderingen, en veranderingen in het afweersysteem.
Als bewegingswetenschapper en artsen wilden we onderzoek doen naar een symptoom dat dicht bij de patiënten staat. Michèle van Vugt gaf aan dat we niet weten waarom de patiënten zo vermoeid raken. De vraag was: kunnen we in de spier zoeken?
We zijn heel informeel begonnen met 5 Long Covid patiënten. Binnen enkele dagen waren er al 25 mensen die zich hadden aangemeld. PEM was ons aanknopingspunt. In plaats van een tweedaagse fietstest wilden we iets dat meer informatie oplevert.
Bij zo’n fietstest kijk je van buitenaf. We hadden net bij andere onderzoeken spierbiopten gebruikt. Een biopt is een stukje spierweefsel ter grootte van een rijstkorrel dat wordt afgenomen. Dan kun je dus ook binnenin kijken.
Een van de artsen van metabole ziekten dacht dat dit een mooie link was naar Long Covid onderzoek. Dat was een mooie opstap. Nu komen ook het centrale zenuwstelsel en het immuunsysteem meer in beeld. We wilden het “laaghangend fruit” eerst doen.
We hadden in het begin nog geen subsidie. Daarom hebben we eerst veel zelf gedaan samen met studenten. Toen kwam de ZonMw subsidieronde in het vizier.
Mensen die nu de klachten krijgen die horen bij ME/CVS, worden onder het kopje Long Covid geschoven. Zijn die mensen nu allemaal Long Covid patiënt? Is er een overlap? Zijn er verschillen tussen deze ziektes? Was een typische ME/CVS patiënt misschien in het begin hetzelfde als een Long Covid patiënt? Dat kunnen we nu (nog) niet vaststellen.
6. Hoe heb je de doelgroep bepaald?
We hebben gekeken naar ons Long Covid cohort. Een cohort is een groep mensen die deelnemen aan een onderzoek. We wilden een vergelijkbare groep ME/CVS patiënten hebben. Leeftijd en geslacht moesten overeenkomen en ze moesten positief zijn voor PEM. De in- en uitsluitcriteria zijn gelijk aan Long Covid, maar ze moesten al ziek zijn voordat de pandemie begon. Het gaat om een groep patiënten die relatief mild ziek is.
7. Wat is de stand van zaken voor jouw onderzoek?
We hebben vanuit Amerika geld gekregen om verder onderzoek te doen naar Long Covid. De starttijd van het ZonMw programma was erg verlaat, maar we hebben in een eerste fase al wel metingen kunnen doen door het geld wat op andere manieren binnenkwam.
De volgende serie experimenten doen we als onderdeel van de NMCB biobank. Daar gaan we dus pas mee beginnen als de biobank van start is. Dat zorgt ervoor dat we nu nog geen biopten hebben van mensen vanuit de biobank. De gegevens van de 25 patiënten die we al gezien hebben, komen wel in de biobank als ze daarmee instemmen.
We willen ook de ernstige ME/CVS patiënten onderzoeken. We kunnen daar niet dezelfde inspanningsproef doen. We gaan bij alle mensen in de biobank uitgebreide vragenlijsten afnemen. Dat doen we om beter inzicht te verkrijgen in PEM. We werken ook samen met andere onderzoeksgroepen om beter inzicht te krijgen in PEM.
We willen bij een subgroep van de patiënten in de biobank biopten nemen. Denk aan: mannen en vrouwen van verschillende leeftijden, huisgebonden, bedlegerig, minder of veel PEM. We zijn ook geïnteresseerd in de mensen met ME/CVS die weinig PEM hebben. Welke variabelen zijn bij hen anders? Zijn die minder aangedaan in de spieren?
Een vraag die we willen onderzoeken is: zijn de factoren die een rol spelen bij algehele spiervermoeidheid anders dan bij PEM? Bij mensen die bedlegerig zijn, willen we ook een spierbiopt nemen. We gaan dan na of de vermoeidheid verklaard kan worden uit bepaalde kenmerken in de spier. We denken ook over een handknijpkrachtmeting of een ultrageluid meting.
Voor zo’n handknijpmeting maak je gebruik van de bovenarmspieren. De vraag is of dat even representatief is als de meting van de spieren in het bovenbeen. Voor onze metingen moet een extra meetdag ingevoerd worden omdat sommige dingen niet standaard in de basisonderzoeken van de biobank zitten.
8. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?
Het doel is beter begrip te krijgen van het kernsymptoom PEM. Wat is de link met algemene vermoeidheid? We willen een verklaring voor de symptomen vinden. Uiteindelijk willen we aangrijpingspunten ontdekken voor een behandeling.
9. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?
Wij zijn anders gestart dan andere projecten. In het voorstadium zijn al verschillende patiënten betrokken geweest. Het hing samen met de verschillende subsidieaanvragen. We begonnen min of meer ad hoc om te kijken wat er mogelijk is. Het is gegaan van informeel naar meer formeel binnen het NMCB. Bepaalde patiënteninformatieformulieren (PIFS) waren al klaar omdat we die voor Long Covid hadden gemaakt.
Op dit moment is de inbreng van patiëntvertegenwoordigers vooral van belang voor het tweede deel, het biobankgedeelte. We hebben met de patiëntvertegenwoordigers op dit moment vooral contact via e-mail. Hopelijk krijgt dat in de toekomst meer vorm. We gaan dan praten over de bevindingen. Wat betekenen die bevindingen in de praktijk? Hoe verhouden zich die tot jouw ziekte?
Voor de biobank zullen we met hen nog aandacht besteden aan het thuis afnemen van biopten.
10. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
De patiënten die we al gezien hebben, vragen we later of hun gegevens in de biobank opgenomen mogen worden, als een soort subgroep. We werken ook samen met buitenlandse onderzoekers, bijvoorbeeld met Zuid-Afrika. Dus we hopen dat mensen ervoor open staan ook daaraan mee te werken.
11. Wat wil je nog toevoegen?
Misschien is het wel belangrijk te melden dat we op dit moment geen patiënten zoeken voor het PEM-onderzoek. We wachten eerst op de biobankgegevens.
Ook wil ik nog wat kwijt om verwachtingen te managen. Ik ben geen arts en ik kan dus helaas geen behandeladviezen geven. Ook kan ik nog niets zeggen over de bevindingen van onze eerste metingen. We moeten eerst de uitkomsten analyseren binnen het grotere geheel van het onderzoek.
Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1391-1.jpeg491850Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-24 11:00:002024-08-21 12:24:10Muscle ME – Interview met Dr. Rob Wüst
Hij heeft een onderzoeksgroep bij het Amsterdam UMC (locatie AMC) in Amsterdam.
Zijn groep bestudeert de rol van antilichamen bij infecties, bij reumatoïde artritis en inflammatory bowel disease. Het doel is nieuwe aangrijpingspunten voor behandeling te vinden bij deze ziektes.
Hij geeft leiding aan het onderzoeksproject AutonoME.
1. Kun je iets vertellen over jezelf?
Mijn vakgebied is de immunologie. Ik kijk hoe het afweersysteem zich kan beschermen tegen ziekteverwekkers, bijvoorbeeld bij hiv en tuberculose.
Mijn promotieonderzoek was gericht op antistoffen. Tegen elk beestje (virus, bacterie) kun je antistoffen maken. Als postdoc heb ik mij gericht op de positieve werking van antistoffen.
Maar er zijn ook nadelige effecten mogelijk. Dan richten de afweerstoffen zich tegen het eigen lichaam. Dat zijn de zogenoemde autoantistoffen.
Omdat ik steeds meer aan auto-immuniteit ging werken heb ik toen mijn laboratorium verhuisd naar de afdeling Reumatologie, waarbij ik ging werken aan ziekten als reuma en SLE.
Op een gegeven moment brak corona uit. Daardoor ben ik het onderzoek naar infectieziekten ingerold.
We hadden gevonden dat de ernst van ziekte voor een groot deel te maken heeft met de antistoffen die individuen maken. Bij long-covid patiënten kwam mijn onderzoek naar infectieziekten en auto-immuniteit bij elkaar.
Long-covid vond ik in eerste instantie iets nieuws, maar later realiseerde ik me dat we dit ziektebeeld eigenlijk al tientallen jaren kennen in de vorm van ME/CVS. Ik leerde daarna snel meer over ME/CVS.
2. Wat is je binding met ME/CVS?
Persoonlijk ken ik enkele mensen met ME/CVS in mijn omgeving. Een naast familielid kreeg ME/CVS na een virale infectie.
Ik had dat toentertijd nooit zo gelinkt aan de pathofysiologie (ziektemechanismen) die ik nu bestudeer. Die persoonlijke link is voor mij een extra motivatie naast de professionele belangstelling.
3. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS
Mijn interesse was dus gewekt door long-covid met klachten die lijken op ME/CVS. Jos Bosch heeft me toen benaderd voor onderzoek in het NMCB consortium.
4. Wat voor beeld heb jij van ME/CVS? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Mijn beeld is wel veranderd. Ik zag eerder niet direct de raakvlakken van mijn vakgebied met ME/CVS. Met fibromyalgie had ik wel enige raakvlakken, omdat die regelmatig naar de afdeling Reumatologie worden verwezen. Maar pas met long-covid begon ik echt de connectie te leggen, omdat ik doorkreeg dat ME/CVS ook vaak optreedt na een infectie.
Long-covid lijkt dus niet echt iets nieuws, maar een ziektebeeld dat al veel langer bestaat. En misschien zullen we uiteindelijk deze ziektebeelden opnieuw moeten gaan indelen. De neiging in de medische wereld is om ziektes initieel in te delen naar symptomen.
Misschien moeten we in de toekomst daar anders naar kijken, namelijk categoriseren op basis van de oorzaak van de ziekte. Waarschijnlijk komen we dan uit op subgroepen van ME/CVS patiënten. En dat zal ook de behandeling uiteindelijk specifieker maken.
5. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?
Mijn onderzoek richt zich op de achtergrond van de afweerreactie. Het lichaam heeft de lastige taak om antistoffen te maken tegen de ziekteveroorzaker (”niet-zelf”) en niet tegen het eigen lichaam (“zelf”).
Maar een van de bijwerkingen die je hebt na infectie is dat je soms toch antistoffen maakt tegen “zelf”. Omdat de wanden van lichaamscellen door een infectie beschadigd zijn, komt de inhoud als het ware bloot te liggen. De afweercellen zien die inhoud als “niet-zelf”. Ze zien de eigen cellen als aanvaller, en zo ontstaat de auto-immuniteit.
Met long-covid patiënten hebben we dat kunnen testen. We hebben antistoffen van patiënten overgebracht naar muizen, waarna de muizen allerlei symptomen kregen. Omdat long-covid en ME/CVS veel op elkaar lijken, vermoeden we dat die auto-immuniteit ook bij ME/CVS een rol speelt.
6. Hoe heb je de doelgroep bepaald?
We wilden het liefst starten met een groep patiënten die andere onderzoekers ook bestuderen. Dan heb je namelijk zo veel mogelijk informatie beschikbaar van de patiënten, omdat iedereen weer aan een apart stukje van het menselijk lichaam werkt.
We werken daarom samen met Brent Appelman en Rob Wüst. Die zijn ook gestart met ME/CVS patiënten, waarbij ze stukjes spierweefsel voor en na inspanning hebben onderzocht, bloed hebben afgenomen, enzovoort.
Wij zullen bij dezelfde groep patiënten de autoantistoffen in kaart brengen, wat we dan weer kunnen koppelen aan de specifieke bevindingen van Brent en Rob.
7. Wat is de stand van zaken voor jouw onderzoek?
De promovenda start op 1 april, maar we zijn al sinds vorig jaar bezig om alle antistoffen van de patiënten in beeld te brengen, zodat we snel kunnen beginnen.
8. Wat is de reden dat je onderzoek doet op muizen?
Zelf ben ik geen voorstander van dierproeven. Maar ik zie vooralsnog geen andere mogelijkheid om het verband tussen oorzaak (autoantistoffen) en gevolg (ME/CVS symptomen) te testen.
Een mens is heel complex met allerlei systemen die invloed op elkaar hebben. Zaken als beweging, uithoudingsvermogen, en pijn kun je in een lab eigenlijk niet nabootsen.
We willen in de toekomst wel alternatieven voor dierproeven proberen op te zetten. We weten bijvoorbeeld dat long-covid- en ME/CVS-patiënten afwijkingen hebben in hun spierweefsel.
We gaan daarom kijken of we skeletspiervezels in het laboratorium kunnen kweken, en of ze verminderd functioneren in de context van ME/CVS. Ook willen we dat doen met neuronen (zenuwbanen).
Maar dat kost nog wel veel uitzoekwerk. Uiteindelijk zou dit grote voordelen kunnen opleveren, want je kunt veel makkelijker en meer gaan screenen per patiënt, zodat je per patiënt sneller kunt achterhalen wat er aan de hand is.
9. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?
Als eerste willen we bepalen of auto-immuniteit de veroorzaker is van ME/CVS symptomen. We vermoeden dat wel. Vervolgens willen we achterhalen bij welke subgroepen van ME/CVS auto-immuniteit een rol speelt, want de ene patiënt is de andere niet.
Met de kennis die we vergaren hopen we nog meer te kunnen doen. Zo willen we de pathofysiologie (het ziektemechanisme) van ME/CVS proberen te ontrafelen, hoe de autoantistoffen nu precies de klachten veroorzaken.
Hopelijk biedt dit ook mogelijkheden om biomarkers voor ME/CVS te vinden, zodat we een objectieve diagnostische test kunnen maken. Dat zou meer houvast bieden dan de huidige diagnosecriteria.
Als je dat combineert met de uitkomsten van andere onderzoeken van het NMCB kom je misschien nog verder. Dat is het voordeel van het consortium. Je kunt verschillende biomarkers bij dezelfde patiëntengroep samenbrengen.
10. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?
We hebben al drie of vier meetings gehad met patiënten-vertegenwoordigers. Ik heb een groep met 7 vertegenwoordigers. Ze hebben een verdeling gemaakt in front-end en back-end.
Ik heb vooral contact met de vertegenwoordigers van front-end. Soms gaat het over de inhoud (wat ga je doen?), soms gaat het over de klachten die ze zelf ervaren. Het kan ook gaan over onderwerpen of publicaties die in het nieuws zijn.
Ook heb ik “patient-led” onderzoek met hen besproken. Daarin komt naar voren welk onderzoek voor de patiënten heel belangrijk is. Daarbuiten heb ik ook contact met andere long-covid patiënten en ME/CVS patiënten.
We krijgen zo meer zicht hoe patiënten hier tegenaan kijken. Als voorbeeld: we hebben ook gesproken over symptomen die minder vaak gerapporteerd worden, maar die voor ons onderzoek naar de ziekte toch ook relevant zijn.
In eerder werk heb ik dit contact met patiënten nauwelijks gehad. Veel van onze kennis komt vooral vanuit wetenschappelijke kanalen zoals de wetenschappelijke literatuur. Patiënten vertellen toch weer andere dingen. Het is een waardevolle toevoeging.
11. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
Dat is bij mijn onderzoek nog niet gebeurd. Maar patiënten moeten dat uiteraard zelf bepalen. Ze zijn verminderd belastbaar, dus het is al fijn dat ze willen meedoen.
12. Wil je nog iets toevoegen?
Ik ben zeer gecharmeerd van het idee van “patient-led” (patiëntgestuurd) onderzoek.
Voor veel onderzoekers is ME/CVS een nieuw ziektebeeld, en het onderzoeksveld is nog een beetje in de fase van oprichting. Je moet dus onderzoekers betrekken die nu nog in andere velden werkzaam zijn.
Zij kijken echter allemaal vanuit hun eigen expertise naar de problematiek, en daardoor missen ze mogelijk bepaalde zaken die voor de patiënt erg belangrijk zijn.
Er wordt bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar fysieke PEM. Maar patiënten hoor ik zeggen: “Fysieke PEM kan ik vermijden. Maar wat ik niet kan vermijden is cognitieve PEM. Kunnen jullie daar geen onderzoek naar doen?”.
En daarom zou het goed zijn als de patiënten zelf met onderzoeks-ideeën komen, waar vervolgens wetenschappers bij gehaald worden met de passende expertise. Het zou geweldig zijn als dat lukt.
Door de nationale en internationale financiering van ME/CVS zijn we nu eigenlijk getuige van het ontstaan van een nieuw onderzoeksveld.
Hopelijk lukt het om dat een vaste plek te geven zodat onderzoekers hun carrière hieraan gaan wijden. Bijvoorbeeld onderzoeksafdelingen gericht op PAIS (post-acute infectieziekten).
Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1390.jpeg491850Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-22 11:00:002024-08-21 12:21:57AutonoME – Interview met Dr. Jeroen den Dunnen
In een recente studie, gepubliceerd in het tijdschrift Science, hebben wetenschappers onderzocht hoe antistoffen van patiënten met long COVID (langdurige COVID-19) symptomen kunnen veroorzaken bij muizen. Dit onderzoek biedt nieuwe inzichten in de onderliggende oorzaken van long COVID, een aandoening die duizenden mensen blijft treffen, zelfs nadat ze hersteld zijn van de acute fase van de infectie.
Hoofdpunten van de studie
De onderzoekers hebben antistoffen uit het bloed van long COVID-patiënten geïnjecteerd in muizen. Het doel was om te kijken of deze antistoffen symptomen van long COVID kunnen veroorzaken bij de dieren. De onderzoekers verdeelden de antistoffen in verschillende groepen en injecteerden deze in muizen. Elke groep antistoffen veroorzaakte verschillende effecten, zoals veranderingen in pijnperceptie en activiteit. Muizen die antistoffen ontvingen van patiënten met ernstige long COVID vertoonden meer pijngevoeligheid en liepen veel minder ver dan muizen die antistoffen ontvingen van herstelde patiënten of van de controlegroep. Dit wijst erop dat de antistoffen verschillende symptomen kunnen veroorzaken door mogelijk gezond weefsel aan te vallen.
Gevolgen voor long COVID
De studie wijst op de mogelijkheid dat auto-antistoffen een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van long COVID-symptomen. Auto-antistoffen zijn antistoffen die ten onrechte de eigen lichaamsweefsels aanvallen.
Deze bevindingen hebben belangrijke gevolgen voor de behandeling en het begrip van long COVID. Als auto-antistoffen inderdaad verantwoordelijk zijn voor de symptomen, kunnen therapieën die zich richten op het onderdrukken of verwijderen van deze antistoffen verlichting bieden. Huidige behandelingen voor auto-immuunziekten, zoals immunosuppressiva of plasmaferese (een techniek om antistoffen uit het bloed te verwijderen), zouden mogelijk aangepast kunnen worden voor de behandeling van long COVID.
Kritiek en toekomstig onderzoek
Hoewel de resultaten veelbelovend zijn, roepen ze ook vragen op. Eén van de belangrijkste is hoe goed de bevindingen bij muizen kunnen worden vertaald naar mensen. Long COVID is een complexe aandoening met een breed scala aan symptomen die variëren van patiënt tot patiënt. Het is onduidelijk in hoeverre de waargenomen effecten bij muizen overeenkomen met de menselijke ervaring van long COVID.
De onderzoekers benadrukken dat verdere studies noodzakelijk zijn om deze bevindingen te bevestigen en om beter te begrijpen hoe deze antistoffen precies symptomen veroorzaken. Ze hopen dat hun werk de weg vrijmaakt voor meer onderzoek en uiteindelijk voor effectieve behandelingen voor long COVID.
Conclusie
Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het groeiende begrip van long COVID. Door aan te tonen dat antistoffen van long COVID-patiënten symptomen kunnen veroorzaken bij muizen, biedt de studie een nieuwe richting voor onderzoek naar de oorzaak en behandeling van de ziekte. Het volledige artikel is te lezen op de website van Science.
Nederlands onderzoek
Een soortgelijk onderzoek wordt ook in Nederland gedaan door een onderzoeksgroep bij het Amsterdam UMC onder leiding van Dr. Jeroen den Dunnen. Zij hebben antistoffen van long COVID-patiënten geïnjecteerd in muizen waarna de muizen allerlei symptomen kregen. Omdat long COVID en ME/cvs veel op elkaar lijken, vermoeden zij dat die auto-immuniteit ook bij ME/cvs een rol speelt. Zij willen bij ME/cvs-patiënten de autoantistoffen in kaart brengen, zo de pathofysiologie (het ziektemechanisme) van ME/cvs proberen te ontrafelen en hoe de autoantistoffen nu precies de klachten veroorzaken.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Antistoffen-bij-Long-COVID-veroorzaken-klachten-bij-muizen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-07-12 21:39:502024-08-18 20:48:04Antistoffen bij Long COVID veroorzaken klachten bij muizen
Een onderwerp dat in verschillende onderzoeken wordt onderzocht, is de relatie tussen ME/cvs en de kracht van de handgreep (een maatstaf voor de kracht die de handspieren uitoefenen bij het vastgrijpen van een voorwerp).In 2018 toonden Dr. Luis Nacul en zijn team in een cohort met 272 ME/cvs-deelnemers aan dat niet alleen de handknijpkracht verminderd is bij mensen met ME/cvs in vergelijking met gezonde controles, maar dat degenen met een ernstigere ziekte een aanzienlijk grotere vermindering van de handknijpkracht hadden.
Een recente studie uitgevoerd door onderzoekers van de Charité – Berlijnse Universiteit voor Geneeskunde breidde het onderzoek uit naar personen met langdurige COVID (in het artikel post-COVID-syndroom (PCS) genoemd). Ze merkten specifiek op dat bij de subgroep van personen die ME/cvs ontwikkelden na een SARS-CoV-2 (COVID-19)-infectie, de vermindering in handknijpkracht correleerde met de ernst van de ziekte.
Wat heeft de studie gedaan?
Het primaire doel van de studie was om meer inzicht te krijgen in de symptoompatronen die worden waargenomen bij zowel langdurige COVID als ME/cvs. De onderzoekers streefden ernaar om “correlaties vast te stellen tussen [handknijpkracht] HKK en de niveaus van functionele beperkingen en symptoomernst”.
Aan de studie namen 144 vrouwelijke deelnemers deel die gediagnosticeerd waren met het post-COVID-syndroom (langdurige COVID), “volgens deWHO-criteria “, waarvan 78 verder gediagnosticeerd werden met ME/cvs op basis van de Canadese Consensus Criteria. Er waren dus twee cohorten binnen de studie: ME/cvs (78 personen) en “niet-ME/cvs” (66 personen). De grijpkracht van de handen werd beoordeeld met behulp van een digitalehanddynamometer, die de kracht meet die wordt gegenereerd door in het handvat van het apparaat te knijpen, om de spiervermoeidheid objectief te meten. De belangrijkste symptomen en de “ernst van de handicap” werden geëvalueerd met behulp van zelfgerapporteerde vragenlijsten.
Wat heeft de studie gevonden?
Bij het vergelijken van personen met langdurige COVID met en zonder de diagnose ME/cvs, “hadden degenen met ME/cvs verschillende symptomen van een hogere ernst, waaronder vermoeidheid, [postexertionele malaise] PEM, orthostatische intolerantie, vasomotorische en immuunsymptomen” en ervoeren een grotere invaliditeit en beperking in fysiek functioneren. Terwijl beperkingen in handknijpkracht evident waren bij alle deelnemers met langdurige COVID, werden correlaties tussen het niveau van de beperkingen in handknijpkracht en de ernst van de belangrijkste symptomen (PEM, cognitieve stoornissen, vermoeidheid en orthostatische intolerantie) alleen waargenomen in het ME/cvs-cohort.
Discussie
De studie toont verder het potentieel aan van handknijpkracht als een objectieve maat voor fysiek functioneren bij ME/cvs, aangezien zelfs binnen een studiepopulatie bestaande uit individuen met langdurige COVID, correlaties tussen handknijpkracht en ernst van symptomen uniek voorkomen bij degenen die voldoen aan de ME/cvs-criteria. De onderzoekers suggereren dat de bevindingen wijzen op een gemeenschappelijk mechanisme dat ten grondslag ligt aan spiervermoeidheid en andere symptomen bij mensen met post-COVID-ME/cvs, verschillend van langdurige COVID zonder ME/cvs. Ze stellen verder dat handknijpkracht “naar voren komt als een belangrijk diagnostisch en prognostisch hulpmiddel, dat een objectieve evaluatie van invaliditeit mogelijk maakt.”
De onderzoekers erkennen dat patiënten met langdurige COVID die niet voldoen aan de ME/cvs-criteria “een niet goed gedefinieerde groep vormen, gekenmerkt door matige tot ernstige vermoeidheid, inspanningsintolerantie en cognitieve stoornissen.” Ze stellen verder dat een beperking van de studie het ontbreken van een controlegroep is, zoals mensen die hersteld zijn van COVID-19 of met een andere chronische aandoening. Een andere beperking is dat de studiedeelnemers uitsluitend vrouwelijk waren, wat in het artikel wordt gerechtvaardigd door het feit dat de meerderheid, ongeveer 75%, van hun patiëntenpopulatie uit vrouwen bestond en dat het vergelijken van de handknijpkracht tussen mannen en vrouwen “geen zinvolle resultaten zou opleveren, gezien het aanzienlijke verschil in krachtniveaus tussen de geslachten”.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-FORMAT-wetenschap.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-07-10 11:07:062024-08-18 20:41:32Handknijpkracht – een indicator voor de ernst van ME/cvs
Een aantal patiëntenvertegenwoordigers doet een oproep om (huis)artsen te benaderen om de bio- en databank van het NMCB consortium onder de aandacht te brengen.
Niet alle ME/CVS patiënten zijn hiervan op de hoogte via patiënten organisaties of klinieken. Om voldoende deelnemers te vinden voor de verschillende research projecten binnen NMCB wordt de oproep gedaan om je (huis)arts te wijzen op deze mogelijkheid. Patiënten kunnen zichzelf aanmelden.
De patiëntenvertegenwoordigers hebben een voorbeeldbrief gemaakt die je naar je huisarts of andere arts kunt sturen.
Alle info staat in principe op de sites die in de tekst staan, maar heb je vragen; stel ze gerust!
Zoals u wellicht weet is er nog veel te weinig bekend over mijn ziekte ME/CVS, maar gelukkig is er eindelijk een onderzoeksprogramma gestart dat daar hopelijk verandering in gaat brengen: https://www.zonmw.nl/nl/programma/onderzoeksprogramma-mecvs.
Een belangrijk onderdeel hiervan is een bio- en databank die momenteel wordt opgezet. Daarvoor zijn natuurlijk patiënten nodig die materiaal aanleveren. De meeste deelnemers zullen worden gevonden via patiëntenverenigingen en ME/CVS-klinieken, maar er zullen ook mensen zijn die op deze manier niet bereikt worden. En daar wil ik graag uw hulp bij vragen.
Als u meer patiënten zoals ik hebt, dus met ME/CVS of waarvan u dat vermoedt, zou u diegene(n) dan kunnen wijzen op de site waar ze zichzelf kunnen opgeven? Hier vinden ze ook alle informatie: https://nmcb.eu/.
Er zal vervolgens zorgvuldig worden geselecteerd door een medisch team wie er voor deelname in aanmerking komt.
Hartelijk dank alvast!
Met vriendelijke groet,
Misschien kun je de brochure voor behandelaren meesturen ter informatie!
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-oproep-Schrijf-je-arts.png9821700Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-06 19:59:022025-08-26 08:52:18Oproep: Schrijf je arts
Symptomen die de spieren aantasten zijn een van de belangrijkste kenmerken van ME/cvs. Spierpijn, zwakte en vermoeidheid veroorzaken aanzienlijk lijden en kunnen de dagelijkse activiteiten en levenskwaliteit van mensen ernstig beperken.
Bovendien kunnen deze en andere symptomen verergeren of terugkomen na zelfs maar een lichte fysieke inspanning – een cruciaal kenmerk van ME/cvs dat bekend staat als post-exertionele malaise (PEM), die dagen of weken kan aanhouden.
Er is heel weinig bekend over de oorzaken van spierafwijkingen en PEM bij ME/cvs, maar dr. Rob Wüst en collega’s van de Vrije Universiteit Amsterdam in Nederland denken dat ze misschien een aanknopingspunt hebben.
Er is veel gesproken over de overeenkomsten in symptomen tussen ME/cvs en long COVID – de chronische aandoening die sommige patiënten ontwikkelen na besmetting met COVID-19 – en of er een verband zou kunnen zijn tussen de twee.
Dr. Wüst’s eigen onderzoek in een cohort van patiënten met long COVID bracht een aantal afwijkingen in de spierfunctie na inspanning aan het licht, evenals een toename in de ophoping van microscopische bloedstolsels (microklonters) in het spierweefsel. (Lees meer over het onderzoek van Dr. Wüst naar long COVID in deze presentatie op de UniteToFight2024 conferentie).
De dichtheid van deze microklonters was hoger in spiermonsters van mensen met long COVID dan in die van gezonde controlepersonen en nam toe na een trainingssessie om PEM op te wekken.
Deze bevindingen leveren dus enig bewijs voor een verband tussen lichaamsbeweging, lokale ophoping van microklonters en activering van immuuncellen bij mensen met long COVID. Maar zou er een vergelijkbaar beeld kunnen zijn bij mensen met ME/cvs? Dat is de vraag die Dr. Wüst en collega’s in deze nieuwe studie willen beantwoorden.
Doelstellingen
De onderzoekers willen biopten van de skeletspieren en bloedmonsters verzamelen, voor en na het opwekken van PEM, van 25 mensen die voldoen aan de Canadese Consensus Criteria voor ME/cvs. Veel van deze monsters zijn al verkregen. Er worden ook monsters verzameld van patiënten met long COVID en gezonde controlepersonen.
Immunofluorescentietechnieken zullen worden gebruikt om de locatie van microklonters in de spier en in bloedmonsters te bepalen en deze te vergelijken met de aanwezigheid van klinische symptomen.
Elektronenmicroscopie zal ook worden uitgevoerd om de structuur van de haarvaten (microscopische bloedvaten) en mitochondriën (verantwoordelijk voor de energieproductie in cellen) in de skeletspiervezels te beoordelen.
Een derde doel is om te zoeken naar markers in het bloed die wijzen op stress in het spierweefsel en om te bepalen of deze overeenkomen met afwijkingen in de structuur van het spierweefsel.
Mogelijke voordelen
Het begrijpen van de klinische gevolgen van PEM is niet mogelijk zonder een beter begrip van de betrokken pathologische mechanismen. De onderzoekers verwachten dat hun bevindingen hierbij zullen helpen.
De resultaten zullen worden opgenomen in de nieuw ontwikkelde Nederlandse ME/cvs Biobank en Cohort, en kunnen de weg vrijmaken voor een nieuwe therapie die, als deze gebaseerd is op gevestigde behandelingen, relatief snel zou kunnen worden toegepast.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Afwijkingen-in-haarvaten-en-kleine-stolsels-in-spieren.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-06-20 13:02:402024-08-18 20:50:17Afwijkingen in haarvaten en kleine stolsels in spieren
ZonMw heeft ter voorbereiding op de opening van de nieuwe subsidieronde voor biomedisch onderzoek naar ME/CVS de oproeptekst met nadere informatie over de insteek van de nieuwe ronde beschikbaar. Op maandag 17 juni 2024 stelt ZonMw deze nieuwe subsidieronde open. Op maandag 24 juni 2024 wordt een informatiebijeenkomst georganiseerd voor potentiële aanvragers.
De oproeptekst voor de nieuwe ronde wordt al voor de opening van de nieuwe subsidieronde beschikbaar gesteld zodat potentiële aanvragers zich tijdig kunnen voorbereiden.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-ZonMw-heeft-oproep-gedaan-voor-2de-subsidieronde.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-06-03 18:21:412024-08-19 02:07:17Oproep 2de ronde subsidie biomedisch onderzoek ME/CVS
Het was een van de duurste ME/cvs-studies ooit. Het was het geesteskind van voormalig NIH-directeur Francis Collins en de ongebruikelijke studie was ontworpen om de NIH een solide basis te geven om vooruitgang te boeken bij een controversiële ziekte.
De studie was niet ontworpen om de oorzaak van ME/cvs te bepalen. In plaats daarvan was de studie van 8 miljoen dollar, met zijn uiterst strenge selectieproces van patiënten, ontworpen om naar een zeer breed scala aan factoren te kijken en zo met stevige pistes voor toekomstig onderzoek te komen.
Avindra Nath noemde het project het meest complexe dat hij ooit heeft geleid.
Dat vooruitzicht leek twijfelachtig toen de NIH het onderzoek tijdens de pandemie stillegde en nooit heropende, waardoor het ongeveer 50% onder het oorspronkelijke streefcijfer van 80 deelnemers bleef.
Avindra Nath, de leider van het project, waarbij uiteindelijk meer dan 75 wetenschappers betrokken waren, zei dat het zonder twijfel het meest complexe project was dat hij ooit had geleid. Nancy Klimas zei dat het “de meest grondige evaluatie was ooit uitgevoerd in een klinische studie die ik ken voor welke ziekte dan ook“.
De inzet was hoog. Een studie met een nulresultaat zou de interesse in de ziekte bij de NIH wel eens kunnen doen kelderen. Aan de andere kant zou een positief onderzoeksresultaat de lage positie van ME/cvs bij de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld – de NIH – een boost geven.
Prestigieus tijdschrift
De kleine onderzoeksgroep baarde zorgen – die uiteindelijk overdreven bleken te zijn – over de kans dat het artikel gepubliceerd zou worden in een prestigieus tijdschrift. De studie “Deep phenotyping of post-infectious myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome” werd gepubliceerd in Nature Communications – een multidisciplinair tijdschrift met een hoge impactfactor dat afkomstig is van de prestigieuze Nature Publications-groep. Een recensie rapporteerde dat “het rigoureuze peerreviewproces en de hoge redactionele standaarden hebben bijgedragen tot de sterke reputatie van het tijdschrift onder wetenschappers”.
De publicatie van het onderzoek in dit tijdschrift betekent dat het wordt verspreid onder een “groot publiek van onderzoekers, wetenschappers en academici uit verschillende disciplines over de hele wereld”. Met andere woorden, iedereen zal het lezen.
Eén ding moet je in gedachten houden: dit was een selecte en in sommige opzichten vreemde groep patiënten, op manieren die de onderzoekers niet hadden kunnen weten. De patiënten moesten de ziekte hebben opgelopen na een infectie in de afgelopen vijf jaar.
Met bijna een kwart van de groep die aan de beterhand was en zonder bewijs van verhoogde percentages orthostatische intolerantie, dunnevezelneuropathie, slaapproblemen of cognitieve stoornissen leek de ME/cvs-groep een beetje afwijkend.
In haar zoektocht naar nauwgezetheid sloot de studie 190 van de 217 patiënten uit die een gedetailleerde casusbeoordeling kregen van een groep ME/cvs-experts. Vier van de personen die de eerste week in het ziekenhuis hadden doorlopen, werden uitgesloten omdat ze iets anders bleken te hebben (kanker, atypische myositis, primaire biliaire cholangitis, Parkinsonisme).
De patiënten moesten goed genoeg zijn om naar de locatie in Baltimore te komen en moesten studies van meer dan 2 weken kunnen doorstaan, waaronder ten minste één uitputtende inspanningssessie; dat betekent dat ze er beter aan toe waren dan de meesten. Verschillende veel voorkomende bevindingen bij ME/cvs die goed gevalideerd zijn (dunnevezelneuropathie, orthostatische intolerantie/POTS, slaapproblemen, cognitieve stoornissen) waren niet verhoogd bij de ME/cvs-groep.
De vreemdste uitkomst was echter dat bijna een kwart van de groep (4/17) ME/cvs-patiënten “spontaan herstelde” na de studie – wat aangeeft dat een aanzienlijke subgroep van patiënten op een fundamentele manier anders was dan jij of ik.
Niet psychologisch – Afgevinkt!
De auteurs stelden dat de deelnemers uitgebreide neuropsychologische tests ondergingen die aangaven “dat hun symptomen geloofwaardig waren en een waarheidsgetrouwe weergave van hun ziekte”, en zij concludeerden dat “psychiatrische stoornissen geen belangrijk kenmerk waren in dit cohort en niet verantwoordelijk waren voor de ernst van hun symptomen”.
Stoornis in het autonome zenuwstelsel – Afgevinkt!
Verhoogde activiteit van het sympathische zenuwstelsel/verlaagde activiteit van het parasympathische zenuwstelsel overdag (HRV) en ‘s nachts (nachtelijke hartslag), volgens de auteurs als gevolg van problemen met het centrale zenuwstelsel [n.v.d.r. in eerste instantie maken het sympathische en parasympatische zenuwstelsel deel uit van het autonome zenuwstelsel].
Inspanningsvoorkeur (Inspanningsvoorkeur?)
Een test die ik nog nooit eerder gebruikt heb zien worden bij ME/cvs, de “Effort-Expenditure for Rewards Task (inzet van inspanning-versus-beloning-taak) (EEfRT)” kreeg een nogal prominente plaats in het rapport. Deze test bestaat uit een reeks herhaalde proeven waarbij de deelnemers kiezen tussen het uitvoeren van een “moeilijke taak” of een “gemakkelijke taak” om daarmee verschillende geldbedragen te verdienen.
Een lage EEfRT betekent dat een persoon geneigd is om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht de beloning of kansen. Dit kan wijzen op een gebrek aan motivatie, een hoge gevoeligheid voor inspanning of een lage gevoeligheid voor beloning.
Aangezien ME/cvs per definitie vol inspanning is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores halen, en dat was ook zo. Dat ze in de loop van de tijd steeds minder snel op knoppen tikten, deed de auteurs vermoeden dat de PI-ME/cvs-deelnemers zich aan het inhouden waren [pacing] om de inspanning en de daarmee gepaard gaande gevoelens van ongemak te beperken”; m.a.w. ze werden door inspanning op de proef gesteld. Men kan zich afvragen of de patiënten niet gewoon “uitgetikt” (niet grappig bedoeld) konden zijn. Een onderzoek naar het vingertikken bij fibromyalgie toonde aan dat FM-patiënten ook snel verslapten.
Toestand in rust – prima
Geen verschillen in “ademhalingsfunctie, zuurstoftoevoer in de spieren, mechanische efficiëntie, energieverbruik in rust, primaire mitochondriale functie van immuuncellen, spiervezelsamenstelling of lichaamssamenstelling” suggereerden dat er geen sprake was van een lage energiestand in rust.
Let wel op de nadruk op de “toestand in rust”. De conditie van de “toestand in rust” is nooit het belangrijkste aandachtspunt geweest bij ME/cvs. Het belangrijkste probleem is inspanning en postexertionele malaise en dat is precies de reden waarom fysieke of mentale inspanningsstressoren zo nuttig zijn geweest om te onthullen wat we weten over ME/cvs.
De handknijptest
Wie had kunnen denken dat een eenvoudige handknijptest zou leiden tot de belangrijkste bevinding in deze studie?
Waar een lage energietoestand in rust niet de oorzaak leek te zijn van ME/cvs, rapporteerden de auteurs dat er “substantiële verschillen werden waargenomen bij PI-ME/cvs deelnemers tijdens fysieke taken”. Dit is haast de basisdefinitie van ME/cvs – een ziekte die meer fysiologische afwijkingen vertoont tijdens momenten van inspanning dan tijdens rust. Vandaar dat zoveel onderzoekers fysieke/cognitieve stressoren gebruiken in hun studies.
Die fysieke taak was zo eenvoudig als een maximale grijpkrachttest. Deze tests zijn ontworpen om de spierkracht van de hand- en onderarmspieren te evalueren. De proefpersonen met ME/cvs waren in staat om een normale grijpkracht te ontwikkelen.
De auteurs gebruikten de Dimitrov-index om de “vermoeidheidsweerstand” te meten, d.w.z. het vermogen van de deelnemer om een sterke grijpkracht aan te houden. Dit wordt gedaan door het aantal niet-vermoeide “blokken” tijdens de test te meten. Er is sprake van een niet-vermoeid blok als de grijpkracht meer dan 50% van de maximale grijpkracht bedraagt. Een vermoeid blok treedt op wanneer de grijpkracht onder 50% van de maximale grijpkracht blijft.
Deze eenvoudige test lijkt een goede manier om de aanwezigheid van postexertionele malaise te bepalen. Als de grijpkracht normaal blijft, kan de deelnemer de inspanning volhouden. Zo niet, dan kan hij dat niet. Merk op dat dit allemaal lijkt te gebeuren tijdens anaerobe energieproductie. Er is geen of weinig aerobe energieproductie nodig en het is niet duidelijk hoe conclusies die worden getrokken tijdens een handknijptest, toepasbaar zijn op de resultaten van een aerobe inspanningstest.
Terwijl de grijpkracht van de ME/cvs-patiënten aan het begin normaal was, ging hun grijpkracht snel achteruit. Het feit dat ze een significant lager aantal “niet-vermoeide blokken” lieten zien, wees erop de ze te weinig uithoudingsvermogen hadden en suggereerde dat ze een verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” hadden. Dat deed zich niet voor bij de gezonde controles.
Dit patroon – een normale maximale grijpkracht maar een onvermogen om deze lang vol te houden, deed de auteurs vermoeden dat de verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” niet te wijten was aan problemen met de spieren zelf, maar werd veroorzaakt door de hersenen.
Handgreepkracht werd echter verschillende keren als verlaagd vastgesteld in eerdere ME/cvs-onderzoeken. In één studie was de kracht van de handgreep zelfs zo verminderd dat de onderzoekers voorstelden om dit als diagnose voor ME/cvs te gebruiken.
Slechte motor? De motorische cortex staat op het voorplan
Een transcraniële magnetische resonantiestimulatie (TMS) tijdens de handgreepoefening suggereerde dat problemen met de motorische cortex de boosdoener waren. De motorische cortex is verantwoordelijk voor het activeren van de spieren tijdens inspanning.
Wanneer we een fysieke taak uitvoeren, activeert de primaire motorische cortex in onze hersenen de motorneuronen in ons ruggenmerg, die vervolgens een signaal sturen naar de neuromusculaire verbinding van de spier om die spier te doen bewegen. Als een spiervezel vermoeid raakt, worden er meer spiervezels aangesproken. Zolang er nieuwe, verse spiervezels overblijven om geactiveerd te worden, kan de oefening doorgaan. Als er geen spiervezels meer zijn om te rekruteren of als de hersenen een probleem hebben met het rekruteren van nieuwe spiervezels, dan treedt vermoeidheid op.
Bij TMS worden magnetische velden gebruikt om de werkzaamheid en integriteit van de verbinding tussen de motorische cortex en de spieren te beoordelen. (Ze doen dit door de amplitude van de motorisch geëvoceerde potentialen (MEP’s) te meten. Bij gezonde, en depressieve, personen daalt de amplitude in de loop van de tijd tijdens de inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten bleef de motorische cortex geactiveerd, wat resulteerde in, om het met de woorden van de auteur te zeggen, “verminderde motorische inzet”. Het was alsof de motorische cortex op de ‘aan’-knop bleef drukken in een poging de spieren in gang te krijgen. Bij de ME/cvs-patiënten vertoonde de overactieve motorische cortex een zogenaamde verhoogde “corticospinale prikkelbaarheid”.
Dit was een interessant resultaat omdat je misschien het tegenovergestelde had verwacht. Een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid wordt vaker in verband gebracht met een verhoogd uithoudingsvermogen. Wie veel pijn verwacht, en wie een vermoeiende en pijnlijke vorm van multiple sclerose heeft, vertoont een verminderde corticospinale prikkelbaarheid.
Deze onderzoekers vonden echter een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid. Verhoogde corticospinale prikkelbaarheid is ook vastgesteld bij ziektes als migraine – een veel voorkomende comorbiditeit bij ME/cvs – en epilepsie. Een recente studie vond dat hyperventilatie – een vaak voorkomend probleem bij ME/cvs – ook geassocieerd kan worden met een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid.
De auteurs stelden het volgende:
“De vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers is te wijten aan een disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen, waarvan de oorzaak verder onderzocht moet worden. Dit is een observatie die nog niet eerder is beschreven in deze populatie.”
Eerdere bevindingen i.v.m. de motorische cortex
Hoewel de meeste onderzoeken de oorzaken van het disfunctioneren van de motorische cortex bij ME/cvs niet hebben onderzocht, is de motorische cortex al eerder opgedoken bij ME/cvs en fibromyalgie.
Een onderzoek uit 1999, waarin een vermindering van de hersenactiviteit “voorafgaand aan de beweging” en langzamere reactietijden werden gevonden, concludeerde dat de “centrale motorische mechanismen” die de basis leggen voor een bijbehorende beweging, aangetast waren bij ME/cvs. Een onderzoek uit 1999 kwam tot de opmerkelijke conclusie dat er sprake was van “een inspanningsgerelateerde vermindering van de centrale motorische aansturing”; dat wil zeggen dat de hersenen moeite hadden om de spieren te laten bewegen bij ME/cvs. Een studie uit 2001 vond dat het moeilijker was voor de hersenen om de spieren van ME/cvs-patiënten te doen reageren. Een ander onderzoek (2003) suggereerde dat er problemen zijn met “motorische planning“.
Een onderzoek uit 2003, “Deficit in motor performance correlates with changed corticospinal excitability in patients with chronic fatigue syndrome” [Tekort aan motorische prestaties correleert met veranderde corticospinale prikkelbaarheid bij patiënten met het chronischevermoeidheidssyndroom], suggereerde dat verminderde spiervezelrekrutering ten gevolge van verminderde output van de motorische cortex, de oorzaak zou kunnen zijn van de vermoeidheid bij ME/cvs. Die studie stelde dat “… veranderende motorische tekorten bij CVS een neurofysiologische basis hebben [die] … de theorie ondersteunt van een tekort in motorische voorbereidende gebieden in de hersenen“.
In een onderzoek naar fibromyalgie was de motorische cortexactiviteit (oxyhemoglobinegehalte) vergelijkbaar tussen de personen met FM en de gezonde controles bij rust en tijdens langzaam tikken, maar toen hen werd gevraagd snel te tikken, nam de activiteit in de motorische cortex van de FM-patiënten af (en daarmee ook hun tikvermogen). De motorische cortex leek niet de metabole capaciteit te hebben om de gezonde controles bij te houden.
De kwestie van de motorische cortex klopt dus met wat we eerder hebben gezien. In zekere zin is het een perfecte verklaring voor ME/cvs.
De vreemde temporopariëtale junctie
(Dit is een lang en moeilijk gedeelte waarin ik zin voor zin moeite had om te begrijpen wat de auteurs bedoelden. Misschien wil je verder gaan naar de Kernpunten :))
Om te achterhalen wat er precies aan de hand was tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens de zuurstofniveaus in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in drie delen van hun hersenen – de temporopariëtale junctie (TPJ), de superieure pariëtale kwab en de rechter temporale hersenwinding.
De TPJ – het deel van de hersenen waar ze zich op hebben geconcentreerd – is nog nooit eerder bij ME/cvs naar voren gekomen – maar niemand heeft ooit beelden gemaakt van de hersenen tijdens een handgreepinspanning – en hier begint het een beetje vreemd te worden.
De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emoties, overtuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
Die bevinding over de voorkeur voor weinig inspanning – die volkomen logisch was – waarom moeite doen als de kosten hoog zijn? – raakte verstrikt in de bevinding van de temporale pariëtale junctie – en je had het gevoel dat de auteurs het ofwel moeilijk vonden om er iets zinnigs over te zeggen, ofwel het moeilijk vonden om het uit te leggen.
De bevinding over de voorkeur voor inspanning kwam vroeg en prominent naar voren in het discussiegedeelte. De eerste zin luidt: “Inspanningsvoorkeur is hoeveel inspanning een persoon subjectief wil leveren.” Terwijl de publicatie zich altijd focuste op de hersenen, verwijzen de auteurs nu naar hoeveel iemand zich subjectief wil inspannen, als in, wat jij, een denkend mens, besluit dat je kunt doen. Het lijkt erop dat we net niet meer met de hersenen te maken hebben, maar met psychologie. Het gaat verder:
“Het wordt vaak gezien als een afweging tussen de energie die nodig is om een taak uit te voeren versus de beloning nadat je geprobeerd hebt om de taak met succes uit te voeren. Als er vermoeidheid begint te ontstaan, zal de inspanning moeten toenemen en zal de verhouding tussen inspanning en voordeel toenemen, misschien wel tot het punt waarop iemand liever een beloning misloopt dan zich in te spannen. Dus, als vermoeidheid zich ontwikkelt, kan er falen optreden door uitputting van capciteit of een nadelige voorkeur.”
Dus is het een uitputting van capaciteit? Het antwoord is nee – de auteurs geloven dat de spieren de capaciteit hebben om het werk te doen. Waarom denken ze dat? Omdat de spieren in staat waren om een geschikte maximale grijpkracht te produceren, omdat de spiermassa normaal was en omdat ze geen bewijs vonden van veranderingen in de spiervezels. Bovendien vonden ze geen aanwijzingen voor problemen in “de ademhalingsfunctie, de zuurstoftoevoer naar de spieren, de mechanische efficiëntie, het energieverbruik in rust, de basale mitochondriale functie van de immuuncellen, de samenstelling van de spiervezels of de lichaamscompositie”. Merk echter op dat heel wat andere studies, waaronder een recente, bewijs hebben gevonden van spierdisfunctie bij ME/cvs en dat er twee grote spierbiopsiestudies momenteel lopen bij de Open Medicine Foundation.
Het probleem moet dus – volgens de auteurs – “een nadelige voorkeur” zijn – wat de auteurs in verband brachten met een recente hypothese over de activiteit van de temporale pariëtale junctie. Naast alle andere bizarre dingen waarmee de TPJ in verband is gebracht – die niets met ME/cvs te maken hebben – is het ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
De “daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben. Misschien weet een beschadigd TPJ niet wat het moet doen als het op inspanning aankomt.
Zouden de bevindingen met betrekking tot inspanningsvoorkeur en TPJ een weerspiegeling kunnen zijn van de moeite die mensen met ME/cvs hebben om hun weg te vinden in een onzekere omgeving?
Eén hypothese betreffende de TPJ (en er zijn er vele) suggereert dat besluitvorming “een optimalisatieprobleem is gericht op het minimaliseren van de variationele vrije energie”. Het minimaliseren van vrije energie impliceert de selectie van acties die onzekerheid over toekomstige uitkomsten verminderen (een groot, groot probleem bij ME/cvs) en die tegelijkertijd de beoogde uitkomsten maximaliseren. Gezien hun onzekerheid over wat er zal gebeuren, hebben ME/cvs-patiënten enorme problemen om te beslissen of ze voor de “gewenste uitkomst” gaan (d.w.z. naar de winkel gaan, vrienden zien, een wandeling maken, naar een doktersafspraak gaan) en daarbij tegelijkertijd de onzekerheid minimaliseren. De beste optie is vaak om de beoogde uitkomst gewoon te laten varen.
Toen kwam deze bizarre zin. “Grotere activering bij de gezonde vrijwilligers suggereert dat ze uitgebreid aandacht besteden aan hun kleine mislukkingen, terwijl de ME/cvs-deelnemers juist bereiken wat ze zich voorgenomen hebben.” (???)
In een poging om alles met een mooie strik in te pakken, zeiden de auteurs: ” Alles bij elkaar suggereren deze bevindingen dat inspanningsvoorkeur, en niet vermoeidheid, het bepalende motorische gedrag van deze ziekte is.” – wat zeker een gekke uitspraak is en moeilijk te interpreteren. Inspanningsvoorkeur kan gewoon betekenen dat je ervoor kiest om je inspanning op bepaalde manieren te spenderen. Voeg daar het deel “motorisch gedrag” aan toe en mogelijk heb je een brein dat zowel bewust als onbewust dingen uitschakelt – zoals de verbinding van de motorische cortex met de spieren.
In die context zou “motorisch gedrag” zoiets kunnen zijn als “ziektegedrag” – een door de hersenen veroorzaakte aandoening die allerlei symptomen en problemen veroorzaakt in een poging om het lichaam zo goed mogelijk te houden. Laat ik het hierbij houden: motorisch gedrag is een brede en algemene term die “elke vorm van beweging omvat, van onwillekeurige zenuwtrekjes tot doelgerichte acties, in elk deel van het lichaam van top tot teen”.
Het is geen verrassing te noemen dat, gezien de moeite om te begrijpen wat de auteurs bedoelden, de interpretaties van dat deel van het rapport nogal een warboel vormen.
De reacties van de media
We geven dit deel van het onderzoek misschien te veel aandacht. De reacties van de media op het onderzoek waren positief en stonden er verder niet bij stil. Het is meer een kwestie voor ons als gemeenschap gezien onze geschiedenis.
Dat was goed, want zelfs Brian Walitt, de hoofdonderzoeker van de studie, sprak onduidelijk over dit deel van de studie. Het persbericht van de NIH begon goed met de volgende bewering: “Dit suggereert dat vermoeidheid bij ME/cvs veroorzaakt zou kunnen worden door een disfunctie van hersengebieden die de motorische cortex aansturen, zoals de TPJ”. En zo ook Wallitt: “We hebben mogelijk een fysiologisch aandachtspunt geïdentificeerd voor vermoeidheid bij deze populatie”, voordat hij helaas de deur opende voor een psychologische interpretatie door er “denken” bij te halen, toen hij stelde: “In plaats van fysieke uitputting of een gebrek aan motivatie, kan vermoeidheid voortkomen uit een mismatch tussen wat iemand denkt dat hij kan bereiken en wat zijn lichaam presteert.”
Je zou toch denken dat Walitt voorzichtiger zou zijn met dit onderwerp. Naar mijn ervaring is dit een probleem van de hersenen – niet van het denken. De signalen van vermoeidheid, pijn enz. komen zo snel dat ze wel uit de hersenen moeten komen. Twee mediakanalen hebben tot nu toe Walitts onhandige verklaring opgepikt. Het is nogal ironisch hoe vaak mensen met ME/cvs denken en voelen dat ze iets kunnen doen om er halverwege achter te komen dat ze echt in de knoei zitten.
“Uit het onderzoek bleek dat tijdens de handknijptest bij ME/cvs er een verminderde activiteit was in de rechter temporale-pariëtale junctie, een hersengebied dat betrokken is bij zelfwaarneming. Dit is een deel van de hersenen dat een actie voorspelt voordat men zich er bewust van wordt.”
“Nath veronderstelt dat deze dip in activiteit suggereert dat de hersenen personen met ME/cvs ervoor behoeden om kracht uit te oefenen tijdens de grijptest, wat volgens hem logisch is omdat ME/cvs-symptomen vaak verergeren als mensen met de aandoening zichzelf overbelasten. De bevinding is echter nog maar voorlopig en verdere experimenten zijn nodig om het te bevestigen.”
Jonathan Edwards, een reumatoloog aan de UCL, heeft het bij het juiste eind in het Science-artikel
“De onderzoekers suggereren dat hersensignalen stoptekens kunnen laten oplichten om fysieke activiteit te vermijden – vergelijkbaar met hoe een golf van ziekte rust afdwingt. “Als we een zware griep hebben, kunnen we het bed niet uitkomen,” “Het is een centraal signaalprobleem” in de hersenen, zegt hij. “Er is niets mis met je spieren.”
En Tony Komaroff sloeg de spijker op de kop in twee nieuwsmedia:
“ME/cvs-patiënten hadden ook een abnormale werking in een deel van hun hersenen dat inspanning regelt. Als hen wordt gevraagd zich in te spannen, licht het niet zoveel op. Het is alsof je probeert te zwemmen tegen de stroom in.” en “Dat hersengebied, de rechter temporaal-pariëtale junctie, is betrokken bij “het vragen aan de benen om te bewegen, het vragen aan de mond om te openen en te eten – het vraagt als het ware om iets te doen. Als het niet correct oplicht, is het lastiger om het lichaam die inspanning te laten leveren”.
Het blijkt dat in het model dat in het artikel voor ME/cvs wordt voorgesteld, de TPJ geen prominente rol lijkt te spelen. De auteurs geloven dat de TPJ-disfunctie veroorzaakt wordt door andere factoren, maar dat is voor de volgende blog. Er staat nog veel meer in deze studie om op te broeden.
Het vervolg – Deel 2: Lichaamsbeweging, het immuunsysteem en het Grotere Plaatje
De kernpunten
De 8 miljoen dollar kostende NIH-studie was misschien wel de belangrijkste ME/cvs-studie om één simpele reden – als ze een succes zou worden, zou dit de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld het vertrouwen geven om meer middelen aan de ziekte te besteden.
De studie omvatte twee verblijven van een week in het klinisch centrum van de NIH waar de deelnemers zowat alles kregen wat de NIH hen kon voorschotelen. De geplande studie van 80 personen werd echter ingekort door de pandemie. Tegen het einde van de studie hadden 41 deelnemers (17 ME/cvs-patiënten en 24 gezonde controles) het volgehouden. Plus, ergens na hun deelname aan de studie, herstelden 4 van de ME/cvs-patiënten spontaan – wat suggereert dat ze op een essentiële manier wellicht anders waren dan jij en ik.
Een eenvoudige handknijptest waarbij de deelnemers werd gevraagd een handgreep in te knijpen en vast te houden terwijl de onderzoekers het functioneren van de hersenen onderzochten, bleek een grote rol te spelen in het artikel. De ME/cvs-patiënten hadden een normale handgreepkracht, maar deze verslapte snel en hun grijpkracht nam snel af.
De auteurs stelden dat het probleem niet in de spieren zat, maar in een deel van de hersenen dat de motorische cortex wordt genoemd. Tijdens inspanning stimuleert de motorische cortex de zenuwen om meer spiereenheden aan te spreken als een spier vermoeid raakt. De motorische cortex van de ME/cvs-patiënten was abnormaal geactiveerd – wat er misschien op wijst dat het tevergeefs bleef proberen om meer spiereenheden te activeren en de vermoeidheid af te wenden.
De auteurs beweerden dat “de vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers te wijten is aan disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen”. Een disfunctie van de motorische cortex zou dus veel van de problemen met inspanning bij ME/cvs kunnen verklaren. Hoewel disfunctie van de motorische cortex geen prominente rol gespeeld heeft in het ME/cvs-onderzoek, hebben ten minste vier studies/papers de aanwezigheid ervan voorgesteld.
Om te achterhalen wat er gebeurde tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens het zuurstofgehalte in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in een deel van de hersenen dat nog nooit eerder bij ME/cvs was waargenomen – de temporopariëtale junctie (TPJ).
De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emoties, overtuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
De ” daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben.
Een inspanningstest (EEfRT) – die ook nog nooit gedaan is bij ME/cvs – vond dat personen met ME/cvs de neiging hadden om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht of de beloning hoog dan wel waarschijnlijk was. Aangezien ME/cvs per definitie inspannend is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores hebben, en dat was ook zo.
De TPJ-bevinding, gecombineerd met de inspanningsbevinding, gecombineerd met de afwezigheid van bevindingen die suggereerden dat de spieren beschadigd waren, deed de auteurs vermoeden dat “inspanningsvoorkeur” de bepalende oorzaak was van het “motorische gedrag” bij ME/cvs – het motorische gedrag was het onvermogen van de motorische cortex om de spieren te activeren.
Het was moeilijk om precies te begrijpen wat de auteurs bedoelden, maar het kan iets geweest zijn in de trant van: wanneer de motorische cortex wordt geconfronteerd met inspannende taken zoals lichaamsbeweging, stopt het de signalen naar de spieren, waardoor vermoeidheid wordt veroorzaakt. Dit zou werken op een onbewust (de hersenen schakelen de motorische cortex uit) en mogelijk ook op een bewust niveau (vermijden van inspanning) .
Het is geen verrassing dat sommige berichten in de media over dit deel van het onderzoek een beetje psychologisch klonken, terwijl andere dat niet deden. Over het algemeen was de reactie van de media op het onderzoek vrij goed.
Maar er komt nog veel meer en deel 2 van de blogserie komt binnenkort.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-5.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-05-31 12:42:432024-08-23 13:51:37Studie van Nath Deel I: “Het is een hersenziekte…”
De ME/cvs Vereniging organiseert samen met 12 andere organisaties op het gebied van ME/cvs, Q-koorts, chronische lyme en long covid een bijeenkomst in het gebouw van de Tweede Kamer.
Een beperkt aantal mensen met ME/cvs wordt persoonlijk uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn.
Jij bent van harte welkom om de livestream te volgen op maandag 3 juni van 14.00 tot 16.00 uur.
De bijeenkomst wordt gepresenteerd door Lymefonds-directeur Fred Verdult samen met Tweede Kamerlid Julian Bushoff.
Wat bespreken we?
Tegen welke problemen lopen mensen met PAIS aan?
Welke concrete oplossingen kan de politiek bieden?
Wat kan patiëntenregistratie betekenen?
Naast deze gespreksonderwerpen houden we een minuut stilte om de mensen te herdenken die aan PAIS zijn overleden en om stil te staan bij het leed dat PAIS veroorzaakt.
Er zijn korte filmpjes van twee mensen met PAIS die al jarenlang de deur niet uit zijn geweest en er zijn twee rustige liedjes tussendoor om even tot rust te komen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-Bijeenkomst-PAID_-We-willen-weer-meetellen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-05-05 21:40:212024-08-19 02:28:12Bijeenkomst PAIS: We willen weer meetellen!
Dr. Jos Bosch is de leider van het NMCB, het Nederlands ME/CVS Cohort en Biobank. ZonMw heeft geld toegezegd voor het opzetten van een biobank voor ME/CVS; deze biobank verzamelt gegevens en lichaamsmaterialen van patiënten zodat wetenschappers daarmee onderzoek kunnen doen naar de oorzaken van ME/CVS. Er zijn in de eerste subsidieronde daarom ook 6 onderzoeken gefinancierd die met het NMCB samenwerken. Naar aanleiding van de officiële start van het NMCB heeft Lees ME een gesprek met hem.
Op 19 januari vond het kick-off symposium van het NMCB plaats. Hoe heb je die dag ervaren?
Jos: Ik vond het een geweldige dag. Het is een mijlpaal voor de patiënten en voor het onderzoek in Nederland. Fijn dat het nu voor elkaar is. We vieren dat het geld is toegezegd en dat we goede plannen hebben. Nu moeten we nog gaan leveren. Dat maakt het spannend. Er is veel werk aan de winkel. Belofte maakt schuld.
Kun je wat vertellen over je eigen achtergrond? Hoe komt het dat biomedisch onderzoek bij een psycholoog terecht kwam?
De eerste 12 jaar heb ik als verpleegkundige gewerkt. Ik was geïnteresseerd in verouderingsprocessen. Bij de Universiteit van Amsterdam zou net een nieuwe studierichting beginnen, de psychologie van veroudering. Uiteindelijk ging die studierichting niet door. Ik ben psychobiologie gaan doen. In het bijzonder had ik belangstelling voor biologische processen in het brein bij veroudering. Ik was niet zozeer geïnteresseerd in psychologische behandeling.
Tijdens de studie kwam ik op de samenhang tussen verstoring van immuunprocessen en psychologische processen. Ik hield me bezig met de vraag hoe bepaalde immuunstoffen in het speeksel beïnvloed worden door stress. Ik heb een promotievoorstel geschreven en ingediend bij tandheelkunde. Dat ging in op de vraag hoe microbiologie en immunologie en gedrag verbonden zijn. Ik ben gepromoveerd in de biochemie en ben naar Amerika gegaan. Daar heb ik mij gericht op wondgenezing in de mond.
De familie wilde graag dat we weer teruggingen naar Nederland en ik heb toen een baan gevonden bij de faculteit psychologie. Uiteindelijk ben ik toch weer de kant van de biologie opgegaan.
Hoe ben je terechtgekomen bij ME/CVS en het plan om een onderzoeksconsortium en biobank op te starten?
Als onderzoeker heb ik mij altijd verdiept in de vraag hoe biologische verstoringen klachten kunnen veroorzaken. Bijvoorbeeld hoe veranderingen in het immuunsysteem pijn of vermoeidheid veroorzaken. Wat gebeurt er in het brein en in het lichaam? Met dat onderwerp heb ik mij beziggehouden. Ik wist dat er allerlei zaken veranderen als gevolg van biologische ontregeling, zoals pijn, stemming, gedrag.
Ik was programmaleider van public health in Amsterdam, de divisie geestelijke gezondheid. Bij de fusie tussen de twee academische ziekenhuizen zijn meerdere onderzoeksinstituten opgezet, en public health was daar een van. Daarbij heb ik een groot netwerk opgebouwd. Dat kwam ZonMw goed van pas: ZonMw wilde een raadpleging uitvoeren over ME/CVS. Zij stelden mij de vraag wie uit het wetenschappelijk netwerk daarin geïnteresseerd was. Dat wist ik ook niet maar het leverde een heel grote opkomst op.
Ik heb toen ook gesproken met patiëntvertegenwoordigers. Op basis daarvan kwam ik tot de conclusie dat dit een belangrijk onderzoeksgebied is waar medische onderzoekers veel belangstelling voor hadden. Ik ben met partijen gaan praten die op dit vlak wilden samenwerken. Daarna heb ik weer contact gezocht met de patiëntenorganisaties.
Onder ME/CVS patiënten is er vaak wantrouwen dat hun aandoening niet serieus wordt genomen. In het wetenschappelijk veld is de kijk op hun aandoening veranderd. Dat is geleidelijk gegaan. Steeds betere geneesmiddelen tegen ontsteking zorgden voor veel meer overleving en een betere levensverwachting. Meer mensen overleefden een ziekte maar er bleven vaak klachten over zoals ernstige vermoeidheid en PEM die artsen niet goed begrepen. Het besef ontstond dat er na behandeling klachten blijven die ze niet kunnen oplossen. Dat maakte ME/CVS herkenbaar. Bij veel artsen leefde het idee dat ze met hun kennis van andere ziekten ook kunnen bijdragen aan het begrijpen en oplossen van ME/CVS .
Ik ben positief gestemd over de toekomst van ME/CVS omdat artsen niet meer verbaasd zijn ook al kunnen ze de klachten (nog) niet objectiveren. Dat sijpelt ook geleidelijk door naar de praktijk zoals huisartsen. Long covid heeft ook voor een enorme verandering gezorgd. Er ontstonden op grote schaal ME/CVS achtige beelden. Iedereen herkende dit. Ik ondervond geen weerstand toen we daar onderzoek naar wilde doen.
Wat voor beeld heb jij van ME/CVS? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Ik heb er veel over geleerd. Ik ging er tamelijk onbevangen in. Wat mij opviel was de enorme betrokkenheid en kennis bij patiënten. Ze zijn enorm goed op de hoogte. Ze zijn vaak sneller op de hoogte van publicaties en ze informeren mij regelmatig over publicaties die ik nog niet heb gezien.
Ik zie bij patiënten veel frustratie en boosheid over het gebrek aan erkenning en dat snap ik heel goed. Dat is nog wel een dilemma. Hoe kan ik dat verenigen met de noodzaak om bepaalde onderzoekers te betrekken? Onderzoek en behandeling zijn jaren overheerst door de SOLK-benadering. Dat stond zo in de richtlijn en daar heb je je als behandelaar dan gewoon aan te houden. Dan is het in het biomedisch onderzoek bijna onvermijdelijk dat je soms samenwerkt met wetenschappers of behandelaren die eerder bij de SOLK-aanpak betrokken waren.
We zien intussen dat de nieuwe biomedische aanpak betere gegevens en sterkere argumenten oplevert. Dus die mensen komen vanzelf aan boord. De ziekte wordt niet meer zo snel gepsychologiseerd.
Welke rol hebben patiëntvertegenwoordigers bij het consortium en bij de onderzoeken?
Het Uitvoerend Orgaan in het centrum van het overzicht bestaat uit de projectleider Jos Bosch, de zes onderzoeksleiders en de vertegenwoordigers namens drie patiëntenorganisaties. Dit orgaan houdt zicht op de voortgang van het project en maakt financiële en strategische beslissingen. Namens de ME/cvs Vereniging neemt Markus Sjouke deel.
In de Advisory Board (het advies orgaan) hebben internationale ME/CVS wetenschappers zitting en patiëntvertegenwoordigers die bij de onderzoeksprojecten betrokken zijn. Ongeveer 20 patiëntvertegenwoordigers zijn namens de ME/cvs Vereniging en Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid bij de deelprojecten betrokken.
De Algemene Vergadering bestaat naast het Uitvoerend Orgaan uit veel mensen of organisaties en klinieken die op een of andere wijze bij het NMCB betrokken zijn. Namens het bestuur van de ME/cvs Vereniging neemt Lou Corsius deel. De Algemene Vergadering heeft een controlerende rol.
Zijn de onderzoeken van het NMCB consortium intussen van start gegaan?
De onderzoeken zijn nu aan het starten. Het zal nog wel tot mei duren voordat ze op stoom zijn. We zijn bezig met de sollicitaties voor onderzoekverpleegkundigen. Zij zullen straks de contacten met de patiënten onderhouden. Verder moet je er rekening mee houden dat we werken als een soort olievlek die zich geleidelijk uitbreidt. We beginnen met de patiënten in regio Amsterdam en daarna gaan we verder het land in. We doen regio per regio in de loop van twee en een half jaar. We willen 2000 patiënten en gezonde vrijwilligers laten meedoen.
Wat is de gewenste opbrengst van de onderzoeken in deze eerste ronde? Wat zijn de doelen? Wat is het belang daarvan voor patiënten? Wanneer kunnen we die resultaten verwachten?
We hebben duidelijke doelen. We willen de eigenschappen van de ziekte in beeld brengen, we willen biologische markers vinden. Dat zijn afwijkingen in het lichaam die de ziekte aantonen. We willen kunnen ingrijpen in het verstoorde biologische proces.
De gewenste opbrengst is dat je oplossingen bedenkt waarmee je de diagnose objectiever kan stellen. We willen de ziekte beter begrijpen en we willen de ziekte kunnen behandelen.
We zullen misschien ook verschillen ontdekken binnen de groep patiënten.
De eerste 4 jaar zullen we bezig zijn met deze vragen. In de tweede periode gaan we ons richten op behandelonderzoek. De uitkomsten van de eerste 4 jaar zullen daarvoor de basis zijn.
Voor die behandelonderzoeken zullen we werken in samenhang met buitenlandse onderzoeken.
Voor de stand van zaken van de deelonderzoeken geven we een samenvatting van de presentaties tijdens het symposium
Ruud Raijmakers, vergelijking van ME/CVS met Post-Acute InfectieSyndromen (PAIS) In dit deelproject worden ME/CVS patiënten vergeleken met andere post-acute infectiesyndromen. De verzameling van lichaamsmateriaal van ME/CVS patiënten moet nog beginnen. Er wordt nu gestart met een lymegroep. Uit het Lymeprospect cohort worden degenen die hersteld zijn en degenen die niet herstelden met elkaar vergeleken. Binnen deze groep wordt ook gekeken hoeveel patiënten voldoen aan de diagnostische criteria van ME/CVS.
Niels Eijkelkamp, Energize ME Dit onderzoek richt zich op volwassenen en jongeren (aantal is 160). Recent heeft deze studie geld gekregen om deze groep uit te breiden met jonge patiënten met long covid. Ongeveer de helft daarvan voldoet aan de criteria voor ME/CVS. De onderzoekers willen de stofwisseling van afweercellen van volwassen en adolescente ME/CVS-patiënten in kaart brengen. Er wordt onderzocht hoe deze veranderingen afweercellen beïnvloeden en hoe ze symptomen van ME/CVS veroorzaken. Er wordt ook nagegaan of deze veranderingen worden veroorzaakt door autoantistoffen in ME/CVS-patiënten. Er zal worden vergeleken met buitenlandse bevindingen.
Jeroen den Dunnen, AutonoME De onderzoeker wil gebruik maken van het long covid momentum. Het gaat om het injecteren van autoantilichamen van mensen met ME/CVS in muizen. Eerder onderzoek in long covid heeft laten zien dat er dan bij de dieren ook symptomen ontstaan die op ME/CVS lijken. Hoe veroorzaken de autoantilichamen de ziekteverschijnselen? Is ME/CVS misschien een auto-immuunziekte?
Marjan Versnel, Immunestratify Het doel van dit onderzoek is immuunsignaturen ontdekken. Niet alle ME/CVS patiënten zijn hetzelfde. De onderzoekers willen nagaan of er op grond van immunologische verschillen een onderverdeling te maken is in subgroepen binnen het patiëntenbestand. Zij gaan ook na of er sprake is van trained immunity. Dat wil zeggen dat de afweercellen afwijkend reageren nadat ze in het verleden aan iets zijn blootgesteld dat een ontsteking veroorzaakte. Daardoor reageert het lichaam alsof de bron van de ontsteking, bijvoorbeeld een infectie, nog steeds aanwezig is ook al is de bron van de infectie niet meer in het lichaam te vinden.
Inge Huizinga, Brain Changes Het doel is het hersenweefsel van ME/CVS patiënten op bijzonderheden te onderzoeken. Daartoe wordt ernaar gestreefd 200 hersendonoren te registreren wat in de komende jaren moet leiden tot 50 autopsieën. Deze geregistreerde ME/CVS patiënten worden ook al bij leven onderzocht om een aantal gegevens vooraf vast te leggen. Dit project is in de startfase waarbij de patiënteninformatie momenteel door patiëntvertegenwoordigers wordt bekeken en van opmerkingen voorzien.
Rob Wüst, MuscleME Er wordt onderzoek gedaan naar spierweefsel voor en na inspanning bij patiënten om de oorzaken en gevolgen van PEM vast te stellen. Het gaat om metabole veranderingen (stofwisseling in de cel), vormveranderingen, immunologische veranderingen.
Twee jaar geleden is men gestart met long covid patiënten. Onlangs zijn daar de veelbelovende bevindingen van gepubliceerd. Het onderzoek wordt nu uitgebreid met ME/CVS patiënten. De laatste patiënt is onlangs geïncludeerd.
NB: inactiviteit is niet de oorzaak van de klachten van PEM. Dat blijkt uit vergelijking met een groep niet long covid patiënten die twee maanden inactief waren; deze laten hele andere veranderingen zien op inspanning.
Hoe kunnen patiënten deelnemen aan de onderzoeken? Hoe worden de patiënten geïnformeerd of opgeroepen om deel te nemen?
Rond mei gaan we starten. Dan kunnen patiënten zich via de website opgeven. Dan zullen we de link naar de website ook bekend maken. Ze worden daar gevraagd een korte vragenlijst invullen. Daaruit blijkt bijvoorbeeld of ze zelf kunnen komen of dat ze huisgebonden zijn of in welke regio van Nederland ze wonen.
Het NMCB wil 25% ernstig zieke patiënten betrekken in het onderzoek. Deze patiënten zijn vaak volledig bedlegerig. Hoe kunnen deze patiënten precies gaan deelnemen? Welke maatregelen worden door het NMCB getroffen om dat mogelijk te maken?
We hebben financiering gereserveerd om een bus te huren voor een mobiel laboratorium. Er is een mobiel lab dat kan worden ingezet. We moeten zorgen dat er niet te veel tijd tussen zit tussen afname en verwerking. Belangrijk is dat afgenomen bloed zo snel mogelijk bewerkt wordt. Dat gebeurt met een centrifuge.
We gaan het protocol, de werkwijze, aanscherpen door eerst in het ziekenhuis te werken. Als dat vlekkeloos gaat, dan pas gaan we de wijk in.
Kan aan huis onderzoek naar PEM worden gedaan? Kan ook spierweefsel worden afgenomen thuis?
We moeten hygiënisch werken. Spierweefsel kan het beste in het ziekenhuis worden gedaan. Mogelijk kunnen we mensen met een wensambulance liggend naar het ziekenhuis brengen. We maken ook afspraken met een hotel dat mensen eventueel een nacht kunnen blijven. We doen het zoveel mogelijk op maat. We zullen het meeste onderzoek in de late ochtend moeten doen tot uiterlijk een uur of twee. Daar hebben we weinig invloed op. We weten dat in de ochtend een deel van de patiënten zich juist minder goed voelt.
Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
We hebben een informatieformulier voor patiënten. Daarop geef je aan voor welke doelen de materialen wel of niet beschikbaar gesteld worden. Een voorwaarde van ZonMw is “open access”. Dat wil zeggen dat gegevens voor andere onderzoeken toegankelijk zijn. Maar dat betekent niet dat Jan en alleman toegang krijgt. Er is een commissie bestaande uit patiënten en onderzoekers. Die beoordeelt elke aanvraag van andere onderzoekers voor het gebruik van materialen en gegevens. De commissie kijkt ook of het beoogde onderzoek voldoet aan datgene waarvoor patiënten toestemming hebben gegeven.
Via welke weg worden kinderen/jongeren meegenomen in de biobank? Wie stelt de ME/CVS diagnose, inclusief de ernst daarvan? Om hoeveel patiënten gaat het?
De ME/CVS diagnose wordt gesteld door artsen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. De criteria die worden gebruikt zijn de CDC94-criteria (Fukuda) plus PEM, maar ook andere symptoom-criteria worden vastgesteld. Ik stel voor om een apart interview met Niels Eijkelkamp te organiseren. Hij is de leider van dit deelproject. Dan kunnen we dieper op de vragen ingaan.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1416.png491850Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-04-25 09:48:412024-06-26 12:05:46Interview met dr. Jos Bosch