Hersenscan laat verschillen zien
Hersenscan laat verschillen zien tussen ME/cvs-patiënten
7 juli 2025
Bij een hersenscan zijn verschillen zichtbaar tussen patiënten met ME/cvs. Een onderzoek door Xiang Yu et al uit Australië, gepubliceerd in Nature, vergeleek ME/cvs-patiënten met een geleidelijk begin van de ziekte, ME/cvs-patiënten met een post-infectueus begin van de ziekte en gezonde controles. Zij gebruikten daarvoor een diffusion-MRI.
Dit onderzoek richtte zich op mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), een complexe en invaliderende ziekte die zich kenmerkt door extreme vermoeidheid, post-exertionele malaise (PEM), cognitieve problemen zoals “brainfog”, slaapproblemen en andere lichamelijke klachten.
Ontstaan en symptomen ME/cvs
ME/cvs kan op verschillende manieren ontstaan: bij sommige mensen ontwikkelen de klachten zich plotseling na een infectie (de zogenoemde post-infectieuze vorm , of PI-ME/cvs), terwijl bij anderen de klachten geleidelijk ontstaan zonder duidelijke aanleiding (de geleidelijk beginnende vorm, of GO-ME/cvs).
Hoewel beide vormen van ME/cvs vergelijkbare symptomen hebben, is er al langer het vermoeden dat ze verschillende onderliggende biologische oorzaken hebben.
Hersenscan als onderzoek
Dit onderzoek wilde met behulp van een geavanceerde hersenscan (diffusion-MRI) nagaan of er verschillen zijn in de witte stof van de hersenen tussen deze twee groepen patiënten.
De witte stof bestaat uit zenuwbanen die verschillende hersengebieden met elkaar verbinden en dus essentieel zijn voor een goede communicatie tussen hersendelen. Veranderingen in deze structuur kunnen bijdragen aan vermoeidheid, concentratieproblemen en andere klachten die bij ME/cvs vaak voor komen.
Opzet van het onderzoek
In totaal werden 143 personen onderzocht: 43 patiënten met PI-ME/cvs, 33 patiënten met GO-ME/cvs, en een bijpassende groep gezonde controles, die allemaal een overwegend zittende levensstijl hadden. Die laatste groep werd bewust gekozen om verschillen door bijvoorbeeld sport of beweging uit te sluiten. De ME/cvs-patiënten voldeden aan de Canadese Consensus Criteria.
De onderzoekers gebruikten een hersenscan met een techniek genaamd diffusion-MRI. Die meet hoe water zich verplaatst in de hersenen, wat informatie geeft over de gezondheid en structuur van zenuwbanen.
Belangrijkste bevindingen bij PI-ME/cvs
De onderzoekers ontdekten door de hersenscan dat mensen met PI-ME/cvs opvallend hogere waarden hadden van wat men “axiale diffusiviteit” (AD) noemt.
Dat is een maat voor hoe gemakkelijk water zich langs zenuwbanen in de hersenen kan verplaatsen, wat iets zegt over de gezondheid van die zenuwbanen. Deze verhoogde AD-waarden werden vooral gezien in banen die betrokken zijn bij motoriek en emotionele verwerking.
Bovendien bleek dat hoe slechter de lichamelijke gezondheid van de patiënt was, hoe groter deze afwijkingen in de hersenen waren.
Bij mensen die korter ziek waren, waren de afwijkingen op de hersenscan sterker aanwezig, wat suggereert dat er in de eerste fase mogelijk sprake is van ontstekingen in de hersenen die later wat afnemen.
Belangrijkste bevindingen bij GO-ME/cvs
In tegenstelling tot de PI-ME/cvs-groep, vertoonden mensen met GO-ME/cvs juist lagere AD-waarden, met name in de hersenbalk (corpus callosum), het gebied dat de twee hersenhelften met elkaar verbindt. Deze afwijkingen gingen samen met slechtere scores op het gebied van mentale gezondheid.
De onderzoekers denken dat dit kan wijzen op een ander ziekteproces dan bij PI-ME/cvs, bijvoorbeeld een langzaam voortschrijdend verlies van zenuwvezels of verstoringen in energiehuishouding van de hersenen.
Dit sluit aan bij eerdere vermoedens dat bij GO-ME/cvs factoren zoals langdurige stress, mitochondriale problemen of verminderde doorbloeding een rol kunnen spelen.
Wat viel er nog meer op?
Opvallend genoeg zagen de onderzoekers alleen afwijkingen in één specifieke MRI-meting, terwijl andere metingen die iets zeggen over de structuur en dichtheid van de hersenverbindingen geen verschil lieten zien tussen patiënten en gezonde mensen.
De onderzoekers denken dat hun strengere methodologie en nauwkeurige beeldverwerking een betrouwbaarder beeld geven dan sommige eerdere studies.
Belangrijk is dat uit dit onderzoek blijkt dat traditionele vragenlijsten en symptoomscores, zoals die vaak in de kliniek worden gebruikt, geen verschil kunnen maken tussen de twee vormen van ME/cvs.
De afwijkingen in de hersenen zijn dus subtiel en alleen zichtbaar met geavanceerde beeldvorming. Dit onderstreept dat de huidige manier van diagnosticeren mogelijk onvoldoende is en dat er behoefte is aan nieuwe, gevoelige meetmethoden.
Mogelijke gevolgen voor behandeling
De uitkomsten van dit onderzoek (met deze specifieke hersenscan) wijzen erop dat PI-ME/cvsen GO-ME/cvs niet alleen klinisch, maar ook biologisch van elkaar verschillen.
Dat heeft belangrijke implicaties voor de behandeling: mensen met PI-ME/cvs zouden mogelijk baat hebben bij therapieën die zich richten op het immuunsysteem en het verminderen van ontstekingen, terwijl mensen met GO-ME/cvs wellicht meer geholpen zijn met behandelingen die zich richten op neuroprotectie, energievoorziening of cognitieve ondersteuning.
Beperkingen van het onderzoek
Tot slot erkennen de onderzoekers dat hun studie beperkingen kent.
Zo waren de patiëntengroepen relatief klein, werd er geen bloedonderzoek gedaan om de MRI-bevindingen aan andere biologische markers te koppelen, en konden ze door het beperkte aantal deelnemers geen onderscheid maken naar ernst van de ziekte binnen de subgroepen.
Toch leveren deze resultaten een belangrijke bijdrage aan ons begrip van ME/cvsen vormen ze een eerste stap naar een meer op maat gemaakte benadering van deze ziekte.
Bron: https://www.nature.com/articles/s41598-025-09379-z?s=09











