Tag Archief van: brainfog

Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn

Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum

Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).

ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties

Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.

Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!

Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l

Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)

Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn

Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.

Sessie 2: Diagnose I

Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland

De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.

Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)

De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.

Sessie 3: Diagnose II

Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn

De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.

Prof. Carsten Finke | Charité

De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.

Dr. Christian Veauthier | Charité

Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.

Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)

Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.

Wetenschappelijke posterpresentaties

Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland

Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.

Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland

De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.

Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk

In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.

Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen

Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.

Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland

In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland

Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.

Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland

In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.

Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland

Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.

Sessie 4: ME/cvs begrijpen I

Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)

De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen

Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.

Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.

Prof. Martina Seifert | Charité

De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.

Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena

De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.

Sessie 5: ME/cvs en PCS II

Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)

De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.

Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)

Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.

Sessie 6: ME/cvs begrijpen II

Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn

In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)

Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).

Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)

De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.

Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg

De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.

Sessie 7: Behandeling I

Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)

Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.

Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen

Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.

Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen

De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.

Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen

Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.

Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg

De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.

Sessie 8: Behandeling II

Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)

Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.

(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg

Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.

Dr. Elisa Stein | Charité

Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.

Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken

De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.

Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt

In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.

Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.

* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:

IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.

Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/

NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,

Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/

MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/

© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.

Structurele veranderingen in hersenen bij ME/cvs

Hoogtepunten

  • Er werden veranderingen vastgesteld in de hippocampus van de hersenen van ME/cvs-patiënten
  • Deze veranderingen werden geassocieerd met vermoeidheid, pijn en fysieke functie
  • Ze waren groter bij patiënten die geïdentificeerd werden aan de hand van de ICC-criteria dan van de Fukuda-criteria

Achtergrond

Een recente paper van onderzoekers van de Griffith University in Queensland, Australië, suggereert dat sommige symptomen van ME/cvs zoals vermoeidheid, pijn en slaapstoornissen gelinkt kunnen worden aan structurele veranderingen in een deel van de hersenen, de hippocampus.

Onder de onderzoekers bevindt zich Dr. Leighton Barnden die momenteel ook de disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs onderzoekt als onderdeel van een studie gefinancierd door ME Research UK.

De hippocampus is een complexe structuur diep in de temporale kwab van de hersenen, en is betrokken bij cognitie, geheugen en regulering van de hypothalamus (die de autonome zenuwfunctie controleert).

De Australische studie omvatte 25 mensen met ME/cvs die alleen voldeden aan de diagnostische criteria van Fukuda, 18 ME/cvs-patiënten die voldeden aan de strengere Internationale Consensus Criteria (ICC), en 25 gezonde controlepersonen.

Wat hebben ze gevonden?

Gebruikmakend van beeldvorming met magnetische resonantie (MRI) om de structuur van de hersenen te onderzoeken, ontdekten de onderzoekers dat de volumes van specifieke gebieden van de hippocampus groter waren bij ME/cvs-patiënten die voldeden aan de ICC-criteria dan bij gezonde controles. Dit was niet het geval bij patiënten die alleen voldeden aan de Fukuda-criteria.

Het team keek ook naar verbanden tussen deze volumeveranderingen en de symptomen van ME/cvs. Er was een gemengd beeld, waarbij toe- of afnames in de omvang van verschillende gebieden van de hippocampus geassocieerd werden met vermoeidheid, pijn, slaapstoornissen of fysiek functioneren.

Hoewel deze associaties werden gevonden in beide groepen van patiënten, waren ze sterker bij wie voldeed aan de ICC-criteria voor ME/cvs.

Wat betekent dit?

In het algemeen suggereren de onderzoekers dat hun bevindingen de betrokkenheid van de hippocampus bevestigen bij sommige van de symptomen van ME/cvs-patiënten die voldoen aan de ICC-criteria, waaronder ‘hersenmist’, geheugenproblemen en het vermogen om complexe taken uit te voeren.

De hippocampus is een kwetsbare structuur die op verschillende manieren kan worden beschadigd, en veranderingen in hippocampusnetwerken werden gerapporteerd bij aandoeningen zoals chronische stress, de ziekte van Cushing, dementie en de ziekte van Alzheimer.

De Queensland-groep suggereert dat de toename die zij in de hippocampus hebben waargenomen, te wijten kan zijn aan het feit dat de hersenen zich aanpassen aan veranderingen in de hersenstam (wat zij in een eerdere studie hebben gerapporteerd), om de communicatie tussen deze twee gebieden van de hersenen in stand te houden.

De studie was relatief klein qua aantal patiënten, wat vaak het geval is met een dure techniek als MRI. De studie moet dus op grotere schaal worden herhaald om de bevindingen te bevestigen.

De studie draagt echter wel bij tot onze groeiende erkenning van de invloed van ME/cvs op de hersenen, en tekent ME/cvs af als een afzonderlijke neurologische ziekte. Het roept ook vragen op over welke types van patiënten worden vastgesteld door verschillende diagnostische criteria.

Als deze resultaten kunnen worden bevestigd door grotere studies, zien we misschien MRI-scans gebruikt worden om ME/cvs op te sporen, en artsen in staat om behandeling aan te bieden met bestaande of nieuwe geneesmiddelen.

Bron: https://www.meresearch.org.uk/structural-changes-in-the-brain/
© ME Research UK, 30 juni 2022.
Vertaling ME-gids.

Brainfog deel 2: Cognitief functioneren en ME/cvs

Lees hier deel 1, waarin het cognitief functioneren en de betrokken hersengebieden worden geïntroduceerd.

Cognitieve disfunctie kan één van de meest verontrustende symptomen zijn voor mensen met ME/cvs.

Dit omvat:

  • afname van het werkgeheugen
  • afname van aandacht
  • het vermogen om fouten op te sporen
  • organisatorische vaardigheden
  • probleemoplossing
  • verbale vloeiendheid
  • redeneren

Inleiding

Er zijn een aantal tests en technieken die worden gebruikt om de hersenstructuur en -functie te beoordelen, en sommige hiervan werden in een vorig artikel besproken.

Er is duidelijk cognitieve disfunctie bij ME/cvs, en een meta-analyse uit 2010 onthulde significante verschillen in informatieverwerking, werkgeheugen en aandacht bij mensen met ME/cvs in vergelijking met gezonde controlepersonen.

Echter, in tegenstelling tot plaatselijk letsel (zoals bij een beroerte), is bij ME/cvs geen enkel hersengebied bij iedereen verstoord. Schade en veranderingen die leiden tot cognitieve disfunctie kunnen niet alleen betrekking hebben op de grijze stof, waar neuronale cellichamen zitten, maar ook op de witte stof, waar axonen signalen verzenden tussen verschillende hersengebieden.

Naast neuronale structurele veranderingen kunnen er ook problemen ontstaan ​​door functieveranderingen. Verder kunnen afwijkingen betrekking hebben op problemen in hersengebieden die direct betrokken zijn bij cognitie en/of andere hersengebieden, die deze beïnvloeden via de onderlinge verbindingen (zoals besproken in deel 1).

In dit artikel kijken we naar enkele van de vele hersenstudies die zijn uitgevoerd bij mensen met ME/cvs, waarbij we ons concentreren op die onderzoeken die hersengebieden hebben onderzocht, die direct betrokken zijn bij het cognitief functioneren:

  • de anterieure cingulate cortex (ACC)
  • de dorsolaterale prefrontale cortex (dlPFC)
  • de laterale orbitofrontale cortex (lOFC)

Struktuur van de hersenen

  • Om te beginnen toonde een studie, die onderzocht hoe de hersenstructuur verandert bij mensen met ME/cvs, een significante vermindering van het volume van de grijze stof in al deze frontale kwabgebieden.
  • Deze studie toonde ook  een correlatie aan tussen hoeveel dit was verminderd en de mate waarin patiënten in staat waren taken uit te voeren. Verminderingen van het volume in de dlPFC (die betrokken is bij het oplossen van problemen, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit) waren significant gecorreleerd met vermoeidheidsscores.
  • Een andere studie onderzocht de microstructuur van hersenweefsel en hoe de kleine uitsteeksels van neuronen, dendrieten en neurieten genaamd, waren gerangschikt en verspreid (stel je een tarweveld voor dat rechtop zou moeten staan, maar wordt platgedrukt en/of in delen gemaaid). Deze studie vond structurele afnames in de ACC, die betrokken is bij cognitieve processen zoals aandacht, cognitieve flexibiliteit en emotionele regulatie, samen met andere delen van de frontale en pariëtale lobben.
  • De auteurs suggereerden dat hun bevindingen wijzen op krimp van neuronen en van de dichtheid van axonen en de myeline-omhulling die helpt bij het overbrengen van celsignalen.
  • Ze vonden ook veranderingen in het aantal en het patroon van neurieten in andere gebieden van de cingulate, temporale en occipitale lobben, wat wijst op een afname van de neuronale functie omdat ze minder goed in staat zijn om naburige celsignalen op te pikken.
  • Ook werden in deze studie afnames getoond in de superieure longitudinale fasciculus-route, een grote bundel axonen van veel neuronen, die signalen van de frontale kwab naar andere delen van de cortex brengt, die betrokken zijn bij veel cognitieve processen, waaronder emotionele verwerking, aandacht en geheugen .

Metabolische en chemische veranderingen

Studies hebben ook metabolische en chemische veranderingen onderzocht in de hersengebieden die betrokken zijn bij het cognitief functioneren.

  • Eén studie onderzocht het molecuul acetylcarnitine (waarvan wordt gedacht dat het betrokken is bij de productie en het gebruik van hersenenergie) en bestudeerde ook om de bloedstroom (wat een marker is voor hersenactivatie). Analyse toonde een afname van beide factoren in de ACC, wat een weerspiegeling zou kunnen zijn van een verstoring in signalen die door de neurotransmitter glutamaat worden overgebracht.
  • Een andere studie vond een afname van een serotoninetransporter in de ACC (het mechanisme dat serotonine helpt om te worden gerecycled door een neuron, zodat het beschikbaar is om een ​​signaal door te geven), wat ook de cognitieve verwerking kan beïnvloeden.

Elektrische activiteit

Een andere manier om te kijken naar hoe de hersenen werken, is door elektrische activiteit en connectiviteit binnen en tussen hersengebieden te beoordelen.

  • Een studie waarbij gebruik werd gemaakt van elektro-encefalografie (EEG) vond bij mensen met ME/cvs een tekort aan neuronale activiteit in verschillende hersengebieden. Deze gebieden omvatten de cingulate, pariëtale en occipitale lobben, die worden geassocieerd met aandacht, geheugen, concentratie en informatieverwerking.
  • De studie vond ook verminderde connectiviteit in cognitieve netwerken die betrokken zijn bij gerichte aandacht, interpreteren van input, doelgericht gedrag en werkgeheugen, waaronder in onze drie belangrijkste gebieden – de ACC, dlPFC en OFC.
  • In een ander onderzoek werd abnormale functionele connectiviteit gevonden zowel lokaal, binnen de ACC, als tussen dit gebied en de rechter insula, een deel van de hersenschors dat betrokken is bij perceptie, cognitief functioneren, emotie en bewustzijn. De auteurs suggereerden dat deze verminderde connectiviteit geassocieerd zou kunnen zijn met neuropsychologische tekorten.
  • De connectiviteit was ook verminderd tussen de ACC en de hippocampus, een gebied dat betrokken is bij het geheugen, en tussen de hippocampus en andere delen van de frontale kwab, waaronder de dlPFC en OFC, waarvan de laatste betrokken is bij cognitieve initiatie, probleemoplossing, interferentiecontrole en Sensorische integratie.
  • Een verdere studie toonde abnormale functionele connectiviteit aan tussen gebieden binnen de cingulate cortex, die, zo veronderstelden ze, “kunnen resulteren in tekorten aan cognitie en emotie” bij mensen met ME/cvs.

Ondersteuning en immuuncellen

Zelfs als neuronen structureel en functioneel gezond zijn, kunnen ze worden beïnvloed door wat er gebeurt in de ‘ondersteunende’ cellen van de hersenen, astrocyten en cellen van het immuunsysteem (de microglia).

Activatie van deze cellen wordt in verband gebracht met inflammatie in de hersenen, zoals werd gevonden in een onderzoek bij mensen met ME/cvs, waar inflammatie correleerde met de ernst van cognitieve stoornissen, evenals met vermoeidheid en pijn. Specifieke getroffen regio’s waren de ACC en andere regio’s die betrokken zijn bij het corticale functioneren, zoals de thalamus, hippocampus, middenhersenen en pons.

De auteurs stelden dat de neuro-inflammatie die ze vonden mogelijk te wijten is aan het feit dat neuronen zichzelf moeten ‘overbelasten’ om verlies van functie te compenseren.

Inderdaad, een ander onderzoek dat mentale vermoeidheid tijdens cognitieve taken onderzocht, vond dat de scores significant voorspellend waren voor verhoogde hersenactiviteit in regio’s, waaronder verschillende gebieden van de cingulate cortex, evenals regio’s in de frontale, temporale en pariëtale lobben, en subcorticale gebieden zoals de kleine hersenen en hippocampus.

Deze auteurs concludeerden dat hun resultaten “suggereren dat acute mentale vermoeidheid wijdverbreide effecten heeft op aandacht, werkgeheugen en executieve controleprocessen en het is aannemelijk dat gevoelens van vermoeidheid van invloed kunnen zijn op het vermogen van een persoon om efficiënt aandacht te besteden aan informatie, informatie op te slaan, te manipuleren en terug te halen uit het geheugen”.

Dit zijn allemaal omstandigheden waar mensen met ME/CVS veel mee te maken kunnen hebben.

Conclusie

Hoewel dit slechts enkele van de onderzoeken zijn naar cognitieve disfunctie bij ME/cvs, laat deze momentopname zien dat wat mensen ervaren onder de vlag van ‘brainfog’ geassocieerd kan worden met:

  • daadwerkelijke veranderingen in de structuur van de hersenen,
  • disfunctie van neuronen, en
  • activering van ondersteunende en immuunsysteemcellen in de hersenen.

Bron: https://www.meresearch.org.uk/brain-fog-2/
Een artikel van ME Research UK, 11 November 2021
Geschreven door Dr. Eleanor Roberts
Vertaling ME/cvs Vereniging

Cognitief functioneren neemt af na OI

Cognitieve symptomen bij ME/cvs

De problemen met geheugen en concentratie worden door ME/cvs patiënten beschreven als:

  • brainfog,
  • verwarring,
  • desoriëntatie,
  • moeite met concentreren,
  • zich niet kunnen focussen,
  • moeite met verwerken van informatie,
  • moeite om te multitasken,
  • een slechter functionerend korte termijn geheugen.

In ernstiger gevallen hebben patiënten moeite om taken te doen die volgehouden aandacht vereisen en rapporteren problemen met het uitvoeren van zelfs relatief simpele activiteiten, zoals tv kijken.

De hypothese van de onderzoekers in deze studie is dat cognitieve achteruitgang bij ME/cvs patiënten aanwezig is na orthostatische stress veroorzaakt door de kanteltafeltest.

Orthostatische intolerantie

Orthostatische Intolerantie (OI) is een klinische aandoening. Hierbij verslechteren de symptomen bij het (gaan) zitten of staan. De symptomen verbeteren weer, hoewel ze niet hoeven te verdwijnen, door te gaan liggen. Het wordt gekenmerkt door de volgende symptomen:

  • Cerebrale hypoperfusie: hierbij is de bloedstroom naar de hersenen verminderd wat leidt tot een licht gevoel in het hoofd, (bijna) flauwvallen, verminderde concentratie, hoofdpijn en een (minder) scherp zicht.
  • Sympathische zenuwstelsel activatie: dit leidt tot krachtige hartslagen, hartkloppingen, trillingen en pijn op de borst.
  • Andere veel voorkomende tekenen van OI zijn vermoeidheid, een gevoel van zwakte, intolerantie voor lichte inspanning, misselijkheid, buikpijn, een bleek gezicht, zenuwachtigheid en kortademigheid.

Het onderzoek

385 ME/cvs patiënten bij wie ook OI werd vermoed, werden onderzocht. Na toepassen van de uitsluitingscriteria bleven hiervan 128 personen over. 84% hiervan rapporteerde tijdens de anamnese geheugen en concentratieproblemen.

Deelnemers voldeden aan de criteria voor deze studie als ze o.a.:

  • tussen november 2015 en juni 2018 werden onderzocht,
  • voldeden aan de criteria voor ME/cvs (zowel Fukuda 1994 als ICC 2011, waarbij de uitsluitingscriteria werden toegepast),
  • een kanteltafeltest ondergingen i.v.m. klinische verdenking op OI
  • diagnose OI kregen volgens de IOM criteria,
  • de volledige visuele 2- en 3-back tests hadden voltooid.

De scores op cognitieve testen werden slechter naarmate de hellingshoek van de kanteltafel groter werd en hoe ingewikkelder de cognitieve test was.

Het doel van deze studie was te bepalen of cognitieve beperkingen blijven aanhouden nádat de kanteltafeltest is voltooid.

Cognitieve disfunctie maakt onderdeel uit van de post-exertionele malaise (PEM). Het begin van PEM wordt op verschillende manieren gerapporteerd in de literatuur, van onmiddellijk na de stressor tot dagen nadien. Daarom onderzochten de onderzoekers cognitieve achteruitgang onmiddellijk ná de kanteltafeltest.

Methodes

2- en 3- back tests
In deze studie werden ME/cvs patiënten met orthostatische symptomen getest door middel van een cognitieve 2- en 3- back test, die zij vóór en binnen 5 minuten ná de kanteltafeltest online moesten invullen.

Patiënten moesten klikken wanneer het plaatje in het scherm overeenkwam met iets dat zij twee of drie plaatjes geleden hadden gezien. Het percentage correcte antwoorden en de reactietijden voor en na de kanteltafeltest voor zowel de 2- als de 3-back testen werd geregistreerd.

30 minuten kanteltafeltest
De 30 minuten kanteltafeltest houdt in dat patiënten eerst 15 minuten liggen, waarna de kanteltafel voorzichtig wordt gekanteld tot een hoek van 70 graden. Zij blijven dan 30 minuten in deze hellingshoek staan. De test eindigt na 30 minuten, of op verzoek van de patiënt of bij (bijna) flauwvallen. De hartslag en de bloeddruk (onderdruk en bovendruk) worden voortdurend gemeten, evenals de hoeveelheid koolstofdioxide via de neus.

Resultaten

Bij de patiënten met orthostatische symptomen nam het percentage juiste antwoorden op de 2-backtest na de kanteltafeltest af van 77 (18) tot 62 (21) en van de 3-terugtest van 57 (17) naar 41 (17), beide p < 0.0001).

De percentages correcte antwoorden werden lager en de reactietijd nam toe ná de kanteltafeltest. Het maakte hierbij geen verschil of iemand ernstiger of minder ernstig ziek was. Het maakte ook geen verschil of er naast ME/cvs sprake was van fibromyalgie.

Bij volwassenen met ME/cvs volgt achteruitgang van cognitief functioneren op orthostatische stress testen (kanteltafeltesten). Deze achteruitgang van cognitief functioneren trad onafhankelijk op van de veranderingen in bloeddruk en hartslag tijdens de kanteltafeltest.

Er waren geen verschillen qua percentages goede antwoorden en reactietijd tussen ME/cvs patiënten zonder afwijkingen in hartslag en bloeddruk en ME/cvs patiënten met POTS of OH. De cognitieve afwijkingen bij ME/cvs zijn dus niet beperkt tot de patiënten die ook POTS / OH hebben.

Discussie

Eerder stelden de onderzoekers al vast dat ME/cvs patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk op een 30 minuten kanteltafeltest tóch een significante afname hebben van hersenbloedstroom.

Het werkgeheugen bij volwassenen met ME/cvs blijft beperkt ná een 30 minuten kanteltafeltest. Deze achteruitgang van het werkgeheugen kan verklaard worden door een afname in hersenbloedstroom tijdens de kanteltafeltest, ondanks veranderingen in bloeddruk en hartslag.

Postexertionele malaise (PEM) is een verergering van sommige of alle ME/cvs symptomen. PEM treedt op na fysieke of cognitieve inspanning en leidt tot een afname in functionele mogelijkheden. De resultaten van deze studie suggereren dat PEM onmiddellijk na het voltooien van de orthostatische stresstest begint.

Dit was een samenvatting van opnieuw een studie van Linda van Campen, Peter Rowe, Freek Verheugt en Frans Visser, gepubliceerd in Autonomic Neuroscience. Het volledige (Engelstalige) artikel vind je hier.