Jarred Younger toont in nieuw onderzoek met PET-scans aan dat bij mensen met ME/cvs de hersenen ontstoken zijn. En niet maar één klein stukje van de hersenen, maar de ontstekingen zijn door de hele hersenen zichtbaar.
Wie is Jarred Younger en wat heeft hij onderzocht?
Jarred Younger, een Amerikaanse neuro-wetenschapper, is gespecialiseerd in pijn, vermoeidheid en ontsteking in de hersenen. Hij houdt zich al meer dan tien jaar bezig met de vraag of neuro-inflammatie een hoofdrol speelt bij ME/cvs.
Zijn hypothese is dat bepaalde hersencellen, de microglia, bij deze patiënten overdreven sterk reageren op prikkels en dat zij ontstekingsstoffen blijven produceren, zelfs zonder duidelijke aanleiding.
Waarom is dit belangrijk?
Dit zou kunnen verklaren waarom ME/cvs-patiënten kampen met aanhoudende vermoeidheid, pijn, prikkelgevoeligheid en cognitieve problemen. Tot nu toe waren de wetenschappelijke bewijzen hiervoor schaars en soms tegenstrijdig.
Eerdere PET-scans, de gouden standaard om microglia-activatie in beeld te brengen, gaven verschillende uitkomsten: één studie vond wijdverspreide ontsteking, een andere vond hier geen aanwijzingen voor.
Wat kwam er uit het onderzoek?
Younger gebruikte nu een nieuwe, nauwkeurigere radioactieve tracer en ontdekte overtuigend bewijs voor uitgebreide ontstekingen in de hersenen van ME/cvs-patiënten.
De ontstekingen waren verspreid door het hele brein: voorin, achterin, in diepe kernen en in gebieden die cruciaal zijn voor emotie, motivatie, geheugen en het verwerken van lichamelijke signalen.
Vooral de aanwezigheid van bilaterale ontsteking – aan beide hersenhelften – is belangrijk, omdat dan geen “gezonde” kant beschikbaar is om functies over te nemen.
Belangrijkste ontstoken gebieden
Insula: verstoort het voelen en interpreteren van signalen uit het lichaam (interoceptie), beïnvloedt emoties en regelt het autonome zenuwstelsel. Ontsteking hier kan op zichzelf al veel ME/cvs-klachten veroorzaken, zoals vermoeidheid, hartslag- en bloeddrukschommelingen, slaapstoornissen en overgevoeligheid voor prikkels.
Precuneus: samen met de insula betrokken bij aandacht, concentratie en zelfbewustzijn. Ontsteking kan ervoor zorgen dat negatieve lichamelijke gewaarwordingen constant op de voorgrond blijven en afleiden van andere taken.
Parahippocampus: speelt een rol bij geheugen en vermoeidheidsbeleving, en is gekoppeld aan het emotionele systeem, wat gevoelens van angst en malaise kan versterken.
Mediale orbitofrontale cortex: beïnvloedt motivatie en het gevoel van beloning. Ontsteking maakt dat activiteiten minder plezier geven en sneller als zwaar worden ervaren.
Slaapkwab (temporale kwab): kan bijdragen aan prikkelgevoeligheid, stemmingswisselingen, gehoorstoornissen en hoofdpijn.
Ook eenzijdige (unilaterale) ontstekingen:
Amygdala: versterkt angst en verhoogde waakzaamheid.
Posterior cingulate: stimuleert piekeren en herhalende gedachten.
Linker hippocampus: belangrijk voor geheugen en leerprocessen.
Linker thalamus: centrale doorgang voor bijna alle zintuiglijke signalen. Ontsteking hier kan op zichzelf veel symptomen veroorzaken.
Het totale beeld lijkt op een brein dat blijft hangen in een aanhoudende herstelmodus.
Normaal gesproken schakelt het brein bij ziekte over op een energiebesparende toestand: vermoeidheid, verminderde motivatie en de behoefte aan rust helpen het lichaam om te herstellen.
Bij ME/cvs lijkt deze biologische herstelreactie niet uitgeschakeld te worden, zelfs lang nadat de oorspronkelijke infectie verdwenen is. Het is alsof het centrale zenuwstelsel blijft reageren alsof er nog steeds herstel nodig is.
Gevolgen van een ontstoken brein kunnen zijn:
Aanhoudende vermoeidheid en pijn
Verminderde motivatie en beloningsgevoel
Overmatige waakzaamheid en angst
Slecht geheugen en verminderde concentratie
Slechte slaap
Overgevoeligheid voor prikkels
Younger ziet ook een duidelijke link met de energieproblemen in het lichaam.
Ontstekingen in de hersenen kunnen via het autonome zenuwstelsel, de hormoonhuishouding en stofwisselingsprocessen de mitochondria (energiefabriekjes van cellen) in spieren en de immuuncellen minder efficiënt laten werken. Dat past bij de extreme uitputting die ME/cvs-patiënten ervaren.
Oorzaak
De exacte oorzaak van de hersenontstekingen is nog onduidelijk, maar ontstekingssignalen uit het lichaam lijken een logische boosdoener.
Younger noemt verschillende mogelijke behandelopties, zoals ontstekingsremmende medicijnen en supplementen, zenuwstimulatie (bijvoorbeeld tFUS-ultrasound) en methoden om het stress- en waakzaamheidssysteem van het brein te kalmeren.
Zijn boodschap is helder:
‘We moeten hersenontstekingen verminderen als we ME/cvs willen verbeteren’
Hij werkt op dit moment aan meerdere onderzoeken en hoopt binnenkort meer nieuws te hebben over klinische trials die zich specifiek richten op het verminderen van neuro-inflammatie.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2025/08/Nieuws-Younger-Ontstekingen-in-de-hersenen-gevonden-bij-MEcvs.jpg9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2025-08-11 13:07:322025-08-22 15:29:24Younger: Ontstekingen in hersenen gevonden
Datum interview met Prof. dr. Inge Huitinga: 15 maart 2024
Professor dr. Huitinga is directeur van de Nederlandse Hersenbank en zij leidt daarnaast ook een neuro-immunologische onderzoeksgroep in het Nederlands Herseninstituut in Amsterdam. Zij geeft leiding aan het onderzoeksproject Brain Changes in ME/CFS.
1. Kun je iets vertellen over jezelf?
Ik heb biologie gestudeerd. Tijdens mijn studie heb ik mij gericht op zowel de neurobiologie als de immunologie. Ik ben daarom neuro-immunoloog en combineer onderzoek binnen beide velden.
Mijn promotieonderzoek was gericht op de vraag hoe het zit met de immunologische afweer in het brein tijdens multiple sclerosis (MS), en auto-immuun encefalomyelitis, d.w.z. een hersenziekte waarbij ontstekingen in het brein een belangrijke rol spelen (Toelichting: encefalomyelitis is een ontsteking van de hersenen en het ruggenmerg. Auto-immuun betekent afweer tegen eigen lichaamscellen). Afweer in het brein is dus mijn deskundigheid.
Empirisch onderzoek en (d.m.v. proeven) toetsbare wetten vind ik belangrijk: ‘meten is weten’. Ik ben een tijd met MS onderzoek bezig geweest, heb ook een tijd in Oxford gewerkt maar wilde terug naar Nederland.
2. Wat is je binding met ME/cvs?
Al in de vroege jaren ‘90 was ik geïnteresseerd in ME/cvs, terwijl ik werkte aan MS, maar er was toen nog erg weinig over bekend. ME betekent myalgische encefalomyelitis en zou daarom overeenkomsten met MS kunnen hebben.
Als neuro-immunoloog ben ik per definitie geïnteresseerd in ontstekingen in de hersenen. Maar er was geen proefdiermodel voor ME en er waren geen hersenen van mensen met ME beschikbaar. Er waren wel ontstekingswaarden in het bloed te meten maar op de MRI was niets te zien.
Dat beperkte toen de mogelijkheden voor mij om nader onderzoek naar ME/cvs te doen. In de loop van de tijd hebben we wel aanmeldingen van ME-patiënten als hersendonor bij de Hersenbank gekregen. Die mensen waren gedreven om aan hersenonderzoek bij te dragen.
Het was toen nog onduidelijk onder welke diagnose ze moesten worden ondergebracht. Vanwege de neurologische symptomen is het waarschijnlijk dat er in de hersenen iets fout gaat. Of dat de oorzaak of een gevolg is, bijvoorbeeld van veranderingen in het afweersysteem, moet nog blijken.
We hebben al hersenen van 6 ME/cvs hersendonoren die we in detail gaan onderzoeken. Daarbij hebben we 90 symptomen van 3000 hersendonoren in kaart gebracht in de zgn. Netherlands Neurogenomic Database (NND). Die symptomen kunnen in relatie met afwijkingen in de hersenen nu nader worden onderzocht.
In de NND kunnen we bijvoorbeeld vermoeidheid en ook andere symptomen van ME zoeken en dan relateren aan veranderingen in het hersenweefsel. Zo kunnen we achterhalen of en wat er mis gaat in de hersenen bij ME.
3. Hoe ben je betrokken geraakt bij of wat heeft je interesse gewekt voor biomedisch onderzoek naar ME/cvs
Jörg Hamann is het hoofd van de AMC Biobank. Hij stelde voor te reageren op de onderzoeksoproep van ZonMw naar ME/cvs. Er werden al veel weefsels verzameld maar nog geen hersenen. Dat is wat we willen gaan doen, als hersenonderzoeker en neuro-immunoloog zouden we dan ME/cvs hersenonderzoek kunnen gaan doen.
Als Hersenbank kunnen we door een nieuw hersendonorprogramma rond ME/cvs, hersenonderzoek naar deze ziekte zelfs wereldwijd mogelijk maken. Voor mij is een belangrijke vraag of er daadwerkelijk een encefalomyelitis gaande is in mensen met ME/cvs, zoals de naam suggereert.
Dat zou betekenen dat er mogelijk een ontsteking is van de hersenen en het ruggenmerg, waar dan misschien met medicatie wat aan te doen zou kunnen zijn. Dat wil ik graag onderzoeken.
Samen met Paul Lucassen, die de plasticiteit van het brein onderzoekt aan de Universiteit van Amsterdam, en Jörg Hamann, vormen we een mooi onderzoeksteam waarin veel ervaring en deskundigheid aanwezig is.
Bij de WHO is ME/cvs nu ondergebracht bij postvirale neurologische ziekten zoals Longcovid en Q-koorts. We hebben biomarkers nodig om de diagnose ME betrouwbaar te kunnen stellen.
Om biomarkers te vinden moet je ook eerst weten welke moleculaire en cellulaire veranderingen in ME/cvs aan de orde zijn.
In het brein zouden we wellicht specifieke veranderingen bij ME/cvs kunnen vinden. We hebben nu het hersenweefsel en nieuw ontwikkelde technieken zijn er nu ook gevoelig genoeg voor, zodat we per cel kunnen vaststellen wat er verandert bij ME/cvs.
Om zeker te weten dat veranderingen door ME/cvs komen, is een homogene groep nodig (een groep met zeer veel overeenkomsten). Anders ga je geen kenmerkende verschillen vinden.
Dus we moeten goed naar de diagnose ME/cvs kijken en ook veranderingen per symptoom bekijken. Aan de andere kant kunnen die verschillen ook wel weer helpen als je heel grote afwijkingen van het gemiddelde vindt.
4. Wat voor beeld heb jij van ME/cvs? Heeft het traject tot nu toe invloed gehad op je inzichten?
Ik verwacht dat de afweerrespons verstoord is. Dat is geen hersenziekte (waarbij de ziekte begint in het brein zoals de ziekte van Alzheimer of Parkinson) maar een immuunziekte die verstoringen in de hersenen veroorzaakt.
Bij ME/cvs verwachten wij veranderingen te vinden op het gebied van afweer in de hersenen. Ik vind het ook een beetje een erezaak om dat uit te zoeken als neuro-immunoloog.
5. Wat houdt jouw onderzoek in? Waar richt het zich op?
Het project bestaat uit twee afzonderlijke delen. We starten ten eerste een hersendonorprogramma op. Dat betekent dat we mensen met ME/cvs en gezonde controles vragen om na overlijden hun hersenen via de hersenbank ter beschikking te stellen voor onderzoek.
Er wordt naar gestreefd 200 hersendonoren te registreren. We verwachten 50 autopsies te kunnen doen. Dat is veel om in de loop van vier jaar (de looptijd van de subsidie) te bereiken. Dat hersenweefsel wordt door de Nederlandse Hersenbank vervolgens uitgegeven voor wereldwijd onderzoek naar ME zodat ook andere groepen hier onderzoek naar kunnen doen.
Naast het hersendonorprogramma willen we zelf ook onderzoek doen op het hersenweefsel van mensen met ME of symptomen van ME/cvs patiënten. Dat is deel twee van het onderzoek.
6. Hoe wordt de doelgroep bepaald?
Iedereen die de diagnose ME bij leven kreeg, wordt ingedeeld in de grote groep ME. Het is aan de onderzoekers die een aanvraag bij de hersenbank indienen om te bepalen wat ze precies willen onderzoeken.
Als tweede stap kunnen we dan in de NND op zoek gaan naar mensen met dezelfde symptomen, zoals vermoeidheid, balans problemen, vergeetachtigheid en slecht herstel na inspanning. We kunnen die symptomen dan vergelijken met die van een groep donoren zonder die symptomen.
7. Wat is de gewenste opbrengst van je onderzoek? Wat zijn de doelen, wat is het belang daarvan voor de patiënten?
Het antwoord op de vraag: zijn er aanwijzingen van een encefalomyelitis te vinden, dus een ontsteking van brein en ruggenmerg? Kunnen we moleculaire verstoringen vinden in de afweercellen, het stress systeem en in de mitochondriën in het brein, in de hersenvloeistof en in het bloed van mensen met ME/cvs.
Dat willen we vervolgens omzetten naar bruikbare “instrumenten”, in de zorg ‘biomarkers’ genoemd, om te helpen de diagnose ME/cvs betrouwbaar te stellen en op termijn een therapie te ontwikkelen.
8. Op welke manier zijn patiëntvertegenwoordigers betrokken? In welke fasen hebben zij een rol? Welke rol is dat?
Voor het hersendonorprogramma van de Nederlandse Hersenbank helpen de patiëntvertegenwoordigers mee om de teksten voor de patiëntenfolder vorm te geven en geven ze advies over de communicatie, via hen bereiken we ook ME/cvs patiënten, hun familieleden en (mantel)zorgers en potentiële hersendonoren. We schrijven korte teksten en we hebben een voorleesfunctie geïnstalleerd op de website van de Hersenbank.
Ook geven patiëntvertegenwoordigers informatie over diagnostiek en over de symptomen die zij ervaren waar we weer van leren. Het is belangrijk om te weten hoe mensen de ziekte ervaren.
Voor de onderzoeken zelf hebben wij de wetenschappelijke expertise, maar wij kunnen het hele beeld beter interpreteren als we het verhaal van de patiënten kennen.
We horen van hen over het gebrek aan erkenning. Dit alles te weten, verbetert ook onze communicatie naar buiten toe. Daarmee wordt hopelijk de onbekendheid rondom ME/cvs minder.
9. Wat is de stand van zaken voor jouw onderzoek?
Dit project is in de startfase waarbij de patiënteninformatie momenteel door patiëntvertegenwoordigers wordt bekeken. Zij maken daar opmerkingen bij om de tekst goed af te stemmen op de patiënten. We gaan het Hersendonorprogramma voor ME/cvs lanceren met een persbericht. Ook wordt er al gewerkt aan het speciaal onderzoeksprotocol om het hersenweefsel van ME/cvs te onderzoeken.
Er is al van zes ME patiënten hersenmateriaal beschikbaar (maart 2024). De postdoc die het onderzoek binnen dit programma zal uitvoeren start in mei in het Nederlands Herseninstituut (Een postdoc is een onderzoeker die kortgeleden is gepromoveerd).
Het is belangrijk om de klinische gegevens van de ME/cvs hersendonoren goed te bekijken. We zijn al gestart met onderzoek naar de energiehuishouding in de hersenen. We kijken naar microglia (ontstekingscellen) en mitochondriën (energieleveranciers voor de cellen) in brein en spieren.
Ten derde gaan we na of de stress-as is geactiveerd, de HPA-as. De hypothalamus (een klein gebiedje onder in de hersenen) heeft een belangrijke regelfunctie voor allerlei processen in het lichaam. Is er iets op tilt geslagen of juist niet?
10. Hoe gaan jullie ermee om als patiënten aangeven dat ze wel aan een bepaald onderzoek willen deelnemen maar dat hun gegevens of lichaamsmaterialen verder niet mogen worden gedeeld?
We doen een oproep aan mensen met en zonder ME om hersendonor te worden. Het is erg belangrijk dat er meer inzicht komt in de biologische achtergronden van ME/cvs, daarvoor zullen we het weefsel in groot detail gaan onderzoeken, maar die informatie is alleen dan waardevol als we ook weten of het van een patiënt of bv controle individu afkomstig is en wat de symptomen waren.
Alle gegevens van hersendonoren zijn geanonimiseerd. De Nederlandse Hersenbank heeft tot doel om hersenweefsel uit te geven voor onderzoek aan onderzoekers wereldwijd. Zo kan het onderzoek naar ME in een stroomversnelling komen.
Wij kunnen altijd informatie geven wat het betekent om hersendonor te zijn. Mensen moeten het gevoel hebben dat ze het echt graag willen. We kunnen bellen of e-mailen en informatie opsturen.
Heeft u interesse in Hersendonatie en wilt u meer informatie, vraag dan een informatiepakket aan bij de Nederlandse Hersenbank voor ME/CVS: www.hersenbank.nl
Dit interview werd eerder gepubliceerd in de NMCB Special Lees ME 49 van juni 2024.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/06/IMG_1388.jpeg491850Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-07-31 11:00:002024-08-28 15:10:25Brain Changes – Inzichtelijk interview met Prof. dr. Inge Huitinga
Het was een van de duurste ME/cvs-studies ooit. Het was het geesteskind van voormalig NIH-directeur Francis Collins en de ongebruikelijke studie was ontworpen om de NIH een solide basis te geven om vooruitgang te boeken bij een controversiële ziekte.
De studie was niet ontworpen om de oorzaak van ME/cvs te bepalen. In plaats daarvan was de studie van 8 miljoen dollar, met zijn uiterst strenge selectieproces van patiënten, ontworpen om naar een zeer breed scala aan factoren te kijken en zo met stevige pistes voor toekomstig onderzoek te komen.
Avindra Nath noemde het project het meest complexe dat hij ooit heeft geleid.
Dat vooruitzicht leek twijfelachtig toen de NIH het onderzoek tijdens de pandemie stillegde en nooit heropende, waardoor het ongeveer 50% onder het oorspronkelijke streefcijfer van 80 deelnemers bleef.
Avindra Nath, de leider van het project, waarbij uiteindelijk meer dan 75 wetenschappers betrokken waren, zei dat het zonder twijfel het meest complexe project was dat hij ooit had geleid. Nancy Klimas zei dat het “de meest grondige evaluatie was ooit uitgevoerd in een klinische studie die ik ken voor welke ziekte dan ook“.
De inzet was hoog. Een studie met een nulresultaat zou de interesse in de ziekte bij de NIH wel eens kunnen doen kelderen. Aan de andere kant zou een positief onderzoeksresultaat de lage positie van ME/cvs bij de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld – de NIH – een boost geven.
Prestigieus tijdschrift
De kleine onderzoeksgroep baarde zorgen – die uiteindelijk overdreven bleken te zijn – over de kans dat het artikel gepubliceerd zou worden in een prestigieus tijdschrift. De studie “Deep phenotyping of post-infectious myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome” werd gepubliceerd in Nature Communications – een multidisciplinair tijdschrift met een hoge impactfactor dat afkomstig is van de prestigieuze Nature Publications-groep. Een recensie rapporteerde dat “het rigoureuze peerreviewproces en de hoge redactionele standaarden hebben bijgedragen tot de sterke reputatie van het tijdschrift onder wetenschappers”.
De publicatie van het onderzoek in dit tijdschrift betekent dat het wordt verspreid onder een “groot publiek van onderzoekers, wetenschappers en academici uit verschillende disciplines over de hele wereld”. Met andere woorden, iedereen zal het lezen.
Eén ding moet je in gedachten houden: dit was een selecte en in sommige opzichten vreemde groep patiënten, op manieren die de onderzoekers niet hadden kunnen weten. De patiënten moesten de ziekte hebben opgelopen na een infectie in de afgelopen vijf jaar.
Met bijna een kwart van de groep die aan de beterhand was en zonder bewijs van verhoogde percentages orthostatische intolerantie, dunnevezelneuropathie, slaapproblemen of cognitieve stoornissen leek de ME/cvs-groep een beetje afwijkend.
In haar zoektocht naar nauwgezetheid sloot de studie 190 van de 217 patiënten uit die een gedetailleerde casusbeoordeling kregen van een groep ME/cvs-experts. Vier van de personen die de eerste week in het ziekenhuis hadden doorlopen, werden uitgesloten omdat ze iets anders bleken te hebben (kanker, atypische myositis, primaire biliaire cholangitis, Parkinsonisme).
De patiënten moesten goed genoeg zijn om naar de locatie in Baltimore te komen en moesten studies van meer dan 2 weken kunnen doorstaan, waaronder ten minste één uitputtende inspanningssessie; dat betekent dat ze er beter aan toe waren dan de meesten. Verschillende veel voorkomende bevindingen bij ME/cvs die goed gevalideerd zijn (dunnevezelneuropathie, orthostatische intolerantie/POTS, slaapproblemen, cognitieve stoornissen) waren niet verhoogd bij de ME/cvs-groep.
De vreemdste uitkomst was echter dat bijna een kwart van de groep (4/17) ME/cvs-patiënten “spontaan herstelde” na de studie – wat aangeeft dat een aanzienlijke subgroep van patiënten op een fundamentele manier anders was dan jij of ik.
Niet psychologisch – Afgevinkt!
De auteurs stelden dat de deelnemers uitgebreide neuropsychologische tests ondergingen die aangaven “dat hun symptomen geloofwaardig waren en een waarheidsgetrouwe weergave van hun ziekte”, en zij concludeerden dat “psychiatrische stoornissen geen belangrijk kenmerk waren in dit cohort en niet verantwoordelijk waren voor de ernst van hun symptomen”.
Stoornis in het autonome zenuwstelsel – Afgevinkt!
Verhoogde activiteit van het sympathische zenuwstelsel/verlaagde activiteit van het parasympathische zenuwstelsel overdag (HRV) en ‘s nachts (nachtelijke hartslag), volgens de auteurs als gevolg van problemen met het centrale zenuwstelsel [n.v.d.r. in eerste instantie maken het sympathische en parasympatische zenuwstelsel deel uit van het autonome zenuwstelsel].
Inspanningsvoorkeur (Inspanningsvoorkeur?)
Een test die ik nog nooit eerder gebruikt heb zien worden bij ME/cvs, de “Effort-Expenditure for Rewards Task (inzet van inspanning-versus-beloning-taak) (EEfRT)” kreeg een nogal prominente plaats in het rapport. Deze test bestaat uit een reeks herhaalde proeven waarbij de deelnemers kiezen tussen het uitvoeren van een “moeilijke taak” of een “gemakkelijke taak” om daarmee verschillende geldbedragen te verdienen.
Een lage EEfRT betekent dat een persoon geneigd is om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht de beloning of kansen. Dit kan wijzen op een gebrek aan motivatie, een hoge gevoeligheid voor inspanning of een lage gevoeligheid voor beloning.
Aangezien ME/cvs per definitie vol inspanning is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores halen, en dat was ook zo. Dat ze in de loop van de tijd steeds minder snel op knoppen tikten, deed de auteurs vermoeden dat de PI-ME/cvs-deelnemers zich aan het inhouden waren [pacing] om de inspanning en de daarmee gepaard gaande gevoelens van ongemak te beperken”; m.a.w. ze werden door inspanning op de proef gesteld. Men kan zich afvragen of de patiënten niet gewoon “uitgetikt” (niet grappig bedoeld) konden zijn. Een onderzoek naar het vingertikken bij fibromyalgie toonde aan dat FM-patiënten ook snel verslapten.
Toestand in rust – prima
Geen verschillen in “ademhalingsfunctie, zuurstoftoevoer in de spieren, mechanische efficiëntie, energieverbruik in rust, primaire mitochondriale functie van immuuncellen, spiervezelsamenstelling of lichaamssamenstelling” suggereerden dat er geen sprake was van een lage energiestand in rust.
Let wel op de nadruk op de “toestand in rust”. De conditie van de “toestand in rust” is nooit het belangrijkste aandachtspunt geweest bij ME/cvs. Het belangrijkste probleem is inspanning en postexertionele malaise en dat is precies de reden waarom fysieke of mentale inspanningsstressoren zo nuttig zijn geweest om te onthullen wat we weten over ME/cvs.
De handknijptest
Wie had kunnen denken dat een eenvoudige handknijptest zou leiden tot de belangrijkste bevinding in deze studie?
Waar een lage energietoestand in rust niet de oorzaak leek te zijn van ME/cvs, rapporteerden de auteurs dat er “substantiële verschillen werden waargenomen bij PI-ME/cvs deelnemers tijdens fysieke taken”. Dit is haast de basisdefinitie van ME/cvs – een ziekte die meer fysiologische afwijkingen vertoont tijdens momenten van inspanning dan tijdens rust. Vandaar dat zoveel onderzoekers fysieke/cognitieve stressoren gebruiken in hun studies.
Die fysieke taak was zo eenvoudig als een maximale grijpkrachttest. Deze tests zijn ontworpen om de spierkracht van de hand- en onderarmspieren te evalueren. De proefpersonen met ME/cvs waren in staat om een normale grijpkracht te ontwikkelen.
De auteurs gebruikten de Dimitrov-index om de “vermoeidheidsweerstand” te meten, d.w.z. het vermogen van de deelnemer om een sterke grijpkracht aan te houden. Dit wordt gedaan door het aantal niet-vermoeide “blokken” tijdens de test te meten. Er is sprake van een niet-vermoeid blok als de grijpkracht meer dan 50% van de maximale grijpkracht bedraagt. Een vermoeid blok treedt op wanneer de grijpkracht onder 50% van de maximale grijpkracht blijft.
Deze eenvoudige test lijkt een goede manier om de aanwezigheid van postexertionele malaise te bepalen. Als de grijpkracht normaal blijft, kan de deelnemer de inspanning volhouden. Zo niet, dan kan hij dat niet. Merk op dat dit allemaal lijkt te gebeuren tijdens anaerobe energieproductie. Er is geen of weinig aerobe energieproductie nodig en het is niet duidelijk hoe conclusies die worden getrokken tijdens een handknijptest, toepasbaar zijn op de resultaten van een aerobe inspanningstest.
Terwijl de grijpkracht van de ME/cvs-patiënten aan het begin normaal was, ging hun grijpkracht snel achteruit. Het feit dat ze een significant lager aantal “niet-vermoeide blokken” lieten zien, wees erop de ze te weinig uithoudingsvermogen hadden en suggereerde dat ze een verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” hadden. Dat deed zich niet voor bij de gezonde controles.
Dit patroon – een normale maximale grijpkracht maar een onvermogen om deze lang vol te houden, deed de auteurs vermoeden dat de verminderde “weerstand tegen vermoeidheid” niet te wijten was aan problemen met de spieren zelf, maar werd veroorzaakt door de hersenen.
Handgreepkracht werd echter verschillende keren als verlaagd vastgesteld in eerdere ME/cvs-onderzoeken. In één studie was de kracht van de handgreep zelfs zo verminderd dat de onderzoekers voorstelden om dit als diagnose voor ME/cvs te gebruiken.
Slechte motor? De motorische cortex staat op het voorplan
Een transcraniële magnetische resonantiestimulatie (TMS) tijdens de handgreepoefening suggereerde dat problemen met de motorische cortex de boosdoener waren. De motorische cortex is verantwoordelijk voor het activeren van de spieren tijdens inspanning.
Wanneer we een fysieke taak uitvoeren, activeert de primaire motorische cortex in onze hersenen de motorneuronen in ons ruggenmerg, die vervolgens een signaal sturen naar de neuromusculaire verbinding van de spier om die spier te doen bewegen. Als een spiervezel vermoeid raakt, worden er meer spiervezels aangesproken. Zolang er nieuwe, verse spiervezels overblijven om geactiveerd te worden, kan de oefening doorgaan. Als er geen spiervezels meer zijn om te rekruteren of als de hersenen een probleem hebben met het rekruteren van nieuwe spiervezels, dan treedt vermoeidheid op.
Bij TMS worden magnetische velden gebruikt om de werkzaamheid en integriteit van de verbinding tussen de motorische cortex en de spieren te beoordelen. (Ze doen dit door de amplitude van de motorisch geëvoceerde potentialen (MEP’s) te meten. Bij gezonde, en depressieve, personen daalt de amplitude in de loop van de tijd tijdens de inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten bleef de motorische cortex geactiveerd, wat resulteerde in, om het met de woorden van de auteur te zeggen, “verminderde motorische inzet”. Het was alsof de motorische cortex op de ‘aan’-knop bleef drukken in een poging de spieren in gang te krijgen. Bij de ME/cvs-patiënten vertoonde de overactieve motorische cortex een zogenaamde verhoogde “corticospinale prikkelbaarheid”.
Dit was een interessant resultaat omdat je misschien het tegenovergestelde had verwacht. Een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid wordt vaker in verband gebracht met een verhoogd uithoudingsvermogen. Wie veel pijn verwacht, en wie een vermoeiende en pijnlijke vorm van multiple sclerose heeft, vertoont een verminderde corticospinale prikkelbaarheid.
Deze onderzoekers vonden echter een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid. Verhoogde corticospinale prikkelbaarheid is ook vastgesteld bij ziektes als migraine – een veel voorkomende comorbiditeit bij ME/cvs – en epilepsie. Een recente studie vond dat hyperventilatie – een vaak voorkomend probleem bij ME/cvs – ook geassocieerd kan worden met een verhoogde corticospinale prikkelbaarheid.
De auteurs stelden het volgende:
“De vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers is te wijten aan een disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen, waarvan de oorzaak verder onderzocht moet worden. Dit is een observatie die nog niet eerder is beschreven in deze populatie.”
Eerdere bevindingen i.v.m. de motorische cortex
Hoewel de meeste onderzoeken de oorzaken van het disfunctioneren van de motorische cortex bij ME/cvs niet hebben onderzocht, is de motorische cortex al eerder opgedoken bij ME/cvs en fibromyalgie.
Een onderzoek uit 1999, waarin een vermindering van de hersenactiviteit “voorafgaand aan de beweging” en langzamere reactietijden werden gevonden, concludeerde dat de “centrale motorische mechanismen” die de basis leggen voor een bijbehorende beweging, aangetast waren bij ME/cvs. Een onderzoek uit 1999 kwam tot de opmerkelijke conclusie dat er sprake was van “een inspanningsgerelateerde vermindering van de centrale motorische aansturing”; dat wil zeggen dat de hersenen moeite hadden om de spieren te laten bewegen bij ME/cvs. Een studie uit 2001 vond dat het moeilijker was voor de hersenen om de spieren van ME/cvs-patiënten te doen reageren. Een ander onderzoek (2003) suggereerde dat er problemen zijn met “motorische planning“.
Een onderzoek uit 2003, “Deficit in motor performance correlates with changed corticospinal excitability in patients with chronic fatigue syndrome” [Tekort aan motorische prestaties correleert met veranderde corticospinale prikkelbaarheid bij patiënten met het chronischevermoeidheidssyndroom], suggereerde dat verminderde spiervezelrekrutering ten gevolge van verminderde output van de motorische cortex, de oorzaak zou kunnen zijn van de vermoeidheid bij ME/cvs. Die studie stelde dat “… veranderende motorische tekorten bij CVS een neurofysiologische basis hebben [die] … de theorie ondersteunt van een tekort in motorische voorbereidende gebieden in de hersenen“.
In een onderzoek naar fibromyalgie was de motorische cortexactiviteit (oxyhemoglobinegehalte) vergelijkbaar tussen de personen met FM en de gezonde controles bij rust en tijdens langzaam tikken, maar toen hen werd gevraagd snel te tikken, nam de activiteit in de motorische cortex van de FM-patiënten af (en daarmee ook hun tikvermogen). De motorische cortex leek niet de metabole capaciteit te hebben om de gezonde controles bij te houden.
De kwestie van de motorische cortex klopt dus met wat we eerder hebben gezien. In zekere zin is het een perfecte verklaring voor ME/cvs.
De vreemde temporopariëtale junctie
(Dit is een lang en moeilijk gedeelte waarin ik zin voor zin moeite had om te begrijpen wat de auteurs bedoelden. Misschien wil je verder gaan naar de Kernpunten :))
Om te achterhalen wat er precies aan de hand was tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens de zuurstofniveaus in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in drie delen van hun hersenen – de temporopariëtale junctie (TPJ), de superieure pariëtale kwab en de rechter temporale hersenwinding.
De TPJ – het deel van de hersenen waar ze zich op hebben geconcentreerd – is nog nooit eerder bij ME/cvs naar voren gekomen – maar niemand heeft ooit beelden gemaakt van de hersenen tijdens een handgreepinspanning – en hier begint het een beetje vreemd te worden.
De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emoties, overtuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
Die bevinding over de voorkeur voor weinig inspanning – die volkomen logisch was – waarom moeite doen als de kosten hoog zijn? – raakte verstrikt in de bevinding van de temporale pariëtale junctie – en je had het gevoel dat de auteurs het ofwel moeilijk vonden om er iets zinnigs over te zeggen, ofwel het moeilijk vonden om het uit te leggen.
De bevinding over de voorkeur voor inspanning kwam vroeg en prominent naar voren in het discussiegedeelte. De eerste zin luidt: “Inspanningsvoorkeur is hoeveel inspanning een persoon subjectief wil leveren.” Terwijl de publicatie zich altijd focuste op de hersenen, verwijzen de auteurs nu naar hoeveel iemand zich subjectief wil inspannen, als in, wat jij, een denkend mens, besluit dat je kunt doen. Het lijkt erop dat we net niet meer met de hersenen te maken hebben, maar met psychologie. Het gaat verder:
“Het wordt vaak gezien als een afweging tussen de energie die nodig is om een taak uit te voeren versus de beloning nadat je geprobeerd hebt om de taak met succes uit te voeren. Als er vermoeidheid begint te ontstaan, zal de inspanning moeten toenemen en zal de verhouding tussen inspanning en voordeel toenemen, misschien wel tot het punt waarop iemand liever een beloning misloopt dan zich in te spannen. Dus, als vermoeidheid zich ontwikkelt, kan er falen optreden door uitputting van capciteit of een nadelige voorkeur.”
Dus is het een uitputting van capaciteit? Het antwoord is nee – de auteurs geloven dat de spieren de capaciteit hebben om het werk te doen. Waarom denken ze dat? Omdat de spieren in staat waren om een geschikte maximale grijpkracht te produceren, omdat de spiermassa normaal was en omdat ze geen bewijs vonden van veranderingen in de spiervezels. Bovendien vonden ze geen aanwijzingen voor problemen in “de ademhalingsfunctie, de zuurstoftoevoer naar de spieren, de mechanische efficiëntie, het energieverbruik in rust, de basale mitochondriale functie van de immuuncellen, de samenstelling van de spiervezels of de lichaamscompositie”. Merk echter op dat heel wat andere studies, waaronder een recente, bewijs hebben gevonden van spierdisfunctie bij ME/cvs en dat er twee grote spierbiopsiestudies momenteel lopen bij de Open Medicine Foundation.
Het probleem moet dus – volgens de auteurs – “een nadelige voorkeur” zijn – wat de auteurs in verband brachten met een recente hypothese over de activiteit van de temporale pariëtale junctie. Naast alle andere bizarre dingen waarmee de TPJ in verband is gebracht – die niets met ME/cvs te maken hebben – is het ook een orgaan dat “voorspellingen doet over toestanden van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
De “daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben. Misschien weet een beschadigd TPJ niet wat het moet doen als het op inspanning aankomt.
Zouden de bevindingen met betrekking tot inspanningsvoorkeur en TPJ een weerspiegeling kunnen zijn van de moeite die mensen met ME/cvs hebben om hun weg te vinden in een onzekere omgeving?
Eén hypothese betreffende de TPJ (en er zijn er vele) suggereert dat besluitvorming “een optimalisatieprobleem is gericht op het minimaliseren van de variationele vrije energie”. Het minimaliseren van vrije energie impliceert de selectie van acties die onzekerheid over toekomstige uitkomsten verminderen (een groot, groot probleem bij ME/cvs) en die tegelijkertijd de beoogde uitkomsten maximaliseren. Gezien hun onzekerheid over wat er zal gebeuren, hebben ME/cvs-patiënten enorme problemen om te beslissen of ze voor de “gewenste uitkomst” gaan (d.w.z. naar de winkel gaan, vrienden zien, een wandeling maken, naar een doktersafspraak gaan) en daarbij tegelijkertijd de onzekerheid minimaliseren. De beste optie is vaak om de beoogde uitkomst gewoon te laten varen.
Toen kwam deze bizarre zin. “Grotere activering bij de gezonde vrijwilligers suggereert dat ze uitgebreid aandacht besteden aan hun kleine mislukkingen, terwijl de ME/cvs-deelnemers juist bereiken wat ze zich voorgenomen hebben.” (???)
In een poging om alles met een mooie strik in te pakken, zeiden de auteurs: ” Alles bij elkaar suggereren deze bevindingen dat inspanningsvoorkeur, en niet vermoeidheid, het bepalende motorische gedrag van deze ziekte is.” – wat zeker een gekke uitspraak is en moeilijk te interpreteren. Inspanningsvoorkeur kan gewoon betekenen dat je ervoor kiest om je inspanning op bepaalde manieren te spenderen. Voeg daar het deel “motorisch gedrag” aan toe en mogelijk heb je een brein dat zowel bewust als onbewust dingen uitschakelt – zoals de verbinding van de motorische cortex met de spieren.
In die context zou “motorisch gedrag” zoiets kunnen zijn als “ziektegedrag” – een door de hersenen veroorzaakte aandoening die allerlei symptomen en problemen veroorzaakt in een poging om het lichaam zo goed mogelijk te houden. Laat ik het hierbij houden: motorisch gedrag is een brede en algemene term die “elke vorm van beweging omvat, van onwillekeurige zenuwtrekjes tot doelgerichte acties, in elk deel van het lichaam van top tot teen”.
Het is geen verrassing te noemen dat, gezien de moeite om te begrijpen wat de auteurs bedoelden, de interpretaties van dat deel van het rapport nogal een warboel vormen.
De reacties van de media
We geven dit deel van het onderzoek misschien te veel aandacht. De reacties van de media op het onderzoek waren positief en stonden er verder niet bij stil. Het is meer een kwestie voor ons als gemeenschap gezien onze geschiedenis.
Dat was goed, want zelfs Brian Walitt, de hoofdonderzoeker van de studie, sprak onduidelijk over dit deel van de studie. Het persbericht van de NIH begon goed met de volgende bewering: “Dit suggereert dat vermoeidheid bij ME/cvs veroorzaakt zou kunnen worden door een disfunctie van hersengebieden die de motorische cortex aansturen, zoals de TPJ”. En zo ook Wallitt: “We hebben mogelijk een fysiologisch aandachtspunt geïdentificeerd voor vermoeidheid bij deze populatie”, voordat hij helaas de deur opende voor een psychologische interpretatie door er “denken” bij te halen, toen hij stelde: “In plaats van fysieke uitputting of een gebrek aan motivatie, kan vermoeidheid voortkomen uit een mismatch tussen wat iemand denkt dat hij kan bereiken en wat zijn lichaam presteert.”
Je zou toch denken dat Walitt voorzichtiger zou zijn met dit onderwerp. Naar mijn ervaring is dit een probleem van de hersenen – niet van het denken. De signalen van vermoeidheid, pijn enz. komen zo snel dat ze wel uit de hersenen moeten komen. Twee mediakanalen hebben tot nu toe Walitts onhandige verklaring opgepikt. Het is nogal ironisch hoe vaak mensen met ME/cvs denken en voelen dat ze iets kunnen doen om er halverwege achter te komen dat ze echt in de knoei zitten.
“Uit het onderzoek bleek dat tijdens de handknijptest bij ME/cvs er een verminderde activiteit was in de rechter temporale-pariëtale junctie, een hersengebied dat betrokken is bij zelfwaarneming. Dit is een deel van de hersenen dat een actie voorspelt voordat men zich er bewust van wordt.”
“Nath veronderstelt dat deze dip in activiteit suggereert dat de hersenen personen met ME/cvs ervoor behoeden om kracht uit te oefenen tijdens de grijptest, wat volgens hem logisch is omdat ME/cvs-symptomen vaak verergeren als mensen met de aandoening zichzelf overbelasten. De bevinding is echter nog maar voorlopig en verdere experimenten zijn nodig om het te bevestigen.”
Jonathan Edwards, een reumatoloog aan de UCL, heeft het bij het juiste eind in het Science-artikel
“De onderzoekers suggereren dat hersensignalen stoptekens kunnen laten oplichten om fysieke activiteit te vermijden – vergelijkbaar met hoe een golf van ziekte rust afdwingt. “Als we een zware griep hebben, kunnen we het bed niet uitkomen,” “Het is een centraal signaalprobleem” in de hersenen, zegt hij. “Er is niets mis met je spieren.”
En Tony Komaroff sloeg de spijker op de kop in twee nieuwsmedia:
“ME/cvs-patiënten hadden ook een abnormale werking in een deel van hun hersenen dat inspanning regelt. Als hen wordt gevraagd zich in te spannen, licht het niet zoveel op. Het is alsof je probeert te zwemmen tegen de stroom in.” en “Dat hersengebied, de rechter temporaal-pariëtale junctie, is betrokken bij “het vragen aan de benen om te bewegen, het vragen aan de mond om te openen en te eten – het vraagt als het ware om iets te doen. Als het niet correct oplicht, is het lastiger om het lichaam die inspanning te laten leveren”.
Het blijkt dat in het model dat in het artikel voor ME/cvs wordt voorgesteld, de TPJ geen prominente rol lijkt te spelen. De auteurs geloven dat de TPJ-disfunctie veroorzaakt wordt door andere factoren, maar dat is voor de volgende blog. Er staat nog veel meer in deze studie om op te broeden.
Het vervolg – Deel 2: Lichaamsbeweging, het immuunsysteem en het Grotere Plaatje
De kernpunten
De 8 miljoen dollar kostende NIH-studie was misschien wel de belangrijkste ME/cvs-studie om één simpele reden – als ze een succes zou worden, zou dit de grootste financier van medisch onderzoek ter wereld het vertrouwen geven om meer middelen aan de ziekte te besteden.
De studie omvatte twee verblijven van een week in het klinisch centrum van de NIH waar de deelnemers zowat alles kregen wat de NIH hen kon voorschotelen. De geplande studie van 80 personen werd echter ingekort door de pandemie. Tegen het einde van de studie hadden 41 deelnemers (17 ME/cvs-patiënten en 24 gezonde controles) het volgehouden. Plus, ergens na hun deelname aan de studie, herstelden 4 van de ME/cvs-patiënten spontaan – wat suggereert dat ze op een essentiële manier wellicht anders waren dan jij en ik.
Een eenvoudige handknijptest waarbij de deelnemers werd gevraagd een handgreep in te knijpen en vast te houden terwijl de onderzoekers het functioneren van de hersenen onderzochten, bleek een grote rol te spelen in het artikel. De ME/cvs-patiënten hadden een normale handgreepkracht, maar deze verslapte snel en hun grijpkracht nam snel af.
De auteurs stelden dat het probleem niet in de spieren zat, maar in een deel van de hersenen dat de motorische cortex wordt genoemd. Tijdens inspanning stimuleert de motorische cortex de zenuwen om meer spiereenheden aan te spreken als een spier vermoeid raakt. De motorische cortex van de ME/cvs-patiënten was abnormaal geactiveerd – wat er misschien op wijst dat het tevergeefs bleef proberen om meer spiereenheden te activeren en de vermoeidheid af te wenden.
De auteurs beweerden dat “de vermoeidheid van de ME/cvs-deelnemers te wijten is aan disfunctie van integratieve hersengebieden die de motorische cortex aansturen”. Een disfunctie van de motorische cortex zou dus veel van de problemen met inspanning bij ME/cvs kunnen verklaren. Hoewel disfunctie van de motorische cortex geen prominente rol gespeeld heeft in het ME/cvs-onderzoek, hebben ten minste vier studies/papers de aanwezigheid ervan voorgesteld.
Om te achterhalen wat er gebeurde tijdens de handknijptest, onderzochten de auteurs vervolgens het zuurstofgehalte in de hersenen. In tegenstelling tot de gezonde controles (bij wie het zuurstofgehalte in het bloed steeg), daalde het zuurstofgehalte in het bloed bij ME/cvs-patiënten in een deel van de hersenen dat nog nooit eerder bij ME/cvs was waargenomen – de temporopariëtale junctie (TPJ).
De TPJ is een nogal bizar orgaan dat de auteurs moesten proberen te doorgronden. Het wordt in verband gebracht met zaken als uittreding uit het lichaam, zelfbewuste emoties, overtuigingen van anderen en maatschappelijk gestuurde beslissingen. Het is echter ook een orgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving met daadwerkelijke uitkomsten”.
De ” daadwerkelijke uitkomsten” als het gaat om inspanning, zijn natuurlijk echt problematisch als het gaat om ME/cvs. Aangezien ME/cvs-patiënten zelf niet weten hoe ze de effecten van hun inspanning moeten inschatten – de ene keer kunnen ze het wel uithouden en de andere keer niet – lijkt het logisch dat een hersenorgaan dat “voorspellingen doet over de toestand van de omgeving” problemen zou kunnen hebben.
Een inspanningstest (EEfRT) – die ook nog nooit gedaan is bij ME/cvs – vond dat personen met ME/cvs de neiging hadden om vaker de makkelijke taak te verkiezen boven de moeilijke taak, ongeacht of de beloning hoog dan wel waarschijnlijk was. Aangezien ME/cvs per definitie inspannend is, zou je verwachten dat ME/cvs-patiënten lage EEfRT-scores hebben, en dat was ook zo.
De TPJ-bevinding, gecombineerd met de inspanningsbevinding, gecombineerd met de afwezigheid van bevindingen die suggereerden dat de spieren beschadigd waren, deed de auteurs vermoeden dat “inspanningsvoorkeur” de bepalende oorzaak was van het “motorische gedrag” bij ME/cvs – het motorische gedrag was het onvermogen van de motorische cortex om de spieren te activeren.
Het was moeilijk om precies te begrijpen wat de auteurs bedoelden, maar het kan iets geweest zijn in de trant van: wanneer de motorische cortex wordt geconfronteerd met inspannende taken zoals lichaamsbeweging, stopt het de signalen naar de spieren, waardoor vermoeidheid wordt veroorzaakt. Dit zou werken op een onbewust (de hersenen schakelen de motorische cortex uit) en mogelijk ook op een bewust niveau (vermijden van inspanning) .
Het is geen verrassing dat sommige berichten in de media over dit deel van het onderzoek een beetje psychologisch klonken, terwijl andere dat niet deden. Over het algemeen was de reactie van de media op het onderzoek vrij goed.
Maar er komt nog veel meer en deel 2 van de blogserie komt binnenkort.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-5.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-05-31 12:42:432024-08-23 13:51:37Studie van Nath Deel I: “Het is een hersenziekte…”
Eén van de 6 projecten vanuit het NMCB consortium, die zich bezighouden met biomedisch onderzoek naar ME/CVS, is de Nederlandse Hersenbank voor ME/CVS (NHB-ME/CVS).
Dit is een nieuw donorprogramma specifiek voor ME/CVS, met als doel hersenweefsel te verzamelen en beschikbaar te maken voor onderzoekers wereldwijd.
Daarom roept de Nederlandse Hersenbank mensen met ME/CVS op om aandacht te besteden aan de mogelijkheid om zich te registreren als hersendonor. Momenteel zijn bij de Nederlandse Hersenbank al 20 mensen met ME/CVS geregistreerd. Om goed onderzoek mogelijk te maken, moeten dat er een stuk meer worden.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-oproep-Meld-je-aan-als-hersendonor-voor-onderzoek-naar-ME_cvs.png9821700Carolienhttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngCarolien2024-05-23 10:14:562024-08-18 20:24:47Meld je aan als hersendonor voor onderzoek naar ME/cvs
Verergerende symptomen houden verband met toename afwijkingen hersenbloedstroom tijdens kanteltafeltest bij ME/cvs
Onderzoek van Linda van Campen, Peter Rowe en Frans Visser
Van Campen et al doen al vele jaren wetenschappelijk onderzoek o.a. naar de invloed van orthostatische stress (rechtop gaan zitten of staan) op de doorstroming van bloed naar het hoofd van ME/cvs-patiënten.
Eerdere onderzoeken
Tijdens een kanteltafeltest neemt bij het merendeel van de ME/cvs patiënten namelijk de bloeddoorstroming naar de hersenen aanzienlijk af. ME/cvs patiënten hebben een gemiddelde afname van 26%, waar gezonde controles slechts 7% afname hebben. De auteurs hebben dit al eerder aangetoond in een grote groep van 429 ME/cvs patiënten bij een kanteltafeltest met een kanteling van 70 graden, een kanteling van 20 graden en zittend.
Ook hebben zij al eerder het verband gelegd tussen de afname van hersenbloedstroom en verscheidene symptomen:
pijngrens verminderde direct na de kanteltafeltest
geheugen en concentratie waren afgenomen na de kanteltafeltest
post-exertionele malaise (PEM) symptomen waren tijdelijk toegenomen
orthostatische intolerantie symptomen namen toe gelijk met het verergeren van de afwijkingen in de hersenbloedstroom
toedienen van Fenylefrine verminderde de afwijkingen in hersenbloedstroom en het aantal fouten in de N-back test.
compressiekousen verbeterden de klinische symptomen en verminderden afwijkingen hersenbloedstroom.
Doel van het onderzoek
In dit onderzoek is het verband onderzocht tussen de afname van de hersenbloedstroom en de ernst van de gerapporteerde symptomen bij ME/cvs. De auteurs veronderstelden dat de ernst van de ME/cvs verband houdt met de mate waarin de hersenbloedstroom afnam tijdens een kanteltafeltest.
Uitvoering van het onderzoek
Er was nog geen objectief bewijs geleverd dat symptomen van orthostatische intolerantie worden veroorzaakt door afname van de bloeddoorstroming naar de hersenen en/of activatie van het sympatisch zenuwstelsel (het “gaspedaal” in je autonoom zenuwstelsel). Van Campen et al toonden in eerdere studies al aan dat een Doppler meting (echo) de bloedstroom naar de hersenen objectief in beeld kan brengen tijdens een kanteltafeltest. Dit is een objectieve methode om veranderingen in de hersenbloedstroom te meten.
Er werden 110 ME/cvs patiënten geselecteerd uit de database van Cardiozorg die in de periode oktober 2012-maart 2023 waren onderzocht om vast te stellen of zij symptomen van ME/cvs vertoonden en die op dezelfde dag een kanteltafeltest hadden ondergaan, en die meer dan een jaar later opnieuw werden getest.
Er werd ook gebruik gemaakt van gegevens uit twee eerdere studies, waarbij de ziekte-ernst volgens de Internationale Consensuscriteria (ICC) beschikbaar waren, maar die nog niet werden gepubliceerd.
Bij het onderzoek naar ME/cvs wordt vaak gebruikgemaakt van vragenlijsten. Het is waardevol deze te combineren met objectieve metingen. Zo zijn de resultaten minder kwetsbaar voor vooringenomenheid (bias). Er zijn meerdere objectieve metingen beschikbaar (veranderingen in hartslag (HR), hartslagvariabiliteit (HRV), activity trackers, piek zuurstofverbruik (VO2peak) of de ventilatoire drempel (VO2AT), biomarkers, handknijpkracht en gebruik van neuroimaging technieken.
Bij eerdere studies bleek al dat de afname van de hersenbloedstroom verband houdt met de ernst van de ziekte (volgens de ICC): Hoe ernstiger ziek, hoe meer de hersenbloedstroom afneemt tijdens de kanteling.
De groep van 110 patiënten werd in tweeën gedeeld. 71 patiënten werden opnieuw getest omdat zij een achteruitgang van hun symptomen hadden. 39 patiënten waren stabiel gebleven en werden opnieuw getest.
De patiënten werden getest volgens een vast protocol: 20 minuten liggen, daarna gekanteld naar 70 graden. Daarbij werden hartslag, bovendruk en onderdruk genoteerd, om vast te stellen of er sprake was van posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) of Orthostatische Hypotensie (OH).
Een extracraniële Doppler (echo) werd gebruikt bij de slagaders naar de hersenen en de bloeddoorstroming werd berekend.
Resultaten
Bij de kanteltafeltest bleek de hersenbloedstroom onveranderd bij de groep ME/cvs patiënten waarvan de symptomen stabiel was gebleven.
Bij de groep ME/cvs patiënten die achteruitgang rapporteerde bleek de hersenbloedstroom bij de tweede test te zijn afgenomen.
Dit was niet alleen zo bij de acute afname van de bloeddoorstroming tijdens de kanteltafeltest, maar ook na verloop van tijd in een chronische aandoening, wanneer patiënten verder achteruit gingen of stabiel bleven.
Conclusie
Hoe groter de afname van bloedstroom naar de hersenen bij ME/cvs tijdens een kanteltafeltest, hoe ernstiger ziek de patiënt is. De gegevens uit dit onderzoek suggereren dat er een oorzakelijk verband is: een grotere afname van hersenbloedstroom leidt tot een toename van de symptomen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Toename-symptomen-door-minder-bloed-naar-de-hersenen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-12-19 13:08:002024-08-18 19:22:05Toename symptomen door minder bloed naar hersenen
MRI-scan van de hersenen van een patiënt met Long COVID links en ME/cvs rechts.
Voor het eerst hebben onderzoekers van de Griffith University een MRI met ultrahoog veld (7 Tesla) gebruikt om te onderzoeken hoe COVID-19 en myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) dezelfde effecten op de hersenstructuur hebben.
Dr. Sonya Marshall-Gradisnik, directeur van Griffith’s National Centre for Neuroimmunology and Emerging Diseases en tevens werkzaam bij het Menzies Health Institute Queensland van de universiteit, zei dat het doel van de studie was om de mogelijke overeenkomsten tussen de ME/cvs en Long COVID patiënten aan te tonen.
“We gebruikten de 7T MRI vooral om de hersenstam en zijn subregio’s te onderzoeken, omdat het helpt om hersenstructuren nauwkeuriger op te lossen om afwijkingen te ontdekken die andere MRI’s niet kunnen detecteren,” zei Dr. Marshall-Gradisnik.
Hoofdauteur Dr. Kiran Thapaliya zei dat de 7T MRI liet zien dat de hersenstam aanzienlijk groter was bij ME/cvs en Long COVID patiënten in vergelijking met degenen die niet aan deze aandoeningen leden.
“Het toonde ook vergelijkbare volumes van de hersenstam in de patiënten, wat de reden zou kunnen zijn dat Long COVID patiënten alle gemeenschappelijke kernsymptomen van ME/cvs vertonen,” zei Dr Thapaliya.
“We ontdekten ook dat kleinere volumes van de middenhersenen geassocieerd waren met ernstigere ademhalingsmoeilijkheden bij ME/cvs en Long COVID-patiënten.”
“Daarom zou disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs en Long COVID-patiënten kunnen bijdragen aan hun neurologische, cardiorespiratoire symptomen en bewegingsstoornissen.”
De 7T MRI die in het onderzoek werd gebruikt is een van de slechts twee die in Australië staan.
Studies tonen aan dat tot 43% van de mensen die met SARS-CoV-2 besmet zijn niet volledig herstellen en Long COVID ontwikkelen in alle cohorten, zelfs bij jonge volwassenen, studenten en kinderen.
Recente studies toonden aan dat 13-58% van de Long COVID-patiënten voldeden aan ME/cvs en dat symptomen zoals hersenmist, vermoeidheid, pijn en autonome disfunctie vergelijkbaar zijn bij ME/cvs en Long COVID-patiënten.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-wetenschap-onderzoek-naar-gevolgen-van-ME_cvs-en-COVID-op-de-hersenen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-03-14 21:28:582024-08-18 21:12:33Onderzoek naar de gevolgen van COVID en ME/cvs op de hersenen
Het doel van Bhupesh Prusty lijkt om datgene wat we weten over de herpesvirussen, in het bijzonder humaan herpesvirus-6 (HHV-6), en hun relatie tot het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CFS) op zijn kop te zetten.
Zijn Twitter handle noemt hem “een gepassioneerde moleculaire viroloog die gelooft in patiëntgericht wetenschappelijk onderzoek… Wetenschap is voor de samenleving.” Prusty ontving tot nu toe een Ramsay Award van het Solve ME/CFS Initiative en een Young Investigators award van de HHV-6 Foundation, en lijkt beide goed te hebben gebruikt.
HHV-6 was een soort van het arme zusje van ME/cvs, maar recente studies suggereren dat het een belangrijke rol zou kunnen spelen. Het werk van Bhupesh Prusty heeft die ziekteverwekker echt onder de aandacht gebracht.
De studie van hem en Bob Naviaux toonde aan dat HHV-6 in staat was de mitochondriën te fragmenteren en het gebruik van de middelen die nodig zijn om overvloedig energie te produceren, te verhinderen. Terwijl ze dat deden, toonden ze aan dat serum van ME/cvs-patiënten hetzelfde resultaat opleverde (!).
Vervolgens identificeerden Prusty en collega’s in een publicatie in Nature het microRNA dat verantwoordelijk is voor het fragmenteren van de mitochondriën, en in een bevinding die de weg zou kunnen banen voor de volgende golf anti-herpesvirus geneesmiddelen, is het het miRNA dat HHV-6 uit de latentie doet ontwaken.
In zijn recente autopsiestudie vond Prusty bewijzen van wijdverspreide HHV-6 activering in de hersenen van 2/3 voormalige ME/cvs-patiënten, en EBV-activering in alle drie de patiënten. Zeer weinig HHV-6 werd gevonden in de gezonde controles.
De bevinding plaatst ME/cvs mogelijk in dezelfde groep – althans wat HHV-6 betreft – als andere ziekten zoals multiple sclerose, waarbij HHV-6-activatie in de hersenen is aangetroffen.
Een overzicht van vroegere autopsiebevindingen vond een patroon van schade aan de achterwortelganglia die verantwoordelijk zijn voor het doorgeven van sensorische en autonome signalen aan het ruggenmerg.
ME/cvs autopsies lijken schaars te zijn. Gezien de bevindingen tot nu toe lijkt het erop dat er een biobank moet komen die ze kan bevatten – als die er nog niet is.
De opzienbarende herpesvirusbevindingen van Prusty voegen meer gewicht toe aan de recente herpesvirusbevindingen bij ME/cvs en Long-COVID. We zullen in de toekomst zeker meer horen over de herpesvirussen bij deze ziekten.
A Z-stack video showing presence of HHV-6 miRNA (miR-aU14) within Lumbosacral nerve root of one of the ME/CFS patient. pic.twitter.com/UMuaORBd3t
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-wetenschap-HHV-6-gevonden-in-hersenen-van-ME_cvs-patienten.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-12-20 16:36:252024-08-18 21:09:58HHV-6 gevonden in de hersenen van ME/cvs-patiënten
Er werden veranderingen vastgesteld in de hippocampus van de hersenen van ME/cvs-patiënten
Deze veranderingen werden geassocieerd met vermoeidheid, pijn en fysieke functie
Ze waren groter bij patiënten die geïdentificeerd werden aan de hand van de ICC-criteria dan van de Fukuda-criteria
Achtergrond
Een recente paper van onderzoekers van de Griffith University in Queensland, Australië, suggereert dat sommige symptomen van ME/cvs zoals vermoeidheid, pijn en slaapstoornissen gelinkt kunnen worden aan structurele veranderingen in een deel van de hersenen, de hippocampus.
Onder de onderzoekers bevindt zich Dr. Leighton Barnden die momenteel ook de disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs onderzoekt als onderdeel van een studie gefinancierd door ME Research UK.
De hippocampus is een complexe structuur diep in de temporale kwab van de hersenen, en is betrokken bij cognitie, geheugen en regulering van de hypothalamus (die de autonome zenuwfunctie controleert).
De Australische studie omvatte 25 mensen met ME/cvs die alleen voldeden aan de diagnostische criteria van Fukuda, 18 ME/cvs-patiënten die voldeden aan de strengere Internationale Consensus Criteria (ICC), en 25 gezonde controlepersonen.
Wat hebben ze gevonden?
Gebruikmakend van beeldvorming met magnetische resonantie (MRI) om de structuur van de hersenen te onderzoeken, ontdekten de onderzoekers dat de volumes van specifieke gebieden van de hippocampus groter waren bij ME/cvs-patiënten die voldeden aan de ICC-criteria dan bij gezonde controles. Dit was niet het geval bij patiënten die alleen voldeden aan de Fukuda-criteria.
Het team keek ook naar verbanden tussen deze volumeveranderingen en de symptomen van ME/cvs. Er was een gemengd beeld, waarbij toe- of afnames in de omvang van verschillende gebieden van de hippocampus geassocieerd werden met vermoeidheid, pijn, slaapstoornissen of fysiek functioneren.
Hoewel deze associaties werden gevonden in beide groepen van patiënten, waren ze sterker bij wie voldeed aan de ICC-criteria voor ME/cvs.
Wat betekent dit?
In het algemeen suggereren de onderzoekers dat hun bevindingen de betrokkenheid van de hippocampus bevestigen bij sommige van de symptomen van ME/cvs-patiënten die voldoen aan de ICC-criteria, waaronder ‘hersenmist’, geheugenproblemen en het vermogen om complexe taken uit te voeren.
De hippocampus is een kwetsbare structuur die op verschillende manieren kan worden beschadigd, en veranderingen in hippocampusnetwerken werden gerapporteerd bij aandoeningen zoals chronische stress, de ziekte van Cushing, dementie en de ziekte van Alzheimer.
De Queensland-groep suggereert dat de toename die zij in de hippocampus hebben waargenomen, te wijten kan zijn aan het feit dat de hersenen zich aanpassen aan veranderingen in de hersenstam (wat zij in een eerdere studie hebben gerapporteerd), om de communicatie tussen deze twee gebieden van de hersenen in stand te houden.
De studie was relatief klein qua aantal patiënten, wat vaak het geval is met een dure techniek als MRI. De studie moet dus op grotere schaal worden herhaald om de bevindingen te bevestigen.
De studie draagt echter wel bij tot onze groeiende erkenning van de invloed van ME/cvs op de hersenen, en tekent ME/cvs af als een afzonderlijke neurologische ziekte. Het roept ook vragen op over welke types van patiënten worden vastgesteld door verschillende diagnostische criteria.
Als deze resultaten kunnen worden bevestigd door grotere studies, zien we misschien MRI-scans gebruikt worden om ME/cvs op te sporen, en artsen in staat om behandeling aan te bieden met bestaande of nieuwe geneesmiddelen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-Nieuws-wetenschap-strukturele-veranderingen-in-de-hersenen-bij-MEcvs.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-09-05 17:27:312024-08-18 21:33:47Structurele veranderingen in hersenen bij ME/cvs
Lees hier deel 1, waarin het cognitief functioneren en de betrokken hersengebieden worden geïntroduceerd.
Cognitieve disfunctie kan één van de meest verontrustende symptomen zijn voor mensen met ME/cvs.
Dit omvat:
afname van het werkgeheugen
afname van aandacht
het vermogen om fouten op te sporen
organisatorische vaardigheden
probleemoplossing
verbale vloeiendheid
redeneren
Inleiding
Er zijn een aantal tests en technieken die worden gebruikt om de hersenstructuur en -functie te beoordelen, en sommige hiervan werden in een vorig artikel besproken.
Er is duidelijk cognitieve disfunctie bij ME/cvs, en een meta-analyse uit 2010 onthulde significante verschillen in informatieverwerking, werkgeheugen en aandacht bij mensen met ME/cvs in vergelijking met gezonde controlepersonen.
Echter, in tegenstelling tot plaatselijk letsel (zoals bij een beroerte), is bij ME/cvs geen enkel hersengebied bij iedereen verstoord. Schade en veranderingen die leiden tot cognitieve disfunctie kunnen niet alleen betrekking hebben op de grijze stof, waar neuronale cellichamen zitten, maar ook op de witte stof, waar axonen signalen verzenden tussen verschillende hersengebieden.
Naast neuronale structurele veranderingen kunnen er ook problemen ontstaan door functieveranderingen. Verder kunnen afwijkingen betrekking hebben op problemen in hersengebieden die direct betrokken zijn bij cognitie en/of andere hersengebieden, die deze beïnvloeden via de onderlinge verbindingen (zoals besproken in deel 1).
In dit artikel kijken we naar enkele van de vele hersenstudies die zijn uitgevoerd bij mensen met ME/cvs, waarbij we ons concentreren op die onderzoeken die hersengebieden hebben onderzocht, die direct betrokken zijn bij het cognitief functioneren:
de anterieure cingulate cortex (ACC)
de dorsolaterale prefrontale cortex (dlPFC)
de laterale orbitofrontale cortex (lOFC)
Struktuur van de hersenen
Om te beginnen toonde een studie, die onderzocht hoe de hersenstructuur verandert bij mensen met ME/cvs, een significante vermindering van het volume van de grijze stof in al deze frontale kwabgebieden.
Deze studie toonde ook een correlatie aan tussen hoeveel dit was verminderd en de mate waarin patiënten in staat waren taken uit te voeren. Verminderingen van het volume in de dlPFC (die betrokken is bij het oplossen van problemen, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit) waren significant gecorreleerd met vermoeidheidsscores.
Een andere studie onderzocht de microstructuur van hersenweefsel en hoe de kleine uitsteeksels van neuronen, dendrieten en neurieten genaamd, waren gerangschikt en verspreid (stel je een tarweveld voor dat rechtop zou moeten staan, maar wordt platgedrukt en/of in delen gemaaid). Deze studie vond structurele afnames in de ACC, die betrokken is bij cognitieve processen zoals aandacht, cognitieve flexibiliteit en emotionele regulatie, samen met andere delen van de frontale en pariëtale lobben.
De auteurs suggereerden dat hun bevindingen wijzen op krimp van neuronen en van de dichtheid van axonen en de myeline-omhulling die helpt bij het overbrengen van celsignalen.
Ze vonden ook veranderingen in het aantal en het patroon van neurieten in andere gebieden van de cingulate, temporale en occipitale lobben, wat wijst op een afname van de neuronale functie omdat ze minder goed in staat zijn om naburige celsignalen op te pikken.
Ook werden in deze studie afnames getoond in de superieure longitudinale fasciculus-route, een grote bundel axonen van veel neuronen, die signalen van de frontale kwab naar andere delen van de cortex brengt, die betrokken zijn bij veel cognitieve processen, waaronder emotionele verwerking, aandacht en geheugen .
Metabolische en chemische veranderingen
Studies hebben ook metabolische en chemische veranderingen onderzocht in de hersengebieden die betrokken zijn bij het cognitief functioneren.
Eén studie onderzocht het molecuul acetylcarnitine (waarvan wordt gedacht dat het betrokken is bij de productie en het gebruik van hersenenergie) en bestudeerde ook om de bloedstroom (wat een marker is voor hersenactivatie). Analyse toonde een afname van beide factoren in de ACC, wat een weerspiegeling zou kunnen zijn van een verstoring in signalen die door de neurotransmitter glutamaat worden overgebracht.
Een andere studie vond een afname van een serotoninetransporter in de ACC (het mechanisme dat serotonine helpt om te worden gerecycled door een neuron, zodat het beschikbaar is om een signaal door te geven), wat ook de cognitieve verwerking kan beïnvloeden.
Elektrische activiteit
Een andere manier om te kijken naar hoe de hersenen werken, is door elektrische activiteit en connectiviteit binnen en tussen hersengebieden te beoordelen.
Een studie waarbij gebruik werd gemaakt van elektro-encefalografie (EEG) vond bij mensen met ME/cvs een tekort aan neuronale activiteit in verschillende hersengebieden. Deze gebieden omvatten de cingulate, pariëtale en occipitale lobben, die worden geassocieerd met aandacht, geheugen, concentratie en informatieverwerking.
De studie vond ook verminderde connectiviteit in cognitieve netwerken die betrokken zijn bij gerichte aandacht, interpreteren van input, doelgericht gedrag en werkgeheugen, waaronder in onze drie belangrijkste gebieden – de ACC, dlPFC en OFC.
In een ander onderzoek werd abnormale functionele connectiviteit gevonden zowel lokaal, binnen de ACC, als tussen dit gebied en de rechter insula, een deel van de hersenschors dat betrokken is bij perceptie, cognitief functioneren, emotie en bewustzijn. De auteurs suggereerden dat deze verminderde connectiviteit geassocieerd zou kunnen zijn met neuropsychologische tekorten.
De connectiviteit was ook verminderd tussen de ACC en de hippocampus, een gebied dat betrokken is bij het geheugen, en tussen de hippocampus en andere delen van de frontale kwab, waaronder de dlPFC en OFC, waarvan de laatste betrokken is bij cognitieve initiatie, probleemoplossing, interferentiecontrole en Sensorische integratie.
Een verdere studie toonde abnormale functionele connectiviteit aan tussen gebieden binnen de cingulate cortex, die, zo veronderstelden ze, “kunnen resulteren in tekorten aan cognitie en emotie” bij mensen met ME/cvs.
Ondersteuning en immuuncellen
Zelfs als neuronen structureel en functioneel gezond zijn, kunnen ze worden beïnvloed door wat er gebeurt in de ‘ondersteunende’ cellen van de hersenen, astrocyten en cellen van het immuunsysteem (de microglia).
Activatie van deze cellen wordt in verband gebracht met inflammatie in de hersenen, zoals werd gevonden in een onderzoek bij mensen met ME/cvs, waar inflammatie correleerde met de ernst van cognitieve stoornissen, evenals met vermoeidheid en pijn. Specifieke getroffen regio’s waren de ACC en andere regio’s die betrokken zijn bij het corticale functioneren, zoals de thalamus, hippocampus, middenhersenen en pons.
De auteurs stelden dat de neuro-inflammatie die ze vonden mogelijk te wijten is aan het feit dat neuronen zichzelf moeten ‘overbelasten’ om verlies van functie te compenseren.
Inderdaad, een ander onderzoek dat mentale vermoeidheid tijdens cognitieve taken onderzocht, vond dat de scores significant voorspellend waren voor verhoogde hersenactiviteit in regio’s, waaronder verschillende gebieden van de cingulate cortex, evenals regio’s in de frontale, temporale en pariëtale lobben, en subcorticale gebieden zoals de kleine hersenen en hippocampus.
Deze auteurs concludeerden dat hun resultaten “suggereren dat acute mentale vermoeidheid wijdverbreide effecten heeft op aandacht, werkgeheugen en executieve controleprocessen en het is aannemelijk dat gevoelens van vermoeidheid van invloed kunnen zijn op het vermogen van een persoon om efficiënt aandacht te besteden aan informatie, informatie op te slaan, te manipuleren en terug te halen uit het geheugen”.
Dit zijn allemaal omstandigheden waar mensen met ME/CVS veel mee te maken kunnen hebben.
Conclusie
Hoewel dit slechts enkele van de onderzoeken zijn naar cognitieve disfunctie bij ME/cvs, laat deze momentopname zien dat wat mensen ervaren onder de vlag van ‘brainfog’ geassocieerd kan worden met:
daadwerkelijke veranderingen in de structuur van de hersenen,
disfunctie van neuronen, en
activering van ondersteunende en immuunsysteemcellen in de hersenen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-blog-Brainfog-deel-2-Cognitief-functioneren.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-08-20 22:07:052024-08-19 00:43:09Brainfog deel 2: Cognitief functioneren en ME/cvs
In zekere zin is de hoofdauteur van deze studie, Avindra Nath, er al eens geweest. Anderhalf jaar geleden, in februari 2021, kwam Nath met een van de eerste – en nog steeds de meest interessante – hersenbevindingen bij COVID.
De studie “Microvasculair letsel in de hersenen van patiënten met Covid-19” belichtte een thema – schade aan kleine bloedvaten – dat in de loop van de tijd alleen maar is gegroeid. Nath’s vroege studie vond wijdverspreide punctate hyperintensiteiten – vergelijkbaar met wat tientallen jaren geleden werd gevonden bij ME/cvs – en kleine bloedvatbeschadigingen en lekkage in de hersenen.
Eiwitten zoals fibrinogeen, C1q, IgG en IgM – die alleen in het bloed mogen worden aangetroffen – waren in de hersenen gelekt, hetgeen ongetwijfeld een immuunreactie teweeg had gebracht. De resultaten van de studie wijzen erop dat de bloed-hersenbarrière die de hersenen beschermt, beschadigd is.
Bij een recent onderzoek van de literatuur over Long-COVID werden niet minder dan 15 studies gevonden waarin problemen met bloedvaten en bloedstolling bij COVID aan de orde kwamen. Geen van deze studies had echter betrekking op problemen met de bloedvaten in de hersenen.
Het virus toonde in deze studie echt zijn potentieel dodelijke karakter: alle deelnemers aan deze studie stierven vrij snel nadat ze geïnfecteerd waren geraakt en, terwijl ze wel ademhalingssymptomen kregen, deed het virus zijn dodelijke werk in hun hersenen.
Hoewel de deelnemers aan de studie zijn overleden, verklaarde Nath in interviews dat hij van mening is dat de bevindingen van de studie van nut kunnen zijn voor wat er bij Long-COVID gebeurt.
De studie onderzocht de endotheelcellen die de bloedvaten bekleden grondig. De door antilichamen geproduceerde immuuncomplexen die op de endotheelcellen werden aangetroffen, wezen erop dat er een afweerreactie had plaatsgevonden.
IgG- en IgM-antilichamen en bloedplaatjesaggregaten (d.w.z. kleine bloedklonters) werden geassocieerd met eiwitten (C1q, C4d, en C5b-9) die geproduceerd worden door de klassieke route van de complementaire tak van het immuunsysteem. Activering van de klassieke route komt voor bij veel auto-immuunziekten en ontstekingsziekten.
De verkleuringen tonen hoge niveaus van verschillende complementproteïnen in de COVID-19 patiënten (onder) versus de controles (boven).
Verhoogde niveaus van een adhesiereceptor op de oppervlakken van deze cellen suggereerden dat de beschadigde cellen geactiveerde bloedplaatjes aantrokken.
Deze veroorzaakten een stollingscascade die de endotheelcellen beschadigde, waardoor deze gingen lekken. (Genexpressiegegevens wezen erop dat een stollingscascade was begonnen en dat een stolling had plaatsgevonden.).
Verhoogde niveaus van de von Willebrand factor, die geassocieerd wordt met schade aan de endotheelcellen die de bloedvaten bekleden, bevestigden verder het feit dat er schade aan de bloedvaten was opgetreden.
De auteurs merkten op dat COVID-19 studies van de longen gelijkaardige “vreemde” bloedvatbevindingen hebben gevonden met inbegrip van “unieke vasculaire kenmerken bestaande uit endotheelschade, microtrombose (microbloedklonters) en intussusception angiogenese (‘splijtende bloedvaten’)”.
Het allerbelangrijkste antigeen – de molecule die op de endotheelcellen wordt aangetroffen – dat het immuunsysteem ertoe had aangezet hen aan te vallen, blijft onbekend, maar de auteurs opperden dat het ofwel van het spike-eiwit van het coronavirus zou kunnen komen, ofwel van de ACE-2 receptor die het virus gebruikt om in de cellen door te dringen.
Gezien de abnormale ACE-2 bevindingen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), zou dit laatste waarschijnlijk meer van nut zijn voor mensen met ME/cvs.
Een ontstekingsreactie waarbij vooral de macrofagen in de ruimten rond de bloedvaten betrokken zijn, weerspiegelt een poging om de schade te herstellen die door de lekkende bloedvaten is veroorzaakt. Daarmee heb je een doorgaand ontstekingsproces in de hersenen.
Met name in het gebied van de hersenstam werden wijdverbreide neuronverliezen en beschadigingen geconstateerd. Hoewel de studie daar geen bewijs van infectie vond, merkten zij op dat “Betrokkenheid van de hersenstam ernstige gevolgen zou kunnen hebben aangezien vele vitale functies door dit gebied worden gecontroleerd” en dat “vijf patiënten in onze studie plotseling stierven, de meesten tijdens hun slaap”. De hersenstam is natuurlijk van groot belang bij ME/cvs.
Het model
Nath’s model van endotheliale celschade bij Long-COVID.
De auteurs denken dat het volgende is gebeurd: Het virus triggert – op een manier die zij nog niet kennen – de complementroute om immuun-antilichaamcomplexen te vormen die de endotheelcellen aanvallen en activeren.
De geactiveerde endotheelcellen zorgen vervolgens voor de vorming van ontstekingsbevorderende en stollingsbevorderende factoren, waardoor zich stolsels vormen. Door de beschadigde endotheelcellen konden proteïnen weglekken in de ruimten rond de bloedvaten.
De ongewenste proteïnen trekken dan monocyten aan – die macrofagen worden – die de proteïnen opslokken in een poging om het gebied schoon te maken.
Sommige proteïnen vonden echter hun weg naar de immuuncellen in de hersenen – de gliacellen – en ook naar de neuronen die zij omgeven en ondersteunen. De gliacellen voelen een indringer en vallen de proteïnen aan, maar beschadigen daarbij de neuronen, waardoor de macrofagen ook deze moeten opruimen.
De plekken met lekkende bloedvaten in de hersenen liggen verspreid over de hersenen, maar zijn blijkbaar meer geconcentreerd in het gebied van de achterkant van de hersenen, waar de hersenstam zich bevindt, en veroorzaken een voortdurende ontstekingsreactie in de hersenen en schade aan de zenuwen.
De symptomen die elke persoon ervaart, hangen af van in welk deel van de hersenen de bloedvatlekkage zich voordoet.
Long-COVID connectie?
De deelnemers aan deze studie waren overleden, maar het gebrek aan betrokkenheid van de longen en de enorme impact op hun hersenen, deden Nath denken aan Long-COVID.
Als deze patiënten het overleefd hadden, zouden ze volgens Nath waarschijnlijk Long-COVID-patiënten zijn geworden, en verklaarde: “Het is heel goed mogelijk dat deze zelfde immuunrespons persisteert bij Long-COVID-patiënten, met neuronale schade als gevolg.”
Nath merkte op dat immuunmodulerende therapieën zouden kunnen helpen de immuunactivatie uit te schakelen die zoveel problemen veroorzaakt, “deze bevindingen hebben zeer belangrijke therapeutische implicaties”.
Nath is begonnen met een IVIG/corticosteroïden studie met 40 personen.
ME/cvs connectie?
Dit model is des te interessanter omdat het lijkt te passen bij wat sommige ME/cvs-studies in het verleden hebben gevonden. Baraniuk’s 2005 cerebrospinaal proteoom studie vond bewijs van amyloïde (verkeerd gevouwen eiwit) afzetting in de bloedvaten en een verzwakking van de bloedvatwanden in de hersenen.
Baraniuk speculeerde dat gelokaliseerde bloedingen, veroorzaakt door amyloïde afzetting in de bloedvaten, zich zouden kunnen voordoen in de hersenen van ME/cvs patiënten.
In 1992 werd in een grote studie, gezamenlijk geschreven door Dr. Peterson, Dr. Cheney, Dr. Komaroff, en Dr. Paul Gallo, wijdverspreide punctate hyperintensiteiten gevonden in de hersenen van mensen met ME/cvs.
De auteurs verklaarden dat deze puntvormige hyperintensiteiten overeenkwamen met de perivasculaire ruimten die het hersenvocht omgeven en suggereerden dat een gelijkaardig proces had plaatsgevonden: lekkage had een ontstekingsreactie in de hersenen in gang gezet die de neuronen beschadigde.
Net als bij Nath’s bevindingen, varieerde de plaats van de hyperintensiteiten per patiënt. Er wordt nu aangenomen dat de hyperintensiteiten veroorzaakt worden door microvasculaire aandoeningen, d.w.z. beschadiging van de kleine bloedvaten in de hersenen – precies wat Nath heeft gevonden.
Belangrijk onderzoeksgebied
Met meer dan een dozijn studies over endotheelcellen, bloedvaten en stollingen die opduiken bij Long-COVID, en soortgelijke studies die opduiken bij ME/cvs, zijn de bloedvaten en het bloed zelf gebieden van intense belangstelling geworden.
De hoofdpunten
Meer dan een jaar geleden publiceerde Avindra Nath de resultaten van een kleine autopsiestudie die aantoonde dat kleine bloedvatlekken in de hersenen van mensen met COVID-19 ontstekingen in de hersenen veroorzaakten.
Om uit te zoeken hoe dat gebeurde, keek hij in zijn meest recente studie beter naar de endotheelcellen die de bloedvaten van de hersenen bekleden.
Sinds die tijd hebben meer dan een dozijn studies gekeken naar de werking van de bloedvaten bij Long-COVID, en de werking van de kleine bloedvaten is een onderwerp van grote interesse geworden bij Long-COVID en ME/cvs.
In Nath’s meest recente studie werd vastgesteld dat immuuncomplexen, geassocieerd met IgM en IgG antilichamen, werden aangetroffen op de endotheelcellen die de bloedvaten bekleden. Dit wees erop dat het immuunsysteem de endotheelcellen had aangevallen. Deze cellen zijn verantwoordelijk voor het openen/sluiten van de bloedvaten en spelen een belangrijke rol in het immuunsysteem.
Nath was niet in staat te bepalen wat het immuunsysteem tot deze cellen had aangetrokken, maar stelde dat ofwel het spike-eiwit van het coronavirus, ofwel schade aan de ACE-II receptor die het virus gebruikt om de cellen binnen te dringen, daarvoor verantwoordelijk zou kunnen zijn. (Een paar studies suggereren dat schade aan de ACE-II receptor is opgetreden bij ME/cvs en POTS).
De schade aan de endotheelcellen zorgde ervoor dat ze geactiveerd werden en meer immuunfactoren produceerden – inclusief het aantrekken van bloedplaatjes naar het gebied en het in gang zetten van een stollingscascade.
De kleine bloedklonters die zich vormden, blijken de hechte verbindingen van de endotheelcellen die de bloedvaten bekleden, te hebben verbroken – waardoor eiwitten in de perivasculaire ruimten rond de bloedvaten terechtkwamen.
Deze proteïnen, en de immuunrespons die ze teweegbrachten in de microgliacellen, veroorzaakten vervolgens een voortdurende ontsteking.
Het gebrek aan betrokkenheid van de longen en de hoge graad van herseninflammatie bij deze patiënten – van wie de meesten stierven zonder ooit in een ziekenhuis te zijn geweest – bracht Nath tot de stelling dat als deze patiënten hadden overleefd, zij waarschijnlijk Long-COVID zouden hebben gekregen.
Een gelijkaardig proces kan zich voordoen bij ME/cvs. Dertig jaar geleden vond een ME/cvs studie wijdverspreide niveaus van “punctate hyperintensiteiten” bij ME/cvs patiënten waarvan wordt verondersteld dat ze de disfunctie van kleine bloedvaten weerspiegelen. Zeven jaar geleden wees James Baraniuk’s cerebrale spinale vloeistof proteoom studie op de afzetting van amyloïde eiwitten in endotheelcellen, verzwakte hersenbloedvatwanden, en lekkage in de hersenen.
Nath suggereerde dat behandeling om het immuunsysteem te remmen nuttig zou kunnen zijn bij Long-COVID en is begonnen met een IVIG-studie bij 40 personen met Long-COVID.
Dit is een belangrijk onderzoeksgebied! Meer blogs over de werking van kleine bloedvaten bij Long-COVID en ME/cvs komen eraan.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-Nieuws-wetenschap-hersenntstekingen-door-aantasting-bloedvaten.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-07-20 20:44:112024-08-18 21:29:36Hersenontstekingen door aantasting bloedvaten
Deze studie kon je vanop een kilometer afstand zien aankomen. Visser, Van Campen en Rowe zijn de afgelopen jaren druk bezig geweest met baanbrekende studie na baanbrekende studie. Het was slechts een kwestie van tijd – en niet veel tijd ook – voordat ze bij langdurige COVID aanbelandden.
Hoewel slechts 10 langdurige COVID-patiënten werden geëvalueerd, werd er niet selectief gekozen, werden de ernstigste gevallen er niet uitgepikt, en probeerden ze het resultaat niet in hun voordeel te beïnvloeden – de groep nam gewoon de eerste 10 langdurige COVID-patiënten die in hun kliniek werden gezien, op in hun studie. Alle patiënten in de studie – zowel de langdurige COVID- als de ME/cvs-patiënten – voldeden aan de IOM-criteria voor ME/cvs.
Ze beoordeelden de symptomen, legden de deelnemers op een kanteltafel en keken hoe hun cardiovasculaire systeem zich probeerde aan te passen.
De symptomen van de twee groepen waren bijna identiek, waarbij de langdurige COVID-groep er iets ernstiger aan toe was. De groep probeerde zeker de groepen uit elkaar te halen, maar zelfs een analyse van 21 verschillende symptoomclusters in de Fukuda-criteria, de Canadese Criteria en de IOM-criteria, vond geen verschil in symptomen tussen de langdurige COVID- en ME/cvs-patiënten (met of zonder POTS).
Alleen overgevoeligheid voor voedsel en/of chemicaliën kwam vaker voor in de ME/cvs-groep – misschien suggereert dit dat de overgevoeligheidskwesties de neiging hebben zich later te openbaren.
Deze studie vond zowel verminderde bloedtoevoer naar de hersenen als hoge hartslag (POTS) bij de langdurige COVID-patiënten. Aangezien de langdurige COVID-patiënten zowel POTS als een verlaagde bloedstroom naar de hersenen vertoonden, was het niet verwonderlijk dat zij een nog sterkere verlaagde bloedstroom naar de hersenen hadden dan de ME/cvs-patiënten zonder POTS.
Over onderlinge verbanden tussen ziekten gesproken. Hetzelfde scenario – verminderde bloedstroom naar de hersenen – is gevonden bij mensen met ME/cvs (zonder POTS en met POTS), mensen met POTS en mensen met langdurige COVID.
Hetzelfde geldt voor de spieren: invasieve inspanningsstudies hebben verminderingen gevonden in de bloedstroom naar de spieren bij langdurige COVID en ME/cvs. Met een recente grote studie die mogelijke problemen met endotheelcellen/bloedvaten bij langdurige COVID aan het licht bracht, lijkt het verband tussen bloedvaten/bloedstroom bij al deze ziekten steeds sterker te worden.
Deconditionering opnieuw tegengesproken
Deconditionering zal natuurlijk weer de kop opsteken in langdurige COVID. De groep Van Campen/Rowe/Visser heeft heel veel gedaan om aan te tonen dat zelfs jaren van ME/cvs niet leiden tot energieproductieproblemen bij ME/cvs. Ze zijn er vanaf het begin en ze zijn aanwezig of iemand met ME/cvs nu gedeconditioneerd is of niet.
Nu komt een andere wending. De langdurige COVID-patiënten waren fysiek fit voor ze ziek werden en ontwikkelden de orthostatische symptomen die opdoken wanneer ze rechtop stonden, vroeg in hun ziekte – vóór de deconditionering zijn intrede kon doen – en suggereren dat de bloedstroom naar de hersenen zeer vroeg in de ziekte begon te dalen.
De auteurs lijken ook een interessante vraag te hebben opgehelderd: waarom hebben sommige mensen met een zeer hoge hartslag bij het rechtop staan, die voldoen aan de hartslagcriteria voor POTS, geen symptomen bij het rechtstaan? Het blijkt dat een hoge hartslag niet het volledige antwoord is bij POTS.
Met behulp van nieuwe technologie heeft de Visser-groep vastgesteld dat POTS een ziekte is van sympathische overdrive (inclusief hoge hartslag) en, het belangrijkste, verminderde bloedtoevoer naar de hersenen.
Het onvermogen om dit te onderscheiden, heeft problemen veroorzaakt omdat het artsen een opening heeft gegeven om de hoge hartslagproblemen die bij POTS worden gevonden, te verwerpen en een psychologisch etiket op POTS-patiënten te plakken. Het is opmerkelijk hoe gevaarlijk onvolledig onderzoek kan zijn.
Trigger
Verschillende triggers lijken dezelfde algemene ziekte te veroorzaken. Ze moeten allemaal worden onderzocht.
De studie evalueerde ook een factor die steeds belangrijker zal worden voor de ME/cvs-gemeenschap: ziektetriggers. Veel mensen met langdurige COVID zijn, begrijpelijk, wanhopig op zoek naar bevestiging dat ze besmet zijn met het coronavirus om hun ziekte te valideren en hopelijk te vermijden dat ze worden afgewezen door de medische gemeenschap.
ME/cvs is in verband gebracht met langdurige COVID via de gemeenschappelijke postinfectieuze trigger, maar een aanzienlijk deel van de mensen met ME/cvs hebben ofwel geen postinfectieuze trigger of beseffen niet dat ze er een hebben gehad. Deze studie, bijvoorbeeld, vond dat meer dan 40% van de ME/cvs-patiënten niet rapporteerden dat een infectie hun ziekte veroorzaakte – toch waren hun symptomen en, zoals we zullen zien, hun testresultaten blijkbaar bijna identiek aan die gevonden bij de postinfectieuze patiënten.
Dat leidt tot een klein raadsel over het verband tussen langdurige COVID en ME/cvs. Tot dusverre vereisen twee belangrijke hypothesen met betrekking tot langdurige COVID ofwel een auto-immuunreactie op een virus, ofwel een langdurige ontstekingsreactie op virale eiwitten. In beide gevallen is een virus nodig.
Aangezien beide hypothesen uitkomen bij de bloedvaten, is het mogelijk dat er een niet-virale oorzaak is voor het disfunctioneren van de bloedvaten, die nog niet aan het licht is gekomen. Of het kan zijn dat iedereen met deze ziekten een infectieus begin had, maar dat het begin niet altijd normale griepachtige symptomen gaf – en dus verborgen bleef. Er bestaat bijvoorbeeld een atypische vorm van infectieuze mononucleose [ziekte van Pfeiffer/klierkoorts], die geen gezwollen lymfeklieren, koorts, enz. veroorzaakt, maar die wel soortgelijke immuunafwijkingen voortbrengt. Studies die ziektetriggers beoordelen, zullen dus van cruciaal belang zijn om patiënten bij wie de ziekte niet door een infectie wordt veroorzaakt, op te nemen in het brede scala van het lopende onderzoek.
Gemiste berichten
Het is belangrijk, zowel voor mensen met langdurige Covid als voor mensen met ME/cvs, dat de gelijkenissen tussen de twee ziekten worden erkend. Uit een enquête blijkt echter dat die boodschap niet bij alle artsen aankomt.
Ondanks het feit dat mensen met langdurige Covid vaak voldoen aan de criteria voor ME/cvs, en dat behandelingsprotocollen die symptomatisch kunnen helpen, gemakkelijk beschikbaar zijn, suggereert de enquête dat artsen bijna nooit bij patiënten met langdurige COVID de diagnose van ME/cvs (3%) of posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) (4%) stellen.
Langdurige COVID lijkt dus, althans op het niveau van de artsen, grotendeels te worden gezien als een eigen entiteit die onlosmakelijk verbonden is met het coronavirus, maar niet noodzakelijk met andere ziekten – met inbegrip van de ziekten die er het nauwst bij aansluiten.
Wiens universum?
Deze gelijkenis – samen met de cardiale index en vermindering van cerebrale bloedstroom die gevonden wordt in zowel gevallen van langdurige COVID als controles met ME/cvs – ondersteunt het standpunt dat langdurige COVID-19, met een symptoomduur van meer dan 6 maanden, een vorm van ME/cvs is. De auteurs.
Moeten langdurige COVID (en andere postinfectieuze en niet-postinfectieuze ziektetoestanden) worden gezien als subgroepen van ME/cvs?
Dat is problematisch, gezien een grote vraag die boven het veld hangt: hoe past langdurige COVID in het ME/cvs-universum, en hoe past ME/cvs in het langdurige COVID-universum? Langdurige COVID krijgt veel meer onderzoeksfinanciering dan ME/cvs ooit heeft gehad, en daarom zal er een sterke aantrekkingskracht zijn om het volgens zijn eigen voorwaarden te definiëren – en aanverwante ziekten alleen verder te laten gaan.
Natuurlijk is het begrijpelijk dat sommige mensen met langdurige COVID afkerig staan tegenover het idee dat hun ziekte over één kam wordt geschoren met een gestigmatiseerde ziekte als ME/cvs. De rug toekeren aan een groep lang verwaarloosde patiënten die in wezen dezelfde ziekte lijken te hebben, is een morele kwestie, maar afgezien daarvan zijn er verschillende andere redenen waarom het voor iedereen het beste zou zijn om langdurige COVID op te vatten als een subgroep van ME/cvs.
Overweeg het volgende: ME/cvs beschrijft een soort brede aandoening die algemeen vermoeid maakt en inspanning bemoeilijkt.. Onder die noemer kunnen allerlei andere aandoeningen, postinfectieus en anderszins, worden ingepast. Langdurige COVID, chronische Lyme, posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom, fibromyalgie, post-IC-syndroom en waarschijnlijk elk bekend postinfectieus syndroom zouden allemaal kunnen passen onder een benaming als ME/cvs.
Gezien de infectieuze oorzaken die bij veel van deze ziekten worden aangetroffen, zou het een gemiste kans zijn als langdurige COVID niet grondig zou worden begrepen en niet zou worden gezien als gewoon de meest prominente van vele postinfectieuze toestanden. In het beste geval zal langdurige COVID aanleiding geven tot wat in wezen een nieuw gebied van onderzoek naar postinfectieuze ziekten zal zijn.
Langdurige COVID zou echter ook leven moeten blazen in de studie van vermoeiende, inspanningsintolerante, niet-postinfectieuze toestanden. Aangezien langdurige COVID meer en meer synoniem wordt met ME/cvs, vereist de logica dat men ook onderzoek moet gaan doen naar de niet-infectieuze bronnen van inspanningsintolerantie, vermoeidheid, enz. die gevonden worden in ME/cvs.
Het feit dat ME/cvs geen postinfectieuze trigger vereist, en dat het brede criteria volgt die gericht zijn op vermoeidheid, inspanningsintolerantie en andere symptomen, betekent dat het, althans op dit moment, zinvol is dat het gebruikt wordt als een algemene overkoepelende term waaronder al deze andere ziekten kunnen worden gekoppeld.
Conclusie
Deze studie was te klein om definitief aan te tonen dat verminderde bloedtoevoer naar de hersenen wordt gevonden bij langdurige COVID, maar het geeft een teken dat grotere, beter gefinancierde, onderzoekers kunnen gebruiken om langdurige COVID te onderzoeken. Het weerlegt ook beweringen over deconditionering en verbindt langdurige COVID, ME/cvs en POTS op een nieuwe manier met elkaar, wat logisch is, gezien andere bevindingen van verminderde bloedtoevoer.
Het voegt mogelijk nog een andere link toe aan tussen langdurige COVID en ME/cvs die steeds sterker lijkt te worden. Tot dusver zijn dit de mogelijkheden: verminderde bloedstroom, verminderd vermogen om energie te produceren tijdens inspanning, hypercoagulatie, misvormde rode bloedcellen, neuro-inflammatie, ACE-2-ontregeling, T-cel-uitputting, NK-celproblemen, darmdysbiose, hyperkatabole toestand.
Hopelijk zullen de grote onderzoeksinspanningen in de VS – waarvan we tot nu toe weinig hebben gehoord – deze studie bestuderen en er op gepaste wijze op reageren. Dysautonomie – lange tijd een aandachtspunt in ME/cvs en POTS – is een erkend probleem in langdurige COVID en wordt meer bestudeerd. Toch is het dysautonomieveld niet groot en het valt nog te bezien of de grote Amerikaanse studies het zullen omarmen.
Bron: https://www.healthrising.org/blog/2021/12/26/brain-blood-flows-long-covid-ME-cfs-POTS/ Health Rising, 26 december 2021 Vertaling ME-gids
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-Nieuws-wetenschap-ziek-door-verminderde-bloedstroom-naar-hersenen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-06-12 20:50:272024-08-18 22:46:21Ziek door verminderde bloedstroom naar de hersenen?
“Miljoenen mensen blijven last houden van uitputting, cognitieve problemen en andere langdurige symptomen na een besmetting met het coronavirus. De precieze oorzaken van de ziekte, bekend als Long COVID, zijn niet bekend. Maar nieuw onderzoek biedt aanknopingspunten, beschrijft de tol die de ziekte van het lichaam eist en waarom het zo slopend kan zijn.” Josh Keller
De New York Times publiceerde onlangs een uitstekend en mooi geïllustreerd artikel, “How Long COVID Exhausts the Body”, door Josh Keller, dat prominent op de website werd geplaatst. Keller, die duidelijk zijn huiswerk heeft gedaan, merkte in het artikel verschillende keren een mogelijk verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) op. Het volledige verband tussen de twee werd niet onderzocht.
Dat zou wellicht wel moeten. Sommige groepen lijken immers niet te geloven dat deze ziekten veel met elkaar gemeen hebben. Zo is het National Institutes of Health (NIH), nadat het meer dan een miljard dollar had ontvangen voor het onderzoeken en vinden van behandelingen voor long COVID, doorgegaan met het afwijzen en, in sommige gevallen, zelfs schrappen van ME/cvs-financiering. Haar weigering om zelfs maar een klein aantal mensen met ME/cvs deel te laten nemen aan de massale Long COVID studies, haar besluit om de financiering van onderzoekscentra 7 maanden op te schorten en deze vervolgens op hun schamele niveau voort te zetten, haar vroegtijdige beëindiging van misschien wel de belangrijkste studie in de geschiedenis van ME/cvs, en haar verwijdering van een vermelding van ME/cvs van haar Long COVID website suggereert dat, als er al iets is, de NIH een stap achteruit zet op ME/cvs gebied.
Een belangrijk artikel van een van de grootste mediakanalen ter wereld over Long COVID geeft een verduidelijking van waar ME/cvs staat in relatie tot Long COVID.
Hoe Long COVID en ME/cvs het lichaam uitputten
Auto-immuunziekten?
“Onderzoekers hebben ook bewijs gevonden dat COVID een blijvende en schadelijke auto-immuunreactie kan veroorzaken. Studies hebben verrassend hoge niveaus van auto-antilichamen gevonden, die ten onrechte de eigen weefsels van een patiënt aanvallen, vele maanden na een aanvankelijke infectie.” Keller
Toch biedt auto-immuniteit een interessante manier om de opmerkelijke verscheidenheid aan symptomen, het onevenwicht tussen mannen en vrouwen en de infectieuze uitlokking die bij ME/cvs wordt aangetroffen, te verklaren.
De onderzoeken naar autoantilichamen bij Long COVID overtreffen die bij ME/cvs al in hun omvang en complexiteit en suggereren dat een breed scala van auto-antilichamen wordt ontketend door de coronavirusinfectie. Verschillende ME/cvs-studies hebben bewijzen gevonden van verhoogde niveaus van auto-antilichamen tegen receptoren (beta-adrenerge (AdR), muscarine-acetylcholine receptoren (M-AChR)) die onder andere de werking van het sympathische zenuwstelsel en de bloedvaten beïnvloeden. Kleine studies suggereren dat gerichte therapieën die deze auto-antilichamen verwijderen ook kunnen helpen en ten minste één daarvan wordt onderzocht bij Long COVID.
Een aantal onderzoekers heeft voorgesteld dat de combinatie van auto-immuun uitingen, dysautonomie en dunnevezelneuropathie bij ME/cvs, POTS, en sommige andere ziekten een nieuwe ziekteaanduiding vereist, genaamd “auto-immuun neurosensorische dysautonomie”. (Zoals zal blijken wordt die combinatie ook gevonden in Long COVID). Verscheidene hypothesen en ook inspanningsonderzoeken suggereren dat auto-immuniteit een belangrijke rol speelt bij ME/cvs.
Het virus dat nooit wegging?
“Een mogelijkheid is dat het lichaam nog steeds vecht tegen restanten van het coronavirus. Onderzoekers ontdekten dat het virus zich tijdens een eerste infectie op grote schaal verspreidt, en dat viraal genetisch materiaal vele maanden ingebed kan blijven in weefsels – in de darmen, lymfeknopen en elders.” Keller
Aangezien is aangetoond dat ME/cvs, of een toestand die er sterk op lijkt, wordt uitgelokt door vele ziekteverwekkers (Epstein-Barr-virus, HHV-6, Coxsackie, Giardia, enz.) heeft het idee dat een virus, in een of andere vorm, nog steeds, zelfs nadat het grotendeels is bestreden, het immuunsysteem blijft aantasten, geleid tot enkele van de meest creatieve bevindingen op het gebied van ME/cvs.
Er zijn veel ziekteverwekkende triggers gevonden bij ME/cvs
Enterovirus
Verschillende eerdere studies hebben aangetoond dat er enteroviraal RNA achterblijft in de spieren van sommige mensen met ME/cvs. Sinds 2005 heeft Dr. John Chia bewijs geleverd van een ” sluimerende ” enterovirusinfectie bij ME/cvs, waaronder verhoogde antilichaamspiegels, de aanwezigheid van enteroviraal RNA in het plasma en in maagbiopsies, doorgaans na wat Chia “een ernstige griepachtige ziekte” van onbekende oorsprong noemt. Chia gelooft dat enteroviraal RNA in de spieren verantwoordelijk kan zijn voor de inspanningsproblemen bij ME/cvs.
Epstein-Barr Virus
Nu studies verklaren dat EBV [red.: in de onderliggende studie had ongeveer 25% van de MS-patiënten EBV en EBNA1 antilichamen in het bloed] de oorzaak is van multiple sclerose, krijgt EBV meer aandacht dan ooit. EBV was het eerste virus dat in verband werd gebracht met ME/cvs en wordt nu, bijna 40 jaar later, nog steeds bestudeerd. In een langlopende NIH-beurs hebben onderzoekers van Ohio State bijvoorbeeld bewijs gevonden dat een vreemde, sluimerende EBV-infectie die niet in staat is zichzelf volledig te repliceren, toch eiwitten naar buiten pompt waar het immuunsysteem op reageert bij ME/cvs. Een recente Noorse studie die bewijs vond van een voortdurende ontstekingsreactie 6 maanden na een EBV-infectie suggereerde dat het virus een langdurige immuunrespons had uitgelokt bij ME/cvs.
HHV-6
In misschien wel de meest creatieve pathogene hypothese tot nu toe stellen Prusty en Naviaux voor dat een reactivering van HHV-6/7 een celgevaarlijke reactie teweegbrengt die uiteindelijk de mitochondriën fragmenteert en de energieproductie bij ME/cvs aantast.
Problemen met de bloedcirculatie
“Veel Long Covid-patiënten worstelen met lichamelijke activiteiten lang na hun eerste infectie, en ervaren een opleving van de symptomen als ze zich inspannen. De eerste studies suggereren dat een disfunctie van de bloedcirculatie de zuurstoftoevoer naar de spieren en andere weefsels zou kunnen belemmeren, waardoor de aërobe vermogens worden beperkt en ernstige vermoeidheid optreedt.
In één onderzoek vertoonden patiënten met aanhoudende Covid-symptomen onverwachte reacties op fietsen. Hoewel hun hart en longen ogenschijnlijk normaal waren, konden hun spieren tijdens het fietsen slechts een deel van de normale hoeveelheid zuurstof uit kleine bloedvaten halen, waardoor hun inspanningsvermogen aanzienlijk afnam.
Een mogelijke boosdoener: chronische ontstekingen kunnen de zenuwvezels beschadigen die de bloedsomloop helpen regelen, een aandoening die dunnevezelneuropathie wordt genoemd. De beschadigde vezels, gezien in huidbiopten, worden in verband gebracht met dysautonomie, een verstoring van automatische functies zoals hartslag, ademhaling en spijsvertering, die veel voorkomt bij Long Covid-patiënten”. Keller
Hoewel auto-immuniteit en virale persistentie/reactivatie mogelijkheden zijn bij ME/cvs, blijven het slechts dat – mogelijkheden. Het bewijs dat er een soort circulatieprobleem bestaat bij ME/cvs, is daarentegen vrij sterk. Het eerste bewijs werd meer dan 20 jaar geleden geleverd toen McCully/Natelson een verminderde zuurstofstroom naar de spieren vonden. Problemen met de microcirculatie en het functioneren van endotheelcellen – twee belangrijke aandachtspunten in zowel Long COVID als ME/cvs enFM – doken vervolgens op in drie door ME Research UK gefinancierde studies/papers in 2000, 2003, en 2005 .
De doorbloeding van de spieren en de hersenen werd het meest bestudeerd.
Doorbloeding van de hersenen
“Een andere onderzoeksgroep ontdekte dat Long COVID de hoeveelheid bloed die de hersenen bereikt aanzienlijk kan verminderen, een bevinding die vóór de pandemie ook werd gezien bij patiënten met een verwante chronische aandoening, ME/cvs.” Keller
Het bewijs voor een verminderde doorbloeding van de hersenen kwam voor het eerst aan het licht in 1996 en varieerde in de loop der jaren. Het probleem van de doorbloeding van de hersenen werd grotendeels opgelost toen Visser/Van Campen/Rowe, met een nieuwere, nauwkeurigere techniek, verminderde doorbloeding van de hersenen vonden bij vrijwel iedereen met ME/cvs, ook bij mensen die niet voldeden aan de criteria voor orthostatische intolerantie.
Verdere studies wezen uit dat het na een kanteltafeltest veel langer duurt voordat de bloedstroom naar de hersenen weer normaal is bij ME/cvs, dat het bloedvolume – een cruciaal aspect van de bloedcirculatie – laag is, dat bij ernstige ME/cvs zelfs zitten of licht “kantelen” kan leiden tot een aanzienlijk verminderde hersenbloedstroom, en dat kanteltafeltesten soortgelijke effecten hebben bij patiënten met Long COVID.
Medow’s opzienbarende studie uit 2014 toonde de dramatische impact aan die verminderde zuurstoftoevoer naar de hersenen kan hebben bij ME/cvs. Toen Medow fenylefrine gebruikte bij ME/cvs-patiënten met orthostatische intolerantie om de bloedstroom naar hun hersenen te verhogen, verdwenen hun cognitieve problemen en symptomen volledig tijdens de gevreesde kanteltafeltest.
Inspanning
“Veel Long Covid-patiënten worstelen met lichamelijke activiteiten lang na hun eerste infectie, en ervaren een toename van de symptomen als ze zich inspannen. De eerste studies suggereren dat disfunctie in de bloedsomloop de toevoer van zuurstof naar spieren en andere weefsels zou kunnen belemmeren, waardoor de aërobe vermogens worden beperkt en ernstige vermoeidheid wordt veroorzaakt.” Keller
Inspanningsstudies behoren tot de meest verhelderende in wat waarschijnlijk de meest inspanningsintolerante ziekte op aarde is. (Het symptoom post-exertionele malaise – dat nu wordt gebruikt in Long COVID-studies – kwam voort uit het ME/cvs-veld en deskundigen stelden voor om ME/cvs Systemic Exertion Intolerant Disease (SEID) te noemen).
Veel studies hebben problemen aangetoond met aërobe vermogens bij ME/cvs.
Workwells nieuwe tweedaagse inspanningsstudies, die in de loop van de tijd goed gevalideerd zijn geraakt, tonen een kenmerk aan dat, tot een recente Long COVID studie het ontdekte – alleen was gedocumenteerd bij ME/cvs: dat inspanning op de ene dag iemands vermogen om de volgende dag energie te produceren schaadt.
Het invasieve inspanningswerk van David Systrom wijst op twee soorten problemen met de bloedcirculatie die opduiken bij ME/cvs tijdens inspanning: een shunt lijkt voldoende zuurstoftoevoer naar de spieren te verhinderen en lekkende aders verhinderen voldoende bloedtoevoer naar het hart (en uiteindelijk het hart). Vermeulen en anderen hebben ook bewijs gevonden van verminderde zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning bij ME/cvs.
De invasieve en tweedaagse inspanningsstudies van respectievelijk Systrom en Mancini hebben – omdat ze direct de inspanningsproblemen bij Long COVID aanpakken – misschien de belangrijkste bevindingen tot nu toe opgeleverd. Beide hebben vergelijkbare inspanningsproblemen gevonden bij Long COVID-patiënten en ME/cvs.
Bovendien suggereren zowel ME/cvs als Long COVID studies dat beschadigde of slecht functionerende endotheelcellen ook de bloedstroom kunnen belemmeren.
Bloedstolsels
“Zuid-Afrikaanse onderzoekers vonden een ander circulatieprobleem: Microscopische kleine bloedstolsels. Kleine stolsels die tijdens een eerste Covid-infectie worden gevormd, worden gewoonlijk op natuurlijke wijze afgebroken, maar kunnen bij Long Covid-patiënten blijven bestaan. Deze stolsels kunnen de kleine haarvaten blokkeren die zuurstof naar weefsels in het hele lichaam transporteren.” Keller
Er is geen direct bewijs, voor zover ik weet, van microstolsels bij FM of ME/cvs, maar een paar kleine studies vonden ongeveer 20 jaar geleden bewijs van hypercoagulatie bij ME/cvs, FM en Golfoorlogsyndroom.
Dunnevezelneuropathie en dysautonomie
“Chronische ontstekingen kunnen zenuwvezels beschadigen die helpen de bloedsomloop te regelen, een aandoening die dunnevezelneuropathie wordt genoemd. De beschadigde vezels, gezien in huidbiopten, worden in verband gebracht met dysautonomie, een storing van automatische functies zoals hartslag, ademhaling en spijsvertering die veel voorkomt bij Long Covid-patiënten.” Keller
Slechts één kleine studie levert bewijs van dunnevezelneuropathie bij Long COVID, maar meerdere studies tonen aan dat het wel aanwezig is bij ME/cvs en FM. Het is interessant dat Keller de hypothese van Systrom en anderen omarmt dat de dunnevezelneuropathie die gevonden wordt in de huid de meest voor de hand liggende maar minst verontrustende manifestatie is van een probleem dat gevolgen heeft voor het hele lichaam en dat het bloed wegleiden van de spieren omvat.
Dysautonomie is natuurlijk een gemeenschappelijk thema bij ME/cvs, fibromyalgie en posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en lijkt ook aanwezig te zijn bij Long COVID. Een lagere hartslagvariabiliteit, die wijst op een dominantie van het sympathische zenuwstelsel, wordt aangetroffen bij ME/cvs, FM, POTS en Long COVID. Een eenvoudige sta-test die het autonome zenuwstelsel belast, is door ME/cvs-behandelaars voorgesteld als diagnostische test, en verminderde hartslagvariabiliteit was voorspellend voor slaapproblemen.
Een ontstoken brein?
“Hoewel het onduidelijk is hoe vaak het virus rechtstreeks de hersenen binnendringt, lijken zelfs milde infecties een aanzienlijke hersenontsteking te veroorzaken, volgens de onderzoekers, waaronder Dr. Nath, Dr. Iwasaki en Dr. Michelle Monje, een neuroloog aan Stanford. Infecties kunnen de overactivering van immuuncellen, microglia genaamd, teweegbrengen op een manier die lijkt op het proces dat kan bijdragen aan cognitieve problemen bij veroudering en sommige neurodegeneratieve ziekten.” Keller
De mate waarin neuroinflammatie een rol speelt bij ME/cvs is onduidelijk, maar verschillende kleine studies hebben bewijzen gevonden van wijdverspreide neuroinflammatie. De hoge kosten van beeldvormende studies van de hersenen en de geringe steun die ME/cvs krijgt, betekent dat de bevindingen over neuroinflammatie – waarvan vermoed wordt dat ze tot de belangrijkste in het veld behoren – inderdaad langzaam verkregen zijn met slechts drie kleine studies die in de afgelopen 8 jaar gepubliceerd zijn. Studies die een gelijkaardig hersensignatuur hebben aangetoond in de zusterziekten van ME/cvs – fibromyalgie en Golfoorlogsyndroom – schreeuwen om meer neuroinflammatiestudies. Gelukkig zullen die studies er zeker komen voor Long COVID.
Conclusie
“Miljoenen mensen blijven last houden van uitputting, cognitieve problemen en andere aanhoudende symptomen na een infectie. De precieze oorzaken van deze ziekten, bekend als Long COVID en Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), zijn niet bekend. Maar nieuw onderzoek biedt aanknopingspunten en beschrijft de tol die de ziekte van het lichaam eist en waarom ze zo slopend kan zijn.” Keller
De ene na de andere bevinding bij Long COVID kwam overeen met die bij ME/cvs.
De overeenkomsten zijn opmerkelijk, maar misschien nog opmerkelijker is hoe snel dezelfde kwesties naar voren zijn gekomen bij Long COVID en ME/cvs. En dat is niet omdat Long COVID-onderzoekers meeliften op ME/cvs/FM-onderzoek. Slechts enkelen hebben iets met ME/cvs te maken gehad. Het is eerder zo dat ze Long COVID -patiënten beoordelen op basis van wat ze voor zich zien; m.a.w. Long COVID zelf duwt het onderzoek in dezelfde richting die het bij ME/cvs is ingeslagen. In bijna alle gevallen komen de bevindingen die Keller aantreft bij Long COVID sterk overeen met die welke bij ME/cvs worden waargenomen.
We zijn nog maar net begonnen, maar de resultaten zijn veelbelovend voor zowel mensen met Long COVID als mensen met ME/cvs. Mensen met Long COVID zullen profiteren van de jarenlange studies naar ME/cvs, en mensen met ME/cvs zullen profiteren van de enorme financiële middelen die in Long COVID worden gestoken.
Er rijst ook een interessante vraag: als Long COVID 1,15 miljard dollar aan onderzoeksgelden waard is, hoeveel is ME/cvs dan waard, een ziekte waaraan in de V.S. tot 2 miljoen mensen lijden en waarvoor momenteel 15 miljoen dollar per jaar wordt uitgetrokken?
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-Nieuws-wetenschap-hoe-Long-COVID-en-MEcvs-het-lichaam-uitputten.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2022-03-19 23:20:292024-08-18 22:44:38Hoe Long COVID en ME/cvs het lichaam uitputten