Tag Archief van: ICC

Structurele veranderingen in hersenen bij ME/cvs

Hoogtepunten

  • Er werden veranderingen vastgesteld in de hippocampus van de hersenen van ME/cvs-patiënten
  • Deze veranderingen werden geassocieerd met vermoeidheid, pijn en fysieke functie
  • Ze waren groter bij patiënten die geïdentificeerd werden aan de hand van de ICC-criteria dan van de Fukuda-criteria

Achtergrond

Een recente paper van onderzoekers van de Griffith University in Queensland, Australië, suggereert dat sommige symptomen van ME/cvs zoals vermoeidheid, pijn en slaapstoornissen gelinkt kunnen worden aan structurele veranderingen in een deel van de hersenen, de hippocampus.

Onder de onderzoekers bevindt zich Dr. Leighton Barnden die momenteel ook de disfunctie van de hersenstam bij ME/cvs onderzoekt als onderdeel van een studie gefinancierd door ME Research UK.

De hippocampus is een complexe structuur diep in de temporale kwab van de hersenen, en is betrokken bij cognitie, geheugen en regulering van de hypothalamus (die de autonome zenuwfunctie controleert).

De Australische studie omvatte 25 mensen met ME/cvs die alleen voldeden aan de diagnostische criteria van Fukuda, 18 ME/cvs-patiënten die voldeden aan de strengere Internationale Consensus Criteria (ICC), en 25 gezonde controlepersonen.

Wat hebben ze gevonden?

Gebruikmakend van beeldvorming met magnetische resonantie (MRI) om de structuur van de hersenen te onderzoeken, ontdekten de onderzoekers dat de volumes van specifieke gebieden van de hippocampus groter waren bij ME/cvs-patiënten die voldeden aan de ICC-criteria dan bij gezonde controles. Dit was niet het geval bij patiënten die alleen voldeden aan de Fukuda-criteria.

Het team keek ook naar verbanden tussen deze volumeveranderingen en de symptomen van ME/cvs. Er was een gemengd beeld, waarbij toe- of afnames in de omvang van verschillende gebieden van de hippocampus geassocieerd werden met vermoeidheid, pijn, slaapstoornissen of fysiek functioneren.

Hoewel deze associaties werden gevonden in beide groepen van patiënten, waren ze sterker bij wie voldeed aan de ICC-criteria voor ME/cvs.

Wat betekent dit?

In het algemeen suggereren de onderzoekers dat hun bevindingen de betrokkenheid van de hippocampus bevestigen bij sommige van de symptomen van ME/cvs-patiënten die voldoen aan de ICC-criteria, waaronder ‘hersenmist’, geheugenproblemen en het vermogen om complexe taken uit te voeren.

De hippocampus is een kwetsbare structuur die op verschillende manieren kan worden beschadigd, en veranderingen in hippocampusnetwerken werden gerapporteerd bij aandoeningen zoals chronische stress, de ziekte van Cushing, dementie en de ziekte van Alzheimer.

De Queensland-groep suggereert dat de toename die zij in de hippocampus hebben waargenomen, te wijten kan zijn aan het feit dat de hersenen zich aanpassen aan veranderingen in de hersenstam (wat zij in een eerdere studie hebben gerapporteerd), om de communicatie tussen deze twee gebieden van de hersenen in stand te houden.

De studie was relatief klein qua aantal patiënten, wat vaak het geval is met een dure techniek als MRI. De studie moet dus op grotere schaal worden herhaald om de bevindingen te bevestigen.

De studie draagt echter wel bij tot onze groeiende erkenning van de invloed van ME/cvs op de hersenen, en tekent ME/cvs af als een afzonderlijke neurologische ziekte. Het roept ook vragen op over welke types van patiënten worden vastgesteld door verschillende diagnostische criteria.

Als deze resultaten kunnen worden bevestigd door grotere studies, zien we misschien MRI-scans gebruikt worden om ME/cvs op te sporen, en artsen in staat om behandeling aan te bieden met bestaande of nieuwe geneesmiddelen.

Bron: https://www.meresearch.org.uk/structural-changes-in-the-brain/
© ME Research UK, 30 juni 2022.
Vertaling ME-gids.

Vaststellen van de ernst van je ME/cvs door testen

Je controleert dan een werkwijze of een waarde op geldigheid of juistheid. Dat gebeurt door te checken of iets voldoet aan eisen die je vooraf hebt opgesteld.

De ICC over de ernst van de ziekte (p 5 NL vertaling):
“Om de diagnose ME te kunnen stellen, moet de ernst van de symptomen resulteren in een aanzienlijke afname van het activiteitenniveau van de patiënt t.o.v. voor zijn ziekte.

  • Mild: ongeveer 50% afname van het activiteitenniveau
  • Gematigd: grotendeels aan huis gebonden
  • Ernstig: grotendeels bedlegerig
  • Zeer ernstig: volledig bedlegerig en hulpbehoevend voor wat betreft de basale functies

Er kan van dag tot dag of van uur tot uur een duidelijke schommeling in de ernst en de rangorde van de symptomen plaatsvinden. Let op activiteit, context en interactieve effecten.”

Bij het afnemen van een anamnese door een arts vertelt de patiënt zelf over zijn symptomen (zelfrapportage) en de geschiedenis van het ziekteverloop. De arts stelt op basis daarvan en op basis van wat hij onderzoekt de diagnose. Het klinisch indelen in een ziekte-ernst categorie kan verschillen van persoon tot persoon.
Meer objectieve metingen om te classificeren en om de classificatie door een arts te bevestigen zouden wenselijk zijn.

Onderzoek naar betrouwbaarheid ziekte-ernst categorieën

Linda van Campen, Peter Rowe en Frans Visser deden onderzoek naar metingen om patiënten in te delen in de ziekte-ernst categorieën van de ICC. Dit is belangrijk, zodat je patiënten kunt vergelijken, bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek, maar ook voor het nemen van beslissingen over de verdere behandeling van een patiënt.

Deze studie van van Campen, Rowe en Visser had tot doel de klinische categorieën van ernst van de ziekte te valideren, die zijn voorgesteld door de auteurs van de ICC voor ME. Daarbij maakten zij gebruik van meer gestandaardiseerde metingen, zoals vragenlijsten en objectieve metingen, zoals fysieke activiteit tracking (SensewearTM armband) en cardiopulmonaire inspanningstesten (zoals de fietstest).

Het onderzoek

Zij doorzochten de klinische database van Cardiozorg op patiënten die tussen oktober 2013 en januari 2018 waren onderzocht en daarbij binnen maximaal drie maandende SF36 vragenlijst hadden voltooid, vijf dagen een Sensewear armband hadden gedragen en een CPET (fietstest) hadden ondergaan.

SF-36: De vragenlijst bestaat uit 36 gesloten vragen waarin beperkingen in het functioneren dan wel cognities (manier van denken) over gezondheid worden uitgevraagd. Hoe hoger de score, hoe beter je functioneert.

Sensewear: De SenseWear armband wordt gedragen aan de linker bovenarm. Het meet lifestyle, metabole en fysieke activiteit tijdens dagelijkse bezigheden, sporten en slapen.

CPET: Patiënten ondergaan een test op een fietsergometer volgens een vastgesteld protocol, je moet blijven fietsen met een weerstand tussen 10-30 Watt per minuut. Zuurstofconsumptie (VO2), kooldioxide afgifte (VCO2) en zuurstofsaturatie werden voortdurend gemeten, er wordt een ECG (hartfilmpje) opgenomen en bloeddruk wordt gemeten. De ventilatoire drempel wordt bepaald (VT), dat is een meting van de anaerobe drempel, geïdentificeerd door de uitgeademde gassen. Er wordt bloed geprikt om lactaat (melkzuur) in het bloed te kunnen meten en de proefpersonen dragen een masker om hun ingeademde en uitgeademde gassen te kunnen analyseren.

Tijdens het eerste bezoek aan de kliniek werd bepaald of de patiënten voldeden aan de criteria voor CVS (Fukuda) en ME (ICC. De ziekte-ernst werd gescoord volgens de categorieën van de ICC (mild, matig, ernstig en zeer ernstig). Zeer ernstig zieke ME/cvs patiënten werden niet meegenomen in deze analyse omdat zij geen van allen in staat waren een CPET te ondergaan.

Alleen patiënten die alle drie de onderzoeken hadden voltooid binnen een periode van 3 maanden werden opgenomen in de analyse. ME/cvs kan sterk fluctueren, dus voor een stabiel ziektebeeld is dit belangrijk.

289 patienten werden geanalyseerd: 51 mannen, 258 vrouwen.
121 werden geclassificeerd als mild, 98 als matig en 70 als ernstig ziek.

Bij alle patiënten werden de volgende metingen verricht:

  • SF-36 subschaal voor fysieke activiteit
  • Aantal stappen op de stappenteller per dag
  • Percentage voorspelde zuurstofconsumptie op de ventilatoire drempel
  • Percentage zuurstofconsumptie

Conclusie

Deze studie bevestigt dat de ziekte-ernst classificatie van de ICC valide is (juist en betrouwbaar). Artsen deelden de patiënten in op basis van zelfrapportage door patiënten, waardoor groepen ontstonden die door het meten van dagelijkse activiteiten (armband), stappen per dag en resultaten van de inspanningstest eveneens goed van elkaar te onderscheiden waren. De objectieve metingen (armband, stappenteller, CPET) kunnen de zelfrapportage vragenlijsten versterken.

Je vind hier het originele (Engelstalige) artikel

Voorspellen van de ernst van PEM

Belangrijkste bevindingen

Drie factoren werden gevonden die verband houden met toename van de ernst van PEM. Deze factoren kunnen helpen om patiënten de identificeren die baat kunnen hebben bij pacing strategieën.

Deze patiënten:

  • hebben ME/cvs gekregen na de leeftijd van 32 jaar
  • zijn vatbaar voor terugkerende virusinfecties
  • Hebben ME/cvs gekregen na een maag/darm infectie

Wat hebben ze gedaan?

De onderzoekers identificeerden 197 patiënten die allen door de zelfde arts de diagnose ME/cvs kregen. De diagnose is gesteld op basis van de Internationale Consensus Criteria. De groep bestond uit 51 mannen en 146 vrouwen. Bij bijna de helft van hen leek hun ziekte te zijn uitgelokt door een infectie.

Er werd informatie verzameld over het begin van de ME/cvs, zoals de leeftijd en symptomen. De huidige vermoeidheidsniveaus werden onderzocht door gevalideerde vragenlijsten te gebruiken. De ernst van de PEM werd onderzocht over de voorafgaande maand, waarbij de patiënten werd gevraagd hoe vaak en hoe intens zij PEM hadden ervaren. Dit resulteerde in een PEM ernst score voor elke patiënt.

Wat hebben ze gevonden?

Personen die 32 jaar of ouder waren bij het begin van de ME/cvs en ook patiënten die vatbaar waren voor virusinfecties tijdens hun ziekte, hadden meer kans op hogere PEM ernst scores.

Maag/darm infecties voorafgaand aan het begin van ME/cvs werden eveneens geïdentificeerd als risico factor voor ernstigere PEM. De onderzoekers merkten echter op dat dit betrekking had op slechts een klein aantal patiënten in deze groep, dus dit verband is minder duidelijk.

Desondanks hebben de auteurs 3 belangrijke risicofactoren geïdentificeerd die allemaal verband houden met ernstiger PEM, zowel met betrekking tot frequentie van PEM als de intensiteit van de symptomen.

Wat betekent dit?

Omdat er tot op heden nog geen genezende behandeling is voor ME/cvs, moeten veel patiënten pacingtechnieken toepassen om te proberen hun symptomen te managen. De onderzoekers hopen dat deze risicofactoren zullen helpen om de patiënten de identificeren die een groter risico lopen op ernstige PEM. Deze patiënten kunnen daardoor in het bijzonder profiteren van het volgen van pacing strategieën.

Hier vind je het originele (Engelstalige) artikel

Hier vind je het volledige (Engelstalige) onderzoek