Tag Archief van: mecvs

Minister slaat plank mis in brief aan Tweede Kamer

Minister slaat de plank mis in brief aan Tweede Kamer

Dit is aan de orde op de procedurevergadering van de Commissie VWS op woensdag 9 september. De vergadering vindt plaats van 10.15-12.00 uur en punt 32 op de agenda is het Verslag van een schriftelijk overleg over de uitvoering van de motie van het lid

Raemakers c.s. over onderzoek naar de toegevoegde waarde van een expertise- en voorlichtingscentrum voor ME/cvs (Kamerstuk 34170-17). Een video-livestream zal dan via deze link te vinden zijn (of in de app Debat Direct of Debat Gemist)

Huidige zorg is gebaseerd op achterhaalde richtlijnen

De minister schrijft dat de diagnostiek en therapie in de medisch specialistische zorg in de universitaire medische centra (UMC’s) gebaseerd is op de richtlijn CVS uit 2013 en de richtlijn somatisch onverklaarde lichamelijke klachten (SOLK) bij kinderen. Maar dat is nu juist het probleem. De richtlijn CVS is achterhaald, is door geen enkele patiëntenorganisatie onderschreven en sluit niet aan bij het advies van de Gezondheidsraad. Als behandeling wordt daarin uitsluitend een vorm van gedragstherapie (CGT) en bewegingstherapie (GET) aanbevolen.

En de richtlijn SOLK bij kinderen is, wat betreft kinderen met ME/cvs, volledig gebaseerd op de richtlijn CVS. Dit ondanks het feit dat bekend is dat CGT en GET in de praktijk bij een groot deel van de patiënten geen positief effect hebben, en bij een deel van hen zelfs tot ernstige en langdurige, soms blijvende verslechtering leiden. In de praktijk kunnen ME/cvs-patiënten voor de uitgebreide diagnostiek en de symptoomgerichte behandeling die de Gezondheidsraad adviseert nog steeds bij geen enkel UMC terecht.

Zorginstituut moet herziening richtlijn vlot trekken

De minister schrijft dat de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsengenootschap positieve intenties hebben om de richtlijn CVS te herzien. Dat dachten wij eerst ook. Tot nu toe heeft echter geen van deze organisaties het voortouw willen nemen bij de actualisering van de oude richtlijn.

Daarom hebben de drie patiëntenorganisaties in juli aan het Zorginstituut gevraagd om de herziening van de richtlijn CVS (dus een nieuwe richtlijn ME/CVS) op te nemen in de meerjarenagenda voor Daarna heeft ook het ministerie van VWS dit gevraagd. Dat zóu de zaak vlot kunnen trekken. Het wachten is nu op een besluit van het Zorginstituut en op de nodige inzet van de verenigingen van medisch specialisten.

Inhaalslag biomedisch onderzoek

De minister heeft in zijn brief, op gezag van de NFU, geen goed beeld gegeven van de stand van zaken bij de UMC’s.

De Gezondheidsraad heeft vastgesteld dat Nederland dringend een inhaalslag moet maken om met wetenschappelijk onderzoek te komen tot robuuste kennis over diagnostiek, ontstaan en behandeling van ME/cvs. Dat onderzoek is er nog niet. In het kader van ZonMW werkt een stuurgroep op dit moment aan een biomedische onderzoeksagenda.

De minister schrijft aan de Kamer dat onderzoek en innovatie op het gebied van ME/cvs is geconcentreerd bij de UMC’s in Groningen, Amsterdam, Utrecht en Nijmegen. Maar uit een
meegestuurd lijstje van Nederlandse publicaties blijkt dat het meeste onderzoek daar gericht is op gedragstherapie en somatisch onverklaarde lichamelijke klachten (SOLK) of
functionele stoornissen en dat er zeer weinig specifiek biomedisch onderzoek naar ME/cvs wordt gedaan.

De minister schrijft dat de vier genoemde UMC’s zijn aangesloten bij internationale kennisnetwerken en dat de internationale samenwerking vooral vanuit deze UMC’s zal plaatsvinden. Maar, op een enkele uitzondering na, is er tot nu toe in de praktijk helemaal
geen internationale samenwerking vanuit Nederlandse UMC’s met vooraanstaande buitenlandse biomedische ME/cvs-onderzoekers en zelfs geen deelname aan internationale wetenschappelijke ME/cvs-congressen en -organisaties. Ook zijn 3 van de 4 genoemde UMC’s niet vertegenwoordigd in de stuurgroep van ZonMW bij het opstellen van een biomedische onderzoeksagenda.

Expertisecentrum voor onderzoek en zorg nodig

Er is nog geen eenduidige diagnostische richtlijn ontwikkeld, zoals de Gezondheidsraad heeft geadviseerd. Voor het Nederlandse biomedische onderzoeksprogramma zal een patiëntencohort gevormd en een onderzoeksinfrastructuur tot stand gebracht moeten worden. Voor de broodnodige verbetering van de patiëntenzorg is het nodig om de in Nederland en buitenland beschikbare actuele kennis en ervaringen te verzamelen en te
verspreiden. Dit zijn allemaal zaken waar centrale coördinatie voor nodig is. Daarom is een centraal expertisecentrum noodzakelijk.

De Tweede Kamer had in de motie Raemakers gevraagd om de NFU te vragen om onderzoek te laten doen naar de meerwaarde voor ME/CVS-patiënten van zo’n centrum. De NFU heeft patiënten niet bij dat onderzoek betrokken. In zijn brief van 29 juni komt de
minister niet met een heldere conclusie. Wel deed hij op 2 juli aan de Tweede Kamer de toezegging dat hij er bij ZonMW op zal aandringen om bij de ontwikkeling van een onderzoeksagenda toe te werken naar de vorming van een expertisenetwerk, waarin
zorgverleners wetenschappers en patiënten samenwerken. Het wachten is nu nog wel op concrete stappen.

Nog geen herbeoordelingen door UWV

Ook wat betreft de toezeggingen over mogelijke herbeoordelingen door het UWV is de minister voorbarig met zijn optimisme. Er heeft inderdaad overleg plaatsgevonden van het UWV met de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, die daarbij ook namens de twee andere patiëntenorganisaties optrad.

Maar alle stappen die herbeoordeling mogelijk moeten maken zijn nog niet gezet en er is nog niet begonnen met het informeren van patiënten, ook al schrijft de minister dat hij verwacht dit traject voor 1 september 2020 is afgerond. Ook op dit punt is het dus nog wachten op de concrete uitvoering en resultaten.

Wij zullen op al deze punten de vinger aan de pols houden.

Vaststellen van de ernst van je ME/cvs door testen

Je controleert dan een werkwijze of een waarde op geldigheid of juistheid. Dat gebeurt door te checken of iets voldoet aan eisen die je vooraf hebt opgesteld.

De ICC over de ernst van de ziekte (p 5 NL vertaling):
“Om de diagnose ME te kunnen stellen, moet de ernst van de symptomen resulteren in een aanzienlijke afname van het activiteitenniveau van de patiënt t.o.v. voor zijn ziekte.

  • Mild: ongeveer 50% afname van het activiteitenniveau
  • Gematigd: grotendeels aan huis gebonden
  • Ernstig: grotendeels bedlegerig
  • Zeer ernstig: volledig bedlegerig en hulpbehoevend voor wat betreft de basale functies

Er kan van dag tot dag of van uur tot uur een duidelijke schommeling in de ernst en de rangorde van de symptomen plaatsvinden. Let op activiteit, context en interactieve effecten.”

Bij het afnemen van een anamnese door een arts vertelt de patiënt zelf over zijn symptomen (zelfrapportage) en de geschiedenis van het ziekteverloop. De arts stelt op basis daarvan en op basis van wat hij onderzoekt de diagnose. Het klinisch indelen in een ziekte-ernst categorie kan verschillen van persoon tot persoon.
Meer objectieve metingen om te classificeren en om de classificatie door een arts te bevestigen zouden wenselijk zijn.

Onderzoek naar betrouwbaarheid ziekte-ernst categorieën

Linda van Campen, Peter Rowe en Frans Visser deden onderzoek naar metingen om patiënten in te delen in de ziekte-ernst categorieën van de ICC. Dit is belangrijk, zodat je patiënten kunt vergelijken, bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek, maar ook voor het nemen van beslissingen over de verdere behandeling van een patiënt.

Deze studie van van Campen, Rowe en Visser had tot doel de klinische categorieën van ernst van de ziekte te valideren, die zijn voorgesteld door de auteurs van de ICC voor ME. Daarbij maakten zij gebruik van meer gestandaardiseerde metingen, zoals vragenlijsten en objectieve metingen, zoals fysieke activiteit tracking (SensewearTM armband) en cardiopulmonaire inspanningstesten (zoals de fietstest).

Het onderzoek

Zij doorzochten de klinische database van Cardiozorg op patiënten die tussen oktober 2013 en januari 2018 waren onderzocht en daarbij binnen maximaal drie maandende SF36 vragenlijst hadden voltooid, vijf dagen een Sensewear armband hadden gedragen en een CPET (fietstest) hadden ondergaan.

SF-36: De vragenlijst bestaat uit 36 gesloten vragen waarin beperkingen in het functioneren dan wel cognities (manier van denken) over gezondheid worden uitgevraagd. Hoe hoger de score, hoe beter je functioneert.

Sensewear: De SenseWear armband wordt gedragen aan de linker bovenarm. Het meet lifestyle, metabole en fysieke activiteit tijdens dagelijkse bezigheden, sporten en slapen.

CPET: Patiënten ondergaan een test op een fietsergometer volgens een vastgesteld protocol, je moet blijven fietsen met een weerstand tussen 10-30 Watt per minuut. Zuurstofconsumptie (VO2), kooldioxide afgifte (VCO2) en zuurstofsaturatie werden voortdurend gemeten, er wordt een ECG (hartfilmpje) opgenomen en bloeddruk wordt gemeten. De ventilatoire drempel wordt bepaald (VT), dat is een meting van de anaerobe drempel, geïdentificeerd door de uitgeademde gassen. Er wordt bloed geprikt om lactaat (melkzuur) in het bloed te kunnen meten en de proefpersonen dragen een masker om hun ingeademde en uitgeademde gassen te kunnen analyseren.

Tijdens het eerste bezoek aan de kliniek werd bepaald of de patiënten voldeden aan de criteria voor CVS (Fukuda) en ME (ICC. De ziekte-ernst werd gescoord volgens de categorieën van de ICC (mild, matig, ernstig en zeer ernstig). Zeer ernstig zieke ME/cvs patiënten werden niet meegenomen in deze analyse omdat zij geen van allen in staat waren een CPET te ondergaan.

Alleen patiënten die alle drie de onderzoeken hadden voltooid binnen een periode van 3 maanden werden opgenomen in de analyse. ME/cvs kan sterk fluctueren, dus voor een stabiel ziektebeeld is dit belangrijk.

289 patienten werden geanalyseerd: 51 mannen, 258 vrouwen.
121 werden geclassificeerd als mild, 98 als matig en 70 als ernstig ziek.

Bij alle patiënten werden de volgende metingen verricht:

  • SF-36 subschaal voor fysieke activiteit
  • Aantal stappen op de stappenteller per dag
  • Percentage voorspelde zuurstofconsumptie op de ventilatoire drempel
  • Percentage zuurstofconsumptie

Conclusie

Deze studie bevestigt dat de ziekte-ernst classificatie van de ICC valide is (juist en betrouwbaar). Artsen deelden de patiënten in op basis van zelfrapportage door patiënten, waardoor groepen ontstonden die door het meten van dagelijkse activiteiten (armband), stappen per dag en resultaten van de inspanningstest eveneens goed van elkaar te onderscheiden waren. De objectieve metingen (armband, stappenteller, CPET) kunnen de zelfrapportage vragenlijsten versterken.

Je vind hier het originele (Engelstalige) artikel

Post-Covid: ME/cvs revisited

‘It’s extraordinary how many people have a postviral syndrome that’s very strikingly similar to ME/CFS’,

Anthony Fauci in een interview voor Medscape

Je struikelt in de media over verhalen van coronapatiënten die alsmaar klachten blijven houden:

‘I survived the Coronavirus, but am now living a nightmare’.

Vermoeidheid, aanhoudend hoesten, kortademigheid, hoofdpijn, smaakverlies: een enorme waaier, met nog tientallen andere symptomen. Vooral bij – ook jonge – mensen met ‘milde klachten’ blijken die lang aan te houden. Long-haulers worden ze genoemd, ook te vinden onder #LongCovid.

Milde klachten

‘We krijgen steeds meer doorverwijzingen van de huisarts van mensen die niet opgenomen zijn geweest in het ziekenhuis.’

Rein Posthuma, longarts in het MUMC

Het herstel na milde klachten blijkt lang te kunnen duren. ‘En we weten niet goed waar dat door komt.’ NHG-huisarts Jako Burgers laat via de NOS weten te vrezen dat we slechts het topje van de ijsberg zien. Nog een waarschuwing: ‘With this very severe COVID-19 disease, where we’re now dealing with millions of people suffering worldwide, the question is not if [some] will develop ME/CFS – it’s how many’.

Lotgenoten

Op het internet schieten de covidsteungroepen als paddenstoelen uit de grond. In de VS heeft het ‘Survivor Corps’ 90 duizend leden. Op Facebook is een Nederlandse lotgenotengroep opgezet: ‘corona-ervaringen en langdurige klachten’. Met al meer dan 14 duizend leden. Ook op Zorgwijzer kunnen mensen hun ervaringen delen. Ruim 7000 mensen deden dat as we speak. Maak de borst maar nat.

Sounds familiar?

Er is al meer dan twintig jaar een patiëntengroep die postviraal of postwhatever maar niet opknapt. Niks nieuws onder de zon. Die patiënten vertellen we – als we er als artsen uiteindelijk niet uitkomen – al jaren dat ze moeten werken aan hun ‘false illness beliefs’ en aan hun verwaarloosde fysieke conditie. Met cognitieve gedragstherapie (CGT) als panacee. Niet zo vast blijven zitten in je beperkingen!

Ben je benieuwd naar de rest van het artikel? Hier kun je het verder lezen.

Inspanningstesten voor ME/cvs in speciale uitgave van medisch tijdschrift

De 3 papers benadrukken het belang en de veelzijdigheid van cardiopulmonaire inspanningstesten (CPET) bij ME/cvs. Ze tonen aan dat CPET een kwantitatieve uitkomst biedt voor postexertionele malaise (PEM) en invaliditeitsdoeleinden. Maar ook als diagnostische tool en een betrouwbaar instrument en Biomarker voor onderzoeksdoeleinden

PEM symptomen onderscheiden ME/cvs-patiënten van gezonde controles

In het eerste paper vergeleken de onderzoekers symptomen gerapporteerd door ME/cvs-patiënten en door gezonde controles in reactie op een tweedaagse cardiopulmonaire inspanningstest (CPET). Symptomen waren meer divers, kwamen vaker voor en duurden langer in de ME/cvs-groep in vergelijking met de gezonde controles. Verschillende symptomen leken uniek te zijn voor ME/cvs, waaronder hersenmist, verminderde functie, hoofdpijn en symptomen die wijzen op immuun activering. Heel weinig gezonde controles rapporteerden deze symptomen en de meerderheid meldde inderdaad dat ze zich beter voelden, niet slechter, na CPET. Dit zou nuttig kunnen zijn bij het screenen van patiënten op PEM.

Deze paper werpt ook een licht op de mogelijke risico’s van tweedaagse CPET. Ongeveer de helft van de ME/cvs-patiënten herstelde in een week of minder, bij de andere helft duurde het langer. Hopelijk zal toekomstig onderzoek helpen bepalen welke patiënten een groter risico lopen op langdurige PEM.

Het volledige (Engelstalige) paper kun je hier lezen.

Casestudie: cardiopulmonaire respons op behandeling met intraveneuze zoutoplossing

In deze casestudie werden de effecten gemeten van dagelijkse intraveneuze toediening van zoutoplossing. Cardiopulmonaire inspanningstesten (CPET) werden hiervoor uitgevoerd bij een 38-jarige vrouw met ME/cvs. We ontdekten dat door dagelijkse zoutoplossingen de cardiopulmonaire respons en verschillende symptomen gedurende de studie verbeterden. Intraveneuze zoutoplossing kan mensen met ME/cvs helpen door het verminderen van afwijkingen die bijdragen aan lage bloeddruk en een lagere hartslag.

Het volledige (Engelstalige) paper kun je hier lezen.

CPET metingen voor onderzoeksdoeleinden en als Biomarker bij ME/cvs

De onderzoekers voerden deze studie uit om de statistische eigenschappen te bepalen van cardiale, pulmonaire en metabole metingen. Deze metingen zijn verkregen tijdens CPET bij mensen met ME/cvs. De CPET-metingen bleken een adequate responsiviteit en reproduceerbaarheid te hebben. Hierdoor zijn ze geschikt voor onderzoeksdoeleinden en klinische toepassingen, zoals het gebruiken van CPET als een Biomarker.

Het volledige (Engelstalige) paper kun je hier lezen.

Workwell is alle deelnemers die zich vrijwillig hebben aangemeld voor deze studies enorm dankbaar.

Dit zijn 3 papers die Workwell mocht publiceren in een speciale uitgave over ME/cvs in het medische tijdschrift ‘Work’. In deze uitgave verschenen nog veel andere papers over ME/cvs. Je vindt deze uitgave hier.

Voorspellen van de ernst van PEM

Belangrijkste bevindingen

Drie factoren werden gevonden die verband houden met toename van de ernst van PEM. Deze factoren kunnen helpen om patiënten de identificeren die baat kunnen hebben bij pacing strategieën.

Deze patiënten:

  • hebben ME/cvs gekregen na de leeftijd van 32 jaar
  • zijn vatbaar voor terugkerende virusinfecties
  • Hebben ME/cvs gekregen na een maag/darm infectie

Wat hebben ze gedaan?

De onderzoekers identificeerden 197 patiënten die allen door de zelfde arts de diagnose ME/cvs kregen. De diagnose is gesteld op basis van de Internationale Consensus Criteria. De groep bestond uit 51 mannen en 146 vrouwen. Bij bijna de helft van hen leek hun ziekte te zijn uitgelokt door een infectie.

Er werd informatie verzameld over het begin van de ME/cvs, zoals de leeftijd en symptomen. De huidige vermoeidheidsniveaus werden onderzocht door gevalideerde vragenlijsten te gebruiken. De ernst van de PEM werd onderzocht over de voorafgaande maand, waarbij de patiënten werd gevraagd hoe vaak en hoe intens zij PEM hadden ervaren. Dit resulteerde in een PEM ernst score voor elke patiënt.

Wat hebben ze gevonden?

Personen die 32 jaar of ouder waren bij het begin van de ME/cvs en ook patiënten die vatbaar waren voor virusinfecties tijdens hun ziekte, hadden meer kans op hogere PEM ernst scores.

Maag/darm infecties voorafgaand aan het begin van ME/cvs werden eveneens geïdentificeerd als risico factor voor ernstigere PEM. De onderzoekers merkten echter op dat dit betrekking had op slechts een klein aantal patiënten in deze groep, dus dit verband is minder duidelijk.

Desondanks hebben de auteurs 3 belangrijke risicofactoren geïdentificeerd die allemaal verband houden met ernstiger PEM, zowel met betrekking tot frequentie van PEM als de intensiteit van de symptomen.

Wat betekent dit?

Omdat er tot op heden nog geen genezende behandeling is voor ME/cvs, moeten veel patiënten pacingtechnieken toepassen om te proberen hun symptomen te managen. De onderzoekers hopen dat deze risicofactoren zullen helpen om de patiënten de identificeren die een groter risico lopen op ernstige PEM. Deze patiënten kunnen daardoor in het bijzonder profiteren van het volgen van pacing strategieën.

Hier vind je het originele (Engelstalige) artikel

Hier vind je het volledige (Engelstalige) onderzoek

Peter van der Spek over onderzoeksagenda ME/CVS

ME/CVS is een ziekte waar nog maar weinig over bekend is. Het is niet duidelijk wat de ziekte veroorzaakt. Dit maakt een goede diagnose en behandeling moeilijk. Om daar duidelijkheid over te krijgen is onderzoek nodig, het liefst vanuit verschillende invalshoeken. Daarom heeft ZonMw van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de opdracht gekregen om samen met wetenschappers, behandelaren en patiënten een onderzoeksagenda op te stellen. Hierin komt te staan welke onderzoeksthema’s de komende jaren prioriteit moeten krijgen om het leven van patiënten met ME/CVS te verbeteren. De eerste aanzet voor de onderzoeksagenda is inmiddels klaar.

De komende maanden wordt de concept-onderzoeksagenda voorgelegd aan een aantal betrokkenen. In samenwerking met UMC’s door het hele land organiseert ZonMw werksessies voor wetenschappers die zich op ME/CVS-onderzoek willen richten. Tijdens die werksessies gaan onderzoekers met elkaar in gesprek over de onderzoeksagenda en wat zij daar vanuit hun eigen discipline aan bij kunnen dragen. Het Erasmus MC trapt af met een eerste werksessie op 25 augustus in Rotterdam.

Een van de aanwezigen is hoogleraar klinische bio-informatica Peter van der Spek. Hij is als stuurgroeplid betrokken bij het opstellen van de onderzoeksagenda. Hij kijkt erg uit naar de werksessie.

‘Ik hoop dat er vuurwerk gaat ontstaan.’

Peter van der Spek, geneticus en hoogleraar klinische bio-informatica/pathologie

Het volledige interview met Peter van der Spek lees je hier verder bij ZonMW

Ministerie van VWS over kinderen met ME/cvs (OPaZ)

Het doel van dit initiatief is om een bijdrage te leveren aan een betere kwaliteit van leven voor mensen met ME/cvs door te zoeken naar oplossingen voor de problemen met zorg en ondersteuning die zij nu ervaren.

Kinderen, jongeren en hun ouders over ziekte, zorg en ondersteuning

Tijdens de gesprekken over de problematiek van mensen met ME/cvs met patiëntorganisaties, beleidsmedewerkers, onderzoekers en ervaringsdeskundigen werd duidelijk dat men nog maar weinig weet over hoe kinderen en hun ouders het leven met hun ziekte en de zorg en ondersteuning ervaren

Daarom werd besloten een vragenlijst uit te zetten onder kinderen/jongeren met ME/cvs met een leeftijd van maximaal 21 jaar – en hun ouders. Vragen die centraal stonden waren:

  • Hoe ervaren jongeren met ME/cvs en hun ouders de zorg?
  • Tegen welke problemen lopen zij aan?
  • Wat gaat er goed en wat kan beter?

Resultaten en aanbevelingen

De resultaten en aanbevelingen zijn te lezen in het rapport: Onbegrepen ziek; Ervaringen met ME/CVS van kinderen/jongeren en hun ouders.

We hebben dit rapport hier samengevat.

Als ME/cvs Vereniging hebben wij intensief meegedacht in het opstellen van de enquête. In de resultaten herkennen wij de ervaringen die wij horen van ouders en van kinderen en jongeren met ME/cvs. Desondanks blijft het ook voor ons schokkend om de conclusies zwart op wit te zien. Dit initiatief loopt de komende tijd nog verder door in gesprek te gaan met de diverse partijen die zorg, ondersteuning en onderwijs bieden en met hen concrete acties in gang te zetten richting meer begrip en een meer passend aanbod.

Adviesrapport gezondheidsraad

Zorg beter voor ME

ME/cvs* is een ernstige chronische ziekte, die het functioneren en de kwaliteit van leven substantieel beperkt. Dat concludeert de Gezondheidsraad in zijn nieuwe advies. ME wordt veroorzaakt door biomedische processen, waar nog veel onderzoek naar nodig is.

Uit recent onderzoek** blijkt dat de levenskwaliteit van ME-patiënten slechter is dan bij vele andere ernstige ziektes. In de ‘lichtere’ gevallen kunnen patiënten niet meer volledig meedoen op school of werk en in het sociale leven. Zij zijn gedeeltelijk afhankelijk van verzorging door anderen. In de zwaarste gevallen zijn ME-patiënten volledig bedlegerig, afgeschermd van licht en geluid en bijna zonder sociaal contact. Sommige patiënten zijn zelfs aangewezen op kunstmatige voeding.

De zorg moet beter en wetenschappelijk onderzoek is hoognodig, aldus de Gezondheidsraad. Wij steunen de aanbevelingen in het advies. Wij dringen aan op een voortvarende uitvoering en roepen op tot onderstaande maatregelen.

Stimulering biomedisch onderzoek

Wetenschappelijk onderzoek is dringend geboden om tot meer kennis over diagnostiek en behandeling van de ziekte te komen. De Gezondheidsraad adviseert om een langjarig onderzoeksprogramma op te zetten. Op het gebied van biomedisch onderzoek naar ME heeft Nederland een inhaalslag te maken. ZonMw heeft desgevraagd berekend dat hiervoor ten minste 2 miljoen euro per jaar nodig is gedurende een tienjarig programma. Wij vragen de minister dit budget beschikbaar te stellen.

Verouderde richtlijn herzien

De richtlijn CVS uit 2013, die ook bij ME wordt toegepast, is in het licht van het advies achterhaald. Deze richtlijn beveelt gedragstherapie (CGT) en bewegingstherapie (GET) aan als (enige) voorkeursbehandelingen. Op basis van het advies concluderen wij dat deze aanbevelingen, in navolging van de Amerikaanse CDC***, onmiddellijk ingetrokken moeten worden. Voor de onvermijdelijke verdere herziening van de richtlijn is geld nodig. Wij vragen de minister spoedige herziening te stimuleren.

Behandeling en zorg

De zorg voor patiënten kan en moet hier en nu beter, aldus de Gezondheidsraad. Een eerste vereiste is de scholing van zorgverleners, gebaseerd op de actuele stand van de wetenschap en de kennis en ervaringen van patiënten. Waarborg de zorg voor ME-patiënten in gespecialiseerde behandelcentra (al dan niet een UMC) verspreid over het land. De overheid dient hier voldoende middelen voor vrij te maken.

Sociaal-medische beoordeling

Veel ME-patiënten zijn door hun ziekte aangewezen op een uitkering of op voorzieningen en aanpassingen. Bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en medisch adviseurs spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van het toekennen daarvan. Daarbij horen zij volledig rekening te houden met de invaliderende gevolgen van de ziekte. Dat gaat nu te vaak niet goed. Wij vragen de overheid de betrokkenen aan te sporen hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. Bij- en nascholing is ook voor deze beroepsgroepen noodzakelijk.

Tijd voor actie

Wij doen een beroep op alle verantwoordelijken om bovengenoemde verbeteringen op het gebied van onderzoek en zorg mogelijk te maken. Betrokkenheid van de patiëntenorganisaties, met al hun kennis en kunde, is daarbij onmisbaar. Wij zien uit naar een vruchtbare samenwerking met alle betrokkenen. Voor een betere toekomst voor ME-patiënten.

De patiëntenorganisaties op het gebied van ME en CVS:
ME/CVS Stichting Nederland, Theo Kuiphof, voorzitter
ME/cvs Vereniging, Yvonne van der Ploeg
Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, Catrinus Egas, voorzitter

Lees hier het rapport van de Gezondheidsraad, of de samenvatting daarvan.

* ME (Myalgische Encefalomyelitis) wordt ook chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) genoemd. Veel ME-patiënten krijgen de diagnose CVS. De patiëntenorganisaties en internationaal vooraanstaande medici willen van de naam CVS af omdat deze leidt tot een verkeerd beeld en vooroordelen.

** Falk Hvidberg M, Brinth LS, Olesen AV, Petersen KD, Ehlers L (2015) The Health-Related Quality of Life for Patients with Myalgic Encephalomyelitis / Chronic Fatigue Syndrome (ME/CFS). PLoS ONE 10(7):e0132421. doi:10.1317 /journal.pone.0132421.

*** CDC: Centers for Disease Control and Prevention, de overheidsorganisatie voor ziektebestrijding, preventie en gezondheidsvoorlichting in de Verenigde Staten.

FITNET is ineffectief en kan herstel belemmeren bij jongeren met ME/cvs

Samenvatting

De Nederlandse studie “Fatigue In Teenagers on the interNET” (FITNET) beweerde dat de op internet gebaseerde cognitieve gedragstherapie voor adolescenten met Myalgische Encefalomyelitis /Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), na 6 maanden leidde tot een herstelpercentage van 63% in vergelijking met 8% na gebruikelijke zorg, en dat dit werd volgehouden tot de langetermijnfollow-up (LTFU).

Onze heranalyse laat zien dat hun post hoc definitie voor herstel de ernstig zieken insloot, de niet-geblindeerde trial had geen adequate controlegroep en het gebruikte ruime selectiecriteria naast resultaten, die door middel van vragenlijsten werden verkregen, in plaats van objectieve uitkomsten, wat verder bijdraagt aan overdreven herstelcijfers. Hun beslissing om de resultaten van de actometer niet te publiceren, zou kunnen suggereren dat deze hun herstelclaims niet ondersteunden.

Ondanks deze bias creërende methodologische fouten, vond de studie nog steeds geen significant verschil in herstelpercentages (“~60%”) bij de langetermijnfollow-up, het hoofddoel van de trial. Dit is vergelijkbaar met of slechter dan de gedocumenteerde 54-94% spontane herstelpercentages binnen 3-4 jaar, wat suggereert dat zowel FITNET als gebruikelijke zorg (bestaande uit cognitieve gedragstherapie en graduele oefentherapie) ineffectief zijn en zelfs natuurlijk herstel zouden kunnen belemmeren bij adolescenten met ME/cvs. Dit heeft implicaties voor de toekomstige dure FITNET-NHS trial die een blauwdruk is van de Nederlandse studie, en dus deze blootstelt aan vergelijkbare bias.

Bron:https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28800089
© Ghatineh & Vink, 2017
Vertaling ME-gids.



Rapport ‘Zorg voor ME’

De zorg voor ME krijgt van de Nederlandse patiënten een 2,3 als rapportcijfer. Een verbluffend laag cijfer dat – zo blijkt uit een grootschalig gehouden enquête – vooral te wijten is aan een gemis aan kennis over de ziekte bij artsen en een gebrek aan effectieve behandelingen.

Patiënten lopen vaak tegen forse problemen aan. Deze worden veroorzaakt door het invaliderende karakter van de ziekte zelf, maar ook door de wijze waarop zorg in Nederland wordt gegeven aan ME-patiënten.

Ondeskundige artsen

De ervaringen met huisartsen en specialisten zijn vaak erg slecht. Tweederde van de patiënten ervaart een groot gebrek aan deskundigheid op het gebied van ME bij huisartsen en specialisten. Bovendien duurt het vaak ontzettend lang voordat de diagnose is gesteld. Bijna de helft van de patiënten moest langer dan 4 jaar wachten op een diagnose.

Ziekmakende behandelingen

Minstens net zo schokkend zijn de effecten van de standaard behandelingen cognitieve gedragstherapie (CGT) en graded exercise therapy (GET). Bij 52% van de patiënten heeft CGT een negatief effect op hun gezondheid gehad. Gecombineerd met GET was dit zelfs bij 63% het geval.

Willekeur voor arbeidsongeschiktheid

Veel patiënten zijn niet meer in staat te werken of moeten hun uren drastisch inperken. Hierbij is het op pure willekeur berust of ME-patiënten een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. De helft van de bedgebonden patiënten krijgt geen uitkering. Dit geldt ook bij patiënten met een milde vorm van ME.

Roep om erkenning

De patiënten spraken unaniem dezelfde wensen met betrokking de zorg:

  • Erkenning van ME als biomedische ziekte.
  • Financiering voor biomedisch onderzoek naar de oorzaak en effectieve behandelingen.
  • Opleiding van artsen.

Lees hier het volledige rapport.