Tag Archief van: onderzoek
Nieuwe crowdfunding van David Tuller
Trial By Error: Reporting on ME, ME/CFS, Long Covid, and “Medically Unexplained Symptoms”
2 oktober 2024
De oktober maand is weer de maand van de crowdfunding voor het werk van David Tuller. David Tuller schrijft veel over gebrekkige en soms zelfs frauduleuze onderzoeken en uitspraken van wetenschappers, artsen, behandelaren en zorgverleners.
Deze maand negen jaar geleden lanceerde David Tuller Trial by Error met een onderzoek van 15.000 woorden naar de ernstig gebrekkige en aantoonbaar frauduleuze PACE-studie.
Patiënten hadden deze studie al als onzin bestempeld, maar de studie heeft toch bijgedragen aan het neerzetten van cognitieve gedragstherapie (CGT) en ‘graded excercise therapy’ (GET) als de standaard behandeling voor het cluster van ziekten die toen nog chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) werd genoemd. Tegenwoordig wordt het vaker myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) genoemd.
Destijds verwachtte Tuller dat dit onderzoek eenmalig zou zijn. Maar hij is nog steeds bezig met dezelfde strijd tegen precies dezelfde zelfbenoemde experts. De komst van long covid heeft veel aandacht gevestigd op de hele over het hoofd geziene categorie van post acute infectiesyndromen (PAIS) of “infectie-geassocieerde chronische aandoeningen” (IACC), waaronder ME/cvs. Het is, geeft David Tuller aan, van cruciaal belang om terug te vechten tegen de beweringen van de clinici en onderzoekers die blijven beweren, zonder geldig of legitiem bewijs, dat psychologische en gedragsmatige factoren deze verwoestende ziekten veroorzaken.
Crowdfunding van David Tuller
Om het project te ondersteunen, start ik (David Tuller) twee keer per jaar een crowdfunding via het interne platform van UC Berkeley om fonsen te werven. Dit dekt 65% van mijn salaris en arbeidsvoorwaarden. Sinds de vorige crowdfunding in mei ben ik behoorlijk druk geweest. Hier zijn een paar hoogtepunten:
- Eind juli/begin augustus was ik aanwezig bij het twee weken durende onderzoek naar de zaak van Maeve Boothby O’Neill, de 27-jarige vrouw die in oktober 2021 overleed in Exeter, VK, na drie ziekenhuisopnames in de voorgaande maanden. Ik schreef erover hier , hier , hier , hier en hier .
- Ik heb onlangs (samen met co-auteurs Mady Hornig en David Putrino) een opiniestuk in STAT gepubliceerd over de problematische trend om patiënten met long covid te diagnosticeren als “functionele neurologische stoornis” of FNS – de nieuwste versie van wat voorheen bekendstond als hysterie en conversiestoornis. Ik heb van behoorlijk wat long covid patiënten gehoord dat zij na oppervlakkige onderzoeken de diagnose FNS kregen, dus dit lijkt een groot voortdurend probleem te zijn dat regelmatige berichtgeving vereist.
- Ik heb bijna twee dozijn blogs op Virology Blog geplaatst, die een scala aan onderwerpen behandelen. Een van de beste berichten is dat professor Esther Crawley, de kinderarts die bevraagd werd op methodologische en ethische vraagstukken en een subsidiemagneet van de Universiteit van Bristol was, blijkbaar met pensioen is gegaan, zoals ik op 12 juni meldde . Naast vele andere items heb ik een interview geplaatst met Betsy Ladyzhets , medeoprichter en mede-redacteur van The Sick Times, over het RECOVER-initiatief van de NIH, en heb ik ook geschreven over de problematische “inspanningsvoorkeur”-metriek van het agentschap in zijn “diepe fenotypering”-studie van ME/CVS.
Een laatste opmerking
Berkeley neemt een aandeel van 7,5% als de standaardvergoeding van de universiteit voor giften, plus 2,5% als creditcardvergoeding. Door 10% aan uw donatie toe te voegen, zorgt u ervoor dat het volledige bedrag dat u van plan bent te geven ook daadwerkelijk naar het project zelf gaat.
Heel erg bedankt voor je steun. Ik waardeer het echt, echt, vooral in deze tijd van wereldwijd trauma.
Dit is een link naar mijn originele Trial By Error-serie: https://trialbyerror.org/2015/10/21/trial-by-error-i/
Dit is een link naar alle berichten die ik op Virology Blog heb geschreven: https://trialbyerror.org/archives/
Crowdfunding steunen
Wil jij deze crowdfunding ook steunen? Dat kan via https://crowdfund.berkeley.edu/project/43450
Helaas heb je wel een creditcard nodig om een bedrag te geven aan het werk van David Tuller. Heb jij geen creditcard? Dan stelt de ME/cvs Vereniging de eigen bankrekening open voor giften aan David Tuller. Op 31 oktober, de laatste dag van de crowdfunding, zullen we alle giften in één keer op de rekening van deze crowdfunding storten.
Maak je donatie VOOR 29 OKTOBER over naar
IBAN: NL85 INGB 0004 2869 57
t.n.v. ME/cvs Vereniging te Spijkenisse
o.v.v. gift David Tuller
Antistoffen bij Long COVID veroorzaken klachten bij muizen
In een recente studie, gepubliceerd in het tijdschrift Science, hebben wetenschappers onderzocht hoe antistoffen van patiënten met long COVID (langdurige COVID-19) symptomen kunnen veroorzaken bij muizen. Dit onderzoek biedt nieuwe inzichten in de onderliggende oorzaken van long COVID, een aandoening die duizenden mensen blijft treffen, zelfs nadat ze hersteld zijn van de acute fase van de infectie.
Hoofdpunten van de studie
De onderzoekers hebben antistoffen uit het bloed van long COVID-patiënten geïnjecteerd in muizen. Het doel was om te kijken of deze antistoffen symptomen van long COVID kunnen veroorzaken bij de dieren. De onderzoekers verdeelden de antistoffen in verschillende groepen en injecteerden deze in muizen. Elke groep antistoffen veroorzaakte verschillende effecten, zoals veranderingen in pijnperceptie en activiteit. Muizen die antistoffen ontvingen van patiënten met ernstige long COVID vertoonden meer pijngevoeligheid en liepen veel minder ver dan muizen die antistoffen ontvingen van herstelde patiënten of van de controlegroep. Dit wijst erop dat de antistoffen verschillende symptomen kunnen veroorzaken door mogelijk gezond weefsel aan te vallen.
Gevolgen voor long COVID
De studie wijst op de mogelijkheid dat auto-antistoffen een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van long COVID-symptomen. Auto-antistoffen zijn antistoffen die ten onrechte de eigen lichaamsweefsels aanvallen.
Deze bevindingen hebben belangrijke gevolgen voor de behandeling en het begrip van long COVID. Als auto-antistoffen inderdaad verantwoordelijk zijn voor de symptomen, kunnen therapieën die zich richten op het onderdrukken of verwijderen van deze antistoffen verlichting bieden. Huidige behandelingen voor auto-immuunziekten, zoals immunosuppressiva of plasmaferese (een techniek om antistoffen uit het bloed te verwijderen), zouden mogelijk aangepast kunnen worden voor de behandeling van long COVID.
Kritiek en toekomstig onderzoek
Hoewel de resultaten veelbelovend zijn, roepen ze ook vragen op. Eén van de belangrijkste is hoe goed de bevindingen bij muizen kunnen worden vertaald naar mensen. Long COVID is een complexe aandoening met een breed scala aan symptomen die variëren van patiënt tot patiënt. Het is onduidelijk in hoeverre de waargenomen effecten bij muizen overeenkomen met de menselijke ervaring van long COVID.
De onderzoekers benadrukken dat verdere studies noodzakelijk zijn om deze bevindingen te bevestigen en om beter te begrijpen hoe deze antistoffen precies symptomen veroorzaken. Ze hopen dat hun werk de weg vrijmaakt voor meer onderzoek en uiteindelijk voor effectieve behandelingen voor long COVID.
Conclusie
Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het groeiende begrip van long COVID. Door aan te tonen dat antistoffen van long COVID-patiënten symptomen kunnen veroorzaken bij muizen, biedt de studie een nieuwe richting voor onderzoek naar de oorzaak en behandeling van de ziekte.
Het volledige artikel is te lezen op de website van Science.
Nederlands onderzoek
Een soortgelijk onderzoek wordt ook in Nederland gedaan door een onderzoeksgroep bij het Amsterdam UMC onder leiding van Dr. Jeroen den Dunnen. Zij hebben antistoffen van long COVID-patiënten geïnjecteerd in muizen waarna de muizen allerlei symptomen kregen. Omdat long COVID en ME/cvs veel op elkaar lijken, vermoeden zij dat die auto-immuniteit ook bij ME/cvs een rol speelt. Zij willen bij ME/cvs-patiënten de autoantistoffen in kaart brengen, zo de pathofysiologie (het ziektemechanisme) van ME/cvs proberen te ontrafelen en hoe de autoantistoffen nu precies de klachten veroorzaken.
Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn
Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum
Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).
ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties
Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.
Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!
Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l
Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)
Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.
Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn
Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.
Sessie 2: Diagnose I
Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland
De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.
Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)
De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.
Sessie 3: Diagnose II
Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn
De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.
Prof. Carsten Finke | Charité
De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.
Dr. Christian Veauthier | Charité
Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.
Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)
Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.
Wetenschappelijke posterpresentaties
Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland
Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.
Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland
De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.
Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk
In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.
Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen
Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.
Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland
In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.
(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).
Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland
Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.
Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland
In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.
Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland
Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.
Sessie 4: ME/cvs begrijpen I
Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)
De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.
Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen
Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.
Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.
Prof. Martina Seifert | Charité
De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.
Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena
De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.
Sessie 5: ME/cvs en PCS II
Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)
De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.
Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)
Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.
Sessie 6: ME/cvs begrijpen II
Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn
In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.
(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).
Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)
Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).
Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)
De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.
Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg
De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.
Sessie 7: Behandeling I
Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)
Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.
Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen
Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.
Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen
De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.
Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen
Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.
Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg
De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.
Sessie 8: Behandeling II
Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)
Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.
(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).
Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg
Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.
Dr. Elisa Stein | Charité
Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.
Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken
De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.
Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt
In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.
Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.
* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:
IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.
Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/
NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,
Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/
MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/
© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.
Argos radio 1: biomedisch onderzoek ME/cvs
In het radioprogramma ARGOS van de VPRO op NPO radio 1 werd vanmiddag om 14.00 uur aandacht besteed aan het biomedisch onderzoek naar ME.
Aan het woord kwamen o.a. Lou, Iselle en Céline Corsius, Arthur de Groot, Inge van Putten en Mark Kramer. Het programma ging over de ontstane strijd waar het de toekenning van de subsidies betreft.
De uitzending is hier terug te luisteren:
Lees ook:
Ruzies en conflicten zetten onderzoeken naar ziekte ME op de tocht
ME-patiënt Céline Corsius: ‘Deze ziekte sloopt je’
Van hoop tot wanhoop: grote heibel over studies naar ziekte ME
(lees op deze pagina ook de reacties van ZonMw en ME/CVS Nederland)
Update WOO verzoek ME/cvs Vereniging
update 23 juni 2023: WOO-verzoek ME/cvs Vereniging
Gisteren is er een gesprek gevoerd met vertegenwoordigers van #ZonMw met hun advocaten.
Naast het WOO-verzoek hebben wij gelijk gebruik gemaakt om de grootste zorgen van ME/cvs patiënten toe te lichten.
Het gesprek was constructief en wij roepen #ZonMw op tot een nadere dialoog om tot passende oplossingen te komen. De tijd is nu voor de daadkracht en het moet niet blijven bij mooie woorden en beste intenties. Dit is in het belang van de ME/cvs gemeenschap!
Reactie op voorlopig bezwaar eerste subsidieronde
Dit voorlopige bezwaarschrift was gericht op de toekenning in de eerste subsidieronde aan het ME/CFS Life Lines consortium. ZonMw geeft aan dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat de uiterlijke bezwaartermijn op 6 april 2023 lag. Er wordt een mogelijkheid aan ons geboden om met omstandigheden te komen, om dit verzuim te verschonen, zoals dat in juridisch jargon heet.
Wij zijn het niet eens met deze zienswijze en hebben een reactie gestuurd naar ZonMw. Hierin leggen wij uit dat ons bezwaarschrift wel tijdig is ingediend en – als er al sprake zou zijn van een verzuim – dit niet aan ons maar aan ZonMw zelf is toe te rekenen. Dit komt voornamelijk doordat ZonMw nog geen inhoudelijke informatie met ons heeft gedeeld op grond van ons Woo-verzoek. Daarnaast roepen wij nogmaals ZonMw op om met ons in gesprek te treden. Wij besteden onze energie veel liever aan het zoeken naar constructieve oplossingen om onze bezwaren tegen het ME/CFS Life Lines consortium weg te nemen, dan aan dit voortslepende juridische steekspel.
update 23 juni 2023:
Vandaag heeft ZonMw ons bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat ze ons (voorlopig) bezwaar niet in behandeling nemen. Teleurstellende houding van #ZonMw. Wij gaan ons beraden op verdere juridische stappen. Dat zou dan betekenen dat we naar de rechter moeten stappen.
Lees hier onze reactie: https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2023/06/20230621-Reactie-voorlopig-bezwaar-eerste-subsidieronde-ZonMW-onderzoeksprogramma-MECVS-Life-Lines-Kopie.pdf
Lees ook ons eerdere bezwaarschrift:
https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/voorlopig-bezwaarschrift-ingediend-bij-zonmw/
Perspectief voor patiënten – 1e ME/CVS onderzoeken van start
Perspectief voor ME/CVS-patiënten.
Eerste ME/CVS-onderzoeksprojecten kunnen van start gaan.
Vandaag heeft ZonMw bekend gemaakt dat twee consortia met tien onderzoeksprojecten in totaal 11,6 miljoen euro subsidie zullen krijgen voor onderzoek naar ME/CVS. Daardoor kan in ons land nu een structurele start gemaakt worden met biomedisch onderzoek naar deze ingrijpende ziekte. Onderzoekers staan in de startblokken. Dit is een belangrijke mijlpaal voor de ME-patiënten in Nederland. Eindelijk is er nu perspectief op de totstandkoming van een Nederlands netwerk van ME/CVS-onderzoekers, die biomedisch onderzoek doen en met hun onderzoek aansluiten bij belangrijke internationale wetenschappelijke ontwikkelingen. Op termijn moet dit leiden tot betere diagnostiek en behandeling. Ook is nu meer bekendheid van de ziekte te verwachten bij artsen en een breder publiek.
Eerste subsidieronde
Het is voor een belangrijk deel te danken aan patiënten en patiëntenorganisaties dat de overheid in totaal 28,5 miljoen euro beschikbaar stelt voor een tienjarig onderzoeksprogramma ME/CVS. Na het burgerinitiatief ‘Erken ME’ hebben patiëntenvertegenwoordigers een belangrijke bijdrage geleverd aan het advies ME/CVS van de Gezondheidsraad (2018). Ook de onderzoeksagenda ME/CVS (2020) en het onderzoeksprogramma ME/CVS (2021) van ZonMw zijn tot stand gekomen met de actieve bijdrage van patiëntenvertegenwoordigers. ZonMw heeft de subsidies toegekend in het kader van de eerste subsidieronde van dit programma. Na opening van de eerste subsidieronde zijn de ME/cvs Vereniging en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid betrokken geweest bij het uitwerken van meerdere onderzoeksplannen, die nu dus voor een deel zijn gehonoreerd.
Consortium, biobank en dataregistratie NMCB
We hebben een actieve inbreng geleverd bij de voorbereiding van het consortium (samenwerkingsverband) NMCB (Nederlands ME/CVS Cohort en Biobank). Dat was een intensief proces. We hebben erop aangedrongen dat goede actuele wetenschappelijke definities van ME/CVS worden gebruikt, dus geen ‘chronische vermoeidheid’, geen Oxford-definitie, geen Fukuda-definitie waarin PEM als verplicht criterium ontbreekt, wel de Canadese consensuscriteria (CCC) en de internationale consensuscriteria (ICC)*. Voor meer wetenschappelijke kennis over en goed onderzoek naar ME/CVS is dat essentieel. We hebben ons er ook sterk voor gemaakt dat de materialen en gegevens in de NMCB biobank en dataregistratie die in de onderzoeken gebruikt gaan worden afkomstig zijn van patiënten die zo zorgvuldig mogelijk zijn geselecteerd. Daarvoor is alleen het invullen van een vragenlijst niet voldoende, maar zijn clinici met veel ME/CVS-ervaring onmisbaar. Ook ernstig en zeer ernstig zieke patiënten moeten aan het onderzoek deel kunnen nemen. Dit alles is onderdeel van de plannen en we blijven ons er bij de uitvoering voor inzetten.
Onderzoeksprojecten
Ook waren we betrokken bij de voorbereiding van een aantal onderzoeksprojecten binnen het NMCB-consortium:
- onderzoek naar auto-immuniteit als mogelijk oorzaak van ME/CVS;
- een onderzoek welke veranderingen in de stofwisseling van afweercellen de oorzaak kunnen zijn van ME/CVS;
- een onderzoek naar zogenaamde ‘immuunhandtekeningen’ voor ME/CVS in het bloed.
Daarbij hebben we met de onderzoekers uitvoerig van gedachten gewisseld over de doelen van het onderzoek, over wat het voor ME/CVS-patiënten zou moeten opleveren en over de onderzoeksopzet. Daarnaast zijn we bij de drie andere gehonoreerde projecten van de NMCB betrokken geweest, maar minder intensief.
Tevreden én kritisch
We zijn tevreden met de honorering van de aanvragen van het consortium NMCB. We zijn verbaasd en bezorgd over de honorering van de aanvraag voor een tweede biobank, van het consortium ME/CFS Lines. Verbaasd omdat in de onderzoeksagenda en het onderzoeksprogramma sprake is van één biobank en dataregistratie. Bezorgd, omdat we veel vragen hebben bij de methode van deze tweede biobank/dataregistratie om patiënten daarvoor te selecteren, waarbij voldoende klinische ervaring met ME/CVS-patiënten lijkt te ontbreken. Dit kan ernstig afbreuk doen aan de kwaliteit van de onderzoeken van ME/CFS Lines. Wij zijn bij de voorbereiding van dit tweede consortium niet betrokken geweest en hebben, ondanks onze vragen, te weinig informatie ontvangen om de deelonderzoeken binnen dit consortium te kunnen beoordelen. De ME/cvs Vereniging heeft bij ZonMw een WOO-verzoek (Wet Open Overheid) ingediend om hier meer duidelijkheid over te krijgen.
Invloed van patiëntenvertegenwoordigers
In de loop van de jaren hebben onze organisaties veel kennis en inzichten opgedaan en contacten gelegd met internationale ME/CVS-onderzoekers en onderzoeksnetwerken. Daar hebben we in de gesprekken over de NMCB biobank en de onderzoeksprojecten goed gebruik van gemaakt. Onze inhoudelijke inbreng werd zeer op prijs gesteld en heeft bijgedragen aan een scherpere focus in de onderzoeksplannen.
Naast de betrokkenheid bij de aanvragen hebben de vier patiëntengroepen ieder een kandidaat voorgedragen die op persoonlijke titel door ZonMw is benoemd in een klankbordgroep. De ME/cvs Vereniging heeft Lou Corsius voorgedragen en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Ynske Jansen. Twee leden van de klankbordgroep zijn benoemd in de programmacommissie die de aanvragen voor ZonMw beoordeelde. Uiteraard vertegenwoordigden de twee leden van de klankbordgroep in de programmacommissie de voltallige klankbordgroep. Om belangenverstrengeling te voorkomen zijn deze vier patiëntenvertegenwoordigers door ons niet betrokken bij de voorbereiding van de aanvragen. We betreuren het dan ook zeer dat deze patiëntenvertegenwoordigers, vanwege een ‘schijn van vooringenomenheid’, van ZonMw niet mochten oordelen over de subsidieaanvragen, maar alleen mochten adviseren. Zie: https://www.zonmw.nl/nl/actueel/nieuws/detail/item/aanpassingen-in-beoordelingsproces-1e-subsidieronde-mecvs/.
Door het stemrecht in de programmacommissie te vervangen door een adviesrecht is de rol van de patiëntenvertegenwoordigers veel beperkter geweest dan oorspronkelijk was bedoeld. Een van hen, Lou Corsius, heeft inmiddels zijn vertrouwen in ZonMw opgezegd en is opgestapt uit de klankbordgroep. Wij betreuren dat het zover is gekomen.
Ook zijn wij niet tevreden over de geringe rol die ZonMw ons als patiëntenorganisaties toebedeelde. We hebben weinig informatie gekregen en zijn op programmaniveau amper betrokken geweest.
Het proces van deze eerste subsidieronde van ZonMw was lang en ingewikkeld. Naar aanleiding van de evaluatiegesprekken met ZonMw willen we met ZonMw afspraken maken ter verbetering van de rol van de patiëntenvertegenwoordigers in de klankbordgroep en programmacommissie en van de betrokkenheid van de patiëntenorganisaties. Daarbij gaat het om de uitvoering van het programma, de inhoud van volgende subsidieoproepen en de beoordeling van de komende subsidieaanvragen.
Meedoen
We kijken uit naar de start van het biomedische onderzoek. We zullen kritisch blijven participeren in de uitvoering.
Patiënten die hun bloed of andere materialen en gegevens ter beschikking willen stellen voor de Nederlandse ME/CVS Biobank en dataregistratie en mee willen doen aan een of meer onderzoeken kunnen zich bij ons melden via deze link:
Patiënten die samen met ons en onderzoekers actief betrokken willen zijn bij begeleiding of uitvoering van onderzoek of mee willen denken over vervolgaanvragen kunnen zich via e-mail bij ons melden: [email protected] of [email protected]
ME/cvs Vereniging
Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid
*Zie het advies ME/CVS van de Gezondheidsraad voor een overzicht van de verschillende definities:
Zie ook:
Nieuwsbericht ZonMw 25 april 2023:
https://www.zonmw.nl/nl/nieuws/eerste-biomedisch-onderzoek-naar-ME/CVS-van-start
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/persbericht-wet-open-overheid-woo/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/zonmw-verhoogt-besteedbaar-budget-in-eerste-subsidieronde/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/duidelijkheid-projecten-onderzoeksprogramma-me-cvs-in-april-2023/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/2e-bijeenkomst-patientenvertegenwoordigers-voor-onderzoeksprogramma-me-cvs-zonmw/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/uitstel-besluitvorming-subsidies-onderzoek-zonmw/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/update-biomedisch-onderzoek-zonmw/
- https://me-cvsvereniging.nl/nieuws/patientenparticipatie-bij-het-onderzoeksprogramma-me-cvs/
Meer informatie over de beide consortia en de individuele onderzoeken vindt u hier:
- Consortium ME/CFS Lines: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/ME/CFS-Lines
- Antilichaamrepertoires tegen microbiota als biomarkers voor ME/CVS (CFSmicroAbs): https://projecten.zonmw.nl/nl/project/het-nederlandse-mecvs-cohort-en-biobank-nmcb-consortium
- De rol van het microbioom in de pathogenese van ME/CVS: een bevolkingsonderzoek: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/de-rol-van-het-microbioom-in-de-pathogenese-van-ME/CVS-een-bevolkingsonderzoek
- ME/CVS & genetica: onderzoek naar de biologische oorzaak: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/ME/CVS-&-genetica-onderzoek-naar-de-biologische-oorzaak
- “Post-exertional malaise”, een startpunt om ME/CVS te bestuderen en te begrijpen: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/post-exertionele-malaise-een-startpunt-om-mecvs-te-bestuderen-en-te-begrijpen
- Het Nederlandse ME/CVS Cohort- en Biobank-consortium (NMCB): https://projecten.zonmw.nl/nl/project/het-Nederlandse-ME/CVS-Cohort-en-Biobank-consortium
- AutonoME: Autoimmuniteit als een oorzaak van ME/CVS symptomen: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/AutonoME-Autoimmuniteit-als-een-oorzaak-v-ME/CVS-symptomen
- EnergiseME: Auto-immuniteit en verstoringen in het metabolisme van immuuncellen bij ME/CVS: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/EnergiseME-Auto-immuniteit-en-verstoringen-in-het-metabolisme-van-immuuncellen-bij-ME/CVS
- Een neurobiologische en immunologische vergelijking van ME/CVS en PIVS: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/een-neurobiologische-en-immunologische-vergelijking-van-ME/CVS-en-PIVS
- Hersenveranderingen in ME/CVS: Focus op het stress- en immuunsysteem: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/hersenveranderingen-mecvs-focus-op-het-stress-en-immuunsysteem
- Adaptaties in de skeletspier en bloed tijdens post-exertionele malaise in patiënten met ME/CVS: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/adaptaties-in-de-skeletspier-en-bloed-tijdens-post-exertionele-malaise-in-patiënten-met-ME/CVS
- Immuunhandtekeningen in ME/CVS: https://projecten.zonmw.nl/nl/project/immuunhandtekeningen-mecvs
De tekst van het dubbelinterview met beide consortiumleiders is hier terug te lezen:
ZonMw verhoogt besteedbaar budget in eerste subsidieronde
ZonMw heeft besloten om het budget dat kan worden besteed in de eerste subsidieronde van het onderzoeksprogramma ME/CVS, te verhogen. De verhoging zorgt ervoor dat er meer onderzoek naar ME/CVS gefinancierd kan worden. Het doel van de subsidieoproep is het neerzetten van een stevige onderzoeksinfrastructuur voor ME/CVS. Het ophogen van het budget helpt bij het behalen van dit doel.
Het totaal te besteden bedrag voor de subsidieoproep wordt 11,6 miljoen euro, dat is een verhoging van 1,6 miljoen euro. De ophoging van het budget binnen deze ronde betekent dat er in toekomstige rondes minder geld kan worden uitgegeven. We weten op dit moment nog niet voor welke toekomstige rondes dit gevolgen zal hebben. De ophoging gaat in ieder geval niet ten koste van het budget voor praktijkonderzoek.
Op dit moment kunnen we niets delen over welke projecten financiering krijgen vanuit de eerste subsidieronde. Uiterlijk in april 2023 wordt de uitslag van de ronde openbaar gemaakt. Hierover wordt gecommuniceerd op de ZonMw-website en in de ZonMw-nieuwsbrief.
Voor meer informatie over het programma kunt u terecht op www.zonmw.nl/mecvs
2022: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek
De opbrengst voor 2022 is verre van indrukwekkend, maar er waren een paar interessante studies over ME/cvs die het bespreken waard zijn. Een terugkerend thema lijkt te zijn problemen met het transport (of gebruik) van zuurstof in de weefsels. Het zal interessant zijn om te zien of deze hypothese in 2023 verdere steun krijgt.
De grootste genetische ME/CVS-studie tot nu toe
Laten we beginnen met de grootste genetische studie over ME/cvs tot nu toe. Het Noorse onderzoeksteam van Riad Hajdarevic en collega’s screende het hele genoom op genetische verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles. Ze verzamelden gegevens van 2532 patiënten die afkomstig waren van drie verschillende bronnen. De eerste analyse werd uitgevoerd op patiënten uit Noorwegen en de auteurs hadden ook een Deens ‘replicatiecohort’ om te testen of hun bevindingen konden worden bevestigd in een andere patiëntengroep. De meeste gegevens kwamen echter van patiënten die in de UK Biobank geregistreerd stonden als patiënten met de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom.
De resultaten kunnen kort worden samengevat: geen enkel genetisch verschil tussen ME/cvs-patiënten bereikte de significantiedrempel die wetenschappers gebruiken voor genoomwijde associatiestudies (GWAS). Het sterkste signaal werd gevonden in de “Tubulin Polymerization Promoting Protein” (TPPP)-genregio. TPPP verwijst naar een familie van eiwitten die microtubuli helpen samenstellen, de dunne filamenten die het cytoskelet van cellen vormen. Hajdarevic en collega’s waren geïntrigeerd door TPPP omdat het in hoge mate tot expressie komt in hersenweefsel en een rol lijkt te spelen bij de myelinisatie van zenuwcellen. Het zal interessant zijn om te zien of deze bevinding kan worden herhaald in toekomstige genetische studies van ME/cvs.
Toch was de belangrijkste bevinding van deze studie dat geen van de genetische verschillen statistische significantie bereikte. Dit was niet echt een verrassing, want de consensus is dat GWAS tienduizenden deelnemers nodig heeft om op betrouwbare wijze genetische aanwijzingen op te sporen. In het discussiegedeelte van hun paper geven Hajdarevic en collega’s toe dat hun studie niet over voldoende middelen beschikte. Ze schatten dat “tot 10 keer meer patiënten” nodig zijn om risicovarianten met een kleine effectgrootte op te sporen. Gelukkig is dit jaar de langverwachte Britse GWAS, DecodeME genaamd, van start gegaan. Het is de bedoeling speekselmonsters van 25.000 ME/cvs-patiënten te verzamelen en het zal ons een beeld in hogere resolutie geven van de genetica van ME/cvs.
Een ander groot obstakel is de heterogeniteit. Omdat de diagnose ME/cvs nog steeds grotendeels gebaseerd is op symptoomrapportering, worden waarschijnlijk meerdere onbekende pathologieën onder één noemer gebracht. Deze heterogeniteit maakt het nog moeilijker om genetische risicofactoren te vinden. Gelukkig heeft een bedrijf, PrecisionLife genaamd, een nieuwe (gepatenteerde) analysemethode ontwikkeld die zich richt op het identificeren van subgroepen in genetische analyses. Terwijl studies meestal kijken naar verschillen in enkele DNA-letters, kan deze aanpak screenen op combinaties van kenmerken, zogenaamde ziektesignaturen. In 2022 publiceerde PrecisionLife een analyse van patiënten in de UK Biobank die 14 genen identificeerde als waarschijnlijk geassocieerd met ME/cvs. De auteurs hopen hun resultaten te repliceren met de grotere dataset die DecodeME zal opleveren.
Langzaam maar diep ademhalen
Dit jaar verscheen ook de beste studie tot nu toe over cardiopulmonale inspanningstesten bij ME/cvs. In het verleden hebben talloze studies verschillen gerapporteerd tussen ME/cvs-patiënten en (sedentaire) controles wanneer zij op een hometrainer werden gezet. Vrijwel al deze studies leden echter aan dezelfde tekortkomingen. Ze maakten geen gebruik van geblindeerde beoordelingen, ze gebruikten geen gestandaardiseerde criteria voor piekinspanningen, en, nog belangrijker, ze gebruikten geen op fitheid afgestemde controles. Zonder deze kunnen we niet weten of verschillen in inspanningstestresultaten te wijten zijn aan ME/cvs of een secundair gevolg zoals een lager fitheidsniveau of het niet bereiken van piekinspanning tijdens de test.
De studie van Dane Cook en zijn collega’s is de eerste waarbij alle drie bovengenoemde methodologische waarborgen zijn gebruikt. De gegevens waren afkomstig van 214 ME/cvs-patiënten en 189 controles die deelnamen aan het MCAM-project (Multi-site Clinical Assessment of ME/CFS), gecoördineerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC).
Toen Cook en collega’s de gegevens analyseerden zoals eerdere studies deden, vonden ze veel van de verschillen die eerder waren gemeld. ME/cvs-patiënten produceerden minder watt, hadden een lager zuurstofverbruik en hun hartslag was lager. Maar toen zijn team controleerde voor verschillen in fitheid door de gegevens uit te drukken ten opzichte van het piekzuurstofverbruik van elk individu (en door resultaten te verwijderen die wel de piekinspanning bereikten) ontstond een ander beeld.
Nu zijn veel van die verschillen verdwenen. Zoals de auteurs uitleggen, geven de resultaten “aan dat veel van de cardiopulmonale verschillen die in eerdere studies zijn gerapporteerd, worden verklaard door verschillen in aerobe conditie, en bijgevolg inspanningstijd, en geen pathofysiologische kenmerken zijn van ME/cvs.” Er was bijvoorbeeld weinig bewijs voor het idee dat de hartslag van ME/cvs-patiënten niet voldoende stijgt bij toenemende inspanning, wat anderen chronotrope intolerantie noemden. Cook en collega’s vonden ook geen verschil in de lactaatrespons in rust, tijdens inspanning of tijdens de herstelfase.
Slechts een paar kleine verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles bleven over na aanpassing voor fitheid, maar ze zijn wel interessant. Cook en collega’s vonden een speciaal ademhalingspatroon gekenmerkt door hogere ademhalingsvolumes en een lagere ademhalingsfrequentie. Met andere woorden, ME/cvs-patiënten ademden langzamer en dieper, ook al deden ze dezelfde inspanning als de controles. Cook en collega’s denken niet dat dit ademhalingspatroon een probleem weerspiegelt met de longen of het hart en het pompen van zuurstof naar de rest van het lichaam. In plaats daarvan vermoeden ze dat het iets te maken kan hebben met een slechte zuurstoftoevoer in de skeletspieren.
De studie naar Mestinon
Dit brengt ons bij Harvard-onderzoeker David Systrom. Zijn team is gespecialiseerd in invasieve cardiopulmonale inspanningstesten (iCPET), een procedure waarmee onderzoekers de gasuitwisseling en de bloedstroom door de slagaders kunnen meten terwijl patiënten een inspanningstest doen. Systrom doet al enige tijd iCPET op patiënten met onverklaarbare inspanningsintolerantie. Hij ontdekte dat een subgroep een abnormaal lage biventriculaire vullingsdruk of “preload failure” had, die niet kon worden verklaard door een bekende hartaandoening. Zoals ons onderzoeksoverzicht uit 2021 aantoonde, voldeden de meeste van deze patiënten aan de diagnosecriteria van ME/cvs. Sommigen hadden een hoge pulmonale bloedstroom, maar waren minder efficiënt in het onttrekken van zuurstof. Net als de studie van Cook, lijkt het onderzoek van Systrom te wijzen op een probleem met de zuurstoftoevoer naar de spieren.
In 2022 vervolgde Systrom zijn bevindingen met een gerandomiseerde studie met het geneesmiddel pyridostigmine (beter bekend onder de handelsnaam Mestinon). Mestinon werkt door de afbraak van acetylcholine te remmen, een neurotransmitter die belangrijk is voor spiercontractie. Systrom dacht dat Mestinon de cardiale output en de inspanningsprestaties van zijn ME/cvs-patiënten zou verbeteren.
De resultaten van het onderzoek ondersteunen deze visie, maar de veranderingen waren klein en waarschijnlijk niet klinisch relevant. Het onderzoek keek ook alleen naar een acuut effect. Patiënten deden een iCPET, kregen een dosis van 60 mg Mestinon of een placebo, wachtten 50 minuten en deden opnieuw een iCPET. Het onderzoek vergeleek de verschillen tussen de eerste en tweede iCPET. Met andere woorden, het kan ons niet veel vertellen over de langetermijneffecten van Mestinon op symptomen van ME/cvs.

Metabolieten in het plasma
Er waren ook een paar interessante studies van de collaboratieve onderzoekscentra voor ME/cvs in de Verenigde Staten.
Het team van Ian Lipkin aan Columbia analyseerde 888 metabole verbindingen in het plasma van 106 ME/cvs-patiënten en 91 gezonde controles. Patiënten hadden lagere niveaus van carnitine en lagere niveaus van fosfolipiden, vooral plasmalogenen en fosfolipide-ethers. Volgens de auteurs wijst dit op een ontregeling van het “peroxisomaal metabolisme”. Peroxisomen zijn kleine, membraangebonden organellen die betrokken zijn bij diverse stofwisselingsprocessen, zoals de afbraak van vetzuren en aminozuren. Ze lijken veel op lysosomen, met als belangrijkste verschil dat enzymen van peroxisomen zuurstof nodig hebben om te functioneren. Bovendien vonden Lipkin en collega’s verhoogde niveaus van dicarboxylzuren bij ME/cvs-patiënten, waarbij ze stelden dat “onze resultaten in overeenstemming met eerdere literatuur wijzen op ontregeling van het peroxisomale metabolisme en de tricarbonzuurcyclus (TCA).”
Een andere indrukwekkende studie kwam van het onderzoeksteam van Maureen Hanson van de Cornell University. Zij testten 1157 metabolieten in het plasma bij 60 ME/cvs-patiënten en 45 gematchte gezonde controles. Het leuke van deze studie is dat zij metabolieten maten voor en na een dubbele cardiopulmonale inspanningstest. De twee inspanningstesten, die 24 uur na elkaar werden afgenomen, waren bedoeld om postexertionele malaise uit te lokken, zodat de onderzoekers konden zien welk effect dit had op het metabolisme van de patiënten.
Het leek een verschil te hebben gemaakt. Het aantal metabolieten dat significant verschilde tussen ME/cvs patiënten en controles nam aanzienlijk toe na de inspanningstesten. Het probleem was dat geen van de verschillen groot werd. Er was altijd een aanzienlijke overlap tussen de ME/cvs en de controlegroep. Hanson zei daarom dat geen van deze tests kan worden gebruikt als Biomarker voor de diagnose van patiënten. In plaats daarvan moeten de verschillen vooral gezien worden als aanwijzingen voor de onderliggende pathologie van ME/cvs.
Helaas is het niet duidelijk wat de aanwijzingen ons vertellen, mede omdat 224 van de in deze studie geteste metabolieten nog niet geïdentificeerd zijn (het is niet duidelijk wat ze doen en bij welke lichaamsprocessen ze betrokken zijn). In het algemeen wezen de gegevens echter op een verstoring van de vetstofwisseling. In de paper benadrukken Hanson en collega’s ook dat veel van de veranderde reactiepaden afhankelijk zijn van het glutamaatmetabolisme. Glutamaat is een aminozuur met verschillende functies in het lichaam. Het speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de overdracht van signalen tussen zenuwcellen. Glutamaat zelf was echter niet statistisch verschillend tussen patiënten en controles in de huidige studie, dus het valt nog te bezien of dit een waardevolle aanwijzing of een dood spoor is.
Het onderzoeksteam van Hanson heeft dit jaar weer een interessante studie gepubliceerd. Deze werd in oktober als preprint geplaatst en is nog niet gepeerreviewd en gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. In deze kleinere studie van 30 ME/cvs-patiënten gebruikten de onderzoekers “single-cell RNA sequencing” (scRNA-seq), een relatief nieuwe techniek waarmee ze de genexpressie van individuele cellen konden bestuderen. Deze analyse werd ook gedaan voor en na een inspanningstest. Deze keer maakte de inspanningstest echter weinig verschil. De enige significante verandering werd gezien in het transcriptoom van bloedplaatjes. Die waren abnormaal vóór de inspanningstest bij ME/cvs-patiënten en werden normaal na de inspanning. Volgens de auteurs wees dit ofwel op een verlies van bloedplaatjes met een defect transcriptoom, ofwel op een grote infusie van nieuwe, normale bloedplaatjes na de inspanning. De belangrijkste afwijkingen die in deze studie werden gevonden, werden echter niet beïnvloed door inspanning en werden gezien in monocyten. Volgens de auteurs “zijn de transcriptomen van klassieke monocyten van ME/cvs-patiënten gericht op een profiel dat migratie van monocyten naar weefsel en verhoogde progressie naar een macrofaag lot bevordert.” De monocyten hadden ook genen geactiveerd die geassocieerd worden met het anti-inflammatoire cytokine IL-10, wat een tegenstrijdige boodschap lijkt te zijn. Hoewel de geavanceerde technieken die in de samenwerkende onderzoekscentra over ME/cvs worden gebruikt ons veel interessante gegevens hebben opgeleverd, is het niet altijd duidelijk wat ze betekenen.
Endotheeldisfunctie
Terwijl sommige onderzoeksgroepen over ME/cvs een grote reeks metingen proberen te verzamelen en dan zien waar de gegevens hen heen leiden, hebben andere groepen een bepaalde hypothese voor ogen. Verschillende groepen vermoeden bijvoorbeeld dat ME/cvs-patiënten aan endotheeldisfunctie lijden. Endotheelcellen vormen een laag die de bloedvaten bekleedt en de uitwisseling tussen bloed en omliggend weefsel regelt. Door stikstofmonoxide (NO) af te geven, een gas dat de spiercellen in de wanden van de bloedvaten ontspant, kunnen zij regelen hoeveel bloed en zuurstof er naar de weefsels stroomt.
Vorig jaar meldde de onderzoeksgroep van Francisco Westermeier dat verschillende microRNA’s die de productie van NO verminderen, verhoogd zijn bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Dit jaar volgden ze deze bevindingen op met een nieuw experiment. Ze kweekten endotheelcellen in het labo en ontdekten vervolgens dat deze minder goed in staat waren om NO te produceren wanneer ze in het plasma van ME/cvs-patiënten werden gebracht in vergelijking met het plasma van gezonde controles.
Een Duitse onderzoeksgroep, waarvan Carmen Scheibenbogen deel uitmaakt, volgt een soortgelijke hypothese. Ze testten de reactieve hyperemie-index (RHI) bij 14 patiënten die ME/cvs ontwikkelden na COVID-19. De RHI is een maat voor de vaatfunctie die het vermogen beoordeelt van de bloedvaten om zich te verwijden in reactie op een toename van de bloedstroom. Vijf van de veertien ME/cvs-patiënten hadden een verlaagde RHI, terwijl dit bij geen van de controles het geval was. Een verlaagde RHI werd ook gevonden bij 5 van de 16 Long Covid-patiënten die geen ME/cvs hadden. Deze Duitse onderzoeksgroep rapporteerde ook dat concentraties van Endotheline-1 (ET-1) significant verhoogd waren bij ME/cvs- en Long Covid-patiënten in vergelijking met controles.
Dit is interessant omdat deze bevinding ook werd gerapporteerd in de Spaanse studie van 67 ME/cvs-patiënten en 48 gezonde controles. In tegenstelling tot NO is ET-1 een krachtige vasoconstrictor, wat betekent dat het de bloedvaten doet vernauwen. Deze Spaanse groep vond ook verhoogde niveaus van vasculaire celadhesiemolecule-1 (VCAM-1), een eiwit dat tot expressie komt op het oppervlak van endotheelcellen. Het speelt een rol bij de rekrutering van witte bloedcellen naar ontstekingshaarden. In tegenstelling tot ET-1 correleerden de niveaus van VCAM-1 echter niet goed met de ernst van de symptomen bij ME/cvs-patiënten.

Bloedklonters en ATG-13: overdreven onderzoek?
Dit brengt ons bij ons volgende onderwerp: bloedstolsels!
U hebt er waarschijnlijk over gehoord omdat deze onderzoekspiste veel aandacht kreeg in de media. De Zuid-Afrikaanse fysioloog Resia Pretorius en de Britse biochemicus Douglas Kell stelden dat Long Covid-patiënten lijden aan een overmaat aan kleine bloedklonters en dat deze de aanhoudende symptomen na COVID-19 verklaren. Hun onderzoeksteam beweerde verder dat de symptomen van Long Covid met succes kunnen worden behandeld door anticoagulantia en antiplaatjestherapie om microklontering te voorkomen. Terwijl sommige onderzoekers waarde zagen in deze theorie, reageerden anderen sceptisch en zeiden dat zij er geen bewijs voor konden vinden bij hun Long Covid-patiënten, bijvoorbeeld in capillairrijke organen zoals de longen en de nieren. Uit wanhoop en bij gebrek aan betere behandelingsmogelijkheden hebben veel Long Covid-patiënten al experimentele tests en behandelingen ondergaan voor de veronderstelde microklonters in hun bloed.
Dit jaar publiceerden Pretorius en Kell een studie over microklonters bij ME/cvs-patiënten. In hun paper stellen zij dat de oppervlakte van plasmabeelden die microklonters bevatten meer dan 10 keer groter was in het plasma van ME/cvs-patiënten dan in dat van gezonde controles. Beeldinterpretatie is echter zeer subjectief en het is onduidelijk of de onderzoekers goed geblindeerd waren voor de ME/cvs-status. Zij voerden ook trombo-elastografie (TEG) uit, een meer objectieve methode om de efficiëntie van de bloedstolling te testen. Er werd een afwijking gevonden in de snelheid van stolselvorming (alfa en MRTG), maar er waren geen significante verschillen in stollingstijd, maximale amplitude of totale trombusvorming. De auteurs merken op dat “de mate van hypercoagulabiliteit van de ME/cvs-groep niet zo ernstig was als eerder gerapporteerd bij diabetes, acute SARS-CoV-2-infectie, of Long COVID/PASC.” Dit maakt het vrij onwaarschijnlijk dat deze bloedklonters de oorzaak zijn van de karakteristieke symptomen van ME/cvs zoals malaise na inspanning. Kell heeft ook beweerd dat bloedklonters voorkomen bij meerdere andere aandoeningen, niet alleen bij Long Covid of diabetes, maar ook bij reumatoïde artritis en lupus, waardoor de hele theorie nogal twijfelachtig wordt.
Een andere onderzoeker die denkt bewijs van stolling te hebben gevonden, is Avik Roy, de chief scientific officer van Simmaron Research. Zijn team vond eiwitaggregatie in een kleine steekproef van 7 ME/cvs-patiënten. Ze vermoedden dat dit wees op een defect in autofagie, het opruim- en recyclageproces van cellen. Ze onderzochten dit verder en vonden dat het autofagiegerelateerde eiwit ATG13 verhoogd was in het serum van ME/cvs-patiënten. In plaats van dit te bevestigen in een grotere steekproef, gingen Roy en collega’s door met verdere experimenten. Ze merkten dat het serum van ME/cvs-patiënten de productie van reactieve zuurstofcomponenten (ROS) en stikstofoxide (NO) in microgliale cellen opriep. Het leuke van deze studie is dat toen zij ATG13 neutraliseerden, de productie van ROS en NO in microgliale cellen sterk verminderde. Al deze experimenten werden echter uitgevoerd bij slechts een handvol ME/cvs-patiënten en dus zijn de resultaten niet zo robuust.
Roy heeft zijn experimenten met ATG13 voortgezet met een muismodel dat met sterke uitspraken op sociale media werd aangekondigd. In november tweette Simmaron Research: “we zijn iets groots op het spoor: een behandelbare route voor PEM. De implicaties zijn enorm. We geloven niet alleen dat de chemische route waarbij het ATG-13-eiwit betrokken is, een boosdoener is bij PEM, we geloven ook dat het kan worden aangegrepen voor geneesmiddelen. Er is hoop voor behandeling!” Helaas ondersteunen de gegevens deze beweringen niet. Wij hopen dat Roy en Simmaron deze boude beweringen in 2023 met nieuwe publicaties kunnen staven.
Postinfectieuze syndromen
Postinfectieuze syndromen zijn historisch gezien over het hoofd gezien in de geneeskunde, maar krijgen nu meer aandacht tijdens de huidige COVID-19-pandemie. Jan Choutka schreef een mooi overzicht over dit onderwerp in Nature Medicine. Hij belicht hoe langdurige symptomen niet alleen zijn gerapporteerd na COVID-19, maar na diverse infecties, waaronder polio, de ziekte van Lyme, ebola, dengue, het Epstein-Barrvirus enz. Dit jaar zijn er nieuwe publicaties verschenen over “een onderschatte last van chronische restverschijnselen na een infectie” na knokkelkoorts en andere virale respiratoire ziekten. Uit een Nederlandse studie die gebruik maakte van het Lifelines-cohort, bleek dat ongeveer 12% van de patiënten aanhoudende symptomen heeft die kunnen worden toegeschreven aan COVID-19. In de VS bleek uit een prospectieve studie van John Aucott en collega’s dat deelnemers met een voorgeschiedenis van de ziekte van Lyme 2-3 keer meer kans hadden om matige of ernstige vermoeidheid te rapporteren dan deelnemers zonder.
Florence Brelier en collega’s pakten het anders aan, maar kwamen tot dezelfde conclusie. Zij bekeken de dossiers van de Britse eerstelijnszorg en ontdekten dat patiënten met een acute ziekte van Lyme vervolgens 2-3 keer meer kans hadden om de diagnose vermoeidheid te krijgen en 16 keer meer kans om de diagnose ME/cvs te krijgen. Het aantal patiënten met een diagnose ME/cvs in de studie was slechts 17, waardoor het moeilijk is sterke conclusies te trekken, ook al was de gevonden effectgrootte vrij groot. Een ander probleem is de betrouwbaarheid van de diagnoses in de dossiers van de eerstelijnszorg. De auteurs konden echter patiënten met de ziekte van Lyme en controles per huisarts matchen. Daarom zou onderdiagnose van vermoeidheid of ME/cvs minder een probleem zijn, omdat het geen verschil zou verklaren tussen groepen die naar dezelfde huisarts gingen. De meest waarschijnlijke verklaring is dat chronische Lyme en ME/cvs beide soortgelijke gezondheidsproblemen beschrijven na een acute Borrelia-infectie.
Op naar het Long Covid-onderzoek. Een van de meest indrukwekkende studies van het jaar werd gepubliceerd door een samenwerking tussen de teams van David Putrino van Mount Sinai en Akiko Iwasaki van Yale. Zij vergeleken 99 Long Covid-patiënten met gezonde, niet-geïnfecteerde controles en controles die met SARS-CoV-2 waren geïnfecteerd maar geen aanhoudende symptomen hadden. Putrino & Iwasaki gebruikten complexe immunologische tests die verschillende (subtiele) verschillen tussen Long Covid-patiënten en de andere groepen aantoonden. Ze gebruikten ook een nieuwe aanpak om te testen op antilichamen, Rapid Extracellular Antigen Profiling (REAP) genaamd, maar hier werden geen betekenisvolle verschillen gevonden. Het belangrijkste resultaat kwam, nogal verrassend, van het stresshormoon cortisol. Bij Long Covid-patiënten waren de niveaus van cortisol in het plasma ongeveer de helft van die gevonden bij gezonde of herstellende controles. Cortisol is vaak onderzocht bij ME/cvs en de resultaten waren op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Het is ook een hormoon dat niet erg specifiek is en gemakkelijk beïnvloed kan worden door verschillende gedragspatronen.

Nulresultaten
Dan zijn er een paar studies die een vermelding verdienen, niet omdat ze intrigerende bevindingen opleverden, maar omdat ze nulresultaten rapporteerden die nuttig zouden kunnen zijn voor verder ME/cvs-onderzoek.
De eerste is een studie van de ELISA Autoantibody Assay van het Duitse bedrijf Celltrend. Deze test is gebruikt in eerder ME/cvs-onderzoek, bijvoorbeeld om aan te tonen dat patiënten verhoogde autoantilichamen hebben tegen beta-adrenerge en muscarine cholinerge receptoren. Veel patiënten hebben ook betaald om deze tests te laten doen. Dysautonomia International was sceptisch over de test en financierde een studie om de betrouwbaarheid ervan te testen. Monsters van POTS-patiënten en -controles werden geblindeerd naar Celltrend gestuurd. De onderzoekers kregen merkwaardige resultaten terug. Het percentage POTS-patiënten en gezonde controles die boven de diagnostische drempelwaarden vielen, verschilde voor geen van de geteste autoantilichamen. Bovendien had 98,3% van de POTS-patiënten en 100% van de controles autoantilichaamconcentraties tegen α1 adrenerge receptoren boven de door de fabrikant opgegeven seropositieve drempelwaarde. Wij hopen dat dit probleem met de CellTrend-assay zal worden opgelost voordat deze wordt gebruikt in toekomstig ME/cvs-onderzoek.
Een Israëlische onderzoeksgroep gebruikte een relatief nieuwe methode genaamd “phage immunoprecipitation sequencing” (PhIP-Seq) om te testen op antilichamen tegen darmmicrobiota en virale antigenen. Zij ontvingen bloedmonsters van 40 patiënten met ernstige ME/cvs uit de UK ME/CFS Biobank (UKMEB). Het aantal en de diversiteit van de totale antilichaamgebonden peptiden vertoonden geen significante verschillen tussen patiënten en gezonde controles. De onderzoekers vonden echter wel dat antilichaamresponsen tegen flagellinen oververtegenwoordigd waren bij ME/cvs-patiënten. Flagellinen vormen de staart van bepaalde soorten bacteriën om hun mobiliteit te vergroten (het Latijnse woord flagellum betekent “zweep”, vermoedelijk omdat de staart een zweepachtige beweging maakt).
Er was ook een Franse studie die keek naar voorspellers van herstel en substantiële verbetering bij 168 ME/cvs-patiënten. De patiënten die herstelden of verbeterden waren wat ouder toen ze de ziekte kregen, en ze werden eerder gediagnosticeerd dan de andere patiënten. Geen van de andere metingen, waaronder vermoeidheid, pijn, ernst van de PEM, een plotseling begin van ME/cvs enz, bleek een significante voorspeller. Een mogelijke verklaring is dat de steekproefomvang van de verbeterde groep te klein was, aangezien het percentage van herstel en verbetering slechts 8,3% respectievelijk 4,8% bedroeg.
Eervolle vermeldingen
Tot slot zijn er nog enkele eervolle vermeldingen die onze toplijst niet hebben gehaald en die we hieronder slechts kort zullen noemen.
Orji et al. publiceerden een prevalentiestudie in Australië op basis van primaire zorggegevens van 2015 tot 2019. De prevalentie van ME/cvs bij patiënten van 13 jaar of ouder werd geschat op ongeveer 1 op 1000, wat zich vertaalt in ongeveer 20.000 ME/cvs-patiënten in Australië. De auteurs waarschuwen echter dat dit waarschijnlijk een onderschatting is van de werkelijke prevalentie omdat niet alle gevallen van ME/cvs worden opgepikt in de eerstelijnszorg.
Vyas et al. voerden wat waarschijnlijk de grootste studie is naar de impact van ME/cvs op familieleden. Hun online enquête werd ingevuld door 1418 patiënten en hun familieleden uit 30 verschillende landen. Familieleden werden emotioneel het meest beïnvloed door zorgen, frustratie en verdriet en persoonlijk door gezinsactiviteiten, vakanties, seksleven en financiën.
Het onderzoeksteam van Bhupesh Prusty, een viroloog aan de Universiteit van Würzburg, was in staat om te zoeken naar herpesvirussen HHV-6 en EBV in 3 autopsies van ME/cvs-patiënten. Zij rapporteerden dat zij “overvloedig viraal miRNA hadden gevonden in verschillende regio’s van de menselijke hersenen en daarmee verbonden neuronale weefsels, waaronder het ruggenmerg, dat alleen bij ME/cvs-patiënten en niet bij controles is gedetecteerd.”
Brooke Scoles van de London School of Economics publiceerde een interessante studie als onderdeel van haar doctoraat. Ze haalde er commentaren uit van artsen op Reddit en analyseerde in welke termen ze verschillende ziekten bespraken. De resultaten voor ME/cvs bevatten meer dan vier keer meer negatieve taalwoorden dan de resultaten voor andere gestigmatiseerde ziekten zoals depressie.
Conclusie
Dat was het dan! Als er belangrijke ME/cvs-studies zijn die we gemist hebben, voel je vrij om ze in de commentaarsectie onder het artikel te plaatsen. We kijken nu al uit naar het lezen van de ME/cvs-studies van 2023 en hopen dat ze veel interessante bevindingen zullen brengen.
Beste wensen voor het nieuwe jaar aan allen!
© ME/CFS Skeptic, 31 december 2022.
https://mecfsskeptic.com/2022-looking-back-at-a-year-of-me-cfs-research/
Vertaling ME-gids.
Ramsay subsidie voor onderzoek naar PEM van Rob Wüst
Het Solve M.E. Ramsay Grant Program is ontworpen om een onderzoeksgroep op te bouwen voor ME/cvs en Long Covid en om onderzoekers in staat te stellen gegevens te genereren om grotere subsidieaanvragen te ondersteunen.
Het Ramsay-netwerk, dat momenteel in zijn zevende jaar loopt, omvat nu 33 onderzoekers uit de hele wereld en heeft geresulteerd in meer dan 8 miljoen dollar aan extra onderzoeksfinanciering.
Een van de 5 winnaars van dit jaar van de Ramsay Grant Program is Dr. Rob Wüst.
Rob Wüst en zijn team bestuderen het mechanisme dat ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van post-exertionele malaise (PEM), en de relatie met de ontwikkeling van microklonters om een dieper moleculair begrip te krijgen van aanpassingen in de skeletspieren. Het primaire doel van deze studie is het ontrafelen van de oorsprong van spierpijn, extreme spiervermoeidheid en PEM bij patiënten met Long-Covid.
In haar observaties van PEM, het kenmerkende symptoom van ME/cvs, kan deze studie directe gevolgen hebben voor ME/cvs, inclusief therapeutische opties zoals antistollingsmiddelen.
De onderzoekers
Rob Wüst, PhD (hoofdonderzoeker), is assistent-professor aan de Faculteit Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een van zijn belangrijkste wetenschappelijke interesses is het bestuderen van het metabolisme van skeletspieren tijdens gezond zijn en ziekte. Hij gebruikt verschillende technieken om onderzoeksvragen met betrekking tot het mitochondriaal metabolisme van skeletspieren te beantwoorden.
In samenwerking met Prof Michele van Vugt en arts Brent Appelman van het Amsterdam UMC, zal Dr Wüst de pathofysiologie van post-exertionele malaise bestuderen bij patiënten met long Covid tijdens post-exertionele malaise. Dit zal een dieper moleculair inzicht opleveren in de aanpassingen van de skeletspieren bij patiënten met long-Covid, en uiteindelijk ook bij patiënten met ME/cvs.
Overzicht van de studie
Symptomen met betrekking tot de skeletspieren, zoals vermoeidheid en post-exertionele malaise (PEM), zijn kenmerkende symptomen van patiënten met long-Covid en ME/cvs. PEM beperkt de dagelijkse activiteiten van patiënten, waarbij extreme spiervermoeidheid en andere symptomen verergeren na een korte periode van inspanning. In dit translationeel project zullen we een beter fundamenteel inzicht verschaffen in de biologische aspecten van aanpassingen van de skeletspieren tijdens PEM.
Het primaire doel is het ontrafelen van de oorsprong van spierpijn, extreme spiervermoeidheid en post-exertionele malaise bij patiënten met long-Covid. Daartoe voeren we moleculaire analyses uit op skeletspierbiopten en bloed, verkregen voor en na het opwekken van PEM.
Bron: https://solvecfs.org/research-and-registry/ramsay-research-grants/meet-the-researchers/
Patiëntparticipatie bij onderzoek ME/CVS
De eerste subsidieronde sloot op 21 april, zie de update van ZonMW. Hieronder geven we een beeld hoe we vanuit de patiëntenorganisaties betrokken waren en ook de komende tijd onze inbreng zullen leveren. Daarbij kunnen we nog nieuwe mensen gebruiken. Ook de ME/CVS Stichting was bij meerdere initiatieven betrokken.
Betrokkenheid bij onderzoeksvoorstellen
We waren betrokken bij onderzoeksgroepen die voorstellen hebben ingediend voor een consortium of voor deelprojecten. Het was een intensief proces, waarbij we met onderzoekers uitvoerig van gedachten hebben gewisseld over de doelen van het onderzoek, over wat het voor ME/CVS-patiënten zou moeten opleveren en over de onderzoeksopzet. In de loop van de jaren hebben onze organisaties een schat aan kennis en inzichten en contacten gelegd met internationale ME/CVS-onderzoekers en onderzoeksnetwerken. Daar hebben we in de gesprekken goed gebruik van gemaakt. Onze inhoudelijke inbreng werd zeer op prijs gesteld en heeft ongetwijfeld bijgedragen aan een scherpere focus in de onderzoeksplannen.
Actieve patiëntenparticipatie
Op deze manier is een goede basis gelegd voor volwaardige en actieve patiëntenparticipatie bij de uitvoering van die onderzoeken die goedgekeurd gaan worden, vanaf april 2023. Met een deel van de aanvragers zijn concrete afspraken gemaakt over de zeggenschap, de rollen en de facilitering van patiëntenvertegenwoordigers. Met onderzoeksinitiatieven waar we tot dan toe niet bij betrokken zijn geweest, zullen we onmiddellijk na honorering door ZonMW contact zoeken.
In het proces van beoordeling van en advisering over de ingediende onderzoeksvoorstellen hebben patiëntenvertegenwoordigers een belangrijke stem, als patiëntreferenten, in de klankbordgroep en in de programmacommissie. In november, uiterlijk december, wordt bekend gemaakt welke projecten er zijn gehonoeerd (zie ook het bericht van ZonMW).
Gezamenlijke scholing
In de tussentijd zijn we druk bezig met onze voorbereidingen op het vervolg. Na een eerdere oproep hebben zich bij ons zo’n 30 mensen gemeld die affiniteit hebben met biomedisch onderzoek naar ME/CVS en die ‘iets’ willen doen aan patiëntenparticipatie. Twaalf van hen hebben inmiddels gezamenlijk de cursus ‘Patiëntenparticipatie in wetenschappelijk onderzoek’ van PGO Support gevolgd. Na de zomer wordt deze maatwerkcursus opnieuw aangeboden.
Praktijkverbetering en kenniscentrum
Met de groep opgeleide patiëntenvertegenwoordigers bereiden we ons voor op het leveren van een goede inbreng bij de onderzoeken die uitgevoerd gaan worden. We wisselen inzichten en ervaringen uit, brengen onze contacten in kaart en bouwen aan een gezamenlijke kennisbank. De bedoeling is om tot gemeenschappelijke uitgangspunten te komen. Tegelijkertijd kijken we al vooruit naar de volgende subsidieronde, die eind 2022 wordt opengesteld en die vooral toegespitst zal zijn op ‘praktijkverbetering’. Daarbij zullen ook voorstellen gevraagd worden voor een expertise- of kenniscentrum ME/CVS.
Wil je actief meewerken?
Heb jij belangstelling voor patiëntenparticipatie bij het onderzoeksprogramma ME/CVS? Wil je deelnemen aan de scholing? Wil je een bijdrage leveren? Mail ons dan met een beschrijving van jouw affiniteit met biomedisch onderzoek naar ME/CVS: [email protected] of [email protected]. We maken dan een afspraak voor een nadere kennismaking.
Aanmelden voor onderzoek
Je kunt je ook nog altijd aanmelden als deelnemer aan biomedische onderzoeken naar ME/CVS. Dat kan via deze link. Wij kunnen je dan informeren over onderzoeken waar deelnemers voor gezocht worden; uiteraard vragen we altijd eerst toestemming om jouw naam door te mogen geven. Daarbij kan het zowel gaan om onderzoek in het kader van het tienjarig programma ME/CVS van ZonMW, als om ander biomedisch onderzoek naar ME/CVS. Inmiddels hebben bijna 1100 ME-patiënten zich hiervoor gemeld.
Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid
ME/cvs Vereniging












