Tag Archief van: orthostatische intolerantie

Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn

Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum

Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).

ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties

Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.

Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!

Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l

Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)

Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn

Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.

Sessie 2: Diagnose I

Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland

De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.

Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)

De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.

Sessie 3: Diagnose II

Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn

De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.

Prof. Carsten Finke | Charité

De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.

Dr. Christian Veauthier | Charité

Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.

Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)

Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.

Wetenschappelijke posterpresentaties

Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland

Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.

Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland

De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.

Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk

In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.

Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen

Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.

Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland

In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland

Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.

Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland

In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.

Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland

Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.

Sessie 4: ME/cvs begrijpen I

Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)

De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen

Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.

Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.

Prof. Martina Seifert | Charité

De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.

Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena

De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.

Sessie 5: ME/cvs en PCS II

Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)

De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.

Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)

Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.

Sessie 6: ME/cvs begrijpen II

Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn

In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)

Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).

Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)

De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.

Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg

De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.

Sessie 7: Behandeling I

Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)

Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.

Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen

Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.

Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen

De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.

Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen

Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.

Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg

De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.

Sessie 8: Behandeling II

Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)

Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.

(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg

Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.

Dr. Elisa Stein | Charité

Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.

Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken

De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.

Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt

In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.

Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.

* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:

IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.

Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/

NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,

Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/

MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/

© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.

ME en orthostatische chronotropische incompetentie

Bij ME/cvs is al eerder onderzocht dat de bloedsomloop anders verloopt bij inspanning en bij het veranderen van houding van liggend naar staand.

  • Normaal gesproken veranderen bij gezonde personen hartslag en bloeddruk mee met je houding als je gaat staan. Door de zwaartekracht komt er meer bloed in het onderste deel van je lichaam. Je hart krijgt dan een signaal om sneller te gaan kloppen en je bloedvaten vernauwen zich. Zo wordt er meer zuurstofrijk bloed door je lichaam gepompt, o.a. naar je hart en je hersenen. Na een tijdje worden hartslag en bloeddruk weer stabiel.
  • Bij orthostatische intolerantie gaat dit niet goed. Orthostatische Intolerantie is het verergeren van je symptomen en/of opkomen van nieuwe symptomen nadat je rechtop bent gaan zitten of staan. Deze symptomen verminderen weer als je gaat liggen. Symptomen zoals duizeligheid, licht in het hoofd voelen, hartkloppingen, kortademigheid, wazig zien, hoofdpijn, vermoeidheid en geheugen- en concentratieproblemen treden op of verergeren.
  • De meerderheid van de ME/cvs patiënten vertoont een vorm van orthostatische intolerantie. Het is een belangrijk kenmerk in de meeste recente casusdefinities voor ME/cvs.
  • Bij het Posturaal Orthostatisch Tachycardie Syndroom (POTS) neemt je hartslag in korte tijd veel toe en blijft toenemen. Je bloeddruk blijft min of meer gelijk. Daardoor blijft het bloed nog in het onderste deel van je lichaam en komt het zuurstofrijk bloed dus niet voldoende aan in je hersenen.
  • Bij Orthostatische Hypotensie vernauwen de bloedvaten zich niet voldoende bij het (gaan) staan, neemt de hartslag onvoldoende toe en daalt de bloeddruk. Gevolg hiervan is dat er minder zuurstofrijk bloed naar je hersenen gaat, en dit kan klachten veroorzaken.
  • Normaal gesproken neemt de hartslag automatisch toe wanneer je je gaat inspannen en er minder bloed per samentrekking van het hart wordt rondgepompt. Bij Orthostatische Chronotropische Incompetentie vermindert de hoeveelheid bloed die per samentrekking van het hart wordt rondgepompt als je gaat staan. En de hartslag stijgt niet voldoende om dit te compenseren.
  • De onderzoekers veronderstelden dat er sprake is van orthostatische chronotropische incompetentie bij ME/cvs patiënten.
  • Chronotrope incompetentie is al eens bij ME/cvs vastgesteld als reactie op inspanning, maar was nog niet onderzocht in reactie op orthostatische stress.

De studie

  • Het team van Dr. van Campen et al doet o.m. onderzoek door middel van een kanteltafeltest naar de bloedstroom naar de hersenen in liggende en rechtopstaande positie.
  • In deze studie onderzochten ze of het hartslagvolume van ME/cvs patiënten (zonder POTS of OH), bij het van lichaamshouding veranderen, voldoende mee omhoog gaat, en vergeleken die met die van gezonde controle proefpersonen. Slagvolume index: bloedvolume dat per samentrekking van het hart wordt rondgepompt (SVI)
  • Volwassenen met ME/cvs (volgens Fukuda, ICC en uitsluitingscriteria) echter zonder POTS of hypotensie, werden vergeleken met gezonde controle proefpersonen.
  • Ze ondergingen in de periode oktober 2012 tot december 2020 een kanteltafeltest (kantelend van liggen naar staan) volgens protocol (20 min in rugligging, daarna max. 30 min met het hoofd omhoog gekanteld tot 70 graden. De ziekte-ernst werd bepaald volgens de Internationale Consensuscriteria (ICC).
  • Aan het einde van de kanteling werd de afname van de hersenbloedstroom gemeten door middel van een Doppler. Deze studie onderzocht de relatie tussen hartslag en slagvolume index om te bepalen of chronotropische incompetentie aanwezig was tijdens kanteltesten bij ME/cvs-patiënten.

Resultaten

  • Bij volwassenen met ME/cvs nam de hersenbloedstroom drie keer zo veel af als bij de gezonde controles. Dit bevestigt de aanwezigheid van orthostatische intolerantie (ook bij personen die geen POTS of hypotensie hadden).
  • 134 van de 362 patiënten (37%) met ME/cvs, zonder POTS of hypotensie, scoorden qua toename van de hartslag zelfs onder de laagste grens van het 95% voorspelbaarheidsinterval van de toename van de hartslag bij de controle proefpersonen. Dit wijst op orthostatische chronotropische incompetentie.
  • De meerderheid van de ME/cvs patiënten heeft geen bewijs van orthostatische hypotensie of POTS tijdens de kanteltafeltesten. Maar het bloedvolume dat per samentrekking van het hart wordt rondgepompt (slagvolume index of SVI) neemt bij ME/cvs patiënten wel significant af vergeleken met gezonde controles.
  • Er werd berekend wat de “normale” waarden bij gezonde proefpersonen waren, daaruit werd een voorspelbaarheidsinterval bepaald, waarin de waarden van 95% van de gezonde proefpersonen vallen. Daarna werd gekeken naar de scores van de ME/cvs patiënten. Deze scores lagen vooral in het gebied van de onderste 5%. 37% van de ME/cvs patiënten vertoonde een lager dan voorspelde stijging van de hartslag tijdens de kanteling. Hoe ernstiger ze ziek waren, hoe vaker er sprake was van OCI.
  • Dit is de eerste beschrijving van orthostatische chronotropische incompetentie tijdens kanteltafeltesten, hetgeen een andere afwijking bevestigt in de reactie van de bloedsomloop op rechtop zitten of staan bij ME/cvs.

Studie: Orthostatische chronotropische incompetentie bij patiënten met ME/cvs
Auteurs: Linda van Campen, Freek Verheugt, Peter Rowe en Frans Visser

Vergelijken POTS bij Long Covid en ME zonder en door EBV

De klachten van Long Covid patiënten lijken vergelijkbaar te zijn met die van ME/cvs. Ook Orthostatische Intolerantie (OI) komt bij Long Covid vaak voor.

Is OI hetzelfde bij ME/cvs na een infectie met EBV en Long Covid?

Is er verschil tussen de ME/cvs patiënten na een acute infectie (EBV) en ME/cvs patiënten waarbij geen trigger bekend is?

Speelt deconditionering een rol?

Er was geen significant verschil in vóórkomen van OI tussen Long Covid patiënten en ME/cvs patiënten met en zonder voorafgaande EBV-infectie. Deconditionering was bij ME/cvs en ook bij Long Covid geen verklaring voor optreden van OI.

De studie

De auteurs van deze studie onderzochten 3 groepen patiënten

  • met een kanteltafeltest
  • afnemen van anamnese
  • afnemen van een vragenlijst tijdens de test
  • meten van de doorstroming van het bloed naar de hersenen
  • meten van de cardiale slagindex, liggend en tijdens de kanteling

Ze onderzochten van december 2020 tot maart 2022

  • een groep van 14 patiënten, met aanhoudende klachten na infectie met SARS-CoV-2 virus. In deze studie wordt deze groep aangeduid met long-haul Covid (wij gebruiken in dit artikel Long Covid)
  • een groep van 14 ME/cvs patiënten (ICC + Fukuda criteria) waarvan was geregistreerd dat hun ziekte was begonnen na het doormaken van een infectie met het Epstein-Bar virus (EBV) dat de ziekte van Pfeiffer veroorzaakt
  • een groep van 14 ME/cvs patiënten (ICC + Fukuda criteria) waarbij er geen trigger bekend is
  • De proefpersonen werden gematcht naar leeftijd en gender.
  • Ze ondergingen allemaal een kanteltafeltest waarbij de bloeddoorstroming naar de hersenen werd gemeten om de mate van orthostatische intolerantie te bepalen.
  • Voorafgaand aan de kanteltafeltest werd een anamnese afgenomen waarin de klachten die verband houden met OI in het dagelijks leven werden uitgevraagd (duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, flauwvallen, misselijkheid, zweten etc.), naast een aantal vragen over triggers voor het ontwikkelen van de klachten, zoals in een rij staan, douchen, etc.

Kanteltafeltest

De kanteltafeltest werd volgens een vast protocol uitgevoerd (eerst 20 minuten liggend, daarna een kanteling gedurende 10 minuten, tot 70 graden).

Liggend en bijna rechtop staand (net voordat er weer teruggekanteld werd) werden metingen uitgevoerd van het slagvolume en de cardiale index bij de aorta door middel van een Doppler. Ook werden er metingen verricht aan de halsslagader en wervelslagader

Tijdens de kanteling werd er een vragenlijst afgenomen. Daarbij werd gevraagd naar symptomen die kunnen optreden, wanneer er minder bloed naar je hersenen stroomt, doordat je steeds verder rechtop komt te staan.

(duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, vermoeidheid, spierzwakte, hartklopingen, kortademigheid, wazig zicht, verandering in gehoor, nek/schouder spierpijn, lage rugpijn, druk of pijn op de borst, concentratieproblemen, zweten, hoofdpijn, of druk in het hoofd, tintelingen.

Daarbij werden hartslag en bloeddruk geregistreerd en bepaald of er sprake was van:

  • normale reactie van hartslag en bloeddruk
  • orthostatische hypotensie (afname van meer dan 20 mmHg systolisch) of diastolisch afname van meer dan 10 mmHg
  • POTS (toename van tenminste 30 hartslagen per minuten binnen 10 minuten na het gaan staan, zonder een significante afname van de bloeddruk)

Dysautonomie: ontregeld autonoom zenuwstelsel

Dysautonomie is de paraplu-term waar verschillende aandoeningen onder vallen, waaronder orthostatische intolerantie (OI), het posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en orthostatische hypotensie (OH). Het autonoom zenuwstelsel regelt alles in je lichaam waarbij je niet hoeft na te denken, zoals je hartslag en bloeddruk, de temperatuurregeling in het lichaam, etc. Daar gaat het mis bij dysautonomie. De symptomen van POTS en OH lijken erg op elkaar. Dat komt doordat er bij allebei sprake is van een verminderde bloedtoevoer naar het hart en de hersenen. Ook zijn er vaak andere verstoringen van het autonoom zenuwstelsel.

Orthostatische Intolerantie: klachten bij rechtop gaan zitten of staan

De kenmerkende symptomen van Long Covid  lijken op die van ME/cvs. Eén van de overlappende symptomen is orthostatische intolerantie (OI). Dit is een syndroom waarbij de klachten toenemen als je staat en weer verminderen als je gaat liggen. OI is een hoofdkenmerk van ME/cvs. Met name de onder OI vallende vorm POTS is herkend bij Long Covid.

Cerebrale Hypoperfusie: Er stroomt minder bloed naar je hersenen

De auteurs bestudeerden orthostatische intolerantie (OI), waarbij zij het mechanisme dat OI veroorzaakt (cerebrale hypoperfusie) meetbaar maakten.

Cerebrale hypoperfusie betekent dat de bloeddoorstroming naar je hoofd, dus naar je hersenen, verminderd is. Dit kunnen zij meten door de bloeddoorstroming te meten met een soort sensor, een Doppler, tijdens een kanteltafeltest.

  • Daarmee toonden ze al eerder aan dat de bloedstroom naar de hersenen bij ME/cvs patiënten afnam met 26%, terwijl dit bij gezonde vrijwilligers gemiddeld 7% was.
  • In een andere studie vergeleken de auteurs tijdens een kanteltafeltest Long Covid patiënten met POTS met een vergelijkbare ME/cvs controlegroep met POTS, en met ME/cvs patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk en met gezonde controles. De twee ME/cvs groepen en de Long Covid groep waren vergelijkbaar waar het de clusters van symptomen betrof en waar het de objectieve tekenen van OI betrof, nl. de afname van de bloeddoorstroming naar de hersenen.
  • Bij de Long Covid patiënten was een duidelijke trigger aanwezig in de vorm van het SARS-CoV-2 virus. Bij de ME/cvs patiënten worden er meerdere triggers aangegeven, waardoor de groep mogelijk niet homogeen is, daarom werd er vergeleken met ME/cvs na een EBV infectie

Resultaat studie

  • De Long Covid groep had een kortere ziekteduur dan de beide ME/cvs groepen
  • Alle 14 Long Covid patiënten hadden POTS
  • De groep met ME/cvs na EBV had 6 x POTS en 8 x een normale reactie hartslag/bloeddruk
  • De groep met ME/cvs zonder acute trigger  had 7 x POTS en 7 x een normale reactie

De Long Covid patiënten en de ME/cvs patiënten hadden vergelijkbare

  • ernst van OI gerelateerde klachten (mild, matig, ernstig)
  • OI klachten in dagelijks leven (anamnese)
  • OI klachten tijdens kanteltafeltest (vragenlijst)
  • objectieve afwijkingen van OI (metingen abnormale afname hersenbloedstroom en abnornale afname cardiale index)

Deze resultaten komen overeen met die van een eerdere studie bij gezonde controles en 429 ME/cvs patiënten, waar de afname van de hersenbloedstroom tijdens de kanteltafeltest gemiddeld 7% bij gezonden en 26% bij ME/cvs patiënten was. De afname die in de huidige studie bij ME/cvs werd gevonden (29%) is vergelijkbaar.

Deze resultaten komen ook overeen met de afname van hersenbloedstroom bij patiënten met OI in een eerder onderzoek, gemeten met transcraniële doppler.

Dit maakt het waarschijnlijk dat Long Covid hetzelfde is als ME/cvs in termen van ziekte, waarbij de trigger een SARS-Cov-2 infectie is geweest. Vanuit klinisch gezichtspunt zouden Long Covid patiënten hetzelfde moeten worden behandeld als ME/cvs patiënten, met als belangrijkste klachten: Vermoeidheid, orthostatische intolerantie, geheugen en concentratieproblemen, post-exertionele problemen, slaapproblemen, pijn, etc.

Ziekte-duur en mogelijk vervagen POTS reactie

Er werd bij alle Long Covid patiënten POTS gevonden, dit was slechts resp. 42-50% bij de ME/cvs groepen. In een eerdere studie vonden de auteurs dat POTS patiënten een kortere ziekteduur hadden dan de patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk tijdens de kanteltafeltest.

In deze studie was er een significant verschil in ziekteduur:

  • Long Covid mediaan 1 jaar
  • ME/cvs mediaan 11-16 jaar

Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat met toenemen van de ziekteduur de POTS reactie kan worden vervangen door een minder grote toename van hartslag, bijna alsof die vervaagt en plaats maakt voor een normale hartslag en bloeddruk.

Eén van de mechanismen van POTS is overmatige activatie van het sympathisch zenuwstelsel. Mogelijk is er bij milder zieke Long Covid patiënten in het begin een hogere sympatische aandrijving aanwezig, die in de loop van de tijd verdwijnt tijdens herstel van de infectie, dit herstel leidt dan tot verdwijnen van POTS. Deze hypothese wordt door patiënten ondersteund die zeggen dat de hartkloppingen zijn verdwenen in de loop van de tijd.

Het komt niet door deconditionering

Deconditionering als belangrijke oorzaak van POTS wordt vaak genoemd in de literatuur. Bij de Long Covid patiënten in dit onderzoek ligt dit anders. In deze studie van 14 Long Covid patiënten en een eerdere publicatie over 10 patiënten met POTS, ontwikkelden de OI/POTS klachten zich al in de eerste weken na het begin van de acute infectie.

Geen van de patiënten is opgenomen geweest in het ziekenhuis of had aan de beademing gelegen. Alle Long Covid patiënten waren fit voor het begin van de infectie en sportten tenminste wekelijks. Andere onderzoekers hebben vergelijkbare observaties gedaan.

Dit maakt het onwaarschijnlijk dat de POTS werd getriggerd door deconditionering.

Verder hebben de auteurs bij ME/cvs patiënten aangetoond dat de aanwezigheid van postexertionele malaise (PEM), orthostatische intolerantie (OI) en de abnormale afname van hersenbloedstroom ook aanwezig waren bij patiënten die niet gedeconditioneerd waren. Dit was vastgesteld bij een cardiopulmonaire inspanningstest, waar de afwezigheid van deconditionering werd gedefinieerd als een % voorspelde maximale zuurstofconsumptie van 85% of meer.

De abnormale afname van de hersenbloedstroom was vergelijkbaar bij de patiënten die niet gedeconditioneerd waren, en bij de patiënten met milde of ernstige deconditionering. (Deconditionering was dus geen factor).

Studie van Linda van Campen en Frans Visser gepubliceerd in Healthcare https://www.mdpi.com/2227-9032/10/10/2058

Vertaling en samenvatting: ME/cvs Vereniging

Dit artikel maakt onderdeel uit van de collectie “Waarom sommige patiënten nooit herstellen: de post-actieve fase van infectueuze syndromen”

Ziek door verminderde bloedstroom naar de hersenen?

Deze studie kon je vanop een kilometer afstand zien aankomen. Visser, Van Campen en Rowe zijn de afgelopen jaren druk bezig geweest met baanbrekende studie na baanbrekende studie. Het was slechts een kwestie van tijd – en niet veel tijd ook – voordat ze bij langdurige COVID aanbelandden.

De kleine studie “Orthostatic Symptoms and Reductions in Cerebral Blood Flow in Long‐Haul COVID‐19 Patients: Similarities with Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome”  [“Orthostatische symptomen en verlaagde cerebrale doorbloeding bij patiënten met langdurige COVID-19: gelijkenissen met Myalgische Encefalomyelitis/Chronisch Vermoeidheidssyndroom”] – bevatte 60 ME/cvs-patiënten (ME/cvs met en zonder POTS), langdurige COVID-patiënten en gezonde controles – concentreerde zich op twee uiterst belangrijke factoren: orthostatische intolerantie en de bloedstroom naar de hersenen.

Hoewel slechts 10 langdurige COVID-patiënten werden geëvalueerd, werd er niet selectief gekozen, werden de ernstigste gevallen er niet uitgepikt, en probeerden ze het resultaat niet in hun voordeel te beïnvloeden – de groep nam gewoon de eerste 10 langdurige COVID-patiënten die in hun kliniek werden gezien, op in hun studie. Alle patiënten in de studie – zowel de langdurige COVID- als de ME/cvs-patiënten – voldeden aan de IOM-criteria voor ME/cvs.

Ze beoordeelden de symptomen, legden de deelnemers op een kanteltafel en keken hoe hun cardiovasculaire systeem zich probeerde aan te passen.

De symptomen van de twee groepen waren bijna identiek, waarbij de langdurige COVID-groep er iets ernstiger aan toe was. De groep probeerde zeker de groepen uit elkaar te halen, maar zelfs een analyse van 21 verschillende symptoomclusters in de Fukuda-criteria, de Canadese Criteria en de IOM-criteria, vond geen verschil in symptomen tussen de langdurige COVID- en ME/cvs-patiënten (met of zonder POTS).

Alleen overgevoeligheid voor voedsel en/of chemicaliën kwam vaker voor in de ME/cvs-groep – misschien suggereert dit dat de overgevoeligheidskwesties de neiging hebben zich later te openbaren.

Dubbele klap bij langdurige COVID

Verminderde cerebrale bloedstroom: langdurige COVID bovenaan en gezonde controle onderaan. Links is de uitgangssituatie en rechts de gekantelde toestand. © Van Campen, Rowe & Visser, 2021.

Deze studie vond zowel verminderde bloedtoevoer naar de hersenen als hoge hartslag (POTS) bij de langdurige COVID-patiënten. Aangezien de langdurige COVID-patiënten zowel POTS als een verlaagde bloedstroom naar de hersenen vertoonden, was het niet verwonderlijk dat zij een nog sterkere verlaagde bloedstroom naar de hersenen hadden dan de ME/cvs-patiënten zonder POTS.

Over onderlinge verbanden tussen ziekten gesproken. Hetzelfde scenario – verminderde bloedstroom naar de hersenen – is gevonden bij mensen met ME/cvs (zonder POTS en met POTS), mensen met POTS en mensen met langdurige COVID.

Hetzelfde geldt voor de spieren: invasieve inspanningsstudies hebben verminderingen gevonden in de bloedstroom naar de spieren bij langdurige COVID en ME/cvs. Met een recente grote studie die mogelijke problemen met endotheelcellen/bloedvaten bij langdurige COVID aan het licht bracht, lijkt het verband tussen bloedvaten/bloedstroom bij al deze ziekten steeds sterker te worden.

Deconditionering opnieuw tegengesproken

Deconditionering zal natuurlijk weer de kop opsteken in langdurige COVID. De groep Van Campen/Rowe/Visser heeft heel veel gedaan om aan te tonen dat zelfs jaren van ME/cvs niet leiden tot energieproductieproblemen bij ME/cvs.  Ze zijn er vanaf het begin en ze zijn aanwezig of iemand met ME/cvs nu gedeconditioneerd is of niet.

Nu komt een andere wending. De langdurige COVID-patiënten waren fysiek fit voor ze ziek werden en ontwikkelden de orthostatische symptomen die opdoken wanneer ze rechtop stonden, vroeg in hun ziekte – vóór de deconditionering zijn intrede kon doen – en suggereren dat de bloedstroom naar de hersenen zeer vroeg in de ziekte begon te dalen.

De auteurs lijken ook een interessante vraag te hebben opgehelderd: waarom hebben sommige mensen met een zeer hoge hartslag bij het rechtop staan, die voldoen aan de hartslagcriteria voor POTS, geen symptomen bij het rechtstaan? Het blijkt dat een hoge hartslag niet het volledige antwoord is bij POTS.

Met behulp van nieuwe technologie heeft de Visser-groep vastgesteld dat POTS een ziekte is van sympathische overdrive (inclusief hoge hartslag) en, het belangrijkste, verminderde bloedtoevoer naar de hersenen.

Het onvermogen om dit te onderscheiden, heeft problemen veroorzaakt omdat het artsen een opening heeft gegeven om de hoge hartslagproblemen die bij POTS worden gevonden, te verwerpen en een psychologisch etiket op POTS-patiënten te plakken. Het is opmerkelijk hoe gevaarlijk onvolledig onderzoek kan zijn.

Trigger

Verschillende triggers lijken dezelfde algemene ziekte te veroorzaken. Ze moeten allemaal worden onderzocht.

De studie evalueerde ook een factor die steeds belangrijker zal worden voor de ME/cvs-gemeenschap: ziektetriggers. Veel mensen met langdurige COVID zijn, begrijpelijk, wanhopig op zoek naar bevestiging dat ze besmet zijn met het coronavirus om hun ziekte te valideren en hopelijk te vermijden dat ze worden afgewezen door de medische gemeenschap.

ME/cvs is in verband gebracht met langdurige COVID via de gemeenschappelijke postinfectieuze trigger, maar een aanzienlijk deel van de mensen met ME/cvs hebben ofwel geen postinfectieuze trigger of beseffen niet dat ze er een hebben gehad. Deze studie, bijvoorbeeld, vond dat meer dan 40% van de ME/cvs-patiënten niet rapporteerden dat een infectie hun ziekte veroorzaakte – toch waren hun symptomen en, zoals we zullen zien, hun testresultaten blijkbaar bijna identiek aan die gevonden bij de postinfectieuze patiënten.

Dat leidt tot een klein raadsel over het verband tussen langdurige COVID en ME/cvs. Tot dusverre vereisen twee belangrijke hypothesen met betrekking tot langdurige COVID ofwel een auto-immuunreactie op een virus, ofwel een langdurige ontstekingsreactie op virale eiwitten. In beide gevallen is een virus nodig.

Aangezien beide hypothesen uitkomen bij de bloedvaten, is het mogelijk dat er een niet-virale oorzaak is voor het disfunctioneren van de bloedvaten, die nog niet aan het licht is gekomen. Of het kan zijn dat iedereen met deze ziekten een infectieus begin had, maar dat het begin niet altijd normale griepachtige symptomen gaf – en dus verborgen bleef. Er bestaat bijvoorbeeld een atypische vorm van infectieuze mononucleose [ziekte van Pfeiffer/klierkoorts], die geen gezwollen lymfeklieren, koorts, enz. veroorzaakt, maar die wel soortgelijke immuunafwijkingen voortbrengt. Studies die ziektetriggers beoordelen, zullen dus van cruciaal belang zijn om patiënten bij wie de ziekte niet door een infectie wordt veroorzaakt, op te nemen in het brede scala van het lopende onderzoek.

Gemiste berichten

Het is belangrijk, zowel voor mensen met langdurige Covid als voor mensen met ME/cvs, dat de gelijkenissen tussen de twee ziekten worden erkend. Uit een enquête blijkt echter dat die boodschap niet bij alle artsen aankomt.

Ondanks het feit dat mensen met langdurige Covid vaak voldoen aan de criteria voor ME/cvs, en dat behandelingsprotocollen die symptomatisch kunnen helpen, gemakkelijk beschikbaar zijn, suggereert de enquête dat artsen bijna nooit bij patiënten met langdurige COVID de diagnose van ME/cvs (3%) of posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) (4%) stellen.

Langdurige COVID lijkt dus, althans op het niveau van de artsen, grotendeels te worden gezien als een eigen entiteit die onlosmakelijk verbonden is met het coronavirus, maar niet noodzakelijk met andere ziekten – met inbegrip van de ziekten die er het nauwst bij aansluiten.

Wiens universum?

Deze gelijkenis – samen met de cardiale index en vermindering van cerebrale bloedstroom die gevonden wordt in zowel gevallen van langdurige COVID als controles met ME/cvs – ondersteunt het standpunt dat langdurige COVID-19, met een symptoomduur van meer dan 6 maanden, een vorm van ME/cvs is. De auteurs.

Moeten langdurige COVID (en andere postinfectieuze en niet-postinfectieuze ziektetoestanden) worden gezien als subgroepen van ME/cvs?

Dat is problematisch, gezien een grote vraag die boven het veld hangt: hoe past langdurige COVID in het ME/cvs-universum, en hoe past ME/cvs in het langdurige COVID-universum? Langdurige COVID krijgt veel meer onderzoeksfinanciering dan ME/cvs ooit heeft gehad, en daarom zal er een sterke aantrekkingskracht zijn om het volgens zijn eigen voorwaarden te definiëren – en aanverwante ziekten alleen verder te laten gaan.

Natuurlijk is het begrijpelijk dat sommige mensen met langdurige COVID afkerig staan tegenover het idee dat hun ziekte over één kam wordt geschoren met een gestigmatiseerde ziekte als ME/cvs. De rug toekeren aan een groep lang verwaarloosde patiënten die in wezen dezelfde ziekte lijken te hebben, is een morele kwestie, maar afgezien daarvan zijn er verschillende andere redenen waarom het voor iedereen het beste zou zijn om langdurige COVID op te vatten als een subgroep van ME/cvs.

Overweeg het volgende: ME/cvs beschrijft een soort brede aandoening die algemeen vermoeid maakt en inspanning bemoeilijkt.. Onder die noemer kunnen allerlei andere aandoeningen, postinfectieus en anderszins, worden ingepast. Langdurige COVID, chronische Lyme, posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom, fibromyalgie, post-IC-syndroom en waarschijnlijk elk bekend postinfectieus syndroom zouden allemaal kunnen passen onder een benaming als ME/cvs.

Gezien de infectieuze oorzaken die bij veel van deze ziekten worden aangetroffen, zou het een gemiste kans zijn als langdurige COVID niet grondig zou worden begrepen en niet zou worden gezien als gewoon de meest prominente van vele postinfectieuze toestanden. In het beste geval zal langdurige COVID aanleiding geven tot wat in wezen een nieuw gebied van onderzoek naar postinfectieuze ziekten zal zijn.

Langdurige COVID zou echter ook leven moeten blazen in de studie van vermoeiende, inspanningsintolerante, niet-postinfectieuze toestanden. Aangezien langdurige COVID meer en meer synoniem wordt met ME/cvs, vereist de logica dat men ook onderzoek moet gaan doen naar de niet-infectieuze bronnen van inspanningsintolerantie, vermoeidheid, enz. die gevonden worden in ME/cvs.

Het feit dat ME/cvs geen postinfectieuze trigger vereist, en dat het brede criteria volgt die gericht zijn op vermoeidheid, inspanningsintolerantie en andere symptomen, betekent dat het, althans op dit moment, zinvol is dat het gebruikt wordt als een algemene overkoepelende term waaronder al deze andere ziekten kunnen worden gekoppeld.

Conclusie

Deze studie was te klein om definitief aan te tonen dat verminderde bloedtoevoer naar de hersenen wordt gevonden bij langdurige COVID, maar het geeft een teken  dat grotere, beter gefinancierde, onderzoekers kunnen gebruiken om langdurige COVID te onderzoeken. Het weerlegt ook beweringen over deconditionering en verbindt langdurige COVID, ME/cvs en POTS op een nieuwe manier met elkaar, wat logisch is, gezien andere bevindingen van verminderde bloedtoevoer.

Het voegt mogelijk nog een andere link toe aan tussen langdurige COVID en ME/cvs die steeds sterker lijkt te worden. Tot dusver zijn dit de mogelijkheden: verminderde bloedstroom, verminderd vermogen om energie te produceren tijdens inspanning, hypercoagulatie, misvormde rode bloedcellen, neuro-inflammatie, ACE-2-ontregeling, T-cel-uitputting, NK-celproblemen, darmdysbiose, hyperkatabole toestand.

Hopelijk zullen de grote onderzoeksinspanningen in de VS – waarvan we tot nu toe weinig hebben gehoord – deze studie bestuderen en er op gepaste wijze op reageren. Dysautonomie – lange tijd een aandachtspunt in ME/cvs en POTS – is een erkend probleem in langdurige COVID en wordt meer bestudeerd. Toch is het dysautonomieveld niet groot en het valt nog te bezien of de grote Amerikaanse studies het zullen omarmen.

Bron: https://www.healthrising.org/blog/2021/12/26/brain-blood-flows-long-covid-me-cfs-pots/
Health Rising, 26 december 2021
Vertaling ME-gids

Ademhaling bij ME/cvs, fibromyalgie en Long Covid

Ademhaling bij ME/cvs, Fibromyalgie en Long Covid

Bij een subgroep ME/cvs patiënten komt ook een afname voor van het kooldioxide gehalte in de uitgeademde lucht (hypocapnie).

Lees hier het artikel van Cort Johnson over hypocapnie bij ME/cvs, fibromyalgie en Long Covid en een kort artikel over een hypocapnie thuistest.

ME/cvs en duizelig zijn of flauwvallen

Orthostatische intolerantie

Bij orthostatische intolerantie verergeren je symptomen als je vanuit een liggende positie gaat zitten of staan. 90% van de ME/cvs-patiënten heeft orthostatische intolerantie en kinderen en jongeren met ME/cvs hebben het zelfs nog vaker.

Geen oorzaak gevonden?

ME/cvs-patiënten krijgen vaak de verkeerde diagnose als zij last hebben van orthostatische intolerantie. Artsen kunnen vaak niets lichamelijks vinden wat kan verklaren waardoor patiënten regelmatig (bijna) flauwvallen. Ze stellen dan de diagnose Conversiestoornis of Psychogene Pseudo Syncope (PPS). Bij deze aandoeningen reageert je lichaam op psychische stress door bijvoorbeeld flauw te vallen. Dit is echter niet de juiste diagnose en de bijbehorende behandelingen zijn dan ook niet geschikt.

Afname hersenbloedstroom de oorzaak

Onderzoekers wilden kijken of er bij ME/cvs-patiënten een andere verklaring kan zijn voor het regelmatig (bijna) flauwvallen. Dit bleek zo te zijn. Er werd een abnormale afname van de hersenbloedstroom gezien als patiënten gingen staan. De oorzaak van het flauwvallen is dus niet psychisch, maar duidelijk lichamelijk.

Het stellen van de juiste diagnose

De juiste diagnose kan gesteld worden met een “extra craniële Doppler” bij een kanteltafeltest. Deze meting wordt niet vaak gebruikt, waardoor de juiste diagnose (Orthostatische intolerantie) wordt gemist.

Bij patiënten die regelmatig flauwvallen moet hiermee rekening worden gehouden. Een verkeerde diagnose zoals een gedragsstoornis of psychiatrische aandoening kan worden voorkomen door extracraniële Doppler-metingen vóór en aan het einde van de kanteling te doen. Dit kan ook helpen bij het vaststellen van de oorzaak van het flauwvallen.

Samenvatting: ME/cvs Vereniging
Deze studie maakt onderdeel uit van een speciale uitgave.
Lees hier de gehele (Engelstalige) studie van Linda van Campen en Frans Visser

Orthostatische symptomen bij long COVID en ME/cvs

Tijdens de pandemie werd een grote internationale enquête gehouden onder volwassenen die aanhoudende symptomen hadden na een Covid-19 infectie. De 3 meest gerapporteerde symptomen daarin waren vermoeidheid, PEM en cognitieve problemen. Uit andere onderzoeken bleek ook dat orthostatische intolerantie en met name POTS al vlak na het begin van Long Covid ontstaan. Dit zijn ook allemaal belangrijke symptomen bij ME/cvs. Veel van de Long Covid patiënten voldoen na 6 maanden ziekte aan de criteria voor ME/cvs. Dit kan suggereren dat een infectie met SARS-Cov-2, net als infecties met SARS-Cov-1 en andere infectieziektes ME/cvs kunnen uitlokken.

Het onderzoek

De onderzoekers van Campen, Rowe en Visser hebben daarom een onderzoek gedaan waarin ME/cvs en Long Covid patiënten vergeleken werden. De auteurs onderzochten de orthostatische symptomen in het dagelijks leven en de reacties van hartslag en bloeddruk werden gemeten tijdens een kanteltafeltest. Ook hebben ze vergeleken hoe de hersenbloedstroom reageert als er orthostatische stress plaatsvindt.

De volgende patiëntengroepen werden vergeleken: 20 patiënten die zowel ME/cvs als POTS hebben, 20 ME/cvs patiënten die geen POTS hebben, 10 Long Covid patiënten en 10 gezonde controles. De patiënten werden gelinkt op leeftijd en geslacht. De ME/cvs patiënten voldeden aan de Fukuda, ICC en IOM criteria.

Alle deelnemers vulden vragenlijsten in over symptomen. Ze kregen dezelfde kanteltafeltest waarbij de hersenbloedstroom werd gemeten en de cardiale index.

Resultaten

Er waren geen significante verschillen in ME/cvs symptomen tussen long Covid patiënten en ME/cvs patiënten.

De long Covid patiënten ontwikkelden allemaal POTS tijdens de kanteling.

De afname van bloeddoorstroming in de hersenen en cardiale index verschilden niet tussen de 3 groepen patiënten.

De afname van de hersenbloedstroom was groter bij long Covid dan bij de ME/cvs patiënten, met een normale reactie van hartslag en bloeddruk.

Voordat de Long Covid patiënten ziek werden, waren zij allemaal fysiek erg actief. De orthostatische symptomen startten echter al vlak nadat zij ziek werden. Hierdoor is het erg onwaarschijnlijk dat de POTS werd veroorzaakt omdat zij gedeconditioneerd (fysiek niet fit) waren.

Conclusies

  • De symptomen van long COVID-19 zijn vergelijkbaar met die van ME/cvs-patiënten, evenals de reactie op kanteltafeltesten
  • De hersenbloedstroom en afname van de cardiale index tijdens het kantelen bleken bij long COVID ernstiger aangetast dan bij veel patiënten met ME/cvs
  • De gegevens en resultaten suggereren dat naast SARS-Cov-1, ook een infectie met SARS-Cov-2 een uitlokkende factor kan zijn voor het ontwikkelen van ME/cvs

Dit is een samenvatting van het onderzoek. De volledige (Engelstalige) publicatie kun je hier lezen.

Vergelijking van actieve zittest en kanteltafeltest voor POTS

Hong Cai en collega’s zijn onderzoekers verbonden aan de afdeling pediatrische vasologie in een universiteitsziekenhuis en van de afdeling kindergeneeskunde  in een ander ziekenhuis in Changsha, China. Zij onderzochten of POTS ook betrouwbaar kan worden vastgesteld door middel van een actieve zit-test in plaats van een passieve kanteltafeltest of een actieve sta-test (NASA Lean Test).

Zij zijn van mening dat de actieve zittest een redelijke alternatieve onderzoeksmethode is bij het beoordelen van POTS bij groepen die de staande test of de kanteltafeltest niet kunnen verdragen. Dit onderzoek is niet specifiek gericht op ME/cvs patiënten, maar op kinderen en adolescenten met POTS. Bij kinderen en jongeren met ME/cvs komen orthostatische problemen relatief vaker voor dan bij volwassenen.

Orthostatische intolerantie

Een langdurige verticale houding kan klachten veroorzaken als duizeligheid, toegenomen vermoeidheid, verergering van cognitieve problemen, hoofdpijn en/of misselijkheid. Het posturale tachycardiesyndroom (POTS) of neuraal gemedieerde hypotensie (NMH) zijn vaak aanwezig.

Rowe en collega’s schrijven in hun pediatrische handleiding voor diagnose en behandeling van kinderen en jongeren met ME/cvs over orthostatische intolerantie bij ME/cvs:

  • De term OI verwijst naar een groep aandoeningen waarbij de symptomen verergeren bij een rustige staande houding en verbeteren (maar niet altijd verdwijnen) door te gaan liggen.
  • Kenmerkende symptomen zijn cerebrale hypoperfusie (te weinig bloedtoevoer naar een deel van de hersenen) en activatie van het sympathische zenuwstelsel.
  • Uit onderzoeken blijkt dat onder jonge ME/cvs-patiënten meer OI voorkomt dan onder gezonde jongeren en ook meer dan onder volwassen ME/cvs-patiënten.
  • Geschat wordt dat 60-95% van de jonge ME/cvs-patiënten orthostatische symptomen heeft. OI komt vaker voor bij meisjes na de puberteit (verhouding meisjes/jongens is 3:1). OI kan ontstaan na een infectieziekte of een inenting.
  • Symptomen van OI bij jonge patiënten kunnen voorafgaan aan het ontstaan van ME/cvs, maar kunnen ook pas na het begin van ME/cvs ontstaan. Sommige jonge patiënten met symptomen van OI ontwikkelen geen ME/cvs, terwijl bij anderen de gelijktijdige diagnose van ME/cvs wordt gemist, omdat er bijvoorbeeld niet is gevraagd naar verergering van de post- inspanningssymptomen.
  • Orthostatische symptomen zijn o.a.: toegenomen vermoeidheid, duizeligheid, zwart voor de ogen zien, gezichtsveldvernauwing, hersenmist, hoofdpijn, misselijkheid, pijn, of kortademigheid.
  • Een verticale houding verergert consequent de symptomen van ME/cvs, en patiënten melden dat hun vermoeidheid en andere symptomen verergeren als zij in de rij staan of zich in een warme omgeving bevinden zoals een douche of in de zomerhitte.
  • Veel patiënten maken tegenovergestelde bewegingen – zoals zitten met de knieën tegen de borst, achteroverliggend huiswerk doen, de benen kruisen bij het staan, wiebelen als ze in de rij staan – maar zijn zich er niet van bewust waarom ze dat doen. Niet alle jongeren melden hun duizeligheid, dus vragen naar symptomen die opkomen tijdens langdurig staan kan OI aan het licht brengen.

bron: Diagnose-en-behandeling-bij-jongeren-met-MECVS.pdf (me-cvsvereniging.nl) pag 40-45 en 90-97

Testen voor orthostatische intolerantie

Tot nu toe werden de kanteltafeltest en de actieve sta-test (NASA Lean Test) veel gebruikt om de diagnose orthostatische intolerantie te stellen.

In deze studie werden kinderen en jongeren onderzocht met een diagnose Postureel Orthostatisch Tachycardie Syndroom of POTS.

Een kenmerk hemodynamisch criterium van POTS is een hart dat te snel klopt bij verandering van lichaamshouding.

Hemodynamisch = de manier waarop het bloed door het lichaam beweegt

Deze diagnose kan worden gesteld wanneer er bij de kanteltafeltest sprake is van:

  • voor kinderen onder de 12 jaar
    een toename van de hartslag per minuut van 40 slagen of meer
    of een absolute hartslag van 130 of meer
  • voor jongeren van 13-18 jaar
    een absolute hartslag van 125 slagen per minuut of meer
  • binnen de eerste 10 minuten van de actieve sta-test of de kanteltafeltest
  • zonder een daling van 20 mmHg of meer in systolische bloeddruk (bovendruk) of 10 mmHg of meer in diastolische bloeddruk (onderdruk)

De kanteltafeltest is algemeen geaccepteerd voor de evaluatie van POTS bij kinderen en volwassenen.

De studie

De auteurs van deze studie vergeleken de hemodynamische reacties bij het gebruik van een kanteltafeltest en van een actieve zit-test bij kinderen en adolescenten die de diagnose Postureel Tachycardie Syndroom (POTS) hadden.

Er werden 30 patiënten met POTS en 31 controle proefpersonen getest die achtereenvolgens zowel de actieve zit-test als de kanteltafeltest ondergingen. Hartslag en bloeddruk werden gemeten tijdens elke test.

Ze moesten 10 minuten liggend rusten en vervolgens 10 minuten actief zitten, daarna weer 10 minuten liggend rusten gevolgd door de kanteltafeltest. De zittest gebeurde rechtopzittend in een stoel waarbij hun handen op een natuurlijke manier naar beneden hingen, met hun knieën gebogen in een rechte hoek, voeten op de vloer en rug zonder enige steun gedurende 10 minuten.

Na 1, 3, 5 en 10 minuten werden hartslag en bloeddruk genoteerd en daarna keerden ze weer terug in een liggende positie.

Doelstelling

Sommige patiënten met ernstige orthostatische intolerantie symptomen kunnen niet rechtop blijven staan of zijn verminderd mobiel. Voor hen is een kanteltafeltest mogelijk niet haalbaar. In een studie van 686 kinderen en adolescenten meldden 66 proefpersonen intolerantie voor een zittende houding.

De symptomen van zitintolerantie hielden verband met zittende tachycardie en zittende verhoogde bloeddruk. Zittende tachycardie werd gesuggereerd met een toename van HR ≥ 25 bpm binnen 3 minuten na het zitten.

Ondanks deze gegevens worden de verschillen in de fysiologie tussen actief zitten en passief staan niet verantwoord bij pediatrische POTS.

Daarom was deze studie gericht op het presenteren en vergelijken van de hemodynamische reacties op de actieve zittest en de passieve kanteltafeltest bij kinderen en adolescenten met POTS.

De auteurs veronderstelden dat zittende tachycardie ook aanwezig was bij POTS-patiënten tijdens het zitten.

Het tweede doel van het onderzoek was de optimale hartslagcriteria te bepalen voor het diagnosticeren van POTS door middel van een actieve zit-test.

Resultaten

Zowel bij de POTS patiënten als bij de controle proefpersonen waren er bij de kanteltafeltest aanzienlijk grotere toenames te meten in hartslag en bloeddruk door 3 tot 10 minuten verandering van houding dan bij de zit-test.

POTS-patiënten die tijdens de kanteltafeltest overmatige orthostatische tachycardie hadden, hadden ook tijdens de zittest significant grotere toenames van hun hartslag op alle testmomenten vergeleken met de controle proefpersonen.

Een maximale toename van een hartslag groter of gelijk aan 22 slagen per minuut binnen 10 minuten na de zittest bleek orthostatische tachycardia te voorspellen met een gevoeligheid en specifiteit van 83,3 en 83,9%.

Slechts zes van de 30 POTS-patiënten (20%) in dit relatief kleine onderzoek bereikten het 40 slagen per minuut criterium tijdens de zittest. Niemand gaf aan de zittende houding niet te kunnen verdragen, hetgeen er mogelijk op wijst dat deze zit-test minder zwaar is dan de kanteltafeltest of de actieve sta-test.

POTS patiënten krijgen vaak het advies om te gaan zitten of liggen als zij orthostatische intolerantie symptomen ervaren. De resultaten van deze studie suggereren dat zitten mogelijk niet adequaat genoeg is om de OI symptomen te verlichten bij sommige POTS patiënten.

Dit onderzoek moet worden herhaald in grotere aantallen en meerdere centra.

Conclusie

De auteurs hebben aangetoond dat POTS-patiënten ook bij de zittende test tachycardie hebben bij het overschakelen van een liggende positie naar een zithouding. Zij zijn van mening dat de actieve zittest een redelijke alternatieve onderzoeksmethode is bij het beoordelen van POTS bij groepen die de staande test of de kanteltafeltest niet kunnen verdragen.

N.b.: gedachten over de toepasbaarheid op ME/cvs patiënten:

Het is de vraag hoe ME/cvs patiënten het uitvoeren van deze actieve zit-test en vervolgens er achteraan de kanteltafeltest zouden hebben verdragen. Voor velen is alleen de kanteltafeltest vaak al zwaar genoeg.

Bij een kanteltafeltest word je gekanteld waarbij riemen en een voetsteun er voor zorgen dat je de skeletspierpomp in je benen niet kunt gebruiken om de gevolgen van de kanteling te compenseren. Bij een actieve zit-test maak je wel gebruik van je spieren (niet-gesteund rechtop zitten).

Deze studie stelt voor dat bij patiënten voor wie een kanteltafeltest of actieve sta-test mogelijk te zwaar zijn, deze kunnen worden vervangen door een actieve zit-test, een minder zware optie waarmee toch POTS is vast te stellen.

Bron: Comparison of the Active Sitting Test and Head Up Tilt Test for Diagnosis of Postural Tachycardia Syndrome in Children and Adolescents

Onderzoek naar ernstig zieke ME/cvs patiënten

Het onderzoek

Dit is een samenvatting van een onderzoek dat verscheen in de speciale editie over ME/cvs – de ernstig en zeer ernstig getroffenen. Ernstig zieke patiënten werden hierin vergeleken met ME/cvs patiënten en gezonde mensen. De symptomen werden vergeleken en er werden laboratorium testen gedaan. Ook werd gekeken welke aspecten van het leven beïnvloed werden door de ernstige ME/cvs. Denk hierbij aan belemmeringen door fysieke, psychische en emotionele problemen bij het sociale functioneren en de vitaliteit.

Resultaten

De levenskwaliteit van ernstig zieke ME/cvs patiënten was sterk verminderd. Maar er was geen sprake van depressie bij deze patiënten. Alle patiënten hadden de symptomen vermoeidheid, slaapstoornissen, post-exertionele malaise en ernstige pijn. Ook hadden zij cognitieve problemen en/of orthostatische intolerantie. Daarnaast hadden zij symptomen als, neurosensitieve stoornissen, griep achtige symptomen, vatbaarheid voor virale infecties, darmproblemen, ademhalingsproblemen

Patiënten moesten een top 3 maken van de symptomen die als meest problematisch werden ervaren. De symptomen die het meest in de top 3 kwamen zijn:

  • vermoeidheid (85%)
  • pijn (65%)
  • cognitieve stoornissen (50%)
  • orthostatische intolerantie (45%)
  • slaapstoornissen (35%)
  • post-exertionele malaise (30%)
  • neurosensitieve stoornissen (30%)

Patiënten zetten het vaakst vermoeidheid en post-exertionele malaise op 1 als meest problematisch symptoom.

Er werden afwijkingen gevonden in slaapprofielen en cognitieve testen. Ook hadden de ernstig zieke ME/cvs patiënten lage cortisolspiegels in de ochtend en er waren veranderingen in het dagritme. Er is geen bewijs gevonden voor een acute virus of bacterie infectie.

Dit is een vergelijking van de levenskwaliteit van ernstig zieke ME/cvs paiënten en andere grote ziekten. (a) levenskwaliteit scores (SF-36 scores) van ernstig zieke ME/cvs patiënten (SIPS patients), algemene ME/cvs patiënten (CFS patients) en gezonde mensen (SIPS controls). Vergeleken met de algemene ME/cvs patiënten scoorden de ernstig zieke ME/cvs patiënten significant lager op fysiek functioneren, belemmeringen door fysieke gezondheid, algemene gezondheid, vitaliteit/energie/vermoeidheid en sociaal functioneren. (b) De levenskwaliteit (SF-36 scores) vergeleken tussen ernstig zieke ME/cvs patiënten (SIPS patients), algemene ME/cvs patiënten (CFS) en andere medische aandoeningen. T2D = diabetes type 2, HT = hypertensie, CHF = congestieve hartfalen, COPD = chronische obstructieve longziekte, MSCs = musculoskeletale aandoeningen, BPA = benigne prostaathyperplasie, AMI = anterior myocardinfarct, OA = osteoartritis. De levenskwaliteit scores van ernstig zieke ME/cvs patiënten was duidelijk anders dan die bij andere ziekten. Het lijkt het meest op congestieve hartfalen en het minst op depressie.

Conclusie

De levenskwaliteit bij ernstig zieke ME/cvs patiënten is nog lager dan bij de meeste andere chronische ziekten. Het fysieke functioneren en de vitaliteit waren extreem laag. Ook de mobiliteit werd ernstig beperkt door de ziekte. De levenskwaliteit bij ernstige ME/cvs lijkt het meest op die bij congestieve hartfalen. Het emotionele welzijn was opvallend goed bij ernstig zieke ME/cvs patiënten, dit werd het minst beïnvloed door de ziekte. Daardoor onderscheid ME/cvs zich duidelijk van de gevolgen van depressie.

Ook was er een opvallende gelijkenis tussen de symptomen van ME/cvs en die van long COVID. Dit suggereert dat onderzoeken naar het mechanisme en de behandeling van ME/cvs ook kunnen helpen bij de preventie en behandeling van long COVID en vice versa.

De bevindingen benadrukken de dringende noodzaak voor de ontwikkeling van moleculaire diagnostische testen voor ME/cvs.

Het originele Engelstalige onderzoek gepubliceerd in Healthcare vind je hier.

Hersenbloedstroom blijft verminderd na test

Wanneer je gaat staan, zakt het bloed in je hoofd en romp naar je benen door de zwaartekracht. Normaal gesproken herstelt je lichaam dit meteen weer, binnen een paar seconden. Bij orthostatische intolerantie werkt dit niet goed. Je hebt er dan last van dat je niet goed de hoeveelheid bloed die naar je hoofd gaat op peil kunt houden. Als je gaat liggen, verdwijnen deze symptomen.

Samenvatting

  • De doorstroming van het bloed in de hersenen blijft abnormaal 5 minuten na de kanteltafeltest.
  • De afwijkingen in de bloeddoorstroming na de kanteling zijn niet afhankelijk van de hemodynamische resultaten en van end-tidal koolstofdioxide druk (= Kooldioxide gehalte aan het einde van je uitademing) tijdens de kanteltafeltest.
  • De afwijkingen in de bloeddoorstroming na de kanteltafeltest zijn het ernstigst bij de ernstiger zieke ME/cvs patiënten.

Symptomen orthostatische intolerantie

  • Duizeligheid, licht gevoel het hoofd
  • Flauwvallen, bijna flauwvallen, of blackouts
  • Hartkloppingen
  • Hoofdpijn
  • Zwakte
  • Hersenmist (‘brain fog’), oftewel problemen met concentratie en geheugen; het gevoel dat je hoofd niet goed werkt
  • Trillen, beven
  • Kortademigheid
  • Druk op de borst
  • Wazig zicht
  • Een rood-paarse verkleuring van de benen (acrocyanose; dit komt door bloedophoping de benen)
  • Sterke drang om te gaan zitten of liggen

In het dagelijks leven leren we echter trucjes aan om flauwvallen te voorkomen, zodat een kanteltafeltest of een actieve sta-test (NASA lean test) vaak nodig is om vast te stellen dat er sprake is van orthostatische intolerantie.

De auteurs hebben al meerdere studies gepubliceerd over orthostatische symptomen bij mensen met ME/cvs. Deze symptomen worden mogelijk veroorzaakt door een abnormale
afname van de bloedstroom in de hersenen. Dit werd in eerdere studies al aangetoond. Zij maken hierbij gebruik van een kanteltafeltest, waarbij zij allerlei metingen doen.

Eerdere resultaten

Al eerder onderzochten de auteurs bloeddoorstroming van de hersenen bij ME/cvs. Daarbij toonden zij al aan dat de hersenbloedstroom significant verminderd is bij 90% van de ME/cvs patiënten tijdens een 70 graden kanteltafeltest.

Hoe groter de afname in hersenbloedstroom, hoe hoger het aantal verschillende symptomen van orthostatische intolerantie bij ME/cvs.

Slechts 20 graden kantelen of een zittende test is al voldoende om een verminderde bloeddoorstroming in de hersenen waar te nemen.

Andere studies tonen aan dat orthostatische intolerantie een belangrijke bijdragende factor is aan ME/cvs symptomen en bijdraagt aan de afname van de hersenbloedstroom.

Het onderzoek

Het was nog onbekend hoe snel de bloeddoorstroming van de hersenen weer herstelt na overeind zitten en staan. Bij gezonde mensen herstelt dit zich binnen een minuut, maar bij mensen met ME/cvs stroomt het bloed slecht terug.

Resultaten

  • De doorstroming van het bloed in de hersenen blijft abnormaal 5 minuten na de kanteltafeltest.
  • De afwijkingen in de bloeddoorstroming na de kanteling zijn niet afhankelijk van de hemodynamische resultaten en van end-tidal koolstofdioxide druk (de hoeveelheid uitgeademde kooldioxide aan het einde van de uitademing) tijdens de kanteltafeltest.
  • De afwijkingen in de bloeddoorstroming na de kanteltafeltest zijn het ernstigst bij de ernstiger zieke ME/cvs patiënten.
  • Er waren geen verschillen tussen de patiënten met een normale hartslag en bloeddruk en de POTS patiënten
  • Er waren geen verschillen tussen patiënten met een normaal gehalte aan CO2 in het bloed en patiënten met hypocapnie (=verlaagd CO2 gehalte in het bloed, vaak door te snel of te diep ademhalen of hyperventilatie)
  • Bij milde ME/cvs nam de hersenbloedstroom af met 7%, bij matige ME/cvs met 16% en bij ernstige ME/cvs met 25%
  • Er werd wel een significant verschil aangetroffen van hoeveel de hersenbloedstroom afnam in de liggende test na afloop van de kanteling, bij milde, matige en ernstige
  • De cardiac index nam bij de patiënten significant af de test.
  • Na de kanteling keerde in liggende positie de cardiac index terug naar normaal bij alle patiënten.

Conclusie

Tijdens kanteltafeltesten neemt de hersenbloedstroom af bij ME/cvs patiënten. Er is geen volledig herstel naar normale waarden. Ook al komt de cardiale index wel weer terug naar de waarden van voor de test. Het vertraagde herstel was niet afhankelijk van de hemodynamische bevindingen en ook niet van de aan/afwezigheid van hypocapnie. Alleen de mate van de ernst van ME/cvs had invloed. Wij observeerden een significant langzamer herstel in de hersenbloedstroom bij de ernstigst
zieke ME/cvs patiënten.

Orthostatische stress (gaan zitten of gaan staan) veroorzaakt achteraf een afname van de hersenbloedstroom, waarbij de ernst van de ME/cvs de bloeddoorstroming van de hersenen sterk beïnvloedt. Hoe ernstiger de ME/cvs, hoe langer het herstel duurt. Dit resultaat heeft gevolgen voor de adviezen die worden gegeven over het energiemanagement na een orthostatische prikkel en ook op het advies om te gaan liggen na een orthostatische prikkel.

De originele onderzoekspaper van deze studie van Linda van Campen, Peter Rowe en Frans Visser vind je hier.

Beschadigde dunne zenuwvezels & energieproblemen

Onderzoeksmethode

David Systrom test met invasieve cardiopulmonaire inspanningsproeven het bloed voordat het bij de spieren aankomt en nadat het de spieren verlaat tijdens inspanning

Energieproblemen

De groep met ME/cvs patiënten had een verminderde maximale zuurstofopname. Hierdoor zijn zij niet in staat om de verwachte hoeveelheid energie te produceren.

Ongeveer 30% van de ME/cvs patiënten had dunnevezelneuropathie.

Metabolische oorzaak van de energieproblemen

Systrom onderscheidde twee groepen ME/cvs patiënten.

Er was de groep met een lage bloeddoorstroming. Bij deze patiënten komt er weinig bloed uit het hart. Er blijft veel zuurstof in de aders zitten. Hierdoor hoopt het bloed zich waarschijnlijk op in de aders. Dit kan een gevolg zijn van dunnevezelneuropathie. Er komt dan minder bloed bij het hart en de spieren terecht.

Er was ook een groep met een hoge bloeddoorstroming. Deze patiënten pompen wel veel bloed rond. Maar het bloed komt of niet bij de spieren terecht door problemen met dunne zenuwvezels. Of de beschadigde mitochondriën nemen het bloed niet op. Deze groep patiënten neemt minder zuurstof op.

Deconditionering kan absoluut niet de oorzaak zijn van deze problemen.

Meer resultaten

Er werden hoge cytokine niveaus gevonden bij ME/cvs patiënten.

Deze problemen met de doorbloeding komen ook voor bij POTS wat suggereert dat ME/cvs en POTS hierin op elkaar lijken.

Dit onderzoek is hier gepubliceerd.
Cort Johnson heeft het artikel uitgelegd op zijn Engelstalige website
Een Nederlandse vertaling van het hele artikel van Cort Johnson vind je hier.

NASA Lean test voor orthostatische intolerantie

Het hele verhaal rond de invoering en validering van de NASA-leuntest (NLT) voor ME/cvs lijkt in zo vele opzichten zo goed te kloppen. Eerst ontdekte het Bateman Horne Center een test – van niet minder dan NASA – die gemakkelijk kan worden gebruikt om orthostatische intolerantie (symptomen bij het staan) te identificeren.

Vervolgens rekruteerden ze een groot aantal patiënten, betrokken ze er wetenschappers bij, valideerden ze de test en leerden ze tegelijkertijd iets nieuws over ME/cvs. Het heeft jaren geduurd om tot op dit punt te komen, maar uiteindelijk levert het iets op dat echt nodig is – een eenvoudige test om orthostatische intolerantie (OI) te identificeren en om artsen te betrekken bij de behandeling van ME/cvs als een biologisch fenomeen waarbij ze kunnen helpen.

Lees hier het gehele artikel van Cort Johnson.