Tag Archief van: post covid

Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn

Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum

Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).

ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties

Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.

Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!

Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l

Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)

Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn

Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.

Sessie 2: Diagnose I

Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland

De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.

Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)

De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.

Sessie 3: Diagnose II

Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn

De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.

Prof. Carsten Finke | Charité

De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.

Dr. Christian Veauthier | Charité

Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.

Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)

Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.

Wetenschappelijke posterpresentaties

Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland

Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.

Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland

De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.

Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk

In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.

Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen

Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.

Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland

In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland

Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.

Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland

In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.

Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland

Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.

Sessie 4: ME/cvs begrijpen I

Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)

De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen

Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.

Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.

Prof. Martina Seifert | Charité

De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.

Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena

De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.

Sessie 5: ME/cvs en PCS II

Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)

De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.

Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)

Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.

Sessie 6: ME/cvs begrijpen II

Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn

In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)

Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).

Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)

De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.

Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg

De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.

Sessie 7: Behandeling I

Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)

Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.

Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen

Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.

Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen

De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.

Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen

Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.

Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg

De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.

Sessie 8: Behandeling II

Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)

Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.

(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg

Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.

Dr. Elisa Stein | Charité

Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.

Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken

De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.

Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt

In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.

Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.

* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:

IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.

Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/

NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,

Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/

MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/

© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.

“De-Hond-heeft-mijn-gegevens-opgegeten”-excuus



Twee maanden geleden publiceerde Clinical Infectious Diseases (CID), een tijdschrift met een hoge impact, een onderzoek genaamd “Efficacy of Cognitive-Behavioral Therapy Targeting Severe Fatigue Following Coronavirus Disease 2019: Results of a Randomized Controlled Trial.” De studie, die de bijnaam ReCOVer kreeg en werd uitgevoerd in Nederland, beweerde het “eerste bewijs te leveren voor het positieve effect van CGT bij patiënten met ernstige post-COVID-19 vermoeidheid.” De studie kreeg wijdverspreide aandacht en werd geloofwaardig uitgelicht in sociale media en nieuwsartikelen, waaronder een recent artikel in Slate.

De 114 proefpersonen werden gerandomiseerd om ofwel een 17 weken durende cursus CGT te ontvangen, genaamd Fit after COVID, of “care as usual” (CAU). Toen dit onderzoek een paar jaar geleden werd aangekondigd, merkte ik op dat het een niet-geblindeerd onderzoek was dat zich baseerde op subjectieve uitkomsten – een recept voor het genereren van een significante hoeveelheid vooringenomenheid. Met andere woorden, het was in wezen ontworpen om positieve bevindingen te produceren. En dat is ook gebeurd.

De primaire uitkomst was het gemiddelde verschil in zelfgerapporteerde vermoeidheid aan het einde van de behandeling en zes maanden later op een instrument genaamd de Checklist Individual Strength (CIS). De subschaal vermoeidheid van de CIS bevat acht vragen die elk gewaardeerd kunnen worden van 1 tot 7; de eindscores variëren van 8 tot 56, waarbij hogere scores duiden op grotere vermoeidheid. Het verschil in de gemiddelden tussen de twee groepen was respectievelijk 9,3 punten en 8,4 punten aan het einde van de therapie en zes maanden later. Op dat moment was de gemiddelde score 31,5 in de CGT-groep en 39,9 in de CAU-groep.

Zoals met zoveel onderzoek van de CGT-ideologische brigades, waren de resultaten minder dan je zou denken; het is onmogelijk om dat zomaar aan te nemen. Het zou niet moeilijk moeten zijn om te begrijpen dat als je een groep gedurende een aantal maanden ondersteunende en meelevende aandacht geeft van een sympathieke therapeut, de kans groter is dat ze positieve antwoorden geven op vragenlijsten dan leden van een groep die de interventie niet krijgen. Zelfs nog meer als je ze herhaaldelijk verzekert dat CGT bewezen heeft te werken bij dit soort aandoeningen, zoals vaak het geval is bij dit soort onderzoek.

Met andere woorden, de bevindingen zijn geen verrassing. Zoals ik in een recente post schreef, heeft het onderzoek aangetoond dat ongeblindeerde onderzoeken die vertrouwen op subjectieve uitkomsten, positieve resultaten opleveren. Van Amsterdam tot de Harvard Medical School zijn deze resultaten overdreven opgehemeld, ook al waren de zelfgerapporteerde voordelen vrij bescheiden – ruim binnen het bereik dat alleen al op basis van vertekening verwacht zou kunnen worden.

De auteurs merkten op dat zes punten wordt beschouwd als een klinisch significant verschil op de CIS-schaal voor vermoeidheid. Het verschil tussen de twee groepen lag dus maar net buiten wat als een klinisch significant verschil beschouwd zou worden. Toch beweerden de auteurs dat meer mensen uit de CGT-groep niet langer “ernstige” vermoeidheid hadden. Dat komt omdat een score van 35 werd aangewezen als de drempel tussen ernstige en minder ernstige vermoeidheid. Hoewel het waar is dat meer mensen in de CGT-groep aan die drempel voldeden, zou het verschil van 3,5 punt tussen het gemiddelde van 31,5 en de drempel van 35 niet als klinisch significant worden beschouwd. Evenmin als het verschil tussen die drempel en de gemiddelde score van 39,9 voor de CAU-groep.

Dus om het voor de hand liggende te herhalen: deze schijnbare voordelen van CGT zijn uiterst bescheiden, hoe je ze ook ontleedt.

Twee overtuigende gepubliceerde reacties – hier en hier – zijn de moeite waard om te lezen.

Een merkwaardige omissie in het gepubliceerde rapport deed de wenkbrauwen fronsen. Het onderzoeksprotocol vermeldde het primaire resultaat, verschillende secundaire resultaten en een categorie met de naam “andere onderzoeksresultaten”. Onder deze laatste was de enige objectieve meting: actigrafie. Bij actigrafie worden apparaten gedragen die de fysieke beweging over een bepaalde periode nauwkeurig meten. In dit geval droegen de deelnemers deze apparaten gedurende 14 dagen op de basislijn en gedurende 14 dagen aan het einde van de therapie. Volgens het protocol “is aangetoond dat de actigrafie een betrouwbaar en valide instrument is voor de beoordeling van fysieke activiteit”.

Het ontbreken van enige vermelding van deze gegevens in het artikel suggereerde dat de resultaten voor die metingen waarschijnlijk slecht waren. In hun reactie op de gepubliceerde commentaren erkenden de auteurs dat dit het geval was. Zoals ze schreven:

“Voorgestelde alternatieve uitkomsten, zoals fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie of fysieke fitheid, zijn geen betrouwbare markers van vermoeidheid en worden ook beïnvloed door de perceptie van patiënten en subjectief ervaren symptomen. Onderzoek toonde aan dat een aanzienlijk aantal patiënten met ernstige vermoeidheid geen afwijkend niveau van lichamelijke activiteit heeft. Dit werd ook gevonden in onze steekproef, d.w.z. 81% van de deelnemers had een fluctuerend actief activiteitenpatroon en slechts 19% had een laag actief activiteitenpatroon. Vermindering van vermoeidheid leidt niet noodzakelijkerwijs tot hogere niveaus van objectieve fysieke activiteit of omgekeerd. Verminderde vermoeidheid gaat ook niet noodzakelijk samen met een verbeterde aerobe capaciteit. In onze studie was er geen significant verschil tussen de condities in de toename van fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie.”

Voor de goede orde voegde een van de co-auteurs, Dr. Chantal Rovers, nog een excuus toe in op Twitter: “Je hebt altijd meer gegevens dan binnen de woordlimiet van medische tijdschriften past. Primaire en secundaire uitkomstmaten zijn opgenomen. Het plan was om de andere resultaten in een apart artikel te publiceren, zoals heel gebruikelijk is.”

**********

Het ontkrachten van smoesjes voor het niet verstrekken van objectieve gegevens

Is een van deze redeneringen steekhoudend? Nee. Laten we ze stuk voor stuk bekijken

• Eerdere studies hebben aangetoond dat actigrafieresultaten niet overeenkomen met de zelfrapportages van patiënten over hun vermoeidheidsniveaus. Daarom zijn ze irrelevant.

Het is waar dat eerdere studies van deze en andere auteurs hebben gevonden dat positieve rapporten over subjectieve maten van vermoeidheid niet gepaard gaan met overeenkomstige toenames in fysieke activiteit, zoals objectief gemeten door actometers die gedurende een periode gedragen worden. De schijnbare conclusie die deze onderzoekers trekken – dat de actigrafieresultaten kunnen worden afgedaan als niet gerelateerd aan vermoeidheid – is belachelijk en duidelijk uit eigenbelang.

De Nederlandse onderzoekers hebben deze strategie geperfectioneerd door objectieve metingen op te nemen en deze pas te rapporteren lang nadat ze al aandacht hebben gekregen voor hun artikelen waarin ze de positieve bevindingen op subjectieve metingen benadrukken. Dit gebeurde in drie onderzoeken in de jaren 2000 naar CGT voor wat zij CVS noemden. Jaren later publiceerden de onderzoekers de nietszeggende actigrafiebevindingen van alle drie de onderzoeken en concludeerden ze – gelukkig maar – dat de vermindering van vermoeidheid niet gemedieerd werd door een toename in lichamelijke activiteit. Recenter haalden ze dezelfde stunt uit met een onderzoek naar Q-koorts.

Met andere woorden, ze accepteerden enthousiast de nauwkeurigheid van subjectieve verslagen van verbeteringen en verwierpen het belang van het onbetwistbare feit dat patiënten niet meer fysieke activiteit gingen uitoefenen – ook al verklaarden ze dat het doel hiervan is om de invaliditeit die met de aandoening gepaard gaat te verminderen. Deze discrepantie is nu veranderd in de botte bewering – het dogma eigenlijk – dat objectieve metingen van lichamelijke activiteit geen verband houden met de constructie van vermoeidheid. Het enige dat telt is de zelfrapportage – of mensen daadwerkelijk meer doen is irrelevant zolang ze maar zeggen dat ze minder vermoeid zijn. Het is moeilijk om te weten hoe je op zo’n absurd, op eigenbelang berustend argument moet reageren, behalve door erop te wijzen dat het absurd en op eigenbelang berustend is.

• De meeste patiënten hadden fluctuerende activiteitenniveaus in plaats van continu lage activiteitenniveaus, dus de actigrafiemetingen konden niet echt een verbetering laten zien bij deze patiënten.

Ten eerste, het weglaten van belangrijke bevindingen wordt gerechtvaardigd door het feit dat ze informatie geven over de niveaus van lichamelijke activiteit op de basislijn die ze niet in het onderzoek zelf presenteerden. We hebben geen idee wat ze bedoelen met “fluctuerende activiteitsniveaus” – vermoedelijk waren deze gebaseerd op de actigrafiemetingen op de basislijn – en ons wordt gevraagd hen op hun woord te geloven op basis van gegevens die niet door vakgenoten zijn beoordeeld en die we niet hebben gezien.

Afgezien van deze methodologische complicatie is het argument vreemd: Tenzij mensen 24 uur per dag actief zijn, is het onzinnig om te stellen dat ze niet meer zouden kunnen doen en dat actigrafie geen saillante informatie zou geven. En dit punt gaat ook voorbij aan het voor de hand liggende omgekeerde – dat patiënten het veel slechter zouden kunnen doen in één of beide studiearmen. Als patiënten een hoog activiteitenniveau hebben en terugvallen met of zonder CGT, dan zou de actigrafie dat waarschijnlijk documenteren. Deze auteurs zijn zo overtuigd van hun eigen theorievorming dat ze niet lijken te begrijpen dat metingen ontworpen zijn om zowel achteruitgang in gezondheidsstatus als verbeteringen vast te leggen.

• De actigrafie was geen primaire of secundaire uitkomst, dus we hoefden niet alle bevindingen te rapporteren in dit eerste artikel.

Kom op! Echt waar? Dit is misschien wel mijn favoriete valse rechtvaardiging. De nulresultaten op deze objectieve uitkomst roepen onvermijdelijk vragen op over de geldigheid en betrouwbaarheid van de subjectieve primaire en secundaire metingen. Onderzoekers hebben een verplichting, vastgelegd in ethische codes voor onderzoek, om alle saillante gegevens te verstrekken en geen informatie te verbergen die vragen oproept over hun bevindingen of die de interpretaties ervan verandert. Het is onmogelijk om met een uitgestreken gezicht te beweren – hoewel het Nederlandse team het heeft geprobeerd; misschien ontbreekt het hen aan gevoel voor humor en ironie – dat een objectieve functiemeting zoals actigrafie zinloos is, zelfs als de resultaten subjectieve rapporten tegenspreken.

Als de actigrafieresultaten geweldig waren geweest – als ze hadden aangetoond dat patiënten hun activiteitsniveaus verhoogden – gelooft dan iemand serieus dat de onderzoekers de gegevens uit het eerste onderzoeksrapport zouden hebben achtergehouden op grond van het feit dat het geen primair of secundair resultaat was?

Hoe dan ook, het waren de onderzoekers zelf die besloten om hun enige objectieve meting geen primaire of secundaire uitkomst te laten zijn, vermoedelijk omdat ervaringen uit het verleden aantoonden dat de bevindingen de subjectieve beweringen waarschijnlijk zouden tegenspreken. Dus om deze twijfelachtige beslissing aan te halen als de reden om deze bevindingen opzettelijk achter te houden is uiterst vals. Er is een enorme hoeveelheid brutaliteit voor nodig – zoals in het klassieke verhaal van iemand die zijn ouders vermoordt en dan als wees om genade smeekt.

Bovendien, als activiteitenniveaus “fluctueren” en de actigrafiegegevens die gedurende 12 dagen zijn verzameld daarom twijfelachtig zijn, waarom zouden we dan aandacht besteden aan subjectieve meldingen van vermoeidheid uit acht items op een enkele vragenlijst? Ik begrijp het niet. Met hun argument over fluctuerende niveaus zouden alle onderzoeksgegevens als irrelevant en betekenisloos moeten worden beschouwd.

Hoe zit het met het argument dat ze gewoon te veel gegevens hadden voor één artikel en dus begrijpelijkerwijs een deel opzij moesten zetten voor toekomstige publicaties? Dit standpunt neemt een vanzelfsprekend feit van wetenschappelijk onderzoek en verdraait het om het niet rapporteren van belangrijke gegevens te rechtvaardigen. Onderzoekers willen altijd meer publicaties uit een enkel onderzoek persen – dat is prima. Wat niet goed is, is het weglaten van informatie die vragen oproept over je conclusie. De Nederlandse onderzoekers zien dat natuurlijk niet zo. Omdat ze geloven dat de actigrafiebevindingen geen waarde hebben bij het beoordelen van vermoeidheid, zien ze er geen probleem in om te wachten met het publiceren ervan tot een toekomstige datum.

Kortom, deze reacties zijn niet serieus. Het zijn zelfingenomen afleidingsmanoeuvres; of de auteurs ze nu geloven of niet, ze hebben zichzelf ontmaskerd als ongekwalificeerd en te ethisch uitgedaagd om zich überhaupt met onderzoek bezig te houden. Het is moeilijk te begrijpen hoe legitieme onderzoekers zich inlaten met zulke misleidende redeneringen.

Dr. Daniel Griffin, een specialist op het gebied van infectieziekten in het gebied rond New York en regelmatig te horen op de populaire podcast This Week in Virology (gepresenteerd door Vincent Racaniello, een professor microbiologie aan Columbia die ook de gastheer is van Virology Blog) was het ermee eens dat de beslissing om de objectieve bevindingen van actigrafie niet te rapporteren niet te rechtvaardigen is. Dit is wat hij te zeggen had:

“De kritiek is terecht. Het belangrijkste voor mij is dat we open en eerlijk zijn en geen gegevens ‘verbergen’ of negeren die onze agenda niet ondersteunen. Zoals we nu zien, kan iemand melden dat hij zich beter voelt. Maar als we geen toename in daadwerkelijke activiteit zien, is dat belangrijke informatie om te delen.”

David Tuller, DrPH. 11 juli 2023
Bron: https://virology.ws/2023/07/11/trial-by-error-dutch-team-offers-dog-ate-my-data-excuses-for-not-reporting-null-objective-findings/
Vertaling ME/cvs Vereniging

MEAction Pacing gids voor volwassenen, kinderen en clinici

Elke gids bespreekt PEM en ‘radicale rust’, en geeft voorbeelden van hoe je activiteiten van vitaal belang kunt aanpassen, waaronder het opbreken van langduriger activiteiten in kleinere, meer hanteerbare taken. #MEAction creëerde de Pacing en management gids voor ME/cvs begin 2020, anticiperend op degenen die een infectie-gerelateerde chronische ziekte zouden ontwikkelen door SARS-CoV-2.

De Pacing gids voor kinderen met ME/cvs en Long Covid, ontwikkeld in samenwerking met gezinnen met Long COVID, is gericht op zorgverleners van kinderen en tieners. Aanvullend op het pacing en management advies dat in het origineel werd gegeven, biedt de pediatrische gids een aantal suggesties voor aanpassingen op school.

De gids Pacing en ziektemanagement voor ME/cvs en Long Covid, ontwikkeld in samenwerking met het Patient-Led Research Collaborative, is een hulpbron met volledige referenties, die informatie biedt over diagnostische codering, het documenteren van ME/cvs en Long COVID en andere onderwerpen die relevant zijn voor medische zorgverleners.

Verschillen en overeenkomsten in PEM bij Long Covid en ME/cvs

De studie vergeleek de ervaringen van personen met Long Covid en ME/cvs en vond zowel overeenkomsten als verschillen in hun PEM-symptomen.

(ME/cvs diagnose volgens de Fukuda, Canadese Consensuscriteria (CCC) en IOM criteria).

Vergelijkbare mate van symptomen bij ME/cvs en Long Covid:

  • Vermoeidheid
  • Spier- en gewrichtspijn
  • Reacties op infectie
  • Reacties van het immuunsysteem
  • Neurologische symptomen
  • Orthostatische Intolerantie

De Long Covid patiënten rapporteerden echter vaker:

  • Grotere mate van slaperigheid
  • Respiratoire symptomen (ademhaling)
  • Depressie
  • Angst
  • Onregelmatige lichaamstemperatuur
  • Overmatige dorst
  • Overmatig urineren

De conclusie van de studie is dat dit er mee te maken kan hebben dat Long Covid vrij nieuw is en dat patiënten nog niet goed weten wat inspanningsintolerantie is en hoe zij daar het beste mee om kunnen gaan.

Abstract

Achtergrond:
Long COVID beschrijft een aandoening met symptomen die maanden tot jaren na acute COVID-19 aanhouden. Veel van deze Long COVID-symptomen lijken op die van patiënten met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs).

Doel:
Wij wilden nagaan of mensen met Long COVID post-exertionele malaise (PEM) ervaren, het kenmerkende symptoom van ME/cvs, en zo ja, hoe dit te vergelijken is met PEM [zoals] ervaren door patiënten met ME/cvs.

Methoden:
Een vragenlijst met vragen over de domeinen van PEM waaronder triggers [uitlokkende factoren], hoe PEM werd ervaren, herstel van PEM en preventie van PEM, werd afgenomen bij 80 mensen die zorg zochten voor Long COVID in het Bateman Horne Center. Hun antwoorden werden vergeleken met de antwoorden over PEM van 151 patiënten met ME/CVS met behulp van chi-kwadraat toetsen van onafhankelijkheid.

Resultaten:
Op één na gaven alle respondenten met Long COVID aan PEM te hebben. Er waren veel significante verschillen tussen Long Covid en ME/cvs in de soorten PEM triggers, symptomen ervaren tijdens PEM, en manieren om te herstellen van PEM en PEM te voorkomen. Overeenkomsten tussen Long COVID en ME/cvs waren onder meer lage en gemiddelde fysieke en cognitieve inspanning om PEM uit te lokken, symptomen van vermoeidheid, pijn, immuunreactie, neurologische, orthostatische intolerantie en gastro-intestinale symptomen tijdens PEM, rust om te herstellen van PEM, en pacing om PEM te voorkomen.

Conclusie:
Mensen met Long COVID ervaren PEM. Er waren significante verschillen in PEM ervaren door mensen met Long COVID in vergelijking met patiënten met ME/cvs. Dit kan het gevolg zijn van de nieuwheid van Long COVID, het niet weten wat inspanningsintolerantie is of hoe ermee om te gaan.

Lees de volledige studie met de titel “Post-exertional malaise among people with long COVID compared to myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome (ME/CFS)” hier: http://bit.ly/428hs9T