PAIS debat – Vergeet ME niet
Debat over post-covid en PAIS, maar vergeet ME niet! Kamerleden hebben wel heel goed de inbreng van de patiënten ingebracht in het debat.
Debat over post-covid en PAIS, maar vergeet ME niet! Kamerleden hebben wel heel goed de inbreng van de patiënten ingebracht in het debat.
Twee maanden geleden publiceerde Clinical Infectious Diseases (CID), een tijdschrift met een hoge impact, een onderzoek genaamd “Efficacy of Cognitive-Behavioral Therapy Targeting Severe Fatigue Following Coronavirus Disease 2019: Results of a Randomized Controlled Trial.” De studie, die de bijnaam ReCOVer kreeg en werd uitgevoerd in Nederland, beweerde het “eerste bewijs te leveren voor het positieve effect van CGT bij patiënten met ernstige post-COVID-19 vermoeidheid.” De studie kreeg wijdverspreide aandacht en werd geloofwaardig uitgelicht in sociale media en nieuwsartikelen, waaronder een recent artikel in Slate.
De 114 proefpersonen werden gerandomiseerd om ofwel een 17 weken durende cursus CGT te ontvangen, genaamd Fit after COVID, of “care as usual” (CAU). Toen dit onderzoek een paar jaar geleden werd aangekondigd, merkte ik op dat het een niet-geblindeerd onderzoek was dat zich baseerde op subjectieve uitkomsten – een recept voor het genereren van een significante hoeveelheid vooringenomenheid. Met andere woorden, het was in wezen ontworpen om positieve bevindingen te produceren. En dat is ook gebeurd.
De primaire uitkomst was het gemiddelde verschil in zelfgerapporteerde vermoeidheid aan het einde van de behandeling en zes maanden later op een instrument genaamd de Checklist Individual Strength (CIS). De subschaal vermoeidheid van de CIS bevat acht vragen die elk gewaardeerd kunnen worden van 1 tot 7; de eindscores variëren van 8 tot 56, waarbij hogere scores duiden op grotere vermoeidheid. Het verschil in de gemiddelden tussen de twee groepen was respectievelijk 9,3 punten en 8,4 punten aan het einde van de therapie en zes maanden later. Op dat moment was de gemiddelde score 31,5 in de CGT-groep en 39,9 in de CAU-groep.
Zoals met zoveel onderzoek van de CGT-ideologische brigades, waren de resultaten minder dan je zou denken; het is onmogelijk om dat zomaar aan te nemen. Het zou niet moeilijk moeten zijn om te begrijpen dat als je een groep gedurende een aantal maanden ondersteunende en meelevende aandacht geeft van een sympathieke therapeut, de kans groter is dat ze positieve antwoorden geven op vragenlijsten dan leden van een groep die de interventie niet krijgen. Zelfs nog meer als je ze herhaaldelijk verzekert dat CGT bewezen heeft te werken bij dit soort aandoeningen, zoals vaak het geval is bij dit soort onderzoek.
Met andere woorden, de bevindingen zijn geen verrassing. Zoals ik in een recente post schreef, heeft het onderzoek aangetoond dat ongeblindeerde onderzoeken die vertrouwen op subjectieve uitkomsten, positieve resultaten opleveren. Van Amsterdam tot de Harvard Medical School zijn deze resultaten overdreven opgehemeld, ook al waren de zelfgerapporteerde voordelen vrij bescheiden – ruim binnen het bereik dat alleen al op basis van vertekening verwacht zou kunnen worden.
De auteurs merkten op dat zes punten wordt beschouwd als een klinisch significant verschil op de CIS-schaal voor vermoeidheid. Het verschil tussen de twee groepen lag dus maar net buiten wat als een klinisch significant verschil beschouwd zou worden. Toch beweerden de auteurs dat meer mensen uit de CGT-groep niet langer “ernstige” vermoeidheid hadden. Dat komt omdat een score van 35 werd aangewezen als de drempel tussen ernstige en minder ernstige vermoeidheid. Hoewel het waar is dat meer mensen in de CGT-groep aan die drempel voldeden, zou het verschil van 3,5 punt tussen het gemiddelde van 31,5 en de drempel van 35 niet als klinisch significant worden beschouwd. Evenmin als het verschil tussen die drempel en de gemiddelde score van 39,9 voor de CAU-groep.
Dus om het voor de hand liggende te herhalen: deze schijnbare voordelen van CGT zijn uiterst bescheiden, hoe je ze ook ontleedt.
Twee overtuigende gepubliceerde reacties – hier en hier – zijn de moeite waard om te lezen.
Een merkwaardige omissie in het gepubliceerde rapport deed de wenkbrauwen fronsen. Het onderzoeksprotocol vermeldde het primaire resultaat, verschillende secundaire resultaten en een categorie met de naam “andere onderzoeksresultaten”. Onder deze laatste was de enige objectieve meting: actigrafie. Bij actigrafie worden apparaten gedragen die de fysieke beweging over een bepaalde periode nauwkeurig meten. In dit geval droegen de deelnemers deze apparaten gedurende 14 dagen op de basislijn en gedurende 14 dagen aan het einde van de therapie. Volgens het protocol “is aangetoond dat de actigrafie een betrouwbaar en valide instrument is voor de beoordeling van fysieke activiteit”.
Het ontbreken van enige vermelding van deze gegevens in het artikel suggereerde dat de resultaten voor die metingen waarschijnlijk slecht waren. In hun reactie op de gepubliceerde commentaren erkenden de auteurs dat dit het geval was. Zoals ze schreven:
“Voorgestelde alternatieve uitkomsten, zoals fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie of fysieke fitheid, zijn geen betrouwbare markers van vermoeidheid en worden ook beïnvloed door de perceptie van patiënten en subjectief ervaren symptomen. Onderzoek toonde aan dat een aanzienlijk aantal patiënten met ernstige vermoeidheid geen afwijkend niveau van lichamelijke activiteit heeft. Dit werd ook gevonden in onze steekproef, d.w.z. 81% van de deelnemers had een fluctuerend actief activiteitenpatroon en slechts 19% had een laag actief activiteitenpatroon. Vermindering van vermoeidheid leidt niet noodzakelijkerwijs tot hogere niveaus van objectieve fysieke activiteit of omgekeerd. Verminderde vermoeidheid gaat ook niet noodzakelijk samen met een verbeterde aerobe capaciteit. In onze studie was er geen significant verschil tussen de condities in de toename van fysieke activiteit beoordeeld met actigrafie.”
Voor de goede orde voegde een van de co-auteurs, Dr. Chantal Rovers, nog een excuus toe in op Twitter: “Je hebt altijd meer gegevens dan binnen de woordlimiet van medische tijdschriften past. Primaire en secundaire uitkomstmaten zijn opgenomen. Het plan was om de andere resultaten in een apart artikel te publiceren, zoals heel gebruikelijk is.”
**********
Het ontkrachten van smoesjes voor het niet verstrekken van objectieve gegevens
Is een van deze redeneringen steekhoudend? Nee. Laten we ze stuk voor stuk bekijken
• Eerdere studies hebben aangetoond dat actigrafieresultaten niet overeenkomen met de zelfrapportages van patiënten over hun vermoeidheidsniveaus. Daarom zijn ze irrelevant.
Het is waar dat eerdere studies van deze en andere auteurs hebben gevonden dat positieve rapporten over subjectieve maten van vermoeidheid niet gepaard gaan met overeenkomstige toenames in fysieke activiteit, zoals objectief gemeten door actometers die gedurende een periode gedragen worden. De schijnbare conclusie die deze onderzoekers trekken – dat de actigrafieresultaten kunnen worden afgedaan als niet gerelateerd aan vermoeidheid – is belachelijk en duidelijk uit eigenbelang.
De Nederlandse onderzoekers hebben deze strategie geperfectioneerd door objectieve metingen op te nemen en deze pas te rapporteren lang nadat ze al aandacht hebben gekregen voor hun artikelen waarin ze de positieve bevindingen op subjectieve metingen benadrukken. Dit gebeurde in drie onderzoeken in de jaren 2000 naar CGT voor wat zij CVS noemden. Jaren later publiceerden de onderzoekers de nietszeggende actigrafiebevindingen van alle drie de onderzoeken en concludeerden ze – gelukkig maar – dat de vermindering van vermoeidheid niet gemedieerd werd door een toename in lichamelijke activiteit. Recenter haalden ze dezelfde stunt uit met een onderzoek naar Q-koorts.
Met andere woorden, ze accepteerden enthousiast de nauwkeurigheid van subjectieve verslagen van verbeteringen en verwierpen het belang van het onbetwistbare feit dat patiënten niet meer fysieke activiteit gingen uitoefenen – ook al verklaarden ze dat het doel hiervan is om de invaliditeit die met de aandoening gepaard gaat te verminderen. Deze discrepantie is nu veranderd in de botte bewering – het dogma eigenlijk – dat objectieve metingen van lichamelijke activiteit geen verband houden met de constructie van vermoeidheid. Het enige dat telt is de zelfrapportage – of mensen daadwerkelijk meer doen is irrelevant zolang ze maar zeggen dat ze minder vermoeid zijn. Het is moeilijk om te weten hoe je op zo’n absurd, op eigenbelang berustend argument moet reageren, behalve door erop te wijzen dat het absurd en op eigenbelang berustend is.
• De meeste patiënten hadden fluctuerende activiteitenniveaus in plaats van continu lage activiteitenniveaus, dus de actigrafiemetingen konden niet echt een verbetering laten zien bij deze patiënten.
Ten eerste, het weglaten van belangrijke bevindingen wordt gerechtvaardigd door het feit dat ze informatie geven over de niveaus van lichamelijke activiteit op de basislijn die ze niet in het onderzoek zelf presenteerden. We hebben geen idee wat ze bedoelen met “fluctuerende activiteitsniveaus” – vermoedelijk waren deze gebaseerd op de actigrafiemetingen op de basislijn – en ons wordt gevraagd hen op hun woord te geloven op basis van gegevens die niet door vakgenoten zijn beoordeeld en die we niet hebben gezien.
Afgezien van deze methodologische complicatie is het argument vreemd: Tenzij mensen 24 uur per dag actief zijn, is het onzinnig om te stellen dat ze niet meer zouden kunnen doen en dat actigrafie geen saillante informatie zou geven. En dit punt gaat ook voorbij aan het voor de hand liggende omgekeerde – dat patiënten het veel slechter zouden kunnen doen in één of beide studiearmen. Als patiënten een hoog activiteitenniveau hebben en terugvallen met of zonder CGT, dan zou de actigrafie dat waarschijnlijk documenteren. Deze auteurs zijn zo overtuigd van hun eigen theorievorming dat ze niet lijken te begrijpen dat metingen ontworpen zijn om zowel achteruitgang in gezondheidsstatus als verbeteringen vast te leggen.
• De actigrafie was geen primaire of secundaire uitkomst, dus we hoefden niet alle bevindingen te rapporteren in dit eerste artikel.
Kom op! Echt waar? Dit is misschien wel mijn favoriete valse rechtvaardiging. De nulresultaten op deze objectieve uitkomst roepen onvermijdelijk vragen op over de geldigheid en betrouwbaarheid van de subjectieve primaire en secundaire metingen. Onderzoekers hebben een verplichting, vastgelegd in ethische codes voor onderzoek, om alle saillante gegevens te verstrekken en geen informatie te verbergen die vragen oproept over hun bevindingen of die de interpretaties ervan verandert. Het is onmogelijk om met een uitgestreken gezicht te beweren – hoewel het Nederlandse team het heeft geprobeerd; misschien ontbreekt het hen aan gevoel voor humor en ironie – dat een objectieve functiemeting zoals actigrafie zinloos is, zelfs als de resultaten subjectieve rapporten tegenspreken.
Als de actigrafieresultaten geweldig waren geweest – als ze hadden aangetoond dat patiënten hun activiteitsniveaus verhoogden – gelooft dan iemand serieus dat de onderzoekers de gegevens uit het eerste onderzoeksrapport zouden hebben achtergehouden op grond van het feit dat het geen primair of secundair resultaat was?
Hoe dan ook, het waren de onderzoekers zelf die besloten om hun enige objectieve meting geen primaire of secundaire uitkomst te laten zijn, vermoedelijk omdat ervaringen uit het verleden aantoonden dat de bevindingen de subjectieve beweringen waarschijnlijk zouden tegenspreken. Dus om deze twijfelachtige beslissing aan te halen als de reden om deze bevindingen opzettelijk achter te houden is uiterst vals. Er is een enorme hoeveelheid brutaliteit voor nodig – zoals in het klassieke verhaal van iemand die zijn ouders vermoordt en dan als wees om genade smeekt.
Bovendien, als activiteitenniveaus “fluctueren” en de actigrafiegegevens die gedurende 12 dagen zijn verzameld daarom twijfelachtig zijn, waarom zouden we dan aandacht besteden aan subjectieve meldingen van vermoeidheid uit acht items op een enkele vragenlijst? Ik begrijp het niet. Met hun argument over fluctuerende niveaus zouden alle onderzoeksgegevens als irrelevant en betekenisloos moeten worden beschouwd.
Hoe zit het met het argument dat ze gewoon te veel gegevens hadden voor één artikel en dus begrijpelijkerwijs een deel opzij moesten zetten voor toekomstige publicaties? Dit standpunt neemt een vanzelfsprekend feit van wetenschappelijk onderzoek en verdraait het om het niet rapporteren van belangrijke gegevens te rechtvaardigen. Onderzoekers willen altijd meer publicaties uit een enkel onderzoek persen – dat is prima. Wat niet goed is, is het weglaten van informatie die vragen oproept over je conclusie. De Nederlandse onderzoekers zien dat natuurlijk niet zo. Omdat ze geloven dat de actigrafiebevindingen geen waarde hebben bij het beoordelen van vermoeidheid, zien ze er geen probleem in om te wachten met het publiceren ervan tot een toekomstige datum.
Kortom, deze reacties zijn niet serieus. Het zijn zelfingenomen afleidingsmanoeuvres; of de auteurs ze nu geloven of niet, ze hebben zichzelf ontmaskerd als ongekwalificeerd en te ethisch uitgedaagd om zich überhaupt met onderzoek bezig te houden. Het is moeilijk te begrijpen hoe legitieme onderzoekers zich inlaten met zulke misleidende redeneringen.
Dr. Daniel Griffin, een specialist op het gebied van infectieziekten in het gebied rond New York en regelmatig te horen op de populaire podcast This Week in Virology (gepresenteerd door Vincent Racaniello, een professor microbiologie aan Columbia die ook de gastheer is van Virology Blog) was het ermee eens dat de beslissing om de objectieve bevindingen van actigrafie niet te rapporteren niet te rechtvaardigen is. Dit is wat hij te zeggen had:
“De kritiek is terecht. Het belangrijkste voor mij is dat we open en eerlijk zijn en geen gegevens ‘verbergen’ of negeren die onze agenda niet ondersteunen. Zoals we nu zien, kan iemand melden dat hij zich beter voelt. Maar als we geen toename in daadwerkelijke activiteit zien, is dat belangrijke informatie om te delen.”
David Tuller, DrPH. 11 juli 2023
Bron: https://virology.ws/2023/07/11/trial-by-error-dutch-team-offers-dog-ate-my-data-excuses-for-not-reporting-null-objective-findings/
Vertaling ME/cvs Vereniging
Het mooie van Ian Lipkins laatste werk over ME/cvs is hoe goed alle resultaten bij elkaar passen. Health Rising rapporteerde eerder over de voorpublicatie van deze paper, maar de definitieve versie die onlangs uitkwam, heeft een aantal zaken verder uitgewerkt.
Deze grote door de NIH-gefinancierde studie van Ian Lipkin had verschillende voordelen. Het was groter en het beoordeelde meer metabolieten dan enig ander onderzoek; het gebruikte door ME/cvs-deskundigen gediagnosticeerde patiënten en gebruikte, in zijn woorden, “volledige en zorgvuldige statistische benaderingen”; met andere woorden, het is een rigoureuze en betrouwbare metabolomische studie.
Kortom, het is een belangrijke paper – en tjonge, wat waren de bevindingen interessant – niet alleen omdat ze een potentiële nieuwe speler aanwezen – peroxisomen – maar vanwege hoe goed ze allemaal bij elkaar passen – en dat is waar deze blog zich op zal richten.
Metabolisme is belangrijk. In sommige opzichten is het het belangrijkste. Het gaat over niets minder dan de “chemische processen die in een levend organisme plaatsvinden om het leven in stand te houden”. Het afbreken van voedsel om energie, eiwitten, of vetten, enz. te leveren, is metabolisme. Dat geldt ook voor de synthese van eiwitten, koolhydraten en vetten. Elke chemische reactie waarbij een verbinding wordt omgezet in iets anders, valt onder de noemer metabolisme.

Het is het metabolisme dat de soms enorme, duizelingwekkende schema’s van metabole reactiepaden produceert. Als een deel van een reactiepad geblokkeerd raakt, worden de opwaartse delen van het reactiepad opgebouwd en de neerwaartse delen van het reactiepad verminderd. Of, als een bepaald reactiepad zwaar getroffen wordt door iets (infectie, toxine, etc.) zal dat zichtbaar worden. Het zijn dit soort afwijkingen waar metabolomische studies naar zoeken.
In principe zoeken we met metabolomische studies naar problemen in de chemische reacties die het leven in stand houden. Aangezien voor chemische reacties energie nodig is, kunnen problemen met de energieproductie in deze studies duidelijk naar voren komen – en in deze studie was dat het geval.

Vetzuurafbraak – Vermindering van plasmalogenen die de fosfolipiden beschermen die op hun beurt de zo belangrijke celmembranen (de “huid” rond de cel) ondersteunen, wees met een pijl naar de peroxisomen – kleine organellen in de cellen die ze produceren.
Peroxisomen doen echter veel meer dan plasmalogenen produceren. Ze breken ook zeer langeketenvetzuren af in de korteketenvetzuren die onze mitochondriën gebruiken om energie te produceren. Als die vetzuren niet worden afgebroken, hebben de mitochondriën geen belangrijke energiebron meer.
Dat is precies wat deze studie suggereert dat zou kunnen gebeuren bij ME/cvs. De auteurs geloven dat het de verbinding tussen het peroxisoom-vetzuren-mitochondriën is doorgesneden.
“Wij stellen dat deze wisselwerking tussen mitochondriën en peroxisomen een belangrijke rol speelt bij het handhaven van de energiehomeostase en dat ontregeling bijdraagt tot de vermoeidheid en cognitieve disfunctie die kenmerkend zijn voor ME/cvs.”
Dat was nog niet alles. De studie vond ook verlaagde niveaus van carnitine. Carnitine speelt een sleutelrol in het transport van, jawel, langeketenvetzuren van het cytoplasma van de cel naar de mitochondriën. Deze studie suggereert al dat twee processen die betrokken zijn bij het verkrijgen van langeketenvetzuren in de mitochondriën een klap hebben gekregen bij ME/cvs.

Dat is echter niet het enige wat carnitine doet. Omdat carnitine ook de celmembranen helpt in stand te houden, bedreigen de lage carnitineniveaus ook de stabiliteit van de zo belangrijke celmembranen, waardoor ze gemakkelijker beschadigd raken door bijvoorbeeld ontstekingen en oxidatieve stress.
Alsof het uithongeren van de mitochondriën van essentiële voedingsstoffen nog niet genoeg was, kan een laag carnitinegehalte leiden tot de productie van langeketentriglyceriden – belangrijke doelwitten voor aanvallen van vrije radicalen – waardoor de mitochondriale membranen mogelijk beschadigd raken.
Een laag carnitineniveau kan een groot probleem blijken te zijn omdat het ook een schakelaar kan omzetten waardoor de peroxisomen carnitine gaan produceren, die hun vermogen om langeketenvetzuren af te breken, vermoedelijk afremt.
Omdat peroxisomen ook het opruimen van vrije radicalen (reactieve zuurstofcomponenten (ROS)) reguleren, zou een verminderde werking van peroxisomen ook kunnen bijdragen aan een puinhoop van ontsteking.
Dat brengt ons terug bij de celmembranen die de cel beschermen – een doelwit bij uitstek van vrije radicalen. Tot nu toe hebben we twee potentiële treffers voor hen (lage plasmologenen en carnitineniveaus), en nu komt er een derde: lage niveaus van een belangrijk membraanbestanddeel – fosfatidylcholine (PC).
De PC-depletie suggereert dat nog een ander belangrijk transportmechanisme naar de mitochondria verstoord is bij ME/cvs. Lage PC’s kunnen het transport van eiwitten naar de mitochondria onderbreken – wat de mitochondriale productie verder remt.
En dat is nog niet alles. Lage PC-niveaus kunnen ook het vermogen aantasten van eiwittranslocasen die eiwitten door de verschillende membranen in de mitochondriën vervoeren en ze naar hun juiste plaats leiden. Problemen met deze eiwittranslocases hebben een directe invloed op het vermogen van de mitochondria om ATP of energie te produceren.
Kijk eens hoe snel een reeks potentiële problemen in de mitochondria zijn opgedoken:
Er kwam echter nog meer.
De auteurs meldden dat de lage niveaus van lysofosfatidylcholines, fosfolipide-ethers, en prostaglandines (D2, F2α) in verband werden gebracht met mitochondriale schade en/of verhoogde oxidatieve stress, wat, gezien de slechte staat waarin de mitochondriale membranen lijken te verkeren, geen gelukkige situatie is.
Over die membranen… de lage gehaltes aan PC’s, ceramiden, sfingomyelinen en fosfolipide-ethers leveren verder bewijs van membraanschade, aangezien deze allemaal een belangrijke rol spelen die ook in de membranen te vinden is. Cellen krijgen hun orders via receptoren in hun membranen. Omdat ceramiden een belangrijke rol spelen bij de voortplanting van signalen door de membranen, kunnen de aangetroffen lage ceramideniveaus cellen doden in het water, dat niet in staat is om te reageren op de signalen die het krijgt.
Vervolgens kwamen lage niveaus van choline – essentieel voor de productie van fosfatidylcholines (PC) – die, zoals eerder werd opgemerkt, laag waren. De lage niveaus van choline voldeden niet aan de statistische criteria die nodig zijn voor significantie – maar het kwam in de buurt.
Omdat choline ook de werking van de G-proteïnegekoppelde receptoren verbetert die de werking van het autonome zenuwstelsel (AZS) regelen en ook een rol spelen bij de productie van epinefrine, stelden de auteurs dat de lagere cholineniveaus de werking van het AZS zouden kunnen beïnvloeden, wat zou kunnen resulteren in problemen met de bloedstroom en zuurstoftoevoer naar de weefsels.
De samenhang van de bevindingen maakte deze studie zo intrigerend – elke belangrijke bevinding leek op de een of andere manier bij elkaar te passen. Wat we echt van een studie verlangen, is het vermogen om een biologisch verhaal te vertellen, en deze studie deed dat zeker met betrekking tot de mitochondriën.
Natuurlijk mogen we niet vergeten dat correlatie geen oorzakelijk verband is, en dat het lichaam zeer complex is en ons vaak voor de gek kan houden, en dat ook doet. De auteurs zeiden dit met zoveel woorden. Terwijl ze de sterke punten van de studie vermelden (streng gedefinieerde patiënten, een “volledige en zorgvuldige statistische benadering”, enz.), verklaarden de auteurs dat het “absoluut noodzakelijk was dat de geldigheid van de nieuwe bevindingen die hier gerapporteerd worden, onafhankelijk getest worden in andere cohorten”, en dat men grotere studies met meer ME/cvs-patiënten zou doen.
Toch is het opduiken van zo’n coherent patroon van disfunctie niets anders dan bemoedigend, vooral omdat één van de centrale bevindingen – problemen met het metabolisme van langeketenvetzuren – ook gevonden werd door de onderzoeksgroep van Fisher in Australië.
De financiering voor de door de NIH gefinancierde ME/cvcs-onderzoekscentra is hernieuwd – op hetzelfde erbarmelijke niveau waarmee ze is begonnen – en wat sommige onderzoekers deed terugdeinzen.
Ik weet niet hoeveel langer de NIH de farce kunnen volhouden van het uitgeven van meer dan een miljard dollar aan langdurige/long COVID terwijl ME/cvs wordt genegeerd, maar laten we hopen dat studies zoals deze van Lipkin en die van Maureen Hanson door de NIH-gefinancierde centra van gedachten zullen doen veranderen, en Lipkin in staat zal zijn om de financiering te krijgen om een grotere studie te doen die zowel ME/CVS als long COVID-patiënten bevat, een die in staat is om definitieve resultaten te verkrijgen.
Het ME/cvs-veld loopt immers ver voor op het peloton wat betreft de mitochondria en metabolomica. ME/cvs-onderzoekers hebben zich ongeveer zes jaar geleden op metabolomica gestort, en sindsdien zijn er veel studies gedaan, maar er zijn weinig metabolomiastudies gedaan bij long COVID, en geen enkele die de sofisticering van deze benadert. Ook de mitochondriën zijn niet veel bestudeerd bij long COVID. Men hoopt dat long COVID en onderzoekers van RECOVER Initiative een oogje houden op de mitochondriale en metabolomische bevindingen bij ME/cvs.
De studies die naar long COVID gedaan zijn, suggereren dat de mitochondriën getroffen zijn, en een recente hypothesepaper stelde dat “metabolome verstoring van NAD+” een centrale rol speelt in de aandoening, en suggereert hierbij om studies met intraveneuze NAD+ te beginnen.
© Health Rising, 21 augustus 2022.
https://www.healthrising.org/blog/2022/08/21/lipkin-chronic-fatigue-syndrome-puzzle/
Vertaling ME-gids.
Die aandacht is er ook binnen het COVID-19 programma van ZonMw. Maar zou er niet meer moeten gebeuren? En hoe zit het met de raakvlakken met ME/CVS, waarvoor in 2021 een onderzoeksprogramma van start ging? ZonMw volgt de discussie over dit onderwerp, onder meer op sociale media, waarin een sterke urgentie doorklinkt. Een gesprek tussen betrokken bestuurders laat zien dat er de komende jaren heel wat werk te verzetten valt.
De drie gesprekspartners hebben duidelijk al vaker bij elkaar aan tafel gezeten: dr. Sjaak de Gouw, voorzitter van de koepelcommissie van het COVID-19 programma, Jan van Wijngaarden, programmacommissievoorzitter van het onderzoeksprogramma ME/CVS en dr. Véronique Timmerhuis, algemeen directeur van ZonMw. Ze zijn het er dan ook snel over eens dat aanhoudende klachten na COVID-19 (‘post-COVID’) de aandacht verdienen van wetenschappers en zorgverleners. Sommige patiënten met post-COVID hebben klachten die lijken op myalgische encefalitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). Belangrijk om uit te leggen wat ZonMw op kortere en langere termijn kan betekenen voor het onderzoek naar post-COVID.
Het programma voor ME/CVS en het COVID-19 programma zijn allebei van recente datum, maar de voorgeschiedenis is zeer verschillend. Van Wijngaarden: ‘Het ME/CVS programma is in 2021 ingesteld, na een heel lange voorgeschiedenis. De ernst en de impact van ME/CVS is veel te lang onderschat. Het is een invaliderende aandoening, die bij de meeste patiënten niet meer over gaat. In de ernstigste vorm komen mensen bijna niet meer hun bed uit. Patiënten zijn bovendien jarenlang verkeerd behandeld. De gedachte was dat de oorzaak vooral psychologisch was en dat het activeren van patiënten zou helpen. Maar een van de kenmerkende symptomen van ME/CVS is juist dat mensen achteruitgaan door inspanning. Bij patiënten en familieleden bestaat dus ook veel frustratie en wantrouwen. Dat we nu met belangenverenigingen van patiënten én wetenschappers samen eerst een onderzoeksagenda hebben opgesteld en op basis daarvan nu een onderzoeksprogramma konden inrichten, is een enorme mijlpaal. De nadruk in dit programma ligt juist op de biomedische aspecten.’ Timmerhuis vult aan: ‘Het is best bijzonder dat VWS zo’n groot programma instelt voor één bepaalde aandoening’. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is opdrachtgever voor zowel het ME/CVS programma als voor het COVID-19 programma.
De Gouw: ‘Het COVID-19 programma is ingesteld in het begin van de coronacrisis, toen we nog bijna niks wisten over die nieuwe infectie. We stelden toen als eis aan onderzoeksprojecten dat er binnen zes maanden resultaten moesten zijn. In de loop van de tijd is het programma gegroeid en kwamen er vragen bij, ook over post-COVID, maar de nadruk bleef liggen op het beheersen van de problemen op kortere termijn.’ Timmerhuis: ‘Die twee programma’s hebben dus een totaal verschillende dynamiek, maar er is zeker ruimte voor kennisuitwisseling en synergie. Dat zal hier zeker in de toekomst ook gelden. Zowel om inhoudelijk te leren van lopende projecten op de verschillende ziektebeelden, alsook om projectleiders met elkaar in contact te brengen en zo tot kruisbestuiving te (kunnen) komen. ‘ De beoordeling van projectaanvragen bij ZonMw gebeurt overigens door een programmacommissie bestaande uit wetenschappers, relevante veld- en praktijkdeskundigen en patiëntenvertegenwoordigers.
Hoewel er nog veel onbeantwoorde onderzoeksvragen zijn rond ME/CVS, is al wel duidelijk dat de ziekte vaak ontstaat na een infectie of een ernstig ongeval. Virusinfecties zoals influenza, maar ook bacterieziekten zoals de ziekte van Lyme en Q-koorts kunnen aanleiding geven tot ME/CVS. Wetenschappers spreken dan van post infection fatigue (PIF). Is post-COVID dan niet eigenlijk hetzelfde als ME/CVS? De Gouw: ‘COVID-19 kennen we nog geen drie jaar, dus er is ook nog veel onduidelijkheid. We zien verschillende soorten aanhoudende klachten. Er zijn bijvoorbeeld mensen bij wie de reuk en de smaak langdurig wegblijven, anderen hebben vooral last van chronische luchtwegproblemen. En er is een groep mensen die na COVID-19 klachten hebben die lijken op ME/CVS. Maar dat zijn dus zeker niet alle mensen met post-COVID en we weten ook nog niet zeker of die klachten net zo blijvend zijn als bij ME/CVS.’ Van Wijngaarden: ‘In onderzoeksvoorstellen in het ME/CVS programma zien we dat onderzoekers zeker ook geïnteresseerd zijn in patiënten met een ME/CVS ziektebeeld die bewezen COVID hebben gehad. Waar mogelijk nemen we het dus al mee.’
Binnen het COVID-19 programma is steeds meer aandacht voor post-COVID. Ook de Nederlandse universitair medische centra (umc’s) investeren in onderzoek naar deze aanhoudende klachten. En uiteraard wordt ook in andere landen hard gewerkt aan het zoeken naar een verklaring voor de verschillende vormen van post-COVID. De Gouw: ‘Je ziet in de vakliteratuur een heleboel publicaties met kleine puzzelstukjes, maar het grote plaatje ontbreekt nog. ZonMw financiert onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS, gericht op het verbeteren van het beleid en de mogelijke aanpakken in de zorgpraktijk. Voor post-COVID moeten we eerst de definitie zo duidelijk mogelijk krijgen, zicht krijgen op de aantallen en weten hoe de klachten zich op de langere termijn ontwikkelen. Het is nog onvoldoende duidelijk waar we moeten zoeken naar de oorzaak en aangrijpingspunten voor de behandeling. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat bepaalde aandoeningen binnen post-COVID ontstaan door afwijkingen in het immuunsysteem. Voordat je daar gericht onderzoek naar kunt doen, moet je heel veel gegevens van heel veel mensen bij elkaar hebben. Daar wordt nu flink in geïnvesteerd, door de behandelaars en ook door ons COVID-19 programma.’
De Gouw: ‘Een programma met meerwaarde moet gebaseerd zijn op een overzicht van het bestaande onderzoek, op een zogeheten meta-analyse.’ Van Wijngaarden: ‘Op het gebied van ME/CVS bestond er in Nederland nog vrijwel geen infrastructuur voor onderzoek en kennis. Dat is dan ook een van de doelstellingen van ons programma, om te zorgen dat er voldoende onderzoekers en behandelaren komen met kennis en ervaring op deze complexe aandoening. Dat zal uiteindelijk ook goed zijn voor het onderzoek naar post-COVID, zeker voor zover er een overlap is met ME/CVS’. Timmerhuis: ‘De aandacht voor post-COVID en de flinke aantallen mensen die vermoeidheidsklachten lijkend op ME/CVS eraan overhouden, versterkt nu wel zeer de focus op de complexe (biomedische) mechanismen leidend tot Post Infection Fatigue. Dat geeft daarmee een extra urgentie aan het ME/CVS onderzoek en wat we daaruit ook kunnen leren voor post-COVID’.
De belangrijkste conclusie van het gesprek is dat post-COVID de komende jaren noodzakelijkerwijs een grotere plaats zal gaan krijgen binnen het geheel van onderzoek van ZonMw. Er vindt hierover al overleg plaats met het ministerie van VWS, dat het meeste onderzoek binnen ZonMw financiert. Binnen het COVID-programma worden nu al belangrijke eerste stappen gezet, met name binnen het deelprogramma nazorg. Naarmate er meer kennis beschikbaar komt, zullen ook de raakvlakken met andere programma’s, zoals ME/CVS steeds duidelijker worden. De maatschappelijke urgentie staat scherp op ieders netvlies.
Bron: https://publicaties.zonmw.nl/post-covid-en-mecvs-samen-complexe-puzzels-te-lijf/
De organisaties van patiënten met Long Covid, chronische Lyme, Q-koorts en ME/cvs hebben per brief 22 voorstellen aangeboden aan minister van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De voorstellen moeten een eind maken aan de negatieve ervaringen van patiënten bij hun contacten met het UWV.
Met deze voorstellen dragen de patiëntenorganisaties bij aan de uitvoering van de motie Van Kent van 12 april 2022. Daarin verzoekt de Tweede Kamer de regering om een protocol te maken, zodat het UWV ziektes zoals Long Covid, chronische Lyme, Q-koorts en ME/cvs erkent en serieus neemt bij keuringen in het kader van de Ziektewet en de WIA. In de motie vraagt de Tweede Kamer om dit protocol vooral samen met betrokken partijen, zoals de patiëntenorganisaties, op te stellen.
Op dit moment voelen de betreffende patiënten zich bij het UWV vaak overgeleverd aan willekeurige visies en vooroordelen. Hun beperkingen worden te vaak onderschat. De gevolgen zijn ingrijpend: inkomensachteruitgang, verlies van werk en van kwaliteit van leven en grote onzekerheid
De organisaties hebben minister Van Gennip gevraagd om een gesprek over hun voorstellen.
Initiatiefnemers van de 22 voorstellen zijn:
Steungroep ME en arbeidsongeschiktheid
Long Covid Nederland
Lymevereniging
Q-uestion
De voorstellen zijn medeondertekend door:
Lymefonds
ME/cvs Vereniging
Stichting tekenbeetziekten
ME/CVS stichting
Bijlagen:
Aanbiedingsbrief minister van Gennip
22 voorstellen protocol motie Van Kent
De klachten van Long Covid patiënten lijken vergelijkbaar te zijn met die van ME/cvs. Ook Orthostatische Intolerantie (OI) komt bij Long Covid vaak voor.
Is OI hetzelfde bij ME/cvs na een infectie met EBV en Long Covid?
Is er verschil tussen de ME/cvs patiënten na een acute infectie (EBV) en ME/cvs patiënten waarbij geen trigger bekend is?
Speelt deconditionering een rol?
Er was geen significant verschil in vóórkomen van OI tussen Long Covid patiënten en ME/cvs patiënten met en zonder voorafgaande EBV-infectie. Deconditionering was bij ME/cvs en ook bij Long Covid geen verklaring voor optreden van OI.
De auteurs van deze studie onderzochten 3 groepen patiënten
Ze onderzochten van december 2020 tot maart 2022
De kanteltafeltest werd volgens een vast protocol uitgevoerd (eerst 20 minuten liggend, daarna een kanteling gedurende 10 minuten, tot 70 graden).
Liggend en bijna rechtop staand (net voordat er weer teruggekanteld werd) werden metingen uitgevoerd van het slagvolume en de cardiale index bij de aorta door middel van een Doppler. Ook werden er metingen verricht aan de halsslagader en wervelslagader
Tijdens de kanteling werd er een vragenlijst afgenomen. Daarbij werd gevraagd naar symptomen die kunnen optreden, wanneer er minder bloed naar je hersenen stroomt, doordat je steeds verder rechtop komt te staan.
(duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, vermoeidheid, spierzwakte, hartklopingen, kortademigheid, wazig zicht, verandering in gehoor, nek/schouder spierpijn, lage rugpijn, druk of pijn op de borst, concentratieproblemen, zweten, hoofdpijn, of druk in het hoofd, tintelingen.
Daarbij werden hartslag en bloeddruk geregistreerd en bepaald of er sprake was van:
Dysautonomie is de paraplu-term waar verschillende aandoeningen onder vallen, waaronder orthostatische intolerantie (OI), het posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en orthostatische hypotensie (OH). Het autonoom zenuwstelsel regelt alles in je lichaam waarbij je niet hoeft na te denken, zoals je hartslag en bloeddruk, de temperatuurregeling in het lichaam, etc. Daar gaat het mis bij dysautonomie. De symptomen van POTS en OH lijken erg op elkaar. Dat komt doordat er bij allebei sprake is van een verminderde bloedtoevoer naar het hart en de hersenen. Ook zijn er vaak andere verstoringen van het autonoom zenuwstelsel.
De kenmerkende symptomen van Long Covid lijken op die van ME/cvs. Eén van de overlappende symptomen is orthostatische intolerantie (OI). Dit is een syndroom waarbij de klachten toenemen als je staat en weer verminderen als je gaat liggen. OI is een hoofdkenmerk van ME/cvs. Met name de onder OI vallende vorm POTS is herkend bij Long Covid.
De auteurs bestudeerden orthostatische intolerantie (OI), waarbij zij het mechanisme dat OI veroorzaakt (cerebrale hypoperfusie) meetbaar maakten.
Cerebrale hypoperfusie betekent dat de bloeddoorstroming naar je hoofd, dus naar je hersenen, verminderd is. Dit kunnen zij meten door de bloeddoorstroming te meten met een soort sensor, een Doppler, tijdens een kanteltafeltest.
De Long Covid patiënten en de ME/cvs patiënten hadden vergelijkbare
Deze resultaten komen overeen met die van een eerdere studie bij gezonde controles en 429 ME/cvs patiënten, waar de afname van de hersenbloedstroom tijdens de kanteltafeltest gemiddeld 7% bij gezonden en 26% bij ME/cvs patiënten was. De afname die in de huidige studie bij ME/cvs werd gevonden (29%) is vergelijkbaar.
Deze resultaten komen ook overeen met de afname van hersenbloedstroom bij patiënten met OI in een eerder onderzoek, gemeten met transcraniële doppler.
Dit maakt het waarschijnlijk dat Long Covid hetzelfde is als ME/cvs in termen van ziekte, waarbij de trigger een SARS-Cov-2 infectie is geweest. Vanuit klinisch gezichtspunt zouden Long Covid patiënten hetzelfde moeten worden behandeld als ME/cvs patiënten, met als belangrijkste klachten: Vermoeidheid, orthostatische intolerantie, geheugen en concentratieproblemen, post-exertionele problemen, slaapproblemen, pijn, etc.
Er werd bij alle Long Covid patiënten POTS gevonden, dit was slechts resp. 42-50% bij de ME/cvs groepen. In een eerdere studie vonden de auteurs dat POTS patiënten een kortere ziekteduur hadden dan de patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk tijdens de kanteltafeltest.
In deze studie was er een significant verschil in ziekteduur:
Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat met toenemen van de ziekteduur de POTS reactie kan worden vervangen door een minder grote toename van hartslag, bijna alsof die vervaagt en plaats maakt voor een normale hartslag en bloeddruk.
Eén van de mechanismen van POTS is overmatige activatie van het sympathisch zenuwstelsel. Mogelijk is er bij milder zieke Long Covid patiënten in het begin een hogere sympatische aandrijving aanwezig, die in de loop van de tijd verdwijnt tijdens herstel van de infectie, dit herstel leidt dan tot verdwijnen van POTS. Deze hypothese wordt door patiënten ondersteund die zeggen dat de hartkloppingen zijn verdwenen in de loop van de tijd.
Deconditionering als belangrijke oorzaak van POTS wordt vaak genoemd in de literatuur. Bij de Long Covid patiënten in dit onderzoek ligt dit anders. In deze studie van 14 Long Covid patiënten en een eerdere publicatie over 10 patiënten met POTS, ontwikkelden de OI/POTS klachten zich al in de eerste weken na het begin van de acute infectie.
Geen van de patiënten is opgenomen geweest in het ziekenhuis of had aan de beademing gelegen. Alle Long Covid patiënten waren fit voor het begin van de infectie en sportten tenminste wekelijks. Andere onderzoekers hebben vergelijkbare observaties gedaan.
Dit maakt het onwaarschijnlijk dat de POTS werd getriggerd door deconditionering.
Verder hebben de auteurs bij ME/cvs patiënten aangetoond dat de aanwezigheid van postexertionele malaise (PEM), orthostatische intolerantie (OI) en de abnormale afname van hersenbloedstroom ook aanwezig waren bij patiënten die niet gedeconditioneerd waren. Dit was vastgesteld bij een cardiopulmonaire inspanningstest, waar de afwezigheid van deconditionering werd gedefinieerd als een % voorspelde maximale zuurstofconsumptie van 85% of meer.
De abnormale afname van de hersenbloedstroom was vergelijkbaar bij de patiënten die niet gedeconditioneerd waren, en bij de patiënten met milde of ernstige deconditionering. (Deconditionering was dus geen factor).
Studie van Linda van Campen en Frans Visser gepubliceerd in Healthcare https://www.mdpi.com/2227-9032/10/10/2058
Vertaling en samenvatting: ME/cvs Vereniging
Dit artikel maakt onderdeel uit van de collectie “Waarom sommige patiënten nooit herstellen: de post-actieve fase van infectueuze syndromen”
‘It’s extraordinary how many people have a postviral syndrome that’s very strikingly similar to ME/CFS’,
Anthony Fauci in een interview voor Medscape
Je struikelt in de media over verhalen van coronapatiënten die alsmaar klachten blijven houden:
‘I survived the Coronavirus, but am now living a nightmare’.
Vermoeidheid, aanhoudend hoesten, kortademigheid, hoofdpijn, smaakverlies: een enorme waaier, met nog tientallen andere symptomen. Vooral bij – ook jonge – mensen met ‘milde klachten’ blijken die lang aan te houden. Long-haulers worden ze genoemd, ook te vinden onder #LongCovid.
‘We krijgen steeds meer doorverwijzingen van de huisarts van mensen die niet opgenomen zijn geweest in het ziekenhuis.’
Rein Posthuma, longarts in het MUMC
Het herstel na milde klachten blijkt lang te kunnen duren. ‘En we weten niet goed waar dat door komt.’ NHG-huisarts Jako Burgers laat via de NOS weten te vrezen dat we slechts het topje van de ijsberg zien. Nog een waarschuwing: ‘With this very severe COVID-19 disease, where we’re now dealing with millions of people suffering worldwide, the question is not if [some] will develop ME/CFS – it’s how many’.
Op het internet schieten de covidsteungroepen als paddenstoelen uit de grond. In de VS heeft het ‘Survivor Corps’ 90 duizend leden. Op Facebook is een Nederlandse lotgenotengroep opgezet: ‘corona-ervaringen en langdurige klachten’. Met al meer dan 14 duizend leden. Ook op Zorgwijzer kunnen mensen hun ervaringen delen. Ruim 7000 mensen deden dat as we speak. Maak de borst maar nat.
Er is al meer dan twintig jaar een patiëntengroep die postviraal of postwhatever maar niet opknapt. Niks nieuws onder de zon. Die patiënten vertellen we – als we er als artsen uiteindelijk niet uitkomen – al jaren dat ze moeten werken aan hun ‘false illness beliefs’ en aan hun verwaarloosde fysieke conditie. Met cognitieve gedragstherapie (CGT) als panacee. Niet zo vast blijven zitten in je beperkingen!
Ben je benieuwd naar de rest van het artikel? Hier kun je het verder lezen.