We zijn op zoek naar een onderzoeksverpleegkundige om het research team van Amsterdam UMC te komen versterken op locatie AMC.
Wat ga je onderzoeken als research verpleegkundige?
Amsterdam UMC is gestart met een grootschalig biomedisch wetenschappelijk onderzoek naar ME/cvs. Daarbij worden ook post-infectieuze syndromen zoals Long COVID en de ziekte van Lyme onderzocht.
Een van de hoofdactiviteiten van het NMCB is het opzetten van een patiëntencohort en een biobank; waarin patiëntgegevens, beelden en lichaamsmateriaal worden verzameld.
Bouwend op deze infrastructuur, en in samenspraak en samenwerking met patiënten, hebben NMCB-onderzoekers studies ontwikkeld met als doel biomedische kennis te vergaren en te vertalen naar betere diagnose en behandeling.
Wat ga je doen
Jouw rol binnen NMCB als (research) verpleegkundige is om het includeren van patiënten in het cohort en de biobank uit te voeren en te coördineren.
Concreet houdt de functie het volgende in:
Het toezien op, en het zelfstandig opbouwen van het patiëntencohort: denk hierbij aan de logistiek rondom patiënten werving, zoals registratie en screening.
Patiëntgebonden werkzaamheden: zoals informatie geven, de planning voor patiënt regelen, bezoeken op de onderzoekslocatie begeleiden/uitvoeren, en de patiënt en naasten met raad en daad bijstaan.
Bijhouden en registreren van alle relevante informatie rond een patiënt in zowel het patiëntendossier als de onderzoek database.
Opbouwen van een biobank: waaronder het afnemen van bloed, het uitvoeren van lichamelijke tests en onderzoeken, het bijhouden en registreren van de gegevens en materiaal, en het aanleveren van het materiaal bij laboratoria.
Voor een deel van de patiënten is het nodig om te reizen om gegevensverzameling bij hen thuis uit te voeren.
Beoordelen van patiënteninformatie: deze informatie dient voor uitleg van de studie aan de patiënt. Ook het (mee)schrijven van belangrijke hulpdocumenten, zoals handleidingen en instructies.
Het actief deelnemen aan (multidisciplinair) overleg en het waar nodig overnemen van werkzaamheden van anderen, bijvoorbeeld tijdens ziekte / vakanties.
Eventueel kunnen ook administratieve taken en datamanagement tot de functie behoren. Zoals het bijhouden van de Investigator Site File (ISF), en het uitvoeren van eventuele audits: daarbij hoort het voorbereiden en uitvoeren van de audit, het nabespreken van de bevindingen en het doorvoeren van verbeterpunten;
Wat neem je mee
Je bent een BIG-geregistreerd verpleegkundige en hebt al enkele jaren ervaring.
Uitstekende beheersing van de Nederlandse en Engelse taal in woord en geschrift.
In het bezit van een rijbewijs, en bereid te reizen voor patiënt bezoeken aan huis.
Uitstekende organisatorische en communicatieve vaardigheden.
Affiniteit met, empathie voor, en geduld met ernstige zieke patiënten van deze doelgroep.
Een pré is bezit van een GCP of BROK certificaat (of bereidheid dit te halen) en/of een specialistische opleiding als researchverpleegkundige.
Wat bieden we jou
Een vliegende start van jouw carrière binnen een professioneel onderzoeksteam, waar jij je kunt ontwikkelen tot een allround research professional.
Alle ruimte om de zorg van morgen vorm te geven.
De kans om te werken aan verschillende soorten klinisch wetenschappelijk onderzoek in een team van zeer gemotiveerde collega’s.
Een contract voor min 16 en max 40 uur per week voor de duur van 3 jaar.
Gratis en onbeperkt toegang tot onze online leeromgeving GoodHabitz.
Inschaling in salarisschaal 7M: € 2.861tot € 4.052 bruto bij een fulltime dienstverband (afhankelijk van opleiding en ervaring).
Naast een goed basissalaris krijg je onder andere 8,3% eindejaarsuitkering en 8% vakantietoeslag. Bereken hier jouw netto salaris.
Pensioenopbouw bij het Be Frank.
Uitstekende bereikbaarheid met het OV, met een vergoeding van een groot deel van je woon-werk reiskosten en alle werk-gerelateerd reiskosten. Kom je liever op de fiets? Dan hebben we een goede fietsregeling. Daarnaast hebben we voldoende parkeerplaatsen op locatie AMC én een goede fietsregeling.
Voor meer informatie over onze arbeidsvoorwaarden kijk op onze website.
Waar en met wie werk je samen
Je komt te werken binnen het onderzoek van het Amsterdam UMC dat onderdeel is van het ZonMW onderzoeksprogramma ME/cvs.
Je komt in dienst van de afdeling Medische Psychologie, en werkt binnen het NMCB consortium nauw samen met collega verpleegkundigen en assistentes, de principal investigator (PI), project managers, datamanagers en biobank coördinator.
Interesse in deze functie
Heb je nog vragen? Voor inhoudelijke informatie kun je terecht bij Lea van Iersel, Project manager NMCBvia [email protected].
Voor meer informatie over de sollicitatieprocedure kun je terecht bij Freek van der Hoeve, Recruitment Adviseur, via [email protected].
Een referentiecheck en screening kunnen onderdeel zijn van de procedure. Kom je bij ons in dienst, dan vragen we voor een aantal functiegroepen standaard een VOG (Verklaring Omtrent Gedrag). Lees hier wat dit inhoudt en of het voor jouw functie van toepassing is.
Interne kandidaten krijgen, bij gelijke geschiktheid, voorrang op externe kandidaten.
Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-7.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-08-23 19:10:412024-08-28 17:41:04Interessante vacature – Research Verpleegkundige
Op vrijdagmiddag 19 januari vond het kick-off symposium plaats van het Nederlands ME/CVS Cohort en Biobank ofwel NMCB.
Het NMCB gaat de komende jaren biomedisch onderzoek doen naar ME/CVS. Voorafgaand aan het symposium was er op donderdag 18 januari een vergadering van de executive board (het uitvoerend orgaan). Op vrijdagochtend was de eerste bijeenkomst van de General Assembly, de algemene vergadering.
In onderstaand plaatje geven we een overzicht van de structuur van het NMCB.
Het Uitvoerend Orgaan in het centrum van het overzicht bestaat uit het managementteam, aangevuld met vertegenwoordigers namens de patiëntenorganisaties. Dit orgaan houdt zicht op de voortgang van het project. Namens de ME/cvs Vereniging neemt Markus Sjouke deel.
Het managementteam bestaat uit projectleider Jos Bosch, en de leiders van de (momenteel zes) deelprojecten.
In de Advisory Board hebben wetenschappers zitting en patiëntvertegenwoordigers die bij de deelprojecten betrokken zijn. Ongeveer 20 patiëntvertegenwoordigers zijn namens de ME/cvs Vereniging en Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid bij de deelprojecten betrokken.
Een aantal buitenlandse wetenschappers en samenwerkingspartijen was deze dag aanwezig.
De Algemene Vergadering bestaat naast het Uitvoerend Orgaan uit veel mensen of organisaties die op een of andere wijze bij het NMCB betrokken zijn. Namens het bestuur van de ME/cvs Vereniging neemt Lou Corsius deel.
Tijdens de Algemene Vergadering gaf Jos Bosch een uiteenzetting over de organisatie van het NMCB en over de stand van zaken tot nu toe. De meeste projecten zijn nu in een opstartfase. Een enkel project is al van start gegaan.
Recent is een wervingsprocedure opgezet voor verpleegkundige die de verzameling van gegevens bij de patiënten gaat uitvoeren. De sollicitatiegesprekken vinden binnenkort plaats.
Voor het opzetten van de biobank heeft NMCB zich gebaseerd op de UK ME/CFS Biobank.
Na deze inleiding kwamen de patiëntvertegenwoordigers in het Uitvoerend Orgaan aan het woord. Markus Sjouke gaf een indrukwekkend beeld van de impact van de ziekte op zijn gezin. Twee van hun drie dochters en zijn vrouw zijn ernstig tot zeer ernstig ziek. Het verhaal maakte veel indruk bij de aanwezigen.
Verder werd in het ochtendprogramma veel aandacht besteed aan datamanagement.
In de pauze kwamen Amber Kortzorg en Jeroen Kortschot van het televisieprogramma KASSA even langs. Zij hadden net daarvoor een kinderarts en een psycholoog in het AMC geïnterviewd over (het ontbreken van) behandelmogelijkheden in Nederland voor kinderen met Longcovid.
Fijn dat in hun programma op zaterdagavond 20 januari ook andere postacute infectiesyndromen zoals ME/CVS werden benoemd.
Het symposium
Het middagdeel werd zeer goed bezocht. Een behoorlijk aantal patiëntvertegenwoordigers was fysiek aanwezig. Daarnaast kon het symposium via internet worden gevolgd.
Na de inleiding door Jos Bosch gaf professor Jonas Bergquist een inleiding over de bevindingen bij ME/CVS. Hij ging daarbij in het bijzonder in op laaggradige ontstekingen in het centrale zenuwstelsel en de aanwezigheid van astrogliacellen.
UK ME/CFS Biobank (UKMEB)
Eliana Lacerda, arts, en verpleegkundige Caroline Kingdon gaven een toelichting op de werkwijze van de Britse biobank. Zij zien patiënten tussen 18 en 60 jaar. De biobank is opgezet in samenwerking met die van het UCL/Royal Free Hospital. De gegevens van UKMEB vormen nu de grootste specifieke proportie. Er worden ook gegevens verzameld van gezonde controles en van MS patiënten als zieke controles. De verpleegkundige bezoekt de zeer ernstige patiënten aan huis. Zij ziet steeds weer dat de patiënten leven onder zeer problematische omstandigheden. Zij geeft aan dat het huisbezoek zorgvuldig moet worden gepland en ingericht om overbelasting te vermijden.
Er ontstond tijdens de vragenronde een gesprek over de noodzaak om bloedstalen zo snel mogelijk na afname te verwerken en met gestandaardiseerde apparatuur te centrifugeren. Een oplossing zou een laboratoriumbus kunnen zijn.
Vervolgens werd een zeer korte introductie per deelonderzoek gegeven.
1. Ruud Raijmakers vergelijking van ME/cvs met PAIS In dit deelproject worden ME/CVS patiënten vergeleken met andere post-acute infectiesyndromen. De verzameling van lichaamsmateriaal van ME/CVS patiënten moet nog beginnen. Er wordt nu gestart met een lymegroep. Uit het Lymeprospect cohort worden degenen die hersteld zijn en degenen die niet herstelden met elkaar vergeleken.
2. Niels Eijkelkamp, Energize ME Dit onderzoek richt zich op volwassenen en adolescenten (aantal is 160). De onderzoekers willen de stofwisseling van afweercellen van volwassen en adolescente ME/CVS-patiënten in kaart brengen. Er wordt onderzocht hoe deze veranderingen afweercellen beïnvloeden, symptomen van ME/CVS veroorzaken, en of deze veranderingen worden veroorzaakt door autoantistoffen in ME/CVS-patiënten. Er zal worden vergeleken met buitenlandse bevindingen.
3. Jeroen den Dunnen, AutonoME De onderzoeker wil gebruik maken van het Longcovid momentum. Het gaat om het injecteren van autoantilichamen in muizen. Eerder onderzoek heeft laten zien dat er dan symptomen ontstaan. Hoe veroorzaken de autoantilichamen de ziekteverschijnselen?
4. Marjan Versnel, Immunestratify Het doel van dit onderzoek is immuunsignaturen ontdekken en op basis daarvan na te gaan of er een onderverdeling te maken is in subgroepen binnen het patiëntenbestand. Zij gaan ook na of er sprake is van trained immunity, waarbij de afweercellen afwijkend reageren op niet aan eerdere processen gerelateerde uitdagingen.
5. Inge Huizinga, Brain Changes Het doel is het hersenweefsel van ME/CVS patiënten op bijzonderheden te onderzoeken. Daartoe wordt ernaar gestreefd 200 hersendonoren te registreren wat in de komende jaren moet leiden tot 50 autopsieën.
Deze geregistreerde ME/CVS patiënten worden ook al bij leven onderzocht om een aantal gegevens vooraf vast te leggen. Dit project is in de startfase waarbij de patiënteninformatie momenteel door patiëntvertegenwoordigers wordt bekeken en van opmerkingen voorzien.
6. Rob Wüst, MuscleME Er wordt onderzoek gedaan naar spierweefsel voor en na inspanning bij patiënten om PEM vast te stellen. Het gaat om metabole veranderingen (stofwisseling in de cel), vormveranderingen, immunologische veranderingen.
Twee jaar geleden is men gestart met longcovidpatiënten. Onlangs zijn daar de veelbelovende bevindingen van gepubliceerd. Het onderzoek wordt nu uitgebreid met ME/CVS-patiënten. De laatste patiënt is onlangs geïncludeerd.
NB: inactiviteit is niet de oorzaak van de klachten. Dat blijkt uit vergelijking met een groep niet long covid patiënten die twee maanden inactief waren.
Als laatste was er het verhaal van Laura de Vries Zij vertelde over haar ziekte vanuit patiëntenperspectief en als arts.
In haar opleiding had zij heel weinig over de ziekte gehoord. Toen zij zelf ziek werd, weigerde ze aanvankelijk te geloven dat dit de ziekte is waaraan ze lijdt.
Zij gebruikte de beeldspraak “leven op een weegschaal”; je moet voortdurend afwegen wat er wel en niet kan. Het was een indringend verhaal over verlies op alle vlakken.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-Kick-off-symposium-NMCB.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-01-21 18:12:172024-08-19 02:24:05Kick-off symposium NMCB – 19 januari 2024
2023 zal worden herinnerd als het jaar waarin artificiële intelligentie haar grote doorbraak maakte, maar wat bracht het voor het onderzoek naar ME/cvs? Nu het jaar zijn laatste hoofdstuk nadert, is het tijd om de meest interessante ME/cvs-onderzoeken van 2023 te beoordelen.
WASF3 en de spierbiopten van het NIH
We beginnen met de intrigerende bevindingen gepubliceerd door Paul Hwang, een NIH-onderzoeker die grotendeels per ongeluk op ME/cvs stuitte.
Hwang deed onderzoek naar een heel andere ziekte, een genetische kanker met de naam Li-Fraumenisyndroom (LFS). Zijn laboratorium had aangetoond dat de mitochondriën van LFS-patiënten te veel energie produceren die kankercellen in hun voordeel gebruiken om zich te vermenigvuldigen.
Een LFS-patiënte genaamd Amanda Twinam schreef Hwang vervolgens dat ze leed aan invaliderende chronische vermoeidheid die niet gemakkelijk paste in zijn beeld van overactieve mitochondriën. Haar symptomen leken op ME/cvs. Zoals Hwangs studie uitlegt: “Ze meldde krampen in de spieren van haar onderste ledematen, vergelijkbaar met krampen die geassocieerd worden met zware inspanning maar die in rust optreden, en inspanningsintolerantie die dagen nodig had om te herstellen na fysieke inspanning.” Amanda vroeg zich af of ze een ander type mutatie had die haar langdurige vermoeidheid zou kunnen verklaren.
Hwang was geïntrigeerd en besloot Amanda te vergelijken met haar mannelijke broer of zus die de LFS-mutatie had maar geen chronische vermoeidheid of inspanningsintolerantie. Tijdens een van de onderzoeken liet hij beide broers en zussen een eenvoudige voetoefening uitvoeren. Met magnetische resonantie-spectroscopie kon Hwang aantonen dat Amanda’s cellen leden onder een traag herstel van fosfocreatine na de inspanningstest. Fosfocreatine is een stof die een sleutelrol speelt bij het leveren van energie tijdens korte uitbarstingen van intense activiteit. De test suggereerde daarom dat er iets abnormaals was in de energievoorziening van Amanda’s spieren. Interessant is dat een aantal oude onderzoeken naar ME/cvs, die begin jaren negentig werden uitgevoerd, soortgelijke bevindingen rapporteerden. Zo werd de eerste link met ME/cvs gelegd.
Hwang zette zijn experimenten voort om uit te zoeken wat de afwijking in fosfocreatine in Amanda’s spiercellen zou kunnen hebben veroorzaakt. Uiteindelijk stuitte hij op een eiwit met de naam WASF3 (Wiskott-Aldrich syndrome protein family member 3) als mogelijke boosdoener. Amanda had veel meer van dit eiwit in haar cellen dan haar broer. Van WASF3 is bekend dat het een rol speelt bij verschillende celfuncties zoals de organisatie van het cytoskelet, maar Hwang vermoedde dat het ook de mitochondriale functie kan verstoren.
Hij bewees dit met twee opmerkelijke experimenten. Ten eerste blokkeerde hij de expressie van WASF3 in kweekcellen van Amanda en ontdekte dat dit de mitochondriale functie herstelde. Ten tweede ontwikkelde het team van Hwang laboratoriummuizen waarin WASF3 tot overexpressie werd gebracht en dit leidde tot een verminderde inspanningscapaciteit en een verstoorde mitochondriale functie. En er valt nog meer te zeggen over dit eiwit. Interessant is dat een meta-analyse uit 2011 WASF3 al had aangewezen als een topkandidaatgen geassocieerd met ME/cvs, waardoor een tweede verband met ME/cvs werd gelegd.
Het is echter de derde link die het meest interessant is. Hwang kwam in contact met de onderzoekers van het intramurale NIH-onderzoek naar ME/cvs. Ze stemden ermee in om samen te werken en WASF3 te testen in de spiermonsters die ze verzamelden. Hwang en collega’s ontdekten dat de WASF3-concentraties ongeveer 40% hoger waren bij de 14 ME/cvs-patiënten vergeleken met de 10 controles.
Omdat de steekproeven klein waren, moeten we deze bevinding niet overdrijven. Hwang waarschuwde ook dat hij niet gelooft dat WASF3 de hoofdoorzaak is van ME/cvs. Hij vermoedt dat het slechts “één van de factoren is die het energietekort in de spieren mediëren”. Hij wil dieper graven en heeft al een idee over wat de oorzaak zou kunnen zijn van WASF3 overexpressie: endoplasmatische reticulum (ER)-stress.
Het ER is een uitgebreid netwerk van membranen in de cel dat werkt als een drukke fabriek waarin eiwitten worden gemaakt, gevouwen en voorbereid op verschillende taken. Als die fabriek onder stress komt te staan, heeft hij de neiging om fouten te maken. Hwang denkt dat overexpressie van WASF3 één van deze fouten zou kunnen zijn. Zijn team is nu op zoek naar medicijnen die zowel ER-stress als WASF3-concentraties kunnen verminderen. Hopelijk horen we in 2024 meer over deze spannende onderzoekslijn.
Vragenlijststudies
De eerste resultaten van DecodeME
In 2023 verschenen ook de eerste resultaten van de DecodeME-studie, de grootste ME/cvs-studie die de wereld ooit heeft gezien. Deze eerste resultaten bevatten nog geen genetische analyses, maar zijn gebaseerd op rijke vragenlijstgegevens die deelnemers invulden toen ze aan de studie deelnamen. Omdat het onderzoek zo groot is – het bevat gegevens van meer dan 17.000 ME/cvs-patiënten! – is het de moeite waard om de bevindingen nader te bekijken.
Twee derde van de deelnemers meldde een infectieus begin en bij de meeste deelnemers ontstond de ziekte ergens tussen de 25 en 50 jaar. Vrouw zijn, ouder zijn en de ziekte langer dan 10 jaar hebben, werden allemaal geassocieerd met een grotere ernst van de ziekte.
Wat het meest opviel, was de sterke vrouwelijke overheersing: 83,5% van alle deelnemers was vrouw. Hoewel deze cijfers vertekend kunnen zijn door verschillende vooroordelen (vrouwen kunnen bijvoorbeeld meer kans hebben om de diagnose ME/cvs te krijgen dan mannen), is het heel opmerkelijk dat het verschil zo groot was. Er waren 5 keer zoveel vrouwelijke als mannelijke deelnemers. Ter vergelijking, een recente review over chronische vermoeidheid toonde een veel zwakker vrouwelijk overwicht, waar slechts 58% van de patiënten vrouw was. Het hoge aantal vrouwelijke ME/cvs-patiënten is ook gevonden in verschillende prevalentiestudies, dus het zou ons iets belangrijks kunnen vertellen over de pathologie van ME/cvs.
De belangrijkste beperking van de DecodeME is dat deelnemers zelf rapporteerden dat ze de diagnose ME/cvs hadden gekregen van een zorgverlener. Het onderzoek omvatte geen klinisch onderzoek zoals de meeste ME/cvs-diagnosecriteria vereisen. Dat was een bewuste keuze omdat het anders onmogelijk zou zijn geweest om de enorme steekproefgrootte te bereiken die nodig is voor een genoomwijde associatiestudie.
De nieuwe prevalentieschatting van de CDC
Twee andere onderzoeken gebruikten een vergelijkbare aanpak: omdat ze geen klinische bevestiging van ME/cvs-diagnoses vereisten, konden ze een enorm aantal deelnemers bereiken.
De eerste werd een paar weken geleden gepubliceerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) in de VS. Het bestaat uit een representatief gezinsonderzoek onder de Amerikaanse bevolking met meer dan 50.000 deelnemers. De vragen waren onder andere: “Heeft een arts of andere gezondheidswerker u ooit verteld dat u het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of Myalgische Encefalomyelitis (ME) had?” en “Heeft u nog steeds het Chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) of ME?”. 1,3 procent zei ja op beide vragen.
Deze schatting is vergelijkbaar met Canadese volkstellingsgegevens uit 2014, maar veel hoger dan wat prevalentiestudies van de CDC hadden gevonden. Deze oudere onderzoeken vereisten klinisch onderzoek en vonden dat slechts 0,2 tot 0,4 procent van de bevolking aan ME/cvs leed en dat de meerderheid van deze patiënten ongediagnosticeerd was.
Dit verschil is zo groot dat het nauwelijks verklaard kan worden door toegenomen erkenning van ME/cvs, veranderingen in diagnostische praktijken of de COVID-19-pandemie. Het lijkt waarschijnlijker dat er iets mis is gegaan met het onderzoek. We vermoeden dat verwarring rond de term ‘chronisch vermoeidheidssyndroom’ de resultaten van de vragenlijststudies kan hebben vertekend. Deelnemers met andere vermoeidheidsproblemen dan ME/cvs (burn-out, slaapstoornis, idiopathische vermoeidheid, etc.) zouden ‘ja’ hebben geantwoord op de vraag als hen verteld was dat ze CVS of ME hebben. De leeftijdsverdeling van de CDC-enquête wijst in de richting van die verklaring. Het laat zien dat de prevalentie van ME/cvs het hoogst was in de groep van 60-69 jaar, wat in tegenspraak is met eerdere epidemiologische studies.
Hopelijk zal verder onderzoek deze discrepantie ophelderen. Een interessant vervolgonderzoek zou zijn om te testen hoeveel van de 1,3 procent die geïdentificeerd werden in het onderzoek, voldoen aan de diagnostische criteria van ME/cvs na een volledig klinisch onderzoek.
De studie onder verpleegkundigen
In een andere grote studie, gepubliceerd in 2023, namen onderzoekers contact op met meer dan 40.000 verpleegkundigen voor een vragenlijst per e-mail. 102 (0,2%) van de verpleegkundigen voldeden aan de Fukuda-criteria voor ME/cvs, terwijl nog eens 522 (1,2%) chronische vermoeidheid hadden maar zonder bijkomende symptomen. Het meest interessante resultaat van deze studie was dat toenemende leeftijd, BMI, roken, alcoholgebruik, enz. allemaal significante voorspellers waren voor ernstige vermoeidheid, maar niet voor de ME/cvs-groep.
Naturalkillercellen
Twee studies uit 2023 waren belangrijk vanwege hun nulresultaten.
De eerste keek naar naturalkillercellen (NK-cellen) en hun vermogen om andere cellen te beschadigen en te vernietigen; hun zogenaamde ‘cytotoxiciteit’. In het verleden werd verminderde NK-cytotoxiciteit vaak beschouwd als een van de weinige objectieve afwijkingen op het gebied van ME/cvs. Het rapport uit 2015 van het Institute of Medicine over ME/cvs noemde het bijvoorbeeld “een van de meest consistente bevindingen bij proefpersonen met ME/cvs”. In recentere jaren zijn er echter een paar studies geweest die geen verminderde NK-celfunctie vonden bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. In 2023 werd er een grote gepubliceerd die ook geen verschil kon vinden.
Dit was de Multi-Site Clinical Assessment (MCAM)-studie georganiseerd door de CDC. Het idee achter de MCAM-studie was om deelnemers aan te melden bij meerdere deskundige ME/cvs-klinieken in de VS en hen te onderwerpen aan hetzelfde protocol van testen en metingen. Dit maakt grotere steekproeven en nauwkeurigere schattingen mogelijk. Een eerdere MCAM-publicatie was in staat om verschillende misvattingen over de resultaten van inspanningstesten bij ME/cvs weg te nemen (zie onze review uit 2022 voor een bespreking van deze bevindingen). De resultaten over NK-cytotoxiciteit zouden ook opmerkelijke resultaten opleveren.
174 ME/cvs-patiënten werden gerekruteerd in 5 gespecialiseerde klinieken: de Mount Sinai-kliniek van Benjamin Natelson in New York, het Institute for NeuroImmune Medicine van Nancy Klimas in Miami, het Bateman Horne Center van Lucinda Bateman in Utah, The Open Medicine Clinic van Richard Podell in Californië en Sierra Internal Medicine van Daniel Peterson in Incline Village, Nevada.
Toen de NK-celfunctie van patiënten werd vergeleken met die van gezonde controles, waren hun waarden bijna exact hetzelfde. De onderzoekers keken ook naar subgroepen zoals patiënten met ernstige ME/cvs of patiënten met een plotseling begin van ME/cvs, maar deze hadden ook normale NK-celcytotoxiciteit. Er was ook geen significante correlatie tussen NK-functie en verschillende symptoomvragenlijsten.
We weten niet of dit het laatste woord is in het verhaal over NK-celfunctie bij ME/cvs, maar het laat wel zien dat we er niet vanuit kunnen gaan dat dit een vaststaande bevinding is. Sommige studies, zoals die van de Griffith University in Australië, waren al gericht op het proberen te verklaren van abnormale NK-celfunctie bij ME/cvs. De MCAM-studie suggereert dat we een stap terug moeten doen en eerst moeten proberen een sterkere basis te leggen.
Het einde van de jacht op virussen?
Het andere belangrijke nulresultaat kwam van het team van Ian Lipkin van Columbia University. Lipkin is een van de meest gerenommeerde virusexperts ter wereld en wordt vaak geraadpleegd door overheden en media over dit onderwerp.
In zijn ME/cvs-studie uit 2023 stelde Lipkin een van de grondigste screenings op virusdeeltjes in de ME/cvs-historie samen. Zijn team gebruikte twee grote cohorten van meer dan 100 ME/cvs-patiënten om hun bloed, ontlasting en speeksel te bestuderen. Ze gebruikten verschillende complexe screeningsmethoden (MassTag PCR, VirCapSeq, Ion Torrent Proton platform screening, etc.) maar toch konden ze geen noemenswaardig verschil vinden tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles.
De enige uitzondering was een lagere prevalentie van anellovirussen bij patiënten in vergelijking met gezonde controles. Anellovirussen komen veel voor bij mensen en veroorzaken vaak geen symptomen. Lipkin en zijn team speculeren dat hun lagere prevalentie bij ME/cvs kan wijzen op een hyperimmuunstatus, maar het zou ook een gevolg kunnen zijn van antivirale geneesmiddelen, aangezien patiënten die antivirale middelen gebruikten niet werden uitgesloten in deze studie.
Lipkin en zijn team hebben niet getest op virussen in weefsel zoals spiermonsters. Maar zoals iemand ons opmerkte: “De vraag is wat deze virussen kunnen doen terwijl ze zich met zo’n lage frequentie vermenigvuldigen dat ze niet in het bloed worden gedetecteerd.” Lipkin en collega’s lijken te denken dat het tijd is om verder te gaan en schrijven: “Onze bevindingen suggereren dat toekomstige onderzoeken naar virale infecties bij ME/cvs zich moeten richten op adaptieve immuunreacties in plaats van surveillance voor virale genproducten.”
Fibronectine en de herpesvirussen
Maar er is meer te zeggen over virussen en ME/cvs. Een andere onderzoekslijn heeft zich gericht op de reactivering van gewone herpesvirussen en hoe deze de energieproductie en de immuunfunctie bij ME/cvs kunnen verstoren. Viroloog Bhupesh Prusty is een van de meest prominente voorstanders van deze visie en een expert op dit gebied. Zijn artikel over het humane herpesvirus 6A (HHV-6) van vorig jaar werd gepubliceerd in het prestigieuze tijdschrift Nature. Prusty vermoedt dat herpesvirussen zoals HHV-6 een belangrijke rol spelen in de pathologie van ME/cvs.
Zijn preprint uit 2023 levert verder bewijs voor deze hypothese. Net als eerdere papers van Prusty bestaat deze echter uit een reeks complexe experimenten die soms moeilijk te volgen zijn. We zullen proberen ze in twee delen op te splitsen.
Eerst keken Prusty en collega’s naar antilichamen tegen herpesvirus-dUTPases: enzymen die virussen maken wanneer ze zich voortplanten. ME/cvs- en longcovidpatiënten hadden meer antilichamen tegen deze enzymen van het Herpes-simplexvirus, HHV-6, en het Epstein-Barrvirus. In een ander experiment leverde Prusty bewijs dat deze dUTPase-enzymen de architectuur en functie van mitochondriën kunnen veranderen.
Ten tweede keken Prusty en zijn team nauwkeuriger naar de antilichamen van ME/cvs-patiënten en de eiwitten waarmee ze zich binden. ME/cvs-patiënten hadden de neiging om minder antilichamen te binden met het eiwit fibronectine (FN1) dan gezonde controles. Om dit verder te onderzoeken mat het team van Prusty de FN1-niveaus in het bloed en ontdekte dat deze hoger waren bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met controles. Tot zover wees het bewijs in de richting van iets interessants. Maar toen het lab van Prusty een grotere test van de antilichamen tegen FN1 opzette met behulp van ELISA-tests, was er helaas geen significant verschil meer tussen ME/cvs-patiënten en gezonde controles. Alleen in de subgroep van ernstige ME/cvs was er een afname van antilichamen tegen FN1. Voor longcovidpatiënten waren de resultaten complexer: de antilichamen tegen FN1 waren verminderd bij alle SARS-CoV-2-positieve patiënten, zelfs bij degenen zonder langdurige COVID, maar hoe symptomatischer de deelnemers waren, hoe lager hun waarden neigden te zijn.
Volgens Prusty en collega’s suggereren deze bevindingen dat FN-1 gebruikt kan worden als een “biomarker voor de ernst van zowel ME/cvs als langdurige COVID” met “een onmiddellijke implicatie in de diagnostiek en ontwikkeling van behandelingsmodaliteiten”. We denken niet dat het bewijs al sterk genoeg is om deze beweringen te ondersteunen. Niettemin zou een verband met FN-1 interessant zijn, aangezien het eiwit een rol speelt in verschillende cellulaire activiteiten, waaronder weefselherstel en celmigratie.
Ramanspectroscopie
Een andere paper die veel aandacht kreeg, werd gepubliceerd door het onderzoeksteam van Karl Morten van de Universiteit van Oxford. Zij gebruikten een nieuwe techniek genaamd ‘ramanspectroscopie’ waarbij licht op moleculen wordt geschenen om vervolgens de resulterende verstrooiing en breking van dat licht te meten. Door de chemische samenstelling heeft elk type molecuul een andere wisselwerking met het licht, waardoor er een uniek patroon ontstaat dat veel lijkt op een vingerafdruk. Door veranderingen in het verstrooide licht te analyseren, konden de onderzoekers in Oxford identificeren welke moleculen aanwezig waren in een enkele cel. Ze deden dit bij 61 deelnemers met ME/cvs, 21 met Multiple Sclerose (MS) en 16 gezonde controles.
Deze ramanspectroscopiemetingen leverden hen een schat aan gegevens op. Ze vonden onder andere een toename in tryptofaan en tyrosine, verhoogde glycerolspiegels, verlaagde cholesterolspiegels en verlaagde glycogeenniveaus. Om gebruik te maken van alle gegevens, gebruikten Morten en zijn team een algoritme met machine learning dat, na enige training, in staat was om onderscheid te maken tussen ME/cvs-patiënten, gezonde mensen en MS-patiënten met een hoge nauwkeurigheid van 91%. Bovendien was het in staat om milde, matige en ernstige ME/cvs-patiënten te onderscheiden met een nauwkeurigheid van 84%.
Dit zijn interessante bevindingen. Eén groot voorbehoud is echter dat een overvloed aan gegevens gemakkelijk valse verbanden kan creëren. Verdere tests zijn nodig om te zien of deze ‘ramanprofielen’ dezelfde nauwkeurigheid hebben in andere monsters. De Britse ME Association kondigde aan dat het verder werk van Morten en collega’s zal financieren om te zien of een celgebaseerde diagnostische test voor ME/cvs kan worden ontwikkeld met behulp van gegevens via ramanspectroscopie.
Provocatiestudies
Cognitieve testen na staan
Drie studies onderzochten ME/cvs-patiënten na een inspannings- of provocatietest in de hoop dat dit meer aanwijzingen zou geven over de onderliggende pathologieën van het syndroom.
De eerste studie werd uitgevoerd in het Bateman Horne Center en bestond uit een korte cognitieve test voor en na een orthostatische uitdaging. De cognitieve test werd uitgevoerd op smartphones van deelnemers en mat vooral reactietijd en aandacht. De orthostatische uitdaging was de leuntest waarbij deelnemers 10 minuten rechtop moesten staan. Voor het onderzoek werden 34 longcovidpatiënten, 140 ME/cvs-patiënten en 82 gezonde controles gerekruteerd.
De resultaten waren interessant. Terwijl de scores van de gezonde controles kort na de orthostatische uitdaging verbeterden, gingen die van de groepen met ME/cvs en langdurige COVID achteruit. De auteurs keken ook of er een correlatie was tussen hemodynamische variabelen zoals hartslag of polsdruk en cognitieve prestaties om te zien of het ene het andere kon verklaren, maar de relatie was gecompliceerd. Voor ME/cvs-patiënten die al meer dan 10 jaar ziek waren, was er bijvoorbeeld geen significante correlatie tussen hemodynamische veranderingen en cognitieve achteruitgang.
Van de darmen naar de bloedbaan
De tweede provocatiestudie kwam van Columbia University en richtte zich op de darmen. De onderzoekers gebruikten eerst een grote database van ME/cvs-stalen om hun hypothese van ‘microbiële translocatie’ te testen. Deze hypothese gaat ervan uit dat microben uit de darmen migreren naar de bloedbaan waar ze niet thuishoren en vervolgens worden aangevallen door het immuunsysteem.
De Columbia-onderzoekers vermoedden dat dit het geval zou kunnen zijn bij ME/cvs-patiënten en publiceerden verschillende bevindingen die dit ondersteunen. Ze vonden bijvoorbeeld verhoogde niveaus van vetzuurbindend eiwit 2 (FABP2), een marker van schade aan darmepitheelcellen, wat suggereert dat de darm minder goed in staat is om te voorkomen dat bacteriën in de bloedbaan terechtkomen. Vergeleken met gezonde controles hadden ME/cvs-patiënten ook hogere niveaus van antilichamen tegen eiwitten die gevonden worden in de staarten en buitenmembranen van bacteriën en meer antilichamen tegen voedingseiwitten, zoals gliadine (een bestanddeel van gluten) en caseïne (een melkeiwit).
Er was echter één ding dat niet klopte. De immuuncellen die bezig zouden moeten zijn met het opruimen van deze darmmicroben, LBP (lipopolysaccharidebindend eiwit) en sCD14 (soluble Cluster of Differentiation 14), waren niet verhoogd bij ME/cvs-patiënten. De onderzoekers vermoedden daarom dat er iets defect was in de immuunrespons van de patiënten.
Omdat lichaamsbeweging de darmslijmvliesbarrière bij gezonde volwassenen kan verstoren, dachten de onderzoekers dat ze een inspanningsuitdaging konden gebruiken om de immuunrespons van ME/cvs-patiënten te testen. Helaas was de studie slechts in staat om 9 ME/cvs-patiënten en 7 gezonde controles te rekruteren, en het aandeel vrouwen in de controlegroep was veel lager. De resultaten waren desalniettemin interessant.
Na de inspanningstest namen LBP en sCD14 toe in de controlegroep, maar niet of veel minder in de ME/cvs-groep. Aan de andere kant namen antilichamen tegen microbiële fragmenten toe na inspanning bij ME/cvs-patiënten, maar niet of veel minder in de controlegroep.
Het immuunsysteem van ME/cvs-patiënten bleek anders te werken. De acute immuunrespons ontbrak, terwijl de humorale immuunrespons (de respons die later komt en waarbij antilichamen betrokken zijn) harder werkte. De onderzoekers speculeren dat deze verhoogde antilichaamrespons een compensatiemechanisme zou kunnen zijn om de ontoereikende acute immuunrespons door LBP en sCD14 aan te pakken.
Urinemetaboloom
De derde provocatiestudie kwam van de Cornell University. De onderzoeksgroep van Maureen Hanson mat verschillende moleculen in urinemonsters voor en 24 uur na een cardiopulmonale inspanningstest (CPET). Slechts 10 ME/cvs-patiënten werden geïncludeerd in dit onderzoek, maar elk urinemonster werd gescreend op 1403 metabolieten, veel meer dan in eerdere onderzoeken.
Vóór de inspanning werden er geen significante verschillen gevonden tussen de controles en de ME/cvs-patiënten. Na de inspanning waren er echter vier verbindingen die significant van elkaar verschilden en die allemaal in lagere concentraties werden aangetroffen bij de ME/cvs-patiënten in vergelijking met de gezonde controles. Zoals de auteurs opmerken: “Onze meest onverwachte ontdekking is het gebrek aan veranderingen in het urinemetaboloom van ME/cvs-patiënten tijdens het herstel, terwijl significante veranderingen worden geïnduceerd bij controles na CPET, wat mogelijk het gebrek aan aanpassing aan een ernstige stress bij ME/cvs-patiënten aantoont.”
Endotheeldisfunctie
Endotheeldisfunctie en weefselhypoxie zijn naar voren gekomen als prominente theorieën in zowel ME/cvs als langdurige COVID. Het endotheel, dat zich aan de binnenkant van de bloedvaten bevindt, speelt een cruciale rol in het reguleren van de bloedstroom. Disfunctie van het endotheel kan daarom leiden tot onvoldoende zuurstoftoevoer naar spierweefsel, waardoor het vermogen om aan de energievraag te voldoen, wordt aangetast.
Een Noorse groep is al een paar jaar bezig met deze hypothese. In 2021 publiceerden ze bewijzen van endotheeldisfunctie bij ME/cvs-patiënten die deelnamen aan de studie met cyclofosfamide. Dit jaar konden ze deze bevindingen repliceren bij deelnemers aan de studie met rituximab.
De test ging als volgt. Eerst werd er een manchet rond de onderarm van de deelnemers geplaatst om de bloedstroom tijdelijk te blokkeren. Toen ze de manchet losmaakten om de bloedstroom te herstellen, maten de onderzoekers de diameter van de slagader en de verandering in de bloedstroom met behulp van ultrasone beeldvorming. Beide metingen waren verminderd bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles, wat objectief bewijs levert van endotheeldisfunctie.
Er was slechts één probleem. Deze afwijkingen correleerden niet goed met de metingen voor de ernst van de ziekte, zoals fysiek functioneren, of het aantal stappen dat patiënten zetten. Het blijft daarom onduidelijk of deze metingen van endotheelfunctie ook klinische waarde hebben bij ME/cvs.
MicroRNA’s
In 2023 vonden ook twee replicatiepogingen plaats in het onderzoek naar microRNA’s (miRNA’s); de kleine niet-coderende RNA’s die genexpressie reguleren.
Het Canadese onderzoeksteam van Alain Moreau testte 11 circulerende miRNA’s die in eerdere onderzoeken in verband werden gebracht met ME/cvs. 3 van deze miRNA’s waren significant hoger bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Moreau en zijn team testten de miRNA’s ook bij patiënten met fibromyalgie en ontdekten dat ze significant verlaagd waren in vergelijking met zowel ME/cvs-patiënten als gezonde controles. Deze tegengestelde resultaten voor ME/cvs (verhoogde waarden) en fibromyalgie (verlaagde waarden) zijn interessant, maar kunnen ook het resultaat zijn van verschillende steekproefmethoden: ME/cvs-patiënten werden rechtstreeks gerekruteerd voor het onderzoek, terwijl de fibromyalgiemonsters afkomstig waren van de CARTaGENE-biobank.
Een Italiaans-Litouwse studie testte ook 8 miRNA’s die in verband zijn gebracht met ME/cvs of met verschillende auto-immuunziekten. In hun cohort van 40 ME/cvs-patiënten waren 3 van de gemeten miRNA’s opwaarts gereguleerd in vergelijking met controles, wat eerdere gegevens bevestigt. Het grootste verschil werd gevonden voor miR-448, dat nog niet eerder was getest bij ME/cvs, maar verhoogd bleek te zijn bij auto-immuunziekten zoals reumatoïde artritis, Sjögren en Lupus.
Hersenscans
Er waren ook een paar beeldvormingsstudies bij ME/cvs in 2023.
De meest interessante kwam van het Australische team van Leighton Barnden van de Griffith University. Zij gebruikten een van de krachtigste MRI-scans ter wereld met een ultrahoge veldsterkte van 7 Tesla. Barnden en collega’s ontdekten dat het hersenstamgebied vergroot was bij zowel ME/cvs- als longcovidpatiënten met ongeveer 10 tot 20 procent in vergelijking met controles. Helaas was de steekproef klein: er werden slechts 10 ME/cvs-patiënten en 8 longcovidpatiënten onderzocht. Desalniettemin is dit een opwindend resultaat dat hopelijk in 2024 verder zal worden onderzocht.
Er waren ook twee beeldvormingsstudies van een andere Australische onderzoeksgroep die zich richtten op adolescenten met ME/cvs. Een van de studies zoomde in op de hypothalamus, terwijl de andere Diffusiegewogen MRI gebruikte, een techniek die diffusie van watermoleculen gebruikt om contrast te genereren in MR-beelden. Helaas vonden beide studies geen duidelijke afwijkingen.
Langdurige Covid en andere ziekten
Op het gebied van langdurige COVID rapporteerde een grote samenwerking van onderzoekers lagere serotonine bij patiënten in vergelijking met controles. De onderzoekers waren in staat om een muizenmodel te ontwikkelen dat vergelijkbaar verlaagde plasmaserotonineniveaus vertoonde toen de muizen werden geïnfecteerd door het vesiculaire stomatitisvirus. De auteurs merken ook op dat lagere serotoninespiegels zijn gevonden in andere gevallen van virale ontsteking, zoals infectie met het denguevirus. Ze vermoeden dat de uitputting van serotonine de activiteit van de nervus vagus verstoort en dat dit een verklaring zou kunnen zijn voor de cognitieve problemen van langdurige COVID-patiënten.
Het grootste deel van de circulerende serotonine wordt aangemaakt in de darmen, waar het wordt gesynthetiseerd uit tryptofaan dat we uit onze voeding halen. De onderzoekers konden aantonen dat de tryptofaanwaarden ook verlaagd waren bij langdurige COVID-patiënten.
De paper bestaat uit een indrukwekkende reeks experimenten, maar de verklaring lijkt bijna te simpel. Serotonine is een neurotransmitter waar veel onderzoek naar is gedaan en het zou nogal een verrassing zijn als niemand dit eerder heeft opgepikt. Eerdere ME/cvs-studies vonden geen verlaagde serotoninespiegels bij patiënten en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) hebben de ME/cvs-symptomen niet verbeterd. Iets soortgelijks kan gezegd worden over de verlaagde cortisolspiegels die gerapporteerd zijn bij langdurige COVID-patiënten: bij ME/cvs zijn de resultaten over cortisol op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Misschien zijn deze markers alleen abnormaal kort na de infectie die het syndroom veroorzaakt.
Dia uit de presentatie van Maureen Hanson op de conferentie van de NIH in 2023
In onderzoek naar fibromyalgie was er een degelijke studie naar naltrexone in lage dosis (LDN) dat helaas geen significant voordeel vond in het verlichten van de pijn. Dit is belangrijk omdat sommige artsen LDN voorschrijven aan ME/cvs-patiënten in de overtuiging dat is aangetoond dat het werkt bij fibromyalgie. De Open Medicine Foundation plant momenteel een gerandomiseerde studie naar LDN bij ME/cvs-patiënten die meer informatie zou kunnen geven over het nut ervan.
Ten slotte werd in een grote, gerandomiseerde studie, gepubliceerd in de Lancet, een lage dosis orale amitriptyline getest voor het prikkelbaredarmsyndroom (PDS, net als fibromyalgie een frequente comorbiditeit van ME/cvs). Het tricyclische antidepressivum had een gunstig effect op PDS-symptomen, maar helaas was het effect vrij klein.
Eervolle vermeldingen
We eindigen ons overzicht met twee eervolle vermeldingen.
Testen aan huis
De eerste studie implementeerde een testprotocol voor thuis om de fysiologische reacties op alledaagse activiteiten bij ME/cvs te meten. De kinesi/fysiotherapeuten van Physios for ME bezochten de huizen van 17 ME/cvs-patiënten met hun draagbare metabole testapparaten. Bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en melkzuur werden gemeten tijdens een reeks alledaagse houdingen en activiteiten. Voorbeelden waren 5 minuten zitten, ontbijt klaarmaken, jezelf wassen, naar boven lopen, etc. De onderzoekers ontdekten dat ME/cvs-patiënten vaak hun anaerobe drempel overschreden tijdens deze alledaagse activiteiten.
Hoewel dit slechts een haalbaarheidsstudie is, zou het een nieuw kader kunnen bieden voor het testen van ME/cvs-patiënten tijdens PEM. Huidige studies richten zich vaak op korte en intensieve inspanningen zoals een fietstest om PEM uit te lokken, wat kan leiden tot misleidende resultaten. Sommige ME/cvs-patiënten hebben bijvoorbeeld aangegeven dat de reis naar de dokter al PEM veroorzaakte voordat ze op de hometrainer zaten. Het meten van fysiologische reacties bij patiënten thuis na alledaagse activiteiten kan leiden tot een nauwkeurigere beoordeling van PEM.
De FUNCAP-vragenlijst
De andere eervolle vermelding is de FUNCAP-vragenlijst, ontwikkeld door Kristian Sommerfelt en Trude Schei van de Noorse ME-Vereniging. Het bestaat uit 55 vragen om de functionele capaciteit van ME/cvs-patiënten te beoordelen, bijvoorbeeld voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of verzekeringsdoeleinden. Er wordt gevraagd naar verschillende dagelijkse taken zoals ‘staand douchen’, ‘ongeveer 5 minuten een gesprek voeren’, ‘boodschappen doen in de winkel’, ‘gebruik maken van openbaar vervoer’ enz. Er is ook een kortere versie met 27 vragen voor internationaal onderzoek. Beide versies zijn hier gratis verkrijgbaar (zie het aanvullend materiaal).
Het mooie van FUNCAP is dat het ontwikkeld is in nauw overleg met patiënten (er waren meerdere enquêterondes waar respondenten feedback konden geven) en dat het rekening houdt met PEM. Andere functionele beoordelingen presenteren meestal een lijst van activiteiten of taken en verwachten een ja of nee-antwoord: kunt u dit of niet? Voor ME/cvs-patiënten is het juiste antwoord vaak complexer. Ze kunnen zichzelf misschien overbelasten en de activiteit één keer doen, maar worden dan zieker, waardoor ze gedwongen worden hun andere activiteiten te verminderen. FUNCAP geeft je daarom 7 opties. Voor elke voorgestelde activiteit kun je antwoorden:
0: Ik kan dit niet doen.
1: Mijn capaciteit zal gedurende minstens drie dagen ernstig verminderd zijn.
2: Ik kan weinig anders doen op dezelfde dag en gedurende één of twee dagen erna.
3: Ik kan dezelfde dag weinig anders doen.
4: Ik moet andere activiteiten op dezelfde dag beperken.
5: Dit heeft zelden invloed op andere activiteiten.
6: Niet problematisch – heeft geen invloed op andere activiteiten.
Hopelijk wordt deze FUNCAP-vragenlijst verder getest en gebruikt door ME/cvs-onderzoekers.
Dat was het! Als u een belangrijke ME/cvs-studie hebt gemist die we hebben vergeten in ons overzicht, kunt u deze in de commentaarsectie hieronder plaatsen.
Grote dank aan iedereen op het Science for ME-forum wiens doordachte discussies en gedetailleerde analyses van papers ons enorm hebben geholpen bij het maken van dit jaarlijkse overzicht.
Fijne feestdagen en een geweldig 2024 voor iedereen!
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Terugblik-op-het-onderzoek-naar-ME_cvs-in-2023.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-01-08 10:54:152024-09-03 21:12:032023: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek
Op de website van ZonMw staat sinds vandaag een update over het onderzoeksprogramma ME/CVS.
Daar leest u onder andere meer over de start van de eerste door ZonMw gefinancierde onderzoeken naar ME/CVS, de ontwikkelingen op het gebied van patiëntparticipatie en de start van Sjaak de Gouw als programmacommissievoorzitter.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-Update-ZonMw-over-onderzoeksprogramma-1.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-09-29 14:21:452024-08-19 01:55:49Update ZonMw onderzoeksprogramma ME/CVS
Haar slaapkamer is zo donker dat haar gezicht nauwelijks te onderscheiden is. Het loopt tegen drieën in de middag, maar Céline Corsius ligt al de hele dag onder de dekens. Gisteren ook. En eergisteren, vorige week, vorige maand, vorig jaar. Ze ligt eigenlijk al jaren op bed, bijna 24 uur per dag, op de bovenverdieping bij haar ouders thuis in Etten-Leur.
Ze is moe, ja, dat zeker. Maar niet omdat ze hard heeft gewerkt of een nachtje heeft doorgehaald in het café. Was dat maar waar. Céline heeft een ziekte die al jaren bestaat, maar waarover nog bar weinig bekend is. Laat staan dat er een behandeling tegen is. Myalgische encefalomyelitis. Of, in de volksmond, ME.
“Haar slaapkamer is zo donker dat haar gezicht nauwelijks te onderscheiden is. Het loopt tegen drieën in de middag, maar Céline Corsius ligt al de hele dag onder de dekens. Gisteren ook. En eergisteren, vorige week, vorige maand, vorig jaar. Ze ligt eigenlijk al jaren op bed, bijna 24 uur per dag, op de bovenverdieping bij haar ouders thuis in Etten-Leur.”
“Vanuit de klakkeloos ingenomen psychosomatische visie en het gelijkschakelen van ME met CVS, werd ik jarenlang geïndoctrineerd met hun rotsvaste overtuigingen: ik was niet ziek, ik moest gewoon wat meer mijn best doen…”
“Voor Céline komen deze onderzoeken evenwel te laat. Na zeven jaar vrijwel onafgebroken op bed te hebben gelegen, is voor haar de koek op. ‘Ik heb de hoop opgegeven en heb euthanasie aangevraagd’, zegt ze. ‘Het duurt gewoon te lang. Ik ga steeds verder achteruit. Ik ben moe en op.’
Ze is bepaald niet lichtvaardig tot haar ingrijpende besluit gekomen. ‘Ik heb eigenlijk altijd gedacht: ik kan het mijn ouders niet aandoen. Maar mijn ouders zeggen nu dat ze het mij niet kunnen aandoen om te moeten blijven leven voor hen.’”
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-Argos-artikel-ME-patient-Celine-Corsius_-Deze-ziekte-sloopt-je.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-09-02 14:56:382024-08-19 02:29:12ME-patiënt Céline Corsius: ‘Deze ziekte sloopt je’
update 23 juni 2023: WOO-verzoek ME/cvs Vereniging
Gisteren is er een gesprek gevoerd met vertegenwoordigers van #ZonMw met hun advocaten.
Naast het WOO-verzoek hebben wij gelijk gebruik gemaakt om de grootste zorgen van ME/cvs patiënten toe te lichten.
Het gesprek was constructief en wij roepen #ZonMw op tot een nadere dialoog om tot passende oplossingen te komen. De tijd is nu voor de daadkracht en het moet niet blijven bij mooie woorden en beste intenties. Dit is in het belang van de ME/cvs gemeenschap!
We zijn verheugd te kunnen melden dat de Open Medicine Foundation (OMF) een nieuwe tool heeft gelanceerd genaamd “OMF’s StudyME”, mogelijk gemaakt door het ongelooflijke StudyPages platform, om het makkelijker te maken voor patiënten en onderzoekers om met elkaar in contact te komen. OMF’s StudyME is een deelnemersregister speciaal voor mensen met ME/cvs, Long COVID, Fibromyalgie en andere post-infectiesyndromen en gezonde vrijwilligers die willen deelnemen aan onderzoek.
OMF’s StudyME functioneert als een telefoonboek of “register” waar personen hun contactinformatie kunnen opgeven en hun interesse in deelname aan onderzoek kenbaar kunnen maken. Je persoonlijke gegevens blijven vertrouwelijk en worden nooit gedeeld.
OMF streeft ernaar het proces om onderzoekers in contact te brengen met patiënten zoals jij te vereenvoudigen. Door de deelname aan onderzoeken te vergroten, willen we de tijd die nodig is om onderzoeken af te ronden en bevindingen te delen versnellen, wat uiteindelijk zal leiden tot de identificatie van biomarkers en behandelingen voor deze ziekten. Bovendien kunnen we met een aanzienlijk aantal aanmeldingen mogelijk meer overheidsfinanciering voor onderzoek op deze gebieden stimuleren als ze zien hoeveel mensen op een genezende behandeling wachten!
Na registratie ontvang je af en toe e-mails van OMF’s StudyME met onderzoeksmogelijkheden die aansluiten bij jouw interesses. Als je een mogelijkheid vindt die bij je past, kun je contact opnemen met de onderzoeker voor meer informatie. Bovendien zoeken we niet alleen patiënten om te registreren, maar ook gezonde vrijwilligers. Veel onderzoeken moeten patiënten vergelijken met “gezonde controles”. Daarom moedigen wij je aan je vrienden en familie uit te nodigen zich ook in te schrijven voor OMF StudyME.
Ons doel is om 100.000 aanmeldingen voor OMF’s StudyME te verzamelen, waardoor het het meest uitgebreide register ter wereld wordt van personen met ME/cvs, Long COVID, Fibromyalgie en post-infectieziekten. Door een aanzienlijk aantal ME/cvs patiënten en gezonde vrijwilligers samen te brengen, hopen we de snelheid en kwaliteit van het onderzoek te versnellen, wat ons uiteindelijk een stap dichter bij het vinden van een remedie brengt.
Als je klaar bent om je aan te melden voor OMF’s StudyME, klik dan op de onderstaande link om je te registreren. Het duurt slechts 5 minuten.
Je kunt ook rechtstreeks contact met ons opnemen als je vragen heeft over StudyME. We zijn te bereiken op [email protected]. Bedankt voor het mogelijk maken van dit alles. Met je hulp kunnen we samen een remedie vinden.
Met dank,
Linda Tannenbaum OMF Oprichter & CEO/President
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-OMfs-StudyME-brengt-onderzoekers-en-patienten-in-contact.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-05-05 22:21:402024-08-19 18:18:49OMF’s StudyME brengt onderzoekers en patiënten in contact
Perspectief voor ME/CVS-patiënten. Eerste ME/CVS-onderzoeksprojecten kunnen van start gaan.
Vandaag heeft ZonMw bekend gemaakt dat twee consortia met tien onderzoeksprojecten in totaal 11,6 miljoen euro subsidie zullen krijgen voor onderzoek naar ME/CVS. Daardoor kan in ons land nu een structurele start gemaakt worden met biomedisch onderzoek naar deze ingrijpende ziekte. Onderzoekers staan in de startblokken. Dit is een belangrijke mijlpaal voor de ME-patiënten in Nederland. Eindelijk is er nu perspectief op de totstandkoming van een Nederlands netwerk van ME/CVS-onderzoekers, die biomedisch onderzoek doen en met hun onderzoek aansluiten bij belangrijke internationale wetenschappelijke ontwikkelingen. Op termijn moet dit leiden tot betere diagnostiek en behandeling. Ook is nu meer bekendheid van de ziekte te verwachten bij artsen en een breder publiek.
Eerste subsidieronde
Het is voor een belangrijk deel te danken aan patiënten en patiëntenorganisaties dat de overheid in totaal 28,5 miljoen euro beschikbaar stelt voor een tienjarig onderzoeksprogramma ME/CVS. Na het burgerinitiatief ‘Erken ME’ hebben patiëntenvertegenwoordigers een belangrijke bijdrage geleverd aan het advies ME/CVS van de Gezondheidsraad (2018). Ook de onderzoeksagenda ME/CVS (2020) en het onderzoeksprogramma ME/CVS (2021) van ZonMw zijn tot stand gekomen met de actieve bijdrage van patiëntenvertegenwoordigers. ZonMw heeft de subsidies toegekend in het kader van de eerste subsidieronde van dit programma. Na opening van de eerste subsidieronde zijn de ME/cvs Vereniging en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid betrokken geweest bij het uitwerken van meerdere onderzoeksplannen, die nu dus voor een deel zijn gehonoreerd.
Consortium, biobank en dataregistratie NMCB
We hebben een actieve inbreng geleverd bij de voorbereiding van het consortium (samenwerkingsverband) NMCB (Nederlands ME/CVS Cohort en Biobank). Dat was een intensief proces. We hebben erop aangedrongen dat goede actuele wetenschappelijke definities van ME/CVS worden gebruikt, dus geen ‘chronische vermoeidheid’, geen Oxford-definitie, geen Fukuda-definitie waarin PEM als verplicht criterium ontbreekt, wel de Canadese consensuscriteria (CCC) en de internationale consensuscriteria (ICC)*. Voor meer wetenschappelijke kennis over en goed onderzoek naar ME/CVS is dat essentieel. We hebben ons er ook sterk voor gemaakt dat de materialen en gegevens in de NMCB biobank en dataregistratie die in de onderzoeken gebruikt gaan worden afkomstig zijn van patiënten die zo zorgvuldig mogelijk zijn geselecteerd. Daarvoor is alleen het invullen van een vragenlijst niet voldoende, maar zijn clinici met veel ME/CVS-ervaring onmisbaar. Ook ernstig en zeer ernstig zieke patiënten moeten aan het onderzoek deel kunnen nemen. Dit alles is onderdeel van de plannen en we blijven ons er bij de uitvoering voor inzetten.
Onderzoeksprojecten
Ook waren we betrokken bij de voorbereiding van een aantal onderzoeksprojecten binnen het NMCB-consortium:
onderzoek naar auto-immuniteit als mogelijk oorzaak van ME/CVS;
een onderzoek welke veranderingen in de stofwisseling van afweercellen de oorzaak kunnen zijn van ME/CVS;
een onderzoek naar zogenaamde ‘immuunhandtekeningen’ voor ME/CVS in het bloed.
Daarbij hebben we met de onderzoekers uitvoerig van gedachten gewisseld over de doelen van het onderzoek, over wat het voor ME/CVS-patiënten zou moeten opleveren en over de onderzoeksopzet. Daarnaast zijn we bij de drie andere gehonoreerde projecten van de NMCB betrokken geweest, maar minder intensief.
Tevreden én kritisch
We zijn tevreden met de honorering van de aanvragen van het consortium NMCB. We zijn verbaasd en bezorgd over de honorering van de aanvraag voor een tweede biobank, van het consortium ME/CFS Lines. Verbaasd omdat in de onderzoeksagenda en het onderzoeksprogramma sprake is van één biobank en dataregistratie. Bezorgd, omdat we veel vragen hebben bij de methode van deze tweede biobank/dataregistratie om patiënten daarvoor te selecteren, waarbij voldoende klinische ervaring met ME/CVS-patiënten lijkt te ontbreken. Dit kan ernstig afbreuk doen aan de kwaliteit van de onderzoeken van ME/CFS Lines. Wij zijn bij de voorbereiding van dit tweede consortium niet betrokken geweest en hebben, ondanks onze vragen, te weinig informatie ontvangen om de deelonderzoeken binnen dit consortium te kunnen beoordelen. De ME/cvs Vereniging heeft bij ZonMw een WOO-verzoek (Wet Open Overheid) ingediend om hier meer duidelijkheid over te krijgen.
Invloed van patiëntenvertegenwoordigers
In de loop van de jaren hebben onze organisaties veel kennis en inzichten opgedaan en contacten gelegd met internationale ME/CVS-onderzoekers en onderzoeksnetwerken. Daar hebben we in de gesprekken over de NMCB biobank en de onderzoeksprojecten goed gebruik van gemaakt. Onze inhoudelijke inbreng werd zeer op prijs gesteld en heeft bijgedragen aan een scherpere focus in de onderzoeksplannen.
Naast de betrokkenheid bij de aanvragen hebben de vier patiëntengroepen ieder een kandidaat voorgedragen die op persoonlijke titel door ZonMw is benoemd in een klankbordgroep. De ME/cvs Vereniging heeft Lou Corsius voorgedragen en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Ynske Jansen. Twee leden van de klankbordgroep zijn benoemd in de programmacommissie die de aanvragen voor ZonMw beoordeelde. Uiteraard vertegenwoordigden de twee leden van de klankbordgroep in de programmacommissie de voltallige klankbordgroep. Om belangenverstrengeling te voorkomen zijn deze vier patiëntenvertegenwoordigers door ons niet betrokken bij de voorbereiding van de aanvragen. We betreuren het dan ook zeer dat deze patiëntenvertegenwoordigers, vanwege een ‘schijn van vooringenomenheid’, van ZonMw niet mochten oordelen over de subsidieaanvragen, maar alleen mochten adviseren. Zie: https://www.zonmw.nl/nl/actueel/nieuws/detail/item/aanpassingen-in-beoordelingsproces-1e-subsidieronde-mecvs/.
Door het stemrecht in de programmacommissie te vervangen door een adviesrecht is de rol van de patiëntenvertegenwoordigers veel beperkter geweest dan oorspronkelijk was bedoeld. Een van hen, Lou Corsius, heeft inmiddels zijn vertrouwen in ZonMw opgezegd en is opgestapt uit de klankbordgroep. Wij betreuren dat het zover is gekomen.
Ook zijn wij niet tevreden over de geringe rol die ZonMw ons als patiëntenorganisaties toebedeelde. We hebben weinig informatie gekregen en zijn op programmaniveau amper betrokken geweest.
Het proces van deze eerste subsidieronde van ZonMw was lang en ingewikkeld. Naar aanleiding van de evaluatiegesprekken met ZonMw willen we met ZonMw afspraken maken ter verbetering van de rol van de patiëntenvertegenwoordigers in de klankbordgroep en programmacommissie en van de betrokkenheid van de patiëntenorganisaties. Daarbij gaat het om de uitvoering van het programma, de inhoud van volgende subsidieoproepen en de beoordeling van de komende subsidieaanvragen.
Meedoen
We kijken uit naar de start van het biomedische onderzoek. We zullen kritisch blijven participeren in de uitvoering.
Patiënten die hun bloed of andere materialen en gegevens ter beschikking willen stellen voor de Nederlandse ME/CVS Biobank en dataregistratie en mee willen doen aan een of meer onderzoeken kunnen zich bij ons melden via deze link:
Patiënten die samen met ons en onderzoekers actief betrokken willen zijn bij begeleiding of uitvoering van onderzoek of mee willen denken over vervolgaanvragen kunnen zich via e-mail bij ons melden: [email protected] of [email protected]
ME/cvs Vereniging Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid
*Zie het advies ME/CVS van de Gezondheidsraad voor een overzicht van de verschillende definities:
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-04-25 09:22:002024-08-24 16:54:28Perspectief voor patiënten – 1e ME/CVS onderzoeken van start
Al tientallen jaren hebben mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) wereldwijd te maken met medische instellingen die vasthouden aan onjuiste wetenschappelijke dogma’s over hun ziekte. Daarnaast is er een schrijnend gebrek aan financiering voor biomedisch onderzoek naar de ziekte.
Gelukkig is er een groeiende groep ruimdenkende wetenschappers die het dogma in twijfel trekt en onderzoek doet om de oorzaken te vinden, een betrouwbare Biomarker te ontdekken en effectieve behandelingen te ontwikkelen.
Een van die wetenschappers is Dr. Carmen Scheibenbogen. Dr. Scheibenbogen is hoogleraar klinische immunologie aan het Charité universitair ziekenhuis in Berlijn. Zij is ook lid van de Biomarkers Working Group van EUROMENE, een Europese non-profit organisatie die zich inzet voor onderzoek naar ME/cvs.
Wij spraken met Dr. Scheibenbogen om meer te weten te komen over haar onderzoek en over mogelijke nieuwe diagnoses en behandelingen.
De oorspronkelijke bevindingen
In 2015 publiceerden Dr. Scheibenbogen en collega’s een inmiddels klassiek geworden artikel waarin werd gemeld dat zij bij 29,5% van de ME/cvs-patiënten verhoogde niveaus van bepaalde antilichamen aantroffen ten opzichte van de niveaus bij gezonde mensen.
Deze antilichamen, die van nature in lage concentraties voorkomen, worden aangetrokken door receptoren op autonome zenuwcellen. Omdat deze antilichamen worden aangetrokken door gewone zenuwcelreceptoren, in plaats van door een infectie, worden deze antilichamen auto-antilichamen genoemd.
Dr. Scheibenbogen werkte samen met een bedrijf genaamd CellTrend aan de verfijning van een diagnostische test die verhoogde niveaus van dergelijke antilichamen kan vaststellen.
In een publicatie uit 2021 gebruikten Dr. Scheibenbogen en collega’s de CellTrend test om naar een verband tussen de niveaus van deze antilichamen en de symptomen van ME/cvs te zoeken. Zij vonden dat niveaus van sommige antilichamen samenhingen met vermoeidheid en spierpijn bij patiënten met een door infectie getriggerd begin, maar niet bij patiënten zonder een door infectie getriggerd begin.
Een mogelijke behandeling?
Wat gebeurt er bij patiënten met verhoogde niveaus van deze antilichamen als je deze niveaus probeert te verlagen? Om daar achter te komen voerden Dr. Scheibenbogen en collega’s een kleine proefstudie uit bij 10 patiënten met verhoogde niveaus van antilichamen die worden aangetrokken door een specifieke receptor op autonome zenuwcellen.
In deze studie gebruikten zij een proces, dat immunoadsorptie wordt genoemd, om het totale niveau van alle antilichamen bij deze patiënten tijdelijk te verlagen.
De immunoadsorptie verminderde bij negen van de tien patiënten aanzienlijk het niveau van antilichamen die werden aangetrokken door de specifieke receptor.
Na de immunoadsorptie werd het totale niveau van antilichamen bij de studie-patiënten weer op een normaal niveau gebracht door de patiënten een dosis nieuwe antilichamen toe te dienen via een intraveneuze immunoglobulinetransfusie (IVIG).
Negen van de tien patiënten vertoonden vóór de IVIG-transfusie een significant verlaagd niveau van antilichamen tegen de specifieke receptor. Zeven van de negen patiënten meldden een verbetering van de symptomen na de IVIG-transfusie. Drie van die zeven patiënten meldden dat hun verbetering ten minste een jaar aanhield, maar de rest herviel allemaal binnen een jaar.
In een vervolgonderzoek werden vijf van de patiënten uit de oorspronkelijke proefstudie – die verbetering van de symptomen hadden gemeld, maar vervolgens terugvielen – ongeveer twee jaar later opnieuw behandeld met een licht gewijzigd behandelingsschema. Vier van de vijf patiënten meldden opnieuw verbetering van de symptomen, maar één niet. De verbetering van de symptomen duurde ongeveer 6-12 maanden.
Waar ontstaat auto-immuniteit?
Antilichamen worden door het immuunsysteem aangemaakt om specifiek te reageren op infecties. Als iemand verhoogde niveaus van antilichamen heeft die zich richten op gewone zenuwcelreceptoren, in plaats van op een infectie, is dat een vorm van auto-immuniteit.
Maar hoe kan een dergelijke auto-immuniteit überhaupt ontstaan? Waardoor kan het aantal antilichamen hoger worden dan bij een gezond persoon?
Immunologen hebben een paar verschillende mogelijkheden voor dit type auto-immuniteit ontdekt. Van deze mogelijkheden worden twee scenario’s het meest waarschijnlijk geacht: epitoopverspreiding en moleculaire nabootsing. Beide scenario’s worden in gang gezet door een infectie.
Infectie van een zenuwcel trekt antilichamen aan en leidt tot ontsteking. Gemaakt met biorender.com voor Phoenix Rising
Een infectie leidt er doorgaans toe dat het immuunsysteem antilichamen aanmaakt die specifiek gericht zijn tegen de infectie, wat leidt tot een ontsteking rond de infectie.
Tijdens dit proces kunnen sommige geïnfecteerde cellen openbreken, waardoor hun inhoud vrijkomt. Bovendien kan de ontsteking bijkomende schade veroorzaken aan de omliggende cellen, die ook openbreken en hun inhoud vrijgeven.
Bij epitoopverspreiding leidt deze ontsteking tot de ontwikkeling van antilichamen die worden aangetrokken door gewone menselijke moleculen in de buurt van de infectie, in plaats van aangetrokken door de infectie zelf.
Als er al een laag niveau van dergelijke antilichamen is, kan epitoopverspreiding een versterking van deze antilichamen veroorzaken – zodat deze antilichamen ofwel in aantal toenemen ofwel sterker worden aangetrokken door het gewone menselijke molecuul.
Bijvoorbeeld, een infectie in de buurt van (of zelfs in) een autonome zenuwcel zou antilichamen genereren die specifiek worden aangetrokken door de infectie. Maar de ontsteking rond de infectie zou de autonome zenuwcel kunnen opslokken – mogelijk leidend tot een verhoogd niveau van antilichamen die worden aangetrokken door reguliere receptoren op de zenuwcel.
Bij moleculaire nabootsing leidt een infectie ertoe dat het immuunsysteem antilichamen ontwikkelt die zijn ontworpen om te worden aangetrokken door de infectie, maar die toevallig ook worden aangetrokken door wat normaal menselijk weefsel.
In dit geval zijn de antilichamen zo ontworpen dat zij worden aangetrokken door een specifieke molecule van de infectie. De vorm van deze specifieke molecule lijkt echter toevallig op de vorm van een andere molecule die in normaal menselijk weefsel voorkomt.
Omdat de vormen van de twee moleculen toevallig zo op elkaar lijken, kunnen antilichamen geen onderscheid maken tussen de twee moleculen en worden zij tot beide aangetrokken.
Een virus kan bijvoorbeeld een specifiek molecuul hebben dat toevallig dezelfde vorm heeft als een gewone zenuwcelreceptor. Wanneer een persoon met het virus wordt besmet, zullen bestaande antilichamen die worden aangetrokken door gewone zenuwcelreceptoren ook door het virus worden aangetrokken. Het immuunsysteem zal dan proberen het virus te bestrijden door meer van deze antilichamen te maken – wat leidt tot een verhoogd niveau van antilichamen die worden aangetrokken door reguliere receptoren op zenuwcellen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-wetenschap-inzichten-in-auto-immuniteit-bij-ME_cvs.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-02-26 21:17:552025-06-17 15:43:02Inzichten in auto-immuniteit bij ME/cvs
Is er verschil in risicofactoren die ME/cvs onderscheiden van ernstige vermoeidheid? Of is ME/cvs een ernstiger vorm van ernstige vermoeidheid?
Er werd een studie gedaan door o.a. Komaroff naar risicofactoren om later ernstige vermoeidheid te hebben en deze werden vergeleken met risicofactoren om ME/cvs te krijgen.
Om te bepalen of ME/cvs “slechts een extremere vorm van vermoeidheid is of een kwalitatief verschillende aandoening”, zochten de onderzoekers naar risicofactoren voor ME/cvs en voor Ernstige Vermoeidheid (gebruikmakend van de CDC criteria).
Bij de studie werd gebruik gemaakt van de bestaande database met antwoorden van 41.802 vrouwelijke verpleegkundigen uit de VS. Van deze groep was gedetailleerde medische en leefstijl informatie verzameld in een database, met tweejaarlijkse vragenlijsten sinds 1989 en de studie duurde 20 jaar, tot 2009.
Deze groep werd uitvoerig bevraagd over leefstijl, dieet, medicatiegebruik, ziekten en medische aandoeningen.
In 2009 kreeg deze groep nogmaals een vragenlijst met daarin vragen specifiek over vermoeidheid, die relevant zijn voor de CDC criteria uit 1994 (Fukuda) voor ME/CVS of voor ernstige vermoeidheid, waaronder de datum waarop de klachten begonnen en of en wanneer de deelnemer ooit de diagnose ME/cvs had gekregen van een arts.
Ook werden er vragen gesteld over een aantal risicofactoren.
102 uit deze groep voldeden aan de criteria voor ME/cvs 522 aan ernstige vermoeidheid 41.178 geen significante chronische vermoeidheid
Resultaten van het onderzoek
1. Ouder worden hield sterk verband met risico op ernstige vermoeidheid, maar niet met het risico op ME/cvs
2. De BMI van beide groepen was vergelijkbaar, zowel op 18-jarige leeftijd als in de volwassenheid. Er was een sterk verband tussen een BMI groter of gelijk aan 25 en ernstige vermoeidheid. Er was echter geen verband met ME/cvs.
3. Een sterk verband werd gevonden tussen roken en ernstige vermoeidheid, maar er bestond geen verband met ME/cvs.
4. Matig gebruik van cafeïne werd in verband gebracht met een afname van het risico op ernstige vermoeidheid, maar gebruik van cafeïne hield geen verband met ME/cvs.
5. Mensen bij wie het gebruik van alcohol sterk was toegenomen liepen een hoger risico op ernstige vermoeidheid, maar niet een groter risico op ME/cvs.
6. Het ondergaan van hormoontherapie (aangepast voor menopause status) werd in verband gebracht met ernstige vermoeidheid, maar hield geen verband met ME/cvs.
7. Degenen die rapporteerden dat zij de diagnose infectueuze mononucleose hadden gekregen (d.w.z. de ziekte van Pfeiffer of Klierkoorts, doorgaans veroorzaakt door het Epstein-Barr virus (EBV), liepen een verhoogd risico op zowel ernstige vermoeidheid als ME/cvs. Er werden echter methodologische beperkingen vastgesteld. De onderzoekers stelden echter dat “een verleden met vaker voorkomende infectieziekten wordt gerapporteerd als risicofactor voor ME/cvs na mononucleose. Bepaalde symptomen tijdens acute mononucleose lijken ook risicofactoren te zijn, waaronder ernstiger vermoeidheid en gastrointestinale (maag/darm) en andere symptomen.”
Samenvattend vond het onderzoek “… dat ME/cvs en ernstige vermoeidheid verschillende risicofactoren hadden. Dit suggereerde dat de biologische wortels van ME/cvs verschillend kunnen zijn van die van de vaker voorkomende toestand van ernstige vermoeidheid. Evenals voorgaande onderzoekers hebben we ook een verhoogd risico gevonden op ME/cvs bij mensen met een historie van infectieuze mononucleose.”
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-wetenschap-risicofactoren-onderscheiden-ME_cvs-van-ernstige-vermoeidheid.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-02-18 21:06:152024-08-18 21:13:23Risicofactoren ME en ernstige vermoeidheid
ZonMw heeft besloten om het budget dat kan worden besteed in de eerste subsidieronde van het onderzoeksprogramma ME/CVS, te verhogen. De verhoging zorgt ervoor dat er meer onderzoek naar ME/CVS gefinancierd kan worden. Het doel van de subsidieoproep is het neerzetten van een stevige onderzoeksinfrastructuur voor ME/CVS. Het ophogen van het budget helpt bij het behalen van dit doel.
Het totaal te besteden bedrag voor de subsidieoproep wordt 11,6 miljoen euro, dat is een verhoging van 1,6 miljoen euro. De ophoging van het budget binnen deze ronde betekent dat er in toekomstige rondes minder geld kan worden uitgegeven. We weten op dit moment nog niet voor welke toekomstige rondes dit gevolgen zal hebben. De ophoging gaat in ieder geval niet ten koste van het budget voor praktijkonderzoek.
Op dit moment kunnen we niets delen over welke projecten financiering krijgen vanuit de eerste subsidieronde. Uiterlijk in april 2023 wordt de uitslag van de ronde openbaar gemaakt. Hierover wordt gecommuniceerd op de ZonMw-website en in de ZonMw-nieuwsbrief.
Voor meer informatie over het programma kunt u terecht op www.zonmw.nl/mecvs
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-nieuws-nieuwsbericht-ZonMw-verhoogt-besteedbaar-budget-in-eerste-subsidieronde.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-02-17 16:40:012024-08-19 18:31:11ZonMw verhoogt besteedbaar budget in eerste subsidieronde
De opbrengst voor 2022 is verre van indrukwekkend, maar er waren een paar interessante studies over ME/cvs die het bespreken waard zijn. Een terugkerend thema lijkt te zijn problemen met het transport (of gebruik) van zuurstof in de weefsels. Het zal interessant zijn om te zien of deze hypothese in 2023 verdere steun krijgt.
De grootste genetische ME/CVS-studie tot nu toe
Laten we beginnen met de grootste genetische studie over ME/cvs tot nu toe. Het Noorse onderzoeksteam van Riad Hajdarevic en collega’s screende het hele genoom op genetische verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles. Ze verzamelden gegevens van 2532 patiënten die afkomstig waren van drie verschillende bronnen. De eerste analyse werd uitgevoerd op patiënten uit Noorwegen en de auteurs hadden ook een Deens ‘replicatiecohort’ om te testen of hun bevindingen konden worden bevestigd in een andere patiëntengroep. De meeste gegevens kwamen echter van patiënten die in de UK Biobank geregistreerd stonden als patiënten met de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom.
De resultaten kunnen kort worden samengevat: geen enkel genetisch verschil tussen ME/cvs-patiënten bereikte de significantiedrempel die wetenschappers gebruiken voor genoomwijde associatiestudies (GWAS). Het sterkste signaal werd gevonden in de “Tubulin Polymerization Promoting Protein” (TPPP)-genregio. TPPP verwijst naar een familie van eiwitten die microtubuli helpen samenstellen, de dunne filamenten die het cytoskelet van cellen vormen. Hajdarevic en collega’s waren geïntrigeerd door TPPP omdat het in hoge mate tot expressie komt in hersenweefsel en een rol lijkt te spelen bij de myelinisatie van zenuwcellen. Het zal interessant zijn om te zien of deze bevinding kan worden herhaald in toekomstige genetische studies van ME/cvs.
Toch was de belangrijkste bevinding van deze studie dat geen van de genetische verschillen statistische significantie bereikte. Dit was niet echt een verrassing, want de consensus is dat GWAS tienduizenden deelnemers nodig heeft om op betrouwbare wijze genetische aanwijzingen op te sporen. In het discussiegedeelte van hun paper geven Hajdarevic en collega’s toe dat hun studie niet over voldoende middelen beschikte. Ze schatten dat “tot 10 keer meer patiënten” nodig zijn om risicovarianten met een kleine effectgrootte op te sporen. Gelukkig is dit jaar de langverwachte Britse GWAS, DecodeME genaamd, van start gegaan. Het is de bedoeling speekselmonsters van 25.000 ME/cvs-patiënten te verzamelen en het zal ons een beeld in hogere resolutie geven van de genetica van ME/cvs.
Een ander groot obstakel is de heterogeniteit. Omdat de diagnose ME/cvs nog steeds grotendeels gebaseerd is op symptoomrapportering, worden waarschijnlijk meerdere onbekende pathologieën onder één noemer gebracht. Deze heterogeniteit maakt het nog moeilijker om genetische risicofactoren te vinden. Gelukkig heeft een bedrijf, PrecisionLife genaamd, een nieuwe (gepatenteerde) analysemethode ontwikkeld die zich richt op het identificeren van subgroepen in genetische analyses. Terwijl studies meestal kijken naar verschillen in enkele DNA-letters, kan deze aanpak screenen op combinaties van kenmerken, zogenaamde ziektesignaturen. In 2022 publiceerde PrecisionLife een analyse van patiënten in de UK Biobank die 14 genen identificeerde als waarschijnlijk geassocieerd met ME/cvs. De auteurs hopen hun resultaten te repliceren met de grotere dataset die DecodeME zal opleveren.
Langzaam maar diep ademhalen
Dit jaar verscheen ook de beste studie tot nu toe over cardiopulmonale inspanningstesten bij ME/cvs. In het verleden hebben talloze studies verschillen gerapporteerd tussen ME/cvs-patiënten en (sedentaire) controles wanneer zij op een hometrainer werden gezet. Vrijwel al deze studies leden echter aan dezelfde tekortkomingen. Ze maakten geen gebruik van geblindeerde beoordelingen, ze gebruikten geen gestandaardiseerde criteria voor piekinspanningen, en, nog belangrijker, ze gebruikten geen op fitheid afgestemde controles. Zonder deze kunnen we niet weten of verschillen in inspanningstestresultaten te wijten zijn aan ME/cvs of een secundair gevolg zoals een lager fitheidsniveau of het niet bereiken van piekinspanning tijdens de test.
De studie van Dane Cook en zijn collega’s is de eerste waarbij alle drie bovengenoemde methodologische waarborgen zijn gebruikt. De gegevens waren afkomstig van 214 ME/cvs-patiënten en 189 controles die deelnamen aan het MCAM-project (Multi-site Clinical Assessment of ME/CFS), gecoördineerd door de Centers for Disease Control and Prevention (CDC).
Toen Cook en collega’s de gegevens analyseerden zoals eerdere studies deden, vonden ze veel van de verschillen die eerder waren gemeld. ME/cvs-patiënten produceerden minder watt, hadden een lager zuurstofverbruik en hun hartslag was lager. Maar toen zijn team controleerde voor verschillen in fitheid door de gegevens uit te drukken ten opzichte van het piekzuurstofverbruik van elk individu (en door resultaten te verwijderen die wel de piekinspanning bereikten) ontstond een ander beeld.
Nu zijn veel van die verschillen verdwenen. Zoals de auteurs uitleggen, geven de resultaten “aan dat veel van de cardiopulmonale verschillen die in eerdere studies zijn gerapporteerd, worden verklaard door verschillen in aerobe conditie, en bijgevolg inspanningstijd, en geen pathofysiologische kenmerken zijn van ME/cvs.” Er was bijvoorbeeld weinig bewijs voor het idee dat de hartslag van ME/cvs-patiënten niet voldoende stijgt bij toenemende inspanning, wat anderen chronotrope intolerantie noemden. Cook en collega’s vonden ook geen verschil in de lactaatrespons in rust, tijdens inspanning of tijdens de herstelfase.
Slechts een paar kleine verschillen tussen ME/cvs-patiënten en controles bleven over na aanpassing voor fitheid, maar ze zijn wel interessant. Cook en collega’s vonden een speciaal ademhalingspatroon gekenmerkt door hogere ademhalingsvolumes en een lagere ademhalingsfrequentie. Met andere woorden, ME/cvs-patiënten ademden langzamer en dieper, ook al deden ze dezelfde inspanning als de controles. Cook en collega’s denken niet dat dit ademhalingspatroon een probleem weerspiegelt met de longen of het hart en het pompen van zuurstof naar de rest van het lichaam. In plaats daarvan vermoeden ze dat het iets te maken kan hebben met een slechte zuurstoftoevoer in de skeletspieren.
De studie naar Mestinon
Dit brengt ons bij Harvard-onderzoeker David Systrom. Zijn team is gespecialiseerd in invasieve cardiopulmonale inspanningstesten (iCPET), een procedure waarmee onderzoekers de gasuitwisseling en de bloedstroom door de slagaders kunnen meten terwijl patiënten een inspanningstest doen. Systrom doet al enige tijd iCPET op patiënten met onverklaarbare inspanningsintolerantie. Hij ontdekte dat een subgroep een abnormaal lage biventriculaire vullingsdruk of “preload failure” had, die niet kon worden verklaard door een bekende hartaandoening. Zoals ons onderzoeksoverzicht uit 2021 aantoonde, voldeden de meeste van deze patiënten aan de diagnosecriteria van ME/cvs. Sommigen hadden een hoge pulmonale bloedstroom, maar waren minder efficiënt in het onttrekken van zuurstof. Net als de studie van Cook, lijkt het onderzoek van Systrom te wijzen op een probleem met de zuurstoftoevoer naar de spieren.
In 2022 vervolgde Systrom zijn bevindingen met een gerandomiseerde studie met het geneesmiddel pyridostigmine (beter bekend onder de handelsnaam Mestinon). Mestinon werkt door de afbraak van acetylcholine te remmen, een neurotransmitter die belangrijk is voor spiercontractie. Systrom dacht dat Mestinon de cardiale output en de inspanningsprestaties van zijn ME/cvs-patiënten zou verbeteren.
De resultaten van het onderzoek ondersteunen deze visie, maar de veranderingen waren klein en waarschijnlijk niet klinisch relevant. Het onderzoek keek ook alleen naar een acuut effect. Patiënten deden een iCPET, kregen een dosis van 60 mg Mestinon of een placebo, wachtten 50 minuten en deden opnieuw een iCPET. Het onderzoek vergeleek de verschillen tussen de eerste en tweede iCPET. Met andere woorden, het kan ons niet veel vertellen over de langetermijneffecten van Mestinon op symptomen van ME/cvs.
Metabolieten in het plasma
Er waren ook een paar interessante studies van de collaboratieve onderzoekscentra voor ME/cvs in de Verenigde Staten.
Het team van Ian Lipkin aan Columbia analyseerde 888 metabole verbindingen in het plasma van 106 ME/cvs-patiënten en 91 gezonde controles. Patiënten hadden lagere niveaus van carnitine en lagere niveaus van fosfolipiden, vooral plasmalogenen en fosfolipide-ethers. Volgens de auteurs wijst dit op een ontregeling van het “peroxisomaal metabolisme”. Peroxisomen zijn kleine, membraangebonden organellen die betrokken zijn bij diverse stofwisselingsprocessen, zoals de afbraak van vetzuren en aminozuren. Ze lijken veel op lysosomen, met als belangrijkste verschil dat enzymen van peroxisomen zuurstof nodig hebben om te functioneren. Bovendien vonden Lipkin en collega’s verhoogde niveaus van dicarboxylzuren bij ME/cvs-patiënten, waarbij ze stelden dat “onze resultaten in overeenstemming met eerdere literatuur wijzen op ontregeling van het peroxisomale metabolisme en de tricarbonzuurcyclus (TCA).”
Een andere indrukwekkende studie kwam van het onderzoeksteam van Maureen Hanson van de Cornell University. Zij testten 1157 metabolieten in het plasma bij 60 ME/cvs-patiënten en 45 gematchte gezonde controles. Het leuke van deze studie is dat zij metabolieten maten voor en na een dubbele cardiopulmonale inspanningstest. De twee inspanningstesten, die 24 uur na elkaar werden afgenomen, waren bedoeld om postexertionele malaise uit te lokken, zodat de onderzoekers konden zien welk effect dit had op het metabolisme van de patiënten.
Het leek een verschil te hebben gemaakt. Het aantal metabolieten dat significant verschilde tussen ME/cvs patiënten en controles nam aanzienlijk toe na de inspanningstesten. Het probleem was dat geen van de verschillen groot werd. Er was altijd een aanzienlijke overlap tussen de ME/cvs en de controlegroep. Hanson zei daarom dat geen van deze tests kan worden gebruikt als Biomarker voor de diagnose van patiënten. In plaats daarvan moeten de verschillen vooral gezien worden als aanwijzingen voor de onderliggende pathologie van ME/cvs.
Helaas is het niet duidelijk wat de aanwijzingen ons vertellen, mede omdat 224 van de in deze studie geteste metabolieten nog niet geïdentificeerd zijn (het is niet duidelijk wat ze doen en bij welke lichaamsprocessen ze betrokken zijn). In het algemeen wezen de gegevens echter op een verstoring van de vetstofwisseling. In de paper benadrukken Hanson en collega’s ook dat veel van de veranderde reactiepaden afhankelijk zijn van het glutamaatmetabolisme. Glutamaat is een aminozuur met verschillende functies in het lichaam. Het speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de overdracht van signalen tussen zenuwcellen. Glutamaat zelf was echter niet statistisch verschillend tussen patiënten en controles in de huidige studie, dus het valt nog te bezien of dit een waardevolle aanwijzing of een dood spoor is.
Het onderzoeksteam van Hanson heeft dit jaar weer een interessante studie gepubliceerd. Deze werd in oktober als preprint geplaatst en is nog niet gepeerreviewd en gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift. In deze kleinere studie van 30 ME/cvs-patiënten gebruikten de onderzoekers “single-cell RNA sequencing” (scRNA-seq), een relatief nieuwe techniek waarmee ze de genexpressie van individuele cellen konden bestuderen. Deze analyse werd ook gedaan voor en na een inspanningstest. Deze keer maakte de inspanningstest echter weinig verschil. De enige significante verandering werd gezien in het transcriptoom van bloedplaatjes. Die waren abnormaal vóór de inspanningstest bij ME/cvs-patiënten en werden normaal na de inspanning. Volgens de auteurs wees dit ofwel op een verlies van bloedplaatjes met een defect transcriptoom, ofwel op een grote infusie van nieuwe, normale bloedplaatjes na de inspanning. De belangrijkste afwijkingen die in deze studie werden gevonden, werden echter niet beïnvloed door inspanning en werden gezien in monocyten. Volgens de auteurs “zijn de transcriptomen van klassieke monocyten van ME/cvs-patiënten gericht op een profiel dat migratie van monocyten naar weefsel en verhoogde progressie naar een macrofaag lot bevordert.” De monocyten hadden ook genen geactiveerd die geassocieerd worden met het anti-inflammatoire cytokine IL-10, wat een tegenstrijdige boodschap lijkt te zijn. Hoewel de geavanceerde technieken die in de samenwerkende onderzoekscentra over ME/cvs worden gebruikt ons veel interessante gegevens hebben opgeleverd, is het niet altijd duidelijk wat ze betekenen.
Endotheeldisfunctie
Terwijl sommige onderzoeksgroepen over ME/cvs een grote reeks metingen proberen te verzamelen en dan zien waar de gegevens hen heen leiden, hebben andere groepen een bepaalde hypothese voor ogen. Verschillende groepen vermoeden bijvoorbeeld dat ME/cvs-patiënten aan endotheeldisfunctie lijden. Endotheelcellen vormen een laag die de bloedvaten bekleedt en de uitwisseling tussen bloed en omliggend weefsel regelt. Door stikstofmonoxide (NO) af te geven, een gas dat de spiercellen in de wanden van de bloedvaten ontspant, kunnen zij regelen hoeveel bloed en zuurstof er naar de weefsels stroomt.
Vorig jaar meldde de onderzoeksgroep van Francisco Westermeier dat verschillende microRNA’s die de productie van NO verminderen, verhoogd zijn bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Dit jaar volgden ze deze bevindingen op met een nieuw experiment. Ze kweekten endotheelcellen in het labo en ontdekten vervolgens dat deze minder goed in staat waren om NO te produceren wanneer ze in het plasma van ME/cvs-patiënten werden gebracht in vergelijking met het plasma van gezonde controles.
Een Duitse onderzoeksgroep, waarvan Carmen Scheibenbogen deel uitmaakt, volgt een soortgelijke hypothese. Ze testten de reactieve hyperemie-index (RHI) bij 14 patiënten die ME/cvs ontwikkelden na COVID-19. De RHI is een maat voor de vaatfunctie die het vermogen beoordeelt van de bloedvaten om zich te verwijden in reactie op een toename van de bloedstroom. Vijf van de veertien ME/cvs-patiënten hadden een verlaagde RHI, terwijl dit bij geen van de controles het geval was. Een verlaagde RHI werd ook gevonden bij 5 van de 16 Long Covid-patiënten die geen ME/cvs hadden. Deze Duitse onderzoeksgroep rapporteerde ook dat concentraties van Endotheline-1 (ET-1) significant verhoogd waren bij ME/cvs- en Long Covid-patiënten in vergelijking met controles.
Dit is interessant omdat deze bevinding ook werd gerapporteerd in de Spaanse studie van 67 ME/cvs-patiënten en 48 gezonde controles. In tegenstelling tot NO is ET-1 een krachtige vasoconstrictor, wat betekent dat het de bloedvaten doet vernauwen. Deze Spaanse groep vond ook verhoogde niveaus van vasculaire celadhesiemolecule-1 (VCAM-1), een eiwit dat tot expressie komt op het oppervlak van endotheelcellen. Het speelt een rol bij de rekrutering van witte bloedcellen naar ontstekingshaarden. In tegenstelling tot ET-1 correleerden de niveaus van VCAM-1 echter niet goed met de ernst van de symptomen bij ME/cvs-patiënten.
Bloedklonters en ATG-13: overdreven onderzoek?
Dit brengt ons bij ons volgende onderwerp: bloedstolsels!
U hebt er waarschijnlijk over gehoord omdat deze onderzoekspiste veel aandacht kreeg in de media. De Zuid-Afrikaanse fysioloog Resia Pretorius en de Britse biochemicus Douglas Kell stelden dat Long Covid-patiënten lijden aan een overmaat aan kleine bloedklonters en dat deze de aanhoudende symptomen na COVID-19 verklaren. Hun onderzoeksteam beweerde verder dat de symptomen van Long Covid met succes kunnen worden behandeld door anticoagulantia en antiplaatjestherapie om microklontering te voorkomen. Terwijl sommige onderzoekers waarde zagen in deze theorie, reageerden anderen sceptisch en zeiden dat zij er geen bewijs voor konden vinden bij hun Long Covid-patiënten, bijvoorbeeld in capillairrijke organen zoals de longen en de nieren. Uit wanhoop en bij gebrek aan betere behandelingsmogelijkheden hebben veel Long Covid-patiënten al experimentele tests en behandelingen ondergaan voor de veronderstelde microklonters in hun bloed.
Dit jaar publiceerden Pretorius en Kell een studie over microklonters bij ME/cvs-patiënten. In hun paper stellen zij dat de oppervlakte van plasmabeelden die microklonters bevatten meer dan 10 keer groter was in het plasma van ME/cvs-patiënten dan in dat van gezonde controles. Beeldinterpretatie is echter zeer subjectief en het is onduidelijk of de onderzoekers goed geblindeerd waren voor de ME/cvs-status. Zij voerden ook trombo-elastografie (TEG) uit, een meer objectieve methode om de efficiëntie van de bloedstolling te testen. Er werd een afwijking gevonden in de snelheid van stolselvorming (alfa en MRTG), maar er waren geen significante verschillen in stollingstijd, maximale amplitude of totale trombusvorming. De auteurs merken op dat “de mate van hypercoagulabiliteit van de ME/cvs-groep niet zo ernstig was als eerder gerapporteerd bij diabetes, acute SARS-CoV-2-infectie, of Long COVID/PASC.” Dit maakt het vrij onwaarschijnlijk dat deze bloedklonters de oorzaak zijn van de karakteristieke symptomen van ME/cvs zoals malaise na inspanning. Kell heeft ook beweerd dat bloedklonters voorkomen bij meerdere andere aandoeningen, niet alleen bij Long Covid of diabetes, maar ook bij reumatoïde artritis en lupus, waardoor de hele theorie nogal twijfelachtig wordt.
Een andere onderzoeker die denkt bewijs van stolling te hebben gevonden, is Avik Roy, de chief scientific officer van Simmaron Research. Zijn team vond eiwitaggregatie in een kleine steekproef van 7 ME/cvs-patiënten. Ze vermoedden dat dit wees op een defect in autofagie, het opruim- en recyclageproces van cellen. Ze onderzochten dit verder en vonden dat het autofagiegerelateerde eiwit ATG13 verhoogd was in het serum van ME/cvs-patiënten. In plaats van dit te bevestigen in een grotere steekproef, gingen Roy en collega’s door met verdere experimenten. Ze merkten dat het serum van ME/cvs-patiënten de productie van reactieve zuurstofcomponenten (ROS) en stikstofoxide (NO) in microgliale cellen opriep. Het leuke van deze studie is dat toen zij ATG13 neutraliseerden, de productie van ROS en NO in microgliale cellen sterk verminderde. Al deze experimenten werden echter uitgevoerd bij slechts een handvol ME/cvs-patiënten en dus zijn de resultaten niet zo robuust.
Roy heeft zijn experimenten met ATG13 voortgezet met een muismodel dat met sterke uitspraken op sociale media werd aangekondigd. In november tweette Simmaron Research: “we zijn iets groots op het spoor: een behandelbare route voor PEM. De implicaties zijn enorm. We geloven niet alleen dat de chemische route waarbij het ATG-13-eiwit betrokken is, een boosdoener is bij PEM, we geloven ook dat het kan worden aangegrepen voor geneesmiddelen. Er is hoop voor behandeling!” Helaas ondersteunen de gegevens deze beweringen niet. Wij hopen dat Roy en Simmaron deze boude beweringen in 2023 met nieuwe publicaties kunnen staven.
Postinfectieuze syndromen
Postinfectieuze syndromen zijn historisch gezien over het hoofd gezien in de geneeskunde, maar krijgen nu meer aandacht tijdens de huidige COVID-19-pandemie. Jan Choutka schreef een mooi overzicht over dit onderwerp in Nature Medicine. Hij belicht hoe langdurige symptomen niet alleen zijn gerapporteerd na COVID-19, maar na diverse infecties, waaronder polio, de ziekte van Lyme, ebola, dengue, het Epstein-Barrvirus enz. Dit jaar zijn er nieuwe publicaties verschenen over “een onderschatte last van chronische restverschijnselen na een infectie” na knokkelkoorts en andere virale respiratoire ziekten. Uit een Nederlandse studie die gebruik maakte van het Lifelines-cohort, bleek dat ongeveer 12% van de patiënten aanhoudende symptomen heeft die kunnen worden toegeschreven aan COVID-19. In de VS bleek uit een prospectieve studie van John Aucott en collega’s dat deelnemers met een voorgeschiedenis van de ziekte van Lyme 2-3 keer meer kans hadden om matige of ernstige vermoeidheid te rapporteren dan deelnemers zonder.
Florence Brelier en collega’s pakten het anders aan, maar kwamen tot dezelfde conclusie. Zij bekeken de dossiers van de Britse eerstelijnszorg en ontdekten dat patiënten met een acute ziekte van Lyme vervolgens 2-3 keer meer kans hadden om de diagnose vermoeidheid te krijgen en 16 keer meer kans om de diagnose ME/cvs te krijgen. Het aantal patiënten met een diagnose ME/cvs in de studie was slechts 17, waardoor het moeilijk is sterke conclusies te trekken, ook al was de gevonden effectgrootte vrij groot. Een ander probleem is de betrouwbaarheid van de diagnoses in de dossiers van de eerstelijnszorg. De auteurs konden echter patiënten met de ziekte van Lyme en controles per huisarts matchen. Daarom zou onderdiagnose van vermoeidheid of ME/cvs minder een probleem zijn, omdat het geen verschil zou verklaren tussen groepen die naar dezelfde huisarts gingen. De meest waarschijnlijke verklaring is dat chronische Lyme en ME/cvs beide soortgelijke gezondheidsproblemen beschrijven na een acute Borrelia-infectie.
Op naar het Long Covid-onderzoek. Een van de meest indrukwekkende studies van het jaar werd gepubliceerd door een samenwerking tussen de teams van David Putrino van Mount Sinai en Akiko Iwasaki van Yale. Zij vergeleken 99 Long Covid-patiënten met gezonde, niet-geïnfecteerde controles en controles die met SARS-CoV-2 waren geïnfecteerd maar geen aanhoudende symptomen hadden. Putrino & Iwasaki gebruikten complexe immunologische tests die verschillende (subtiele) verschillen tussen Long Covid-patiënten en de andere groepen aantoonden. Ze gebruikten ook een nieuwe aanpak om te testen op antilichamen, Rapid Extracellular Antigen Profiling (REAP) genaamd, maar hier werden geen betekenisvolle verschillen gevonden. Het belangrijkste resultaat kwam, nogal verrassend, van het stresshormoon cortisol. Bij Long Covid-patiënten waren de niveaus van cortisol in het plasma ongeveer de helft van die gevonden bij gezonde of herstellende controles. Cortisol is vaak onderzocht bij ME/cvs en de resultaten waren op zijn zachtst gezegd tegenstrijdig. Het is ook een hormoon dat niet erg specifiek is en gemakkelijk beïnvloed kan worden door verschillende gedragspatronen.
Nulresultaten
Dan zijn er een paar studies die een vermelding verdienen, niet omdat ze intrigerende bevindingen opleverden, maar omdat ze nulresultaten rapporteerden die nuttig zouden kunnen zijn voor verder ME/cvs-onderzoek.
De eerste is een studie van de ELISA Autoantibody Assay van het Duitse bedrijf Celltrend. Deze test is gebruikt in eerder ME/cvs-onderzoek, bijvoorbeeld om aan te tonen dat patiënten verhoogde autoantilichamen hebben tegen beta-adrenerge en muscarine cholinerge receptoren. Veel patiënten hebben ook betaald om deze tests te laten doen. Dysautonomia International was sceptisch over de test en financierde een studie om de betrouwbaarheid ervan te testen. Monsters van POTS-patiënten en -controles werden geblindeerd naar Celltrend gestuurd. De onderzoekers kregen merkwaardige resultaten terug. Het percentage POTS-patiënten en gezonde controles die boven de diagnostische drempelwaarden vielen, verschilde voor geen van de geteste autoantilichamen. Bovendien had 98,3% van de POTS-patiënten en 100% van de controles autoantilichaamconcentraties tegen α1 adrenerge receptoren boven de door de fabrikant opgegeven seropositieve drempelwaarde. Wij hopen dat dit probleem met de CellTrend-assay zal worden opgelost voordat deze wordt gebruikt in toekomstig ME/cvs-onderzoek.
Een Israëlische onderzoeksgroep gebruikte een relatief nieuwe methode genaamd “phage immunoprecipitation sequencing” (PhIP-Seq) om te testen op antilichamen tegen darmmicrobiota en virale antigenen. Zij ontvingen bloedmonsters van 40 patiënten met ernstige ME/cvs uit de UK ME/CFS Biobank (UKMEB). Het aantal en de diversiteit van de totale antilichaamgebonden peptiden vertoonden geen significante verschillen tussen patiënten en gezonde controles. De onderzoekers vonden echter wel dat antilichaamresponsen tegen flagellinen oververtegenwoordigd waren bij ME/cvs-patiënten. Flagellinen vormen de staart van bepaalde soorten bacteriën om hun mobiliteit te vergroten (het Latijnse woord flagellum betekent “zweep”, vermoedelijk omdat de staart een zweepachtige beweging maakt).
Er was ook een Franse studie die keek naar voorspellers van herstel en substantiële verbetering bij 168 ME/cvs-patiënten. De patiënten die herstelden of verbeterden waren wat ouder toen ze de ziekte kregen, en ze werden eerder gediagnosticeerd dan de andere patiënten. Geen van de andere metingen, waaronder vermoeidheid, pijn, ernst van de PEM, een plotseling begin van ME/cvs enz, bleek een significante voorspeller. Een mogelijke verklaring is dat de steekproefomvang van de verbeterde groep te klein was, aangezien het percentage van herstel en verbetering slechts 8,3% respectievelijk 4,8% bedroeg.
Eervolle vermeldingen
Tot slot zijn er nog enkele eervolle vermeldingen die onze toplijst niet hebben gehaald en die we hieronder slechts kort zullen noemen.
Orji et al. publiceerden een prevalentiestudie in Australië op basis van primaire zorggegevens van 2015 tot 2019. De prevalentie van ME/cvs bij patiënten van 13 jaar of ouder werd geschat op ongeveer 1 op 1000, wat zich vertaalt in ongeveer 20.000 ME/cvs-patiënten in Australië. De auteurs waarschuwen echter dat dit waarschijnlijk een onderschatting is van de werkelijke prevalentie omdat niet alle gevallen van ME/cvs worden opgepikt in de eerstelijnszorg.
Vyas et al. voerden wat waarschijnlijk de grootste studie is naar de impact van ME/cvs op familieleden. Hun online enquête werd ingevuld door 1418 patiënten en hun familieleden uit 30 verschillende landen. Familieleden werden emotioneel het meest beïnvloed door zorgen, frustratie en verdriet en persoonlijk door gezinsactiviteiten, vakanties, seksleven en financiën.
Het onderzoeksteam van Bhupesh Prusty, een viroloog aan de Universiteit van Würzburg, was in staat om te zoeken naar herpesvirussen HHV-6 en EBV in 3 autopsies van ME/cvs-patiënten. Zij rapporteerden dat zij “overvloedig viraal miRNA hadden gevonden in verschillende regio’s van de menselijke hersenen en daarmee verbonden neuronale weefsels, waaronder het ruggenmerg, dat alleen bij ME/cvs-patiënten en niet bij controles is gedetecteerd.”
Brooke Scoles van de London School of Economics publiceerde een interessante studie als onderdeel van haar doctoraat. Ze haalde er commentaren uit van artsen op Reddit en analyseerde in welke termen ze verschillende ziekten bespraken. De resultaten voor ME/cvs bevatten meer dan vier keer meer negatieve taalwoorden dan de resultaten voor andere gestigmatiseerde ziekten zoals depressie.
Conclusie
Dat was het dan! Als er belangrijke ME/cvs-studies zijn die we gemist hebben, voel je vrij om ze in de commentaarsectie onder het artikel te plaatsen. We kijken nu al uit naar het lezen van de ME/cvs-studies van 2023 en hopen dat ze veel interessante bevindingen zullen brengen.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-Nieuws-wetenschap-terugblik-op-het-onderzoek-naar-ME_cvs-in-2022.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-01-09 12:45:032024-08-18 21:15:202022: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek