Wat is een lekkende darm en wat kan het verband zijn met ME/cvs-symptomen?
De beschermende slijmlaag van de darmen, bekend als de intestinale barrière, werkt als een filter waardoor nutriënten uit voedsel naar de bloedbaan kunnen geraken, maar waardoor ziekteverwekkers, zoals schadelijke bacteriën, de oversteek niet kunnen maken. Zoals wordt benadrukt in een recent artikel van Harvard Health Publishing, heeft iedereen tot op zekere hoogte een lekkende darm, die op een selectieve manier stoffen binnen- of buitenlaat. Een toename van de darmdoorlaatbaarheid is wel een mogelijk probleem.
Er wordt beweerd dat bij personen met ME/cvs wijzigingen in de darmbarrière kunnen voorkomen, waardoor ziekteverwekkers gemakkelijker naar buiten kunnen lekken in de bloedsomloop – een fenomeen dat ‘leaky gut syndrome’ (lekkendedarmsyndroom) wordt genoemd. Voorts veronderstelt de wetenschap dat het immuunsysteem van individuen met ME/cvs onderdrukt is, waardoor het niet in staat is om een ‘normale’ reactie te bieden op ziekteverwekkers in het bloed.
In het domein van lichamelijke inspanning is het bekend dat intense fysieke activiteit bij gezonde personen de darmdoorlaatbaarheid verhoogt, wat kan leiden tot endotoxemie – bacteriële gifstoffen in het bloed. Als het immuunsysteem naar behoren functioneert, speelt het een cruciale rol in het verwijderen van deze schadelijke stoffen uit het bloed. Daarom zou je kunnen verwachten dat een mogelijk gecompromitteerde darmbarrière bij personen met ME/cvs meer ziekteverwekkers doorlaat tijdens inspanning, waardoor een al verzwakt immuunsysteem wordt overweldigd. Een recente studie onderzocht dit en suggereerde dat bepaalde symptomen van endotoxemie, zoals vermoeidheid, cognitieve veranderingen, misselijkheid en hoofdpijn, een weerspiegeling zijn van symptomen die gerapporteerd worden door mensen met ME/cvs tijdens postexertionele malaise (PEM).
Hierbij moet benadrukt worden dat het ‘leaky gut syndrome’ nog steeds een onderwerp van discussie is, en dat er meer onderzoek nodig is om een beter beeld te krijgen van de rol van de darmen bij ME/cvs.
Lees meer over een lopend, door ME Research UK gefinancierd onderzoek naar het darmmicrobioom.
Vraag: wat is een lekkende darm?
Antwoord: Er wordt beweerd dat bij personen met ME/cvs wijzigingen in het darmslijmvlies (intestinale barrière) kunnen voorkomen, waardoor ziekteverwekkers (b.v. schadelijke bacteriën) gemakkelijker naar buiten kunnen lekken in de bloedsomloop – een fenomeen dat ‘leaky gut syndrome’ (lekkendedarmsyndroom) wordt genoemd. Men denkt dat dit gepaard gaat met gewijzigde immuunreacties.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Lekkende-darm-en-het-verband-met-ME_cvs-symptomen.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2024-03-20 17:27:402024-08-18 19:47:33Lekkende darm en het verband met ME/cvs-symptomen
Door de NIH gefinancierde studies leggen een verband tussen veranderde darmmicroben en invaliderende chronische ziekte.
Onderzoekers hebben verschillen gevonden in het darmmicrobioom van mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) in vergelijking met gezonde controles. De bevindingen van twee studies, gepubliceerd in Cell Host & Microbe en gefinancierd door de National Institutes of Health, voegen zich bij het groeiende bewijs dat verstoringen in het darmmicrobioom, de volledige verzameling bacteriën, virussen en schimmels die in ons maag-darmstelsel leven, in verband brengt met ME/cvs.
“Het microbioom is naar voren gekomen als een potentiële bijdrager aan ME/cvs. Deze bevindingen bieden unieke inzichten in de rol die het microbioom speelt bij de ziekte en suggereren dat bepaalde verschillen in darmmicroben kunnen dienen als biomarkers voor ME/cvs,” aldus Vicky Whittemore, Ph.D., programmadirecteur bij het National Institute of Neurological Disorders and Stroke (NINDS) van de NIH.
ME/cvs is een ernstige, chronische en invaliderende ziekte die wordt gekenmerkt door een reeks symptomen, waaronder vermoeidheid, malaise na inspanning, slaapstoornissen, cognitieve problemen, pijn en maag-darmproblemen. De oorzaken van de ziekte zijn onbekend en er bestaan geen behandelingen.
In één studie analyseerden seniorauteur Brent L. Williams, Ph.D., assistent-professor, Dr. W. Ian Lipkin, John Snow Professor of Epidemiology en directeur van het Center for Infection and Immunity aan de Columbia University Mailman School of Public Health, in New York City, en hun medewerkers de genetische samenstelling van darmbacteriën in stoelgangstalen verzameld van een geografisch divers cohort van 106 mensen met ME/cvs en 91 gezonde controles. De resultaten onthulden belangrijke verschillen in microbiome diversiteit, hoeveelheid, metabolische reactiepaden, en interacties tussen soorten darmbacteriën.
Dr. Williams en zijn collega’s ontdekten dat mensen met ME/cvs abnormaal lage niveaus van verschillende bacteriesoorten hadden in vergelijking met gezonde controles, waaronder Faecalibacterium prausnitzii (F. prausnitzii) en Eubacterium rectale. Deze gezondheidsbevorderende bacteriën produceren een korteketenvetzuur, butyraat genaamd, een bacterieel metaboliet, of bijproduct, dat een belangrijke rol speelt bij het behoud van de darmgezondheid. Een acetaatproducerende bacterie was ook verminderd in monsters van mensen met ME/cvs.
Meer gedetailleerde metabolomische analyses bevestigden dat een vermindering van deze bacteriën gepaard ging met een verminderde butyraatproductie bij ME/cvs. Butyraat is de primaire energiebron voor cellen in de darm, die tot 70% van hun energiebehoefte leveren, het immuunsysteem van de darm ondersteunen en bescherming bieden tegen ziekten van het spijsverteringskanaal. Butyraat, tryptofaan en andere metabolieten in het bloed zijn belangrijk voor de regulering van het immuunsysteem, de stofwisseling en de endocriene functies.
Terwijl species van butyraatproducerende bacteriën afnamen, waren er verhoogde niveaus van negen andere species bij ME/cvs, waaronder Enterocloster bolteae en Ruminococcus gnavus, die in verband worden gebracht met respectievelijk auto-immuunziekten en inflammatoire darmziekten.
De groep van Dr. Williams rapporteerde ook dat een overvloed aan F. prausnitzii omgekeerd evenredig was met de ernst van de vermoeidheid bij ME/cvs, wat wijst op een mogelijk verband tussen darmbacteriën en ziektesymptomen. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen of verschillen in het darmmicrobioom een gevolg of een oorzaak van de symptomen zijn.
De bevindingen wijzen erop dat een onevenwicht in deze 12 soorten bacteriën zouden kunnen worden gebruikt als biomarkers voor een classificatie van ME/cvs, waardoor mogelijk consistente, meetbare doelen worden geboden om de diagnose te verbeteren.
Het darmmicrobioom is een ecosysteem met complexe interacties tussen bacteriën, waarbij microben voedingsstoffen, metabolieten of andere moleculaire signalen kunnen uitwisselen of met elkaar concurreren. Onderzoekers vonden opmerkelijke verschillen in het netwerk van interacties tussen species bij mensen met ME/cvs, waaronder unieke interacties tussen F. prausnitzii en andere species. Dit wijst op een uitgebreide herschikking van bacteriële netwerken bij ME/cvs.
“Naast verschillen in individuele species bij ME/cvs, kan het richten van een focus op de interactiedynamiek van de gemeenschap meer specificiteit toevoegen aan de brede definitie van dysbiose, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen andere ziekten waarbij het darmmicrobioom uit balans raakt,” aldus Dr. Williams. “Dit is ook belangrijk voor het genereren van nieuwe toetsbare hypotheses over de onderliggende mechanismen en mediatoren van dysbiose bij ME/cvs en kan uiteindelijk informatie verschaffen over strategieën om deze disbalansen te corrigeren.”
Een evenwichtig microbioom is ook essentieel voor verschillende neurale systemen, in het bijzonder de immuunregulatie en de koppeling tussen energiemetabolisme en bloedtoevoer in de hersenen, alsook de functie van de zenuwen die de darmen bevoorraden.
In een andere studie aan het Jackson Laboratory in Farmington, Connecticut, werkten Julia Oh, Ph.D., universitair hoofddocent, en Derya Unutmaz, M.D., professor, samen met andere ME/cvs-deskundigen om afwijkingen in het microbioom te bestuderen in verschillende fasen van ME/cvs. Het team van Dr. Oh verzamelde en analyseerde klinische gegevens, stoelgangstalen en bloedmonsters van 149 mensen met ME/cvs die binnen de afgelopen vier jaar waren gediagnosticeerd (74 op korte termijn) of die meer dan 10 jaar geleden waren gediagnosticeerd (75 langdurig) en 79 gezonde controles.
Uit de resultaten bleek dat de kortetermijngroep minder microbiële diversiteit had, terwijl de langdurig zieke groep een stabiel, maar geïndividualiseerd darmmicrobioom opbouwde dat vergelijkbaar was met dat van gezonde controles. Dr. Oh en haar collega’s vonden lagere niveaus van verschillende butyraatproducerende species, waaronder F. prausnitzii, vooral bij de kortdurende zieke deelnemers. Er was ook een vermindering van species geassocieerd met tryptofaanmetabolisme bij alle deelnemers met ME/cvs in vergelijking met controles.
De groep van Dr. Oh verzamelde ook gedetailleerde klinische en levensstijlgegevens van de deelnemers. Door deze gegevens te combineren met genetische en metabolome gegevens, ontwikkelde het team een manier om ME/cvs nauwkeurig te classificeren en te onderscheiden van gezonde controles. Met behulp van deze aanpak vonden zij dat personen met langdurige ME/cvs een evenwichtiger microbioom hadden, maar meer ernstige klinische symptomen en progressieve metabole onregelmatigheden vertoonden in vergelijking met de andere groepen.
Beide studies identificeren potentiële biomarkers voor ME/cvs, die informatie kunnen verschaffen voor diagnostische testen en ziekteclassificatie. Inzicht in het verband tussen verstoringen in het darmmicrobioom en ME/cvs kan ook de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen sturen.
Aanvullend onderzoek is nodig om meer te weten te komen over de pathofysiologische implicaties van butyraat en andere metaboliettekorten bij ME/ccvs. Toekomstige studies zullen bepalen hoe verstoringen van de darmmicroben bijdragen tot de symptomen, met inbegrip van veranderingen tijdens de ziekteprogressie.
De studies werden gedeeltelijk gefinancierd door het Collaboratief Onderzoeksnetwerk voor ME/cvs van de NIH, een consortium dat wordt ondersteund door meerdere instituten en centra van de NIH, bestaande uit drie collaboratieve onderzoekscentra en een coördinatiecentrum voor gegevensbeheer. Het onderzoeksnetwerk werd in 2017 opgericht om het onderzoek naar ME/cvs vooruit te helpen. Het onderzoek werd ondersteund door een subsidie van het NINDS U54NS105539, subsidies van het National Institute of Allergy and Infectious Diseases U54AI138370 en R56AI120724, en anonieme donoren via het Crowdfunding Microbe Discovery Project.
NINDS is ‘s lands grootste financierder van onderzoek naar de hersenen en het zenuwstelsel. De missie van het NINDS is het zoeken naar fundamentele kennis over de hersenen en het zenuwstelsel en het gebruik van die kennis om de last van neurologische ziekten te verminderen.
Over de National Institutes of Health (NIH): NIH, de nationale instantie voor medisch onderzoek, omvat 27 instituten en centra en is een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Human Services. NIH is het belangrijkste federale agentschap dat fundamenteel, klinisch en translationeel medisch onderzoek uitvoert en ondersteunt, en onderzoek doet naar de oorzaken, behandelingen en genezing van zowel veel voorkomende als zeldzame ziekten. Ga voor meer informatie over NIH en haar programma’s naar www.nih.gov.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW.zip-wetenschap-Verband-tussen-darmmicroben-en-ME_cvs.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2023-05-23 22:06:572024-08-18 19:20:33Verband tussen darmmicroben en ME/cvs
We zullen elke studie slechts kort bespreken om dit overzicht leesbaar te houden. Als je geïnteresseerd bent in een meer diepgaande blik op het meest opwindende ME/cvs-onderzoek, kunnen we de blog van Simon McGrath (Engelstalig) en het forum van Science for ME (Engelstalig) aanbevelen.
B-celonderzoek uit Japan
We beginnen met een interessante studie uit Japan waarin gekeken werd naar B-cellen, de witte bloedcellen die antilichamen produceren. Dr. Wakiro Sato en collega’s van het National Center of Neurology and Psychiatry waren geïnteresseerd in de receptoren op B-cellen. Bij verschillende immuungemedieerde ziekten is het spectrum van deze B-celreceptoren scheefgetrokken. De onderzoekers wilden testen of dit ook het geval was bij ME/cvs.
Met behulp van “next-generation sequencing” vonden Sato en collega’s aanwijzingen dat dit inderdaad het geval zou kunnen zijn. Hoewel hun oorspronkelijke steekproef vrij klein was, konden ze hun bevindingen bevestigen in een nieuw cohort. De afwijkingen waren meer uitgesproken bij patiënten met een infectieus begin van ME/cvs.
Interessant genoeg bevestigden de Japanse bevindingen die van een studie van vorig jaar door het onderzoeksteam van Prof. Ian Lipkin aan de Columbia University, ondanks het gebruik van verschillende methodes.
Lipkins team rapporteerde een “significante associatie tussen ME/cvs en de immunoglobuline heavy variabele (IGHV)-regio 3-23/30” met behulp van massaspectrometrie. Sato en collega’s ontdekten dat dezelfde IGHV-regio significant verhoogd was bij ME/cvs-patiënten in beide cohorten met behulp van DNA-sequencing. Tijdens een online conferentie zei Lipkin dat de Japanse onderzoekers hun bevindingen onafhankelijk hadden bevestigd.
Een andere topwetenschapper die enthousiast is over de bevindingen van de B-cellen, is NIH-onderzoeker Dr. Avindra Nath. Tijdens een boeiende discussie, georganiseerd door de Japanse ME/CVS-Associatie, toonde Nath zijn bewondering voor Sato’s onderzoek door te verklaren: “Uw bevindingen zijn zeer opmerkelijk en ik denk dat u op de goede weg bent. B-celafwijkingen zijn heel logisch.”
Butyraat in de darm
Lipkins team publiceerde dit jaar een nieuwe studie over de fecale microbiota. Zij vonden verschillende soorten bacteriën, die verlaagd waren in de darm van ME/cvs-patiënten in vergelijking met controles en veel van deze soorten waren betrokken bij de productie van butyraat. De onderzoekers volgden dit op met een metabolomica-analyse, die bevestigde dat de butyraatconcentraties inderdaad significant lager waren bij ME/cvs. Patiënten die minder van deze bacteriën hadden, neigden ook meer vermoeidheidssymptomen te hebben.
Er zijn nogal wat dingen die de bacteriën in de darm en de productie van butyraat kunnen beïnvloeden. Dit was echter een goed opgezette studie die een aantal alternatieve verklaringen kon uitsluiten. Ten eerste ontdekten de auteurs dat ME/cvs-patiënten over het algemeen een verhoogde “bacteriële belasting” hadden, wat betekent dat ze meer bacteriën in hun ontlasting hadden dan de controlegroep. Dit is iets dat nog niet eerder was gemeten bij ME/cvs-patiënten en het maakt de verlaagde niveaus van butyraatproducerende soorten nog interessanter. Ten tweede waren de auteurs in staat om te controleren op comorbiditeit met het prikkelbaredarmsyndroom (PDS) en hoewel dit veel dingen beïnvloedde, had het geen invloed op de butyraatbevindingen omdat deze ook aanwezig waren bij ME/cvs patiënten zonder PDS. Ten derde gebruikte de studie een statistische methode om de inname van antibiotica, probiotica en prebiotische vezels mee te rekenen en hun bevindingen bleven robuust wanneer hiermee rekening werd gehouden.
Een studie naar ME/cvs uit 2015 door het onderzoeksteam van Dr. Maureen Hanson vond ook lagere niveaus van het geslacht Faecalibacterium, een van de bacteriën die betrokken zijn bij de productie van butyraat dat door het Lipkin-team werd belicht. Tijdens een online conferentie dit jaar legde Hanson echter uit dat deze bevinding niet erg specifiek is, aangezien zij ook bij andere ziekten wordt gerapporteerd, zoals colitis ulcerosa. Ze dacht dat veranderingen in de darm waarschijnlijk een stroomafwaarts effect waren, en haar team is meer geïnteresseerd in het vinden van de onderliggende oorzaak van ME/cvs-pathologie.
Geen tekenen van neuro-inflammatie?
Er zijn dit jaar heel wat beeldvormende studies gepubliceerd. Onderzoekers gebruikten meerdere methoden om de hersenen van ME/cvs-patiënten te bekijken, waaronder kwantitatieve elektro-encefalografie (qEEG), pseudo-continue arteriële spin labeling (PCASL), diffusie tensor imaging (DTI), en een nieuw type hoge-resolutie magnetische resonantie spectroscopie (MRS). Een van de meest besproken studies van het jaar kwam uit Nederland en maakte gebruik van positronemissietomografie (PET). De studie was niet zozeer berucht om wat er werd gevonden, maar veeleer om wat er niet werd gevonden.
Laten we beginnen met een beetje achtergrondinformatie. PET is een interessante beeldvormingstechniek, maar er moet radioactieve kleurstof in het lichaam worden ingebracht. Dit maakt het moeilijk om toe te passen op grote steekproeven van patiënten of gezonde controles. Al in 2014 publiceerde een Japanse onderzoeksgroep een kleine PET-studie waarin ze grote verschillen rapporteerden tussen 9 ME/cvs-patiënten en 10 gezonde controles in meerdere hersengebieden. De resultaten suggereerden een verhoogde activatie van microglia, de immuunafweer in het centrale zenuwstelsel, bij ME/cvs-patiënten. De auteurs interpreteerden dit als bewijs van neuro-inflammatie. Hoewel de steekproef zeer klein was, is deze Japanse studie in de loop der jaren meerdere malen geciteerd als bewijs dat neuro-inflammatie aanwezig zou kunnen zijn bij ME/cvs. Google Scholar telde in totaal 282 citaties, wat veel is op het gebied van ME/cvs.
De Nederlandse studie van dit jaar probeerde de Japanse PET-bevindingen te repliceren. Hetzelfde radioactieve ligand ([11C]-PK11195) werd gebruikt om zo goed mogelijk overeen te komen met de studie van 2014. De onderzoekers namen ook een derde groep patiënten op die leden aan chronische vermoeidheid na een Q-koortsinfectie. Helaas slaagden de Nederlandse onderzoekers er niet in de Japanse bevindingen te repliceren en vonden ze in geen van beide groepen aanwijzingen voor neuro-inflammatie.
De resultaten waren totaal verschillend van die van de Japanse studie. Terwijl de laatste (veel) hogere niveaus van microgliale activatie vond bij ME/cvs-patiënten in alle geteste hersengebieden in vergelijking met controles, vond de Nederlandse groep lagere niveaus in alle hersengebieden voor de ME/cvs-groep. Er zullen betere en grotere PET-studies nodig zijn om uit te vinden welk resultaat het juiste is.
Gelukkig hebben de National Institutes of Health (NIH) in de VS financiering verstrekt voor twee onderzoeksprojecten die precies van plan zijn dit te doen. Zij zullen gebruik maken van gevoeligere radiotracers en zullen hopelijk een groter cohort van patiënten en controles rekruteren. Een van deze studies vindt plaats aan de Stanford University, terwijl de andere zal worden uitgevoerd aan de Universiteit van Alabama.
Neurowetenschapper Dr. Michael Van Elzakker wees erop dat microgliale activatie gerapporteerd werd in een groot aantal gezondheidsproblemen, waaronder schizofrenie, de ziekte van Parkinson en depressie. Dus zelfs als het wordt gevonden bij ME/cvs, betekent het niet dat het de basispathologie van de ziekte is.
De studie naar ernstig zieke patiënten
In 2021 waren er ook verschillende publicaties over ernstig zieke ME/cvs-patiënten. Het wetenschappelijk tijdschrift Medicina wijdde een speciaal nummer aan dit onderwerp. Het bevat een getuigenis van Whitney Dafoe, een ME/cvs-patiënt die zo ziek werd dat hij sondevoeding moest krijgen en alleen nog kon communiceren via zelfgemaakte gebarentaal.
Zijn vader, Dr. Ronald Davis, is een beroemd wetenschapper in Stanford en heeft een studie opgezet onder ernstige ME/cvs-patiënten. Deze patiënten zijn gewoonlijk te ziek om aan wetenschappelijk onderzoek deel te nemen. De studie naar ernstig zieke patiënten (SIPS) is een project, gesteund door de Open Medicine Foundation, die een licht wilde laten schijnen op deze over het hoofd geziene patiëntengroep. De studie is al jaren in de maak en is vaak besproken in videoconferenties en webinars, maar de belangrijkste resultaten bleven ongepubliceerd tot 2021. Door de beperkte financiering is de reikwijdte helaas zeer beperkt. De studie omvat de gegevens van slechts 20 patiënten en 10 gezonde controles.
Het meest interessante deel van SIPS zijn de negatieve resultaten. De auteurs testten antilichaam- en antigeentests van allerlei virale en bacteriële ziekteverwekkers, maar deze waren niet verschillend bij patiënten versus controles. Ze keken ook naar populaire bloedtesten die vaak uitgevoerd worden bij ME/cvs-patiënten zoals subtypes van lymfocyten, naturalkillercelfunctie, hormonen (TSH/T3/T4, FSH/LH, testosteron, oestrogeen…), vitaminen (B12/folaat, D), etc., maar ook deze toonden geen significante verschillen. De auteurs merken op dat “deze laboratoriumresultaten opnieuw de beperkingen van de standaard laboratoriumtestbatterij bij ME/cvs bevestigen en de dringende noodzaak van de ontwikkeling van nieuwe diagnostische testen voor de ziekte benadrukken”. Er waren wel een paar verschillen. De cortisolspiegel in het speeksel was ‘s morgens significant lager bij ME/cvs-patiënten dan bij de controlegroep, niet-invasieve slaapmonitoring toonde een abnormaal hoog aantal ontwaakmomenten aan, terwijl cognitieve tests tragere reactietijden en problemen met het herkennen van emoties aantoonden.
Het zal interessant zijn om te zien of ernstig zieke ME/cvs-patiënten in toekomstig wetenschappelijk onderzoek zullen worden opgenomen. Het ambitieuze Nederlandse ME/cvs-onderzoeksprogramma, dat net zijn eerste oproep voor voorstellen heeft gepubliceerd, heeft dit als expliciet doel opgenomen.
Genetica: geen zeldzame mutaties
De meest interessante gegevens op het gebied van de genetica kwamen uit de UK Biobank. Wang en collega’s voerden een grote analyse uit van de bijdrage van zeldzame genetische mutaties aan verschillende ziekten bij de mens. De resultaten werden gepubliceerd in het prestigieuze tijdschrift Nature. Uit het aanvullend materiaal blijkt dat gegevens van 1232 patiënten met zelfgerapporteerde CVS zijn opgenomen.
De resultaten zijn gemakkelijk samen te vatten: niets sprong er echt uit. Een mogelijke verklaring is dat de steekproefomvang vrij klein was om zeldzame mutaties op te sporen. 1232 patiënten lijkt misschien veel, maar in genetische studies is dat niet zoveel. Ter vergelijking: de Decode ME studie wil 20.000 ME/cvs-patiënten rekruteren. Een andere mogelijke verklaring is dat zeldzame mutaties geen belangrijke rol spelen bij ME/cvs: genetische vatbaarheid voor de ziekte kan voor een groot deel te wijten zijn aan een combinatie van eerder gewone mutaties. Hopelijk zal de Decode ME-studie hier meer inzicht in verschaffen.
De UK Biobank-studie bevatte ook gegevens over indolamine-2,3-dioxygenase (IDO)-mutaties die een prominente rol spelen in de “metabole valstrik”-hypothese. Deze hypothese voorspelt dat IDO2-mutaties vaker voorkomen bij ME/cvs-patiënten en wordt momenteel bestudeerd door Dr. Ronald Davis en collega’s van de Open Medicine Foundation. In de gegevens van de UK Biobank werd echter geen van de IDO2-mutaties in verband gebracht met ME/cvs. Een groot voorbehoud is echter dat CVS in deze studie door de patiënt zelf werd gerapporteerd. Patiënten kregen geen grondig medisch onderzoek om alternatieve oorzaken van hun symptomen uit te sluiten, zoals de meeste diagnosecriteria voor ME/cvs vereisen.
Verminderde zuurstofextractie?
Andere interessante bevindingen kwamen van het onderzoeksteam van Dr. David Systrom. Hij en zijn collega’s voerden meer dan 1500 invasieve cardiopulmonale inspanningstests (iCPET) uit bij patiënten met onverklaarbare inspanningsintolerantie. Met iCPET kon het team van Systrom de gasuitwisseling en de bloedstroom door de slagaders meten terwijl de patiënten een inspanningstest deden. Zij ontdekten dat een subgroep van patiënten een abnormaal lage biventriculaire vullingsdruk of “preload failure” had, die niet kon worden verklaard door een bekende hartaandoening. Van de 223 patiënten met “preload failure” voldeden er 160 aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Een subgroep van deze ME/cvs-patiënten had een hoge pulmonale bloedstroom maar was minder efficiënt in het onttrekken van zuurstof. Volgens de auteurs wijst dit op een microcirculatiestoornis: er lijkt een probleem te zijn met het afleveren van zuurstof aan de spier.
Andere onderzoekers werken ook aan deze hypothese. In 2021 werd een interessante metabole analyse gepubliceerd door het Noorse onderzoeksteam dat de Rituximab-studie uitvoerde. Hun bevindingen wijzen in de richting van een “verhoogde energetische belasting” bij ME/cvs-patiënten als gevolg van “door inspanning veroorzaakte weefselhypoxie”. Hypoxie betekent dat zuurstof niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is in een bepaald deel van het lichaam. De Noorse studie ging verder met het karakteriseren van verschillende metabole fenotypes bij ME/cvs-patiënten. Het is interessant om te zien dat inspanningstesten en metabool onderzoek in dezelfde richting wijzen, maar tot nu toe hebben we alleen aanwijzingen in plaats van overtuigend bewijs.
Handgreepkracht
Er waren nog twee andere inspanningsstudies die een korte vermelding verdienen. De Nederlandse onderzoekers en artsen Drs. Van Campen & Visser hebben eerder gegevens gepubliceerd over orthostatische intolerantie en verminderde cerebrale doorbloeding bij ME/cvs. Dit jaar voegden zij een analyse toe die aantoont dat deze resultaten niet verklaard kunnen worden door deconditionering. Verlagingen van de cerebrale bloedstroom waren vergelijkbaar bij ME/cvs-patiënten met een hoog, matig of laag zuurstofverbruik (VO2) tijdens een inspanningstest.
Er was ook een interessante studie van het Duitse onderzoeksteam onder leiding van Dr. Carmen Scheibenbogen. Zij voerden 10 opeenvolgende metingen uit van de handgreepkracht bij meer dan 100 ME/cvs-patiënten. In vergelijking met gezonde controles, vertoonden ME/cvs-patiënten een sterkere achteruitgang gedurende deze 10 metingen. En toen hetzelfde protocol een uur later werd herhaald, vertoonden ME/cvs-patiënten ook grotere dalingen, wat wijst op een slecht herstel na de eerste prestatie. Er zijn wel enkele kanttekeningen. De controles, bijvoorbeeld, waren niet goed afgestemd op hun fysieke activiteitsniveau. Er was ook een derde groep met kankergerelateerde vermoeidheid die gelijkaardige resultaten vertoonde als de ME/cvs-patiënten (hoewel minder uitgesproken).
Endotheeldisfunctie
Een samenwerking tussen onderzoekers uit Oostenrijk en Chili heeft bevindingen gepubliceerd die wijzen op endotheeldisfunctie bij ME/cvs. Endotheelcellen vormen een laag die de bloedvaten bekleedt en de uitwisseling tussen het bloed en het omliggende weefsel regelt. De auteurs ontdekten dat verschillende microRNA’s die betrokken zijn bij de endotheelfunctie, verhoogd waren bij ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Het interessante aan deze publicatie is dat de onderzoekers hun bevindingen konden bevestigen met een oudere publiekelijk beschikbaar gestelde microRNA-dataset van een ander team. Dat geeft meer vertrouwen in de betrouwbaarheid van hun resultaten.
In 2021 maakte ook een Noorse studie melding van endotheeldisfunctie bij ME/cvs met gebruik van verschillende methodes. De auteurs gebruikten “flow-gemedieerde dilatatie” om de verwijding van slagaders te testen bij ME/cvs-patiënten die deelnamen aan de cyclofosfamide-studie. De verwijding was verminderd bij ME/cvs-patiënten vergeleken met controles, maar deze afwijkingen correleerden niet goed met de ernst van ME/cvs.
“Complementaire” bevindingen
Dan waren er twee studies met resultaten van standaardlaboratoriumtesten in een grote cohort ME/cvs-patiënten. De ene werd uitgevoerd in Spanje, de andere in Oostenrijk. Beide stuitten op een onverwachte bevinding met betrekking tot het complementsysteem, een belangrijk onderdeel van ons aangeboren immuunsysteem.
De Spaanse studie vond onverwacht hoge niveaus van de complementfactor C1q bij 107 van de 250 ME/cvs-patiënten. De Oostenrijkse groep vond verlaagde niveaus van mannosebindend lectine (MBL) in ongeveer een derde van hun cohort van ME/cvs-patiënten.
Er zou een verband kunnen bestaan tussen een hoog C1q-gehalte en een laag MBL-gehalte, omdat ze dezelfde functies hebben. Ze splitsen beide C4, een ander eiwit in het complementsysteem. C1a doet dit in de klassieke route, terwijl MBL betrokken is bij het lectine-reactiepad. Als de resultaten van de Spaanse en Oostenrijkse studies waar zijn, zouden zij erop kunnen wijzen dat er in een subgroep van ME/cvs-patiënten een onevenwicht bestaat waarbij het klassieke reactiepad overmatig wordt gebruikt. Hopelijk zal dit in 2022 verder worden onderzocht.
Beginpatronen in een Noors onderzoek
We eindigen ons overzicht met enkele kleine bevindingen die een vermelding verdienen. Helemaal aan het eind van het jaar was er een interessante Spaanse publicatie. Daarin werd gemeld dat de algemene cognitie intact blijft bij de meeste ME/cvs-patiënten, maar dat er grote tekortkomingen waren in volgehouden aandacht en vermoeibaarheid tijdens cognitieve tests.
Ook in 2021 stelden onderzoekers een alternatief model van cognitieve gedragstherapie (CGT) voor ME/cvs voor. Deze versie is erop gericht patiënten te helpen omgaan met hun ziekte in plaats van deze te behandelen als een psychosomatische aandoening waarvan patiënten kunnen herstellen als ze bereid zijn hun gedachten en gedrag te veranderen. Dit laatste was het dominante CGT-model voor ME/cvs, maar na veelvuldige kritiek in de afgelopen jaren verliest het snel terrein.
Ten slotte willen wij de bevindingen van een opmerkelijke enquête vermelden. De Noorse ME/CVS-vereniging slaagde erin antwoorden te verzamelen van 5.822 ME/cvs-patiënten. Men moet dit soort enquêtes altijd met een korreltje zout nemen omdat de deelnemers misschien niet representatief zijn voor de patiëntenpopulatie in haar geheel. Maar in dit geval slaagden de auteurs erin een groot deel van de volledige Noorse ME/cvs-patiëntenpopulatie te betrekken. Er waren veel interessante bevindingen, maar één sprong eruit: er was een grote toename van het aantal nieuwe ME/cvs-gevallen in de periode rond 2009. De auteurs merken op: “we zien een piek die samenvalt met de varkensgriepepidemie”. Dat is niet vergezocht, want een fatsoenlijke wetenschappelijke studie uit 2015 rapporteerde een tweevoudig verhoogd risico op ME/cvs na besmetting bij de influenza A (H1N1)-pandemie van 2009.
De auteurs van de Noorse enquête breidden hun studie uit met antwoorden van ME/cvs-patiënten uit heel Europa. Zij ontvingen een enorme hoeveelheid van 12.197 antwoorden. Het zal interessant zijn om te zien of de incidentiepatronen rond de tijd van de pandemie van 2009 kunnen worden gerepliceerd.
Dat was het voor 2021. Wij wensen je allen fijne feestdagen en veel interessante ME/cvs-onderzoeksresultaten in 2022.
https://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/08/Website-nieuwsberichten-NIEUW-wetenschap-Terugblik-op-het-onderzoek-naar-MEcvs-in-2021.png9821700Yvonne van der Ploeghttps://me-cvsvereniging.nl/wp-content/uploads/2024/10/LOGO-cropped-ME_cvs_wit-1-1980x634-1-1024x328.pngYvonne van der Ploeg2021-12-29 22:23:432024-08-18 22:39:132021: terugblik op een jaar ME/cvs-onderzoek