Tag Archief van: metabolisme

Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn

Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum

Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).

ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties

Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.

Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!

Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l

Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)

Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn

Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.

Sessie 2: Diagnose I

Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland

De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.

Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)

De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.

Sessie 3: Diagnose II

Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn

De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.

Prof. Carsten Finke | Charité

De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.

Dr. Christian Veauthier | Charité

Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.

Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)

Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.

Wetenschappelijke posterpresentaties

Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland

Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.

Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland

De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.

Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk

In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.

Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen

Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.

Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland

In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland

Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.

Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland

In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.

Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland

Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.

Sessie 4: ME/cvs begrijpen I

Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)

De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen

Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.

Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.

Prof. Martina Seifert | Charité

De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.

Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena

De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.

Sessie 5: ME/cvs en PCS II

Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)

De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.

Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)

Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.

Sessie 6: ME/cvs begrijpen II

Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn

In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)

Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).

Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)

De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.

Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg

De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.

Sessie 7: Behandeling I

Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)

Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.

Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen

Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.

Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen

De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.

Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen

Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.

Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg

De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.

Sessie 8: Behandeling II

Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)

Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.

(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg

Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.

Dr. Elisa Stein | Charité

Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.

Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken

De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.

Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt

In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.

Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.

* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:

IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.

Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/

NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,

Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/

MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/

© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.

Verband tussen darmmicroben en ME/cvs

Door de NIH gefinancierde studies leggen een verband tussen veranderde darmmicroben en invaliderende chronische ziekte.

Onderzoekers hebben verschillen gevonden in het darmmicrobioom van mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) in vergelijking met gezonde controles. De bevindingen van twee studies, gepubliceerd in Cell Host & Microbe en gefinancierd door de National Institutes of Health, voegen zich bij het groeiende bewijs dat verstoringen in het darmmicrobioom, de volledige verzameling bacteriën, virussen en schimmels die in ons maag-darmstelsel leven, in verband brengt met ME/cvs.

“Het microbioom is naar voren gekomen als een potentiële bijdrager aan ME/cvs. Deze bevindingen bieden unieke inzichten in de rol die het microbioom speelt bij de ziekte en suggereren dat bepaalde verschillen in darmmicroben kunnen dienen als biomarkers voor ME/cvs,” aldus Vicky Whittemore, Ph.D., programmadirecteur bij het National Institute of Neurological Disorders and Stroke (NINDS) van de NIH.

ME/cvs is een ernstige, chronische en invaliderende ziekte die wordt gekenmerkt door een reeks symptomen, waaronder vermoeidheid, malaise na inspanning, slaapstoornissen, cognitieve problemen, pijn en maag-darmproblemen. De oorzaken van de ziekte zijn onbekend en er bestaan geen behandelingen.

In één studie analyseerden seniorauteur Brent L. Williams, Ph.D., assistent-professor, Dr. W. Ian Lipkin, John Snow Professor of Epidemiology en directeur van het Center for Infection and Immunity aan de Columbia University Mailman School of Public Health, in New York City, en hun medewerkers de genetische samenstelling van darmbacteriën in stoelgangstalen verzameld van een geografisch divers cohort van 106 mensen met ME/cvs en 91 gezonde controles. De resultaten onthulden belangrijke verschillen in microbiome diversiteit, hoeveelheid, metabolische reactiepaden, en interacties tussen soorten darmbacteriën.

Dr. Williams en zijn collega’s ontdekten dat mensen met ME/cvs abnormaal lage niveaus van verschillende bacteriesoorten hadden in vergelijking met gezonde controles, waaronder Faecalibacterium prausnitzii (F. prausnitzii) en Eubacterium rectale. Deze gezondheidsbevorderende bacteriën produceren een korteketenvetzuur, butyraat genaamd, een bacterieel metaboliet, of bijproduct, dat een belangrijke rol speelt bij het behoud van de darmgezondheid. Een acetaatproducerende bacterie was ook verminderd in monsters van mensen met ME/cvs.

Meer gedetailleerde metabolomische analyses bevestigden dat een vermindering van deze bacteriën gepaard ging met een verminderde butyraatproductie bij ME/cvs. Butyraat is de primaire energiebron voor cellen in de darm, die tot 70% van hun energiebehoefte leveren, het immuunsysteem van de darm ondersteunen en bescherming bieden tegen ziekten van het spijsverteringskanaal. Butyraat, tryptofaan en andere metabolieten in het bloed zijn belangrijk voor de regulering van het immuunsysteem, de stofwisseling en de endocriene functies.

Terwijl species van butyraatproducerende bacteriën afnamen, waren er verhoogde niveaus van negen andere species bij ME/cvs, waaronder Enterocloster bolteae en Ruminococcus gnavus, die in verband worden gebracht met respectievelijk auto-immuunziekten en inflammatoire darmziekten.

De groep van Dr. Williams rapporteerde ook dat een overvloed aan F. prausnitzii omgekeerd evenredig was met de ernst van de vermoeidheid bij ME/cvs, wat wijst op een mogelijk verband tussen darmbacteriën en ziektesymptomen. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen of verschillen in het darmmicrobioom een gevolg of een oorzaak van de symptomen zijn.

De bevindingen wijzen erop dat een onevenwicht in deze 12 soorten bacteriën zouden kunnen worden gebruikt als biomarkers voor een classificatie van ME/cvs, waardoor mogelijk consistente, meetbare doelen worden geboden om de diagnose te verbeteren.

Het darmmicrobioom is een ecosysteem met complexe interacties tussen bacteriën, waarbij microben voedingsstoffen, metabolieten of andere moleculaire signalen kunnen uitwisselen of met elkaar concurreren. Onderzoekers vonden opmerkelijke verschillen in het netwerk van interacties tussen species bij mensen met ME/cvs, waaronder unieke interacties tussen F. prausnitzii en andere species. Dit wijst op een uitgebreide herschikking van bacteriële netwerken bij ME/cvs.

“Naast verschillen in individuele species bij ME/cvs, kan het richten van een focus op de interactiedynamiek van de gemeenschap meer specificiteit toevoegen aan de brede definitie van dysbiose, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen andere ziekten waarbij het darmmicrobioom uit balans raakt,” aldus Dr. Williams. “Dit is ook belangrijk voor het genereren van nieuwe toetsbare hypotheses over de onderliggende mechanismen en mediatoren van dysbiose bij ME/cvs en kan uiteindelijk informatie verschaffen over strategieën om deze disbalansen te corrigeren.”

Een evenwichtig microbioom is ook essentieel voor verschillende neurale systemen, in het bijzonder de immuunregulatie en de koppeling tussen energiemetabolisme en bloedtoevoer in de hersenen, alsook de functie van de zenuwen die de darmen bevoorraden.

In een andere studie aan het Jackson Laboratory in Farmington, Connecticut, werkten Julia Oh, Ph.D., universitair hoofddocent, en Derya Unutmaz, M.D., professor, samen met andere ME/cvs-deskundigen om afwijkingen in het microbioom te bestuderen in verschillende fasen van ME/cvs. Het team van Dr. Oh verzamelde en analyseerde klinische gegevens, stoelgangstalen en bloedmonsters van 149 mensen met ME/cvs die binnen de afgelopen vier jaar waren gediagnosticeerd (74 op korte termijn) of die meer dan 10 jaar geleden waren gediagnosticeerd (75 langdurig) en 79 gezonde controles.

Uit de resultaten bleek dat de kortetermijngroep minder microbiële diversiteit had, terwijl de langdurig zieke groep een stabiel, maar geïndividualiseerd darmmicrobioom opbouwde dat vergelijkbaar was met dat van gezonde controles. Dr. Oh en haar collega’s vonden lagere niveaus van verschillende butyraatproducerende species, waaronder F. prausnitzii, vooral bij de kortdurende zieke deelnemers. Er was ook een vermindering van species geassocieerd met tryptofaanmetabolisme bij alle deelnemers met ME/cvs in vergelijking met controles.

De groep van Dr. Oh verzamelde ook gedetailleerde klinische en levensstijlgegevens van de deelnemers. Door deze gegevens te combineren met genetische en metabolome gegevens, ontwikkelde het team een manier om ME/cvs nauwkeurig te classificeren en te onderscheiden van gezonde controles. Met behulp van deze aanpak vonden zij dat personen met langdurige ME/cvs een evenwichtiger microbioom hadden, maar meer ernstige klinische symptomen en progressieve metabole onregelmatigheden vertoonden in vergelijking met de andere groepen.

Beide studies identificeren potentiële biomarkers voor ME/cvs, die informatie kunnen verschaffen voor diagnostische testen en ziekteclassificatie. Inzicht in het verband tussen verstoringen in het darmmicrobioom en ME/cvs kan ook de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen sturen.

Aanvullend onderzoek is nodig om meer te weten te komen over de pathofysiologische implicaties van butyraat en andere metaboliettekorten bij ME/ccvs. Toekomstige studies zullen bepalen hoe verstoringen van de darmmicroben bijdragen tot de symptomen, met inbegrip van veranderingen tijdens de ziekteprogressie.

De studies werden gedeeltelijk gefinancierd door het Collaboratief Onderzoeksnetwerk voor ME/cvs van de NIH, een consortium dat wordt ondersteund door meerdere instituten en centra van de NIH, bestaande uit drie collaboratieve onderzoekscentra en een coördinatiecentrum voor gegevensbeheer. Het onderzoeksnetwerk werd in 2017 opgericht om het onderzoek naar ME/cvs vooruit te helpen. Het onderzoek werd ondersteund door een subsidie van het NINDS U54NS105539, subsidies van het National Institute of Allergy and Infectious Diseases U54AI138370 en R56AI120724, en anonieme donoren via het Crowdfunding Microbe Discovery Project.

NINDS is ‘s lands grootste financierder van onderzoek naar de hersenen en het zenuwstelsel. De missie van het NINDS is het zoeken naar fundamentele kennis over de hersenen en het zenuwstelsel en het gebruik van die kennis om de last van neurologische ziekten te verminderen.

Over de National Institutes of Health (NIH): NIH, de nationale instantie voor medisch onderzoek, omvat 27 instituten en centra en is een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Human Services. NIH is het belangrijkste federale agentschap dat fundamenteel, klinisch en translationeel medisch onderzoek uitvoert en ondersteunt, en onderzoek doet naar de oorzaken, behandelingen en genezing van zowel veel voorkomende als zeldzame ziekten. Ga voor meer informatie over NIH en haar programma’s naar www.nih.gov.

NIH…Turning Discovery Into Health®

Artikelen:
Guo, et al. Deficient butyrate-producing capacity in the gut microbiome is associated with bacterial network disturbances and fatigue symptoms in ME/CFS. Cell Host & Microbe, February 8, 2023. DOI: 10.1016/j.chom.2023.01.004.

Xiong, et al. Multi-‘omics of host-microbiome interactions in short- and long-term Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome (ME/CFS). Cell Host & Microbe, February 8, 2023. DOI: 10.1016/j.chom.2023.01.001.

© NIH, 8 februari 2023. Vertaling ME-gids.

Legt ME/cvs studie van Lipkin de stukjes bij elkaar?

Alles bij elkaar nu? Heeft Lipkins laatste studie van ME/cvs de stukjes bij elkaar gelegd?

Het mooie van Ian Lipkins laatste werk over ME/cvs is hoe goed alle resultaten bij elkaar passen. Health Rising rapporteerde eerder over de voorpublicatie van deze paper, maar de definitieve versie die onlangs uitkwam, heeft een aantal zaken verder uitgewerkt.

Deze grote door de NIH-gefinancierde studie van Ian Lipkin had verschillende voordelen. Het was groter en het beoordeelde meer metabolieten dan enig ander onderzoek; het gebruikte door ME/cvs-deskundigen gediagnosticeerde patiënten en gebruikte, in zijn woorden, “volledige en zorgvuldige statistische benaderingen”; met andere woorden, het is een rigoureuze en betrouwbare metabolomische studie.

Kortom, het is een belangrijke paper – en tjonge, wat waren de bevindingen interessant – niet alleen omdat ze een potentiële nieuwe speler aanwezen – peroxisomen – maar vanwege hoe goed ze allemaal bij elkaar passen – en dat is waar deze blog zich op zal richten.

Alles bij elkaar nu

Metabolisme is belangrijk. In sommige opzichten is het het belangrijkste. Het gaat over niets minder dan de “chemische processen die in een levend organisme plaatsvinden om het leven in stand te houden”. Het afbreken van voedsel om energie, eiwitten, of vetten, enz. te leveren, is metabolisme. Dat geldt ook voor de synthese van eiwitten, koolhydraten en vetten. Elke chemische reactie waarbij een verbinding wordt omgezet in iets anders, valt onder de noemer metabolisme.

Mogelijk verstoorde metabole reactiepaden bij ME/cvs © Overgenomen van Health Rising

Het is het metabolisme dat de soms enorme, duizelingwekkende schema’s van metabole reactiepaden produceert. Als een deel van een reactiepad geblokkeerd raakt, worden de opwaartse delen van het reactiepad opgebouwd en de neerwaartse delen van het reactiepad verminderd. Of, als een bepaald reactiepad zwaar getroffen wordt door iets (infectie, toxine, etc.) zal dat zichtbaar worden. Het zijn dit soort afwijkingen waar metabolomische studies naar zoeken.

In principe zoeken we met metabolomische studies naar problemen in de chemische reacties die het leven in stand houden. Aangezien voor chemische reacties energie nodig is, kunnen problemen met de energieproductie in deze studies duidelijk naar voren komen – en in deze studie was dat het geval.

Studiebevindingen

Kleine organellen laten zich op een grote manier zien. Het peroxisoom is de kleine blauwe cirkel links in de getekende cel.

Vetzuurafbraak – Vermindering van plasmalogenen die de fosfolipiden beschermen die op hun beurt de zo belangrijke celmembranen (de “huid” rond de cel) ondersteunen, wees met een pijl naar de peroxisomen – kleine organellen in de cellen die ze produceren.

Peroxisomen doen echter veel meer dan plasmalogenen produceren. Ze breken ook zeer langeketenvetzuren af in de korteketenvetzuren die onze mitochondriën gebruiken om energie te produceren. Als die vetzuren niet worden afgebroken, hebben de mitochondriën geen belangrijke energiebron meer.

Dat is precies wat deze studie suggereert dat zou kunnen gebeuren bij ME/cvs. De auteurs geloven dat het de verbinding tussen het peroxisoom-vetzuren-mitochondriën is doorgesneden.

“Wij stellen dat deze wisselwerking tussen mitochondriën en peroxisomen een belangrijke rol speelt bij het handhaven van de energiehomeostase en dat ontregeling bijdraagt tot de vermoeidheid en cognitieve disfunctie die kenmerkend zijn voor ME/cvs.”

Dat was nog niet alles. De studie vond ook verlaagde niveaus van carnitine. Carnitine speelt een sleutelrol in het transport van, jawel, langeketenvetzuren van het cytoplasma van de cel naar de mitochondriën. Deze studie suggereert al dat twee processen die betrokken zijn bij het verkrijgen van langeketenvetzuren in de mitochondriën een klap hebben gekregen bij ME/cvs.

Verschillende bevindingen wijzen erop dat de membranen rond de mitochondriale en andere cellen te lijden hadden.

Dat is echter niet het enige wat carnitine doet. Omdat carnitine ook de celmembranen helpt in stand te houden, bedreigen de lage carnitineniveaus ook de stabiliteit van de zo belangrijke celmembranen, waardoor ze gemakkelijker beschadigd raken door bijvoorbeeld ontstekingen en oxidatieve stress.

Alsof het uithongeren van de mitochondriën van essentiële voedingsstoffen nog niet genoeg was, kan een laag carnitinegehalte leiden tot de productie van langeketentriglyceriden – belangrijke doelwitten voor aanvallen van vrije radicalen – waardoor de mitochondriale membranen mogelijk beschadigd raken.

Een laag carnitineniveau kan een groot probleem blijken te zijn omdat het ook een schakelaar kan omzetten waardoor de peroxisomen carnitine gaan produceren, die hun vermogen om langeketenvetzuren af te breken, vermoedelijk afremt.

Omdat peroxisomen ook het opruimen van vrije radicalen (reactieve zuurstofcomponenten (ROS)) reguleren, zou een verminderde werking van peroxisomen ook kunnen bijdragen aan een puinhoop van ontsteking.

Dat brengt ons terug bij de celmembranen die de cel beschermen – een doelwit bij uitstek van vrije radicalen. Tot nu toe hebben we twee potentiële treffers voor hen (lage plasmologenen en carnitineniveaus), en nu komt er een derde: lage niveaus van een belangrijk membraanbestanddeel – fosfatidylcholine (PC).

De PC-depletie suggereert dat nog een ander belangrijk transportmechanisme naar de mitochondria verstoord is bij ME/cvs. Lage PC’s kunnen het transport van eiwitten naar de mitochondria onderbreken – wat de mitochondriale productie verder remt.

En dat is nog niet alles. Lage PC-niveaus kunnen ook het vermogen aantasten van eiwittranslocasen die eiwitten door de verschillende membranen in de mitochondriën vervoeren en ze naar hun juiste plaats leiden. Problemen met deze eiwittranslocases hebben een directe invloed op het vermogen van de mitochondria om ATP of energie te produceren.

Kijk eens hoe snel een reeks potentiële problemen in de mitochondria zijn opgedoken:

  • Problemen met het afbreken van langeketenvetzuren, zodat de mitochondriën ze kunnen gebruiken,
  • Problemen met het transport van de vetzuren naar de mitochondriën,
  • Beschadiging van de celmembranen die de mitochondriën (en andere cellen) beschermen tegen beschadiging,
  • Problemen met het transport van cruciale eiwitten naar de verschillende compartimenten van de mitochondria.

Er kwam echter nog meer.

De auteurs meldden dat de lage niveaus van lysofosfatidylcholines, fosfolipide-ethers, en prostaglandines (D2, F2α) in verband werden gebracht met mitochondriale schade en/of verhoogde oxidatieve stress, wat, gezien de slechte staat waarin de mitochondriale membranen lijken te verkeren, geen gelukkige situatie is.

Over die membranen… de lage gehaltes aan PC’s, ceramiden, sfingomyelinen en fosfolipide-ethers leveren verder bewijs van membraanschade, aangezien deze allemaal een belangrijke rol spelen die ook in de membranen te vinden is. Cellen krijgen hun orders via receptoren in hun membranen. Omdat ceramiden een belangrijke rol spelen bij de voortplanting van signalen door de membranen, kunnen de aangetroffen lage ceramideniveaus cellen doden in het water, dat niet in staat is om te reageren op de signalen die het krijgt.

Vervolgens kwamen lage niveaus van choline – essentieel voor de productie van fosfatidylcholines (PC) – die, zoals eerder werd opgemerkt, laag waren. De lage niveaus van choline voldeden niet aan de statistische criteria die nodig zijn voor significantie – maar het kwam in de buurt.

Omdat choline ook de werking van de G-proteïnegekoppelde receptoren verbetert die de werking van het autonome zenuwstelsel (AZS) regelen en ook een rol spelen bij de productie van epinefrine, stelden de auteurs dat de lagere cholineniveaus de werking van het AZS zouden kunnen beïnvloeden, wat zou kunnen resulteren in problemen met de bloedstroom en zuurstoftoevoer naar de weefsels.

Conclusie

De samenhang van de bevindingen maakte deze studie zo intrigerend – elke belangrijke bevinding leek op de een of andere manier bij elkaar te passen. Wat we echt van een studie verlangen, is het vermogen om een biologisch verhaal te vertellen, en deze studie deed dat zeker met betrekking tot de mitochondriën.

Natuurlijk mogen we niet vergeten dat correlatie geen oorzakelijk verband is, en dat het lichaam zeer complex is en ons vaak voor de gek kan houden, en dat ook doet. De auteurs zeiden dit met zoveel woorden. Terwijl ze de sterke punten van de studie vermelden (streng gedefinieerde patiënten, een “volledige en zorgvuldige statistische benadering”, enz.), verklaarden de auteurs dat het “absoluut noodzakelijk was dat de geldigheid van de nieuwe bevindingen die hier gerapporteerd worden, onafhankelijk getest worden in andere cohorten”, en dat men grotere studies met meer ME/cvs-patiënten zou doen.

Toch is het opduiken van zo’n coherent patroon van disfunctie niets anders dan bemoedigend, vooral omdat één van de centrale bevindingen – problemen met het metabolisme van langeketenvetzuren – ook gevonden werd door de onderzoeksgroep van Fisher in Australië.

De financiering voor de door de NIH gefinancierde ME/cvcs-onderzoekscentra is hernieuwd – op hetzelfde erbarmelijke niveau waarmee ze is begonnen – en wat sommige onderzoekers deed terugdeinzen.

Ik weet niet hoeveel langer de NIH de farce kunnen volhouden van het uitgeven van meer dan een miljard dollar aan langdurige/long COVID terwijl ME/cvs wordt genegeerd, maar laten we hopen dat studies zoals deze van Lipkin en die van Maureen Hanson door de NIH-gefinancierde centra van gedachten zullen doen veranderen, en Lipkin in staat zal zijn om de financiering te krijgen om een grotere studie te doen die zowel ME/CVS als long COVID-patiënten bevat, een die in staat is om definitieve resultaten te verkrijgen.

Het ME/cvs-veld loopt immers ver voor op het peloton wat betreft de mitochondria en metabolomica. ME/cvs-onderzoekers hebben zich ongeveer zes jaar geleden op metabolomica gestort, en sindsdien zijn er veel studies gedaan, maar er zijn weinig metabolomiastudies gedaan bij long COVID, en geen enkele die de sofisticering van deze benadert. Ook de mitochondriën zijn niet veel bestudeerd bij long COVID. Men hoopt dat long COVID en onderzoekers van RECOVER Initiative een oogje houden op de mitochondriale en metabolomische bevindingen bij ME/cvs.

De studies die naar long COVID gedaan zijn, suggereren dat de mitochondriën getroffen zijn, en een recente hypothesepaper stelde dat “metabolome verstoring van NAD+” een centrale rol speelt in de aandoening, en suggereert hierbij om studies met intraveneuze NAD+ te beginnen.

De kernpunten

  • We zijn terug voor ronde 2. We graven twee keer in dezelfde paper – min of meer. De formele publicatie van Ian Lipkins door de NIH-gefinancierde metabolomische studie heeft de eerdere conceptpublicatie van dezelfde studie verder uitgewerkt.
  • Wat zo opvallend was aan deze studie, was de samenhang ervan.  Stap voor stap leken de studieresultaten in buitengewone mate op elkaar voort te bouwen – wat uiteindelijk een beeld opleverde van mogelijk beschadigde mitochondriën die moeite hadden om hulpmiddelen te krijgen.
  • Eerst zien we tekenen dat de peroxisomen – kleine organellen in de cel – niet goed werken. Peroxisomen doen twee zeer belangrijke dingen: ze breken langeketenvetzuren af in componenten die de mitochondriën kunnen gebruiken – en ze produceren de verbindingen die fosfolipiden worden genoemd en die de celmembranen beschermen.
  • De lage carnitinegehaltes die ook gevonden werden, versterkten diezelfde problemen omdat carnitine vetzuren naar de mitochondria transporteert en ze spelen ook een sleutelrol in de celmembranen.
  • Een laag carnitinegehalte kan een groot probleem blijken te zijn, omdat het ook een schakelaar kan omzetten die de peroxisomen opdraagt carnitine te gaan produceren – waardoor hun vermogen om langeketenvetzuren af te breken, vermoedelijk wordt belemmerd.
  • Omdat peroxisomen ook het opruimen van vrije radicalen (reactieve zuurstofcomponenten (ROS) reguleren, zou een verminderde werking van de peroxisomen ook kunnen bijdragen aan een puinhoop van ontstekingen.
  • Dat brengt ons terug bij de membranen die de cellen beschermen – inclusief de mitochondriën. Lage niveaus van een belangrijke membraancomponent – fosfatidylcholine (PC) – zou nog meer problemen kunnen betekenen voor de mitochondriale membranen en het mitochondriaal functioneren.
  • Bovendien kunnen de lage PC-niveaus ook een ander transportmechanisme naar de mitochondriën belemmeren. Een laag PC-gehalte kan het transport van eiwitten naar de mitochondria onderbreken, waardoor de mitochondriale productie verder wordt geremd.
  • Tot dusver hebben we bewijs van uitgehongerde mitochondriën die door vrije radicalen worden platgewalst.
  • De auteurs waren echter nog niet klaar. Daarna kwamen lage niveaus van verschillende verbindingen die wijzen op mitochondriale schade en/of beschadigde membranen. 
  • Ten slotte, een niet geheel statistisch significante daling in cholineniveaus zou kunnen bijdragen aan disfunctie van het autonome zenuwstelsel.
  • De bevindingen leken vrij overtuigend gezien de strenge aard van de studie, en gelijkaardige bevindingen betreffende problemen met langeketenvetzuren bij ME/cvs. De auteurs waarschuwden echter dat het “noodzakelijk is dat de geldigheid van de nieuwe bevindingen die hier gerapporteerd worden onafhankelijk getest worden in andere cohorten” en dat grotere studies met meer ME/cvs-patiënten gedaan worden”.
  • Laten we hopen dat dit gebeurt en dat Lipkin en anderen een kans krijgen om zowel ME/cvs als long COVID-patiënten te bestuderen in grotere studies. Met weinig studies naar long COVID die de mitochondriën of het metaboloom onderzoeken, laten we ook hopen dat onderzoekers naar long COVID – in het bijzonder het RECOVER Initiative van de NIH – een oogje in het zeil houden bij studies naar ME/cvs.
  • Ondertussen geeft de NIH op de een of andere manier nog steeds meer dan een miljard dollar uit aan long COVID terwijl ze vrijwel niets uitgeven aan haar zusterziekte ME/cvs.  Terwijl het de ME/cvs-onderzoekscentra vernieuwt, worden ze gefinancierd op hetzelfde schamele niveau als vijf jaar geleden. Hopelijk zal dat op een gegeven moment veranderen.

© Health Rising, 21 augustus 2022.
https://www.healthrising.org/blog/2022/08/21/lipkin-chronic-fatigue-syndrome-puzzle/

Vertaling ME-gids.

Elektronen microscoop toont veranderingen in ME/cvs immuuncellen

De studie werd uitgevoerd door: Fereshteh Jahanbani, Rajan D. Maynard, Justin Cyril Sing, Shaghayegh Jahanbani, John J. Perrino, Damek V. Spacek, Ronald W. Davis,Michael P. Snyder

De studie werd gefinancierd door het Amerikaanse National Institute of Health, de Open Medicine Foundation en een anonieme donor.

Deze studie deed onderzoek met een speciale elektronenmicroscoop (TEM) en vond o.a. zichtbare afwijkingen aan bloedplaatjes en mitochondriën.

Pilot-studie of verkennende studie

Dit is wetenschappelijk onderzoek waarbij er vooraf onderzoek wordt gedaan naar een onderwerp om alvast te verkennen wat je voor resultaten kunt verwachten als je het grote onderzoek uitvoert. Het is soms ook een manier om bijvoorbeeld vragenlijsten of onderzoeksmethoden eerst in de praktijk uit te testen. Het is dus ook nog geen grote studie. Daarom moeten de resultaten voorzichtig geïnterpreteerd worden en is een grotere studie in meerdere centra nodig om het resultaat “robuust” te kunnen noemen.

Voorgaande resultaten uit andere studies

Eerdere studies naar ME/cvs hebben al veranderingen aangetoond in het immuunsysteem en in de mitochondriën.

In het artikel over de studie worden de volgende resultaten genoemd:

  • ontregeling van een aantal belangrijke systemen die samenwerken: het neuro-immuun-metabool-endocrien-microbioom circuit.
  • veranderingen in de immuuncelfunctie
  • veranderingen in aantal en functie van
    • T-cellen,
    • B-cellen
    • natural killer (NK)-cellen
  • veranderingen in cytokineproductie en chromatinelandschap
  • metabole stoornissen en mitochondriale afwijkingen. Mitochondriën spelen een sleutelrol bij aangeboren en adaptieve reacties van het immuunsysteem, helpen ontstekingen op te lossen en homeostase te behouden. Het zijn de ‘krachtcentrales’ van de cel vanwege hun cruciale rol in de energieproductie.
  • mitochondriale disfunctie als een belangrijke oorzaak van een reeks ME/cvs-symptomen, waaronder:
    • spierzwakte,
    • pijn,
    • cognitieve achteruitgang
    • de dynamiek van deze symptomen
  • cellulaire bio-energetica is aangetast, zoals:
    • basale ademhaling
    • ATP-productie
    • maximale ademhaling en reservecapaciteit
  • oxidatieve stress
  • afwijkende immuunreacties
  • mitochondriale ontregeling

Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de manier waarop immuuncellen, mitochondriën en andere celorganellen van vorm en functie veranderen bij ME/cvs. De weinige onderzoeken die wèl zijn uitgevoerd hebben vooral mitochondriale afwijkingen in spiercellen onderzocht.

Hypothese

ME/cvs is een multisysteemziekte en er is ook sprake is van ontregeling van het immuunsysteem. Daarom veronderstelden de onderzoekers dat de immuuncellen en de structuur van een cel, (zoals die is te zien door een elektronenmicroscoop) van de organellen van deze immuuncellen mogelijk door ME/cvs veranderd zouden kunnen zijn.

Elektronenmicroscoop

Deze studie bestudeerde hoe wel en niet geactiveerde immuuncellen en de “orgaantjes” in de cellen zelf (organellen) er uitzagen met een speciale elektronenmicroscoop. Mitochondriën zijn ook organellen, de kleine energiefabriekjes in je cellen. Er werd o.a. onderzoek gedaan naar de mitochondriën.

Ze maakten daarbij gebruik van een speciale elektronenmicroscoop (TEM). Dit levert hele scherpe beelden op, zodat je de structuur van een cel heel goed in detail kunt bekijken.

PBMC’s

De cellen met één enkele kern uit perifeer bloed werden onderzocht, deze worden PBMC’s genoemd, dit zijn de cellen die zich buiten de organen en het beenmerg bevinden. In deze cellen vind je een aantal bestanddelen die zichtbaar zijn en al vaker zijn onderzocht bij ME/cvs, zoals o.a. de T-cellen, B-cellen, NK-cellen.

Deelnemers

De PBMC’s van vier deelnemers werden bestudeerd:

  • een eeneiige tweeling waarvan één met matige ME/cvs had en de ander gezond was
  • twee niet-verwante proefpersonen die qua leeftijd, geslacht en BMI overeenkwamen – één met een zeer ernstige vorm van ME/cvs en de andere gezond.

De patiënten met ME/cvs voldeden beiden aan de Canadese Consensus Criteria, de Internationale Consensuscriteria en de IOM criteria.

Resultaten:

Celdood: Apoptose en Necrose

In bepaalde T-cellen (CD3/CD28-geactiveerd) vond men een aanzienlijke (meer dan twee keer zo grote) toename van celdood. De cel vernietigt daarbij zichzelf en het DNA wordt gefragmenteerd. Bij necrose blijft er materiaal achter dat door het immuunsysteem moet worden opgeruimd.

Al langer beschouwt de wetenschap het bestaan ​​van chronische bacteriële infecties bij ME/cvs is als één van de belangrijkste  oorzaken van het ontstaan en de uitingsvorm van de ziekte.

Versnelde en ernstiger celdood in deze door antigenen gestimuleerde T-cellen bij ME/cvs-patiënten zou kunnen leiden tot chronische aanhoudende infectie en een verminderd vermogen om te vechten tegen binnendringende ziektekiemen.

Gezwollen mitochondriën

Geactiveerde T-cellen van ME/cvs-patiënten hadden ook hogere aantallen gezwollen mitochondriën.

Stoornis in opslag lipiden

In de geactiveerde PBMC’s van de zeer ernstig zieke ME/cvs patiënt vonden ze een grote toename van binnen in de cel aanwezige gigantische lipidedruppelachtige organellen. Organellen zijn de orgaantjes van een cel. Iedere cel heeft z’n eigen verzameling organellen, afhankelijk van de functie van de cel. De cel en ook de organellen worden omgeven door een dubbel vetachtig membraan, de fosfolipiden. Dit kan erop wijzen dat er sprake is van een stoornis in de opslag van lipiden.

Significant meer groot formaat bloedplaatjes en licht toegenomen klontering van bloedplaatjes

De onderzoekers vonden ook een lichte toename van klontering van bloedplaatjes in de geactiveerde cellen (bloedstolling). Dit zou kunnen wijzen op  een mogelijke rol van (verhoogde) activiteit van de bloedplaatjes bij het ontstaan van ME/cvs, de manier waarop ME/cvs zich uit en ook bij de ernst van de ziekte.

Een aantal eerdere studies wijst op toegenomen klontering van het bloed bij ME/cvs, mogelijk is dit een hyperactivatie van bloedplaatjes als reactie op verstoringen van het immuunsysteem of infecties.

Morfologische veranderingen in de immuuncellen

Er zijn uitgebreide morfologische veranderingen gezien (uiterlijk, vorm, afmeting etc.) in de immuuncellen van ME/cvs patiënten. En deze veranderingen waren zowel in het genotype (dat wat je is aangeboren) als in het fenotype (dat wat je later verworven hebt) zichtbaar.

Mestcelactivatie en Meervoudige Chemische Overgevoeligheid

Het hyperactiveren van bloedplaatjes kan bijdragen tot de hoofdkenmerken van ME/cvs en co-morbiditeiten (bijkomende aandoeningen) zoals Meervoudige Chemische Overgevoeligheid (MCS). Mensen met MCS worden ziek van bepaalde chemische en/of natuurlijke stoffen zoals parfums, uitlaatgassen, geurtjes, haarlak, etc. MCS houdt grotendeels verband met mestcel activatie, een bekende aanstuurder van allergische reacties.

Histamine, serotonine, inflammatoire stoffen: Allergische reacties

Activatie en uiteenvallen van zowel mestcellen als bloedplaatjes kan leiden tot de afgifte van histamine, serotonine en vele inflammatoire stoffen. Dit kan weer leiden tot een breed scala van allergische reacties (voedsel, stoffen in de lucht, medicatie) en ook aandoeningen tot gevolg hebben zoals astma, luchtwegaandoeningen of maag-darm problemen.

Dit onderzoek roept veel interessante vragen op, die meerdere lichaamssystemen die betrokken zijn bij ME/cvs met elkaar in verband brengen.

Er is onderzoek nodig in een grotere groep ME/cvs patiënten.

Het volledige artikel (in het Engels) lees je hier.

Samenvatting: ME/cvs Vereniging

7x wetenschappelijk onderbouwd

  1. ME-patiënten hebben tekorten in drie organen die van belang zijn voor de hormonale balansen in het lichaam, dit wordt de hypothalamus-hypofyse-bijnier as genoemd. Belangrijk is dat de tekorten die worden waargenomen bij ME-patiënten verschillen van de tekorten die worden waargenomen bij depressie.
  2. Cognitieve problemen worden vaak waargenomen, het vermogen van de hersenen om informatie te verwerken wordt vertraagd en het geheugen is aangetast. Belangrijk is dat de beperkingen niet consistent zijn met de aanwezigheid van psychische aandoeningen.
  3. De recentste resultaten uit fMRI beeldvormend onderzoek tonen aan dat ME-patiënten anders reageren op geluids- en visuele prikkels en geheugen. ME-patiënten hebben ook gewijzigde verbindingen tussen verschillende hersenregio’s die mogelijk verklaren waarom zij cognitieve beperkingen hebben.
  4. De recentste studies op het gebied van beeldvormend hersenonderzoek tonen ook aan dat ME-patiënten wijdverspreide herseninflammatie (neuroinflammatie) hebben en verhoogd lactaat in de hersenen. Ruggenmergvocht bevat bij ME/cvs ook toegenomen niveaus van eiwitten die betrokken zijn bij beschadiging en reparatie van weefsel.
  5. ME-patiënten hebben gebrek aan “energie” omdat hun cellen een probleem hebben met het genereren (en/of mogelijk gebruiken) van energie uit zuurstof (aerobe metabolisme), suiker (anaerobe metabolisme), lipiden (vetzuur oxidatie) en aminozuren.
  6. Veel studies hebben gerapporteerd dat ME-patiënten immuunproblemen hebben. Zo zijn bijvoorbeeld de niveaus in het bloed van pro-inflammatoire signalerende proteïnen (cytokinen) significant hoger bij ME-patiënten, waarbij de ziekste patiënten de hoogste niveaus van cytokinen in hun bloed hebben.
  7. Tot slot hebben meerdere studies aangetoond dat ME-patiënten door inspanning zieker worden, dat zij verhoogde niveaus van pro-inflammatoire cytokines, een lagere hartslag, lagere bloeddruk en een lager aeroob metabolisme hebben.

Meer details lees je hier.

Met dank aan Dr. Mark Guthridge voor het kort samenvatten van dit artikel op Twitter. 

Inspanningsintolerantie uniek voor ME/cvs?

Lichaamsbeweging is zoiets als een universeel medicijn. Het wordt aan vrijwel iedereen en bij elke ziekte aanbevolen, ongeacht hoe oud of ziek je bent. Stoppen met bewegen zorgt voor veel meer problemen en is zelfs bijna even schadelijk als roken. Het is dus niet vreemd dat artsen ME/cvs niet begrijpen. Het probleem met de inspanningsintolerantie is in tegenspraak met alles wat ze weten en eerder hebben gezien.

Een tweedaags inspanningsonderzoek bleek een zegen voor ME/cvs-patiënten. Het toonde aan wat iedereen met ME/cvs weet, maar wat weinig artsen begrijpen:

“Lichaamsbeweging, en met name grote inspanning, maakt dat we ons slechter voelen”.

De grote vraag waarmee onze ziekte zich geconfronteerd ziet, heeft betrekking op de uniekheid ervan. Zijn we echt de uitzondering in de medische wereld? Of zijn er een paar inspanningsintolerante kameraden met wie we onze ellende of, beter nog, onze bevindingen kunnen delen?

Tweedaagse inspanningsonderzoeken

Eerdere onderzoeken laten zien dat mensen met hartfalen, pulmonale hypertensie, cystische fibrose, een milde vorm van COPD, of een beroerte, allemaal op een fiets kunnen springen. Ze kunnen zich helemaal suf trainen en de volgende dag wéér op de fiets springen met dezelfde hoeveelheid energie. Het is opmerkelijk dat zelfs ernstig zieke mensen op een bepaalde dag tot het uiterste kunnen trainen en de volgende dag hetzelfde kunnen. En dit zonder enige afname van hun vermogen om energie te produceren.

Dit soort uitkomsten, waaruit blijkt dat ernstig zieke mensen dezelfde energie kunnen produceren op de tweede dag van een test met maximale inspanning, zijn zó consistent dat men, buiten ME/cvs, is gestopt met deze tweedaagse inspanningsonderzoeken.

In de meeste onderzoeken werden de prestaties van ME/cvs-patiënten vergeleken met die van een gezonde controlegroep. Maar twee andere onderzoeken, waarin andere vermoeidheidsziekten werden meegenomen, werpen een nieuw licht op de cruciale vraag over hoe uniek de inspanningsintolerantie bij ME/cvs is.

Resultaten van het Larson/Workwell-onderzoek

Het meest recente onderzoek is de Larson/Workwell serie. Hierin werden de resultaten van een tweedaags maximaal CPET-onderzoek bij zes vrouwen (overeenkomend in leeftijd en BMI) vergeleken.

In de groep van 6 vrouwen bevonden zich:

  • een vrouw met een zittend leven die verder gezond is,
  • een actief iemand zonder vermoeidheidsklachten,
  • iemand met multiple sclerose (MS).,
  • iemand met HIV,
  • een slechter functionerende ME/cvs-patiënt (lage energieproductie, lage maximale zuurstofopname (VO2)),
  • een beter functionerende ME/cvs-patiënt (hogere energieproductie, hoge maximale zuurstofopname (VO2)).

Zowel de MS- als de HIV-patiënt ervoeren hoge vermoeidheidsniveaus. Maar beiden waren in staat om hun energieproductie bij de tweede inspanningstest te herhalen. In werkelijkheid verbeterde zelfs iedereen hun inspanningsvermogen bij de tweede test. Dit was niet het geval bij de twee ME/cvs-patiënten. De inspanning op dag 1 maakte de inspanning op dag 2 onmogelijk.

De inspanningstesten lieten een paar interessante trends zien. Beide ME/cvs-patiënten lieten een “substantiële afname van elke variabele op de anaerobe grens” zien bij hun tweede test. Ondanks een beter niveau van functioneren, had de beter functionerende ME/cvs-patiënt een grotere terugval in energieproductie bij de tweede inspanningstest – een opmerkelijke 30% – dan de slechter functionerende patiënt (16%). Dat toont aan hoe lastig het is om in te schatten hoe groot de metabolische invloed van inspanning kan zijn, zelfs voor beter functionerende patiënten. De inspanningsscores van de slechter functionerende patiënt doen vermoeden dat elke activiteit die intenser is dan rustig wandelen, staand afwassen of het bespelen van een muziekinstrument waarschijnlijk “leidt tot een overmatige activering van verstoorde metabolische verbindingen.”

Alles bij elkaar betekent dit dat:

  • De MS- en HIV-patiënt en een gezonde controlegroep konden zich aanpassen aan de inspanning en werden sterker bij de tweede inspanningstest,
  • De ME/cvs-patiënten verslechterden significant op nagenoeg elke parameter.

Eén punt voor een unieke inspanningsintolerantie bij ME/cvs.

Resultaten van het Hodges-onderzoek

In het Hodges-onderzoek deden ME/cvs-patiënten (n=10), MS-patiënten (n=7) en een gezonde controlegroep (n=17) een tweedaags inspanningsonderzoek. In vergelijking met de gezonde controlegroep, bleek uit dit onderzoek een significant lagere inspanningslast op de anaerobe drempel bij ME/cvs-patiënten op de tweede dag. MS-patiënten konden bij de tweede inspanningstest dezelfde inspanningslast hebben als bij de eerste.

Inspanningslast verwijst naar het vermogen dat de deelnemers kunnen produceren. Naarmate de test vordert, neemt de weerstand op de pedalen toe, waardoor de deelnemers steeds meer kracht moeten zetten om ze te bewegen.

De significant verminderde inspanningslast op de anaerobe drempel bij de ME/cvs-groep is een indicatie dat de eerste inspanningstest een negatieve invloed had op hun vermogen om de volgende dag kracht te produceren. Anders gezegd, wanneer dit een wedstrijd gewichtheffen zou zijn, dan zou de ME/cvs-groep de tweede dag aanzienlijk minder gewicht omhoog hebben kunnen gebracht.

Interessant is dat uit het onderzoek op de tweede dag geen afname in energieproductie (zuurstofverbruik) op de anaerobe drempel bij de ME/cvs-groep bleek. Dat leidde tot de interessante conclusie dat de ME/cvs-patiënten op de tweede dag evenveel zuurstof verbruikten, maar dat de zuurstof die ze verbruikten minder efficiënt werd verbruikt; ze konden immers niet dezelfde hoeveelheid kracht produceren.

Eerdere onderzoeken

In meerdere onderzoeken wordt beweerd dat inspanningslast, ofwel het vermogen om kracht te ontwikkelen bij ME/cvs-patiënten meer verstoord raakt door inspanning, dan het zuurstofverbruik (energieproductie). We zouden ons niet moeten laten leiden door individuele metingen, zeker niet bij dit soort kleine onderzoeken.

Het is duidelijk dat inspanning bij mensen met ME/cvs uiteenlopende effecten heeft. Essentieel is dat in elk tweedaags inspanningsonderzoek tot nu een significante afname werd gevonden in bepaalde belangrijke factoren op de anaerobe drempel (het punt waarop het schone aerobe energieproductiesysteem dramatisch verslechtert en het inefficiëntere anaerobe energieproductiesysteem het overneemt) en inspanning veel moeilijker wordt.

Vermoeidheid vs PEM

Larson beweerde dat het soort vermoeidheid bij MS verschilde van de metabole vermoeidheid die bij ME/cvs wordt gevonden. Zij zijn niet de eersten die dit beweren. In het ME/cvs- en MS-inspanningsonderzoek van Alan Light, wordt beweerd dat er vermoeidheid is en post-exertionele malaise, en dat deze twee verschillen.

De MS-patiënten rapporteerden meer vermoeidheid dan mensen met ME/cvs. De mentale en fysieke vermoeidheid van MS-patiënten nam 8 uur na de inspanning toe. Beide waren binnen 24 uur weer terug op het basisniveau. Op geen enkel moment deed de ‘inspanningsaanval’ de pijnniveaus toenemen.

Aan de andere kant ervoeren ME/cvs-patiënten direct meer fysieke en mentale vermoeidheid na de inspanning. Deze vermoeidheid was er na 8, 24 en 48 uur nog steeds. Daarbij riep de inspanning verschillende genexpressiepatronen op.

Conclusies

Inspanningsonderzoeken met betrekking tot ME/cvs en andere vermoeiende ziekten zijn er helaas maar in beperkte mate. Maar tot zover is uit deze en onderzoeken van andere ziekten gebleken dat inspanningsintolerantie bij ME/cvs uniek is.

Grotere onderzoeken zijn nodig om uit te wijzen of ook de vermoeidheid en PEM, waar ME/cvs zo om bekend staat, uniek zijn. En, als dat zo is, op welke manier ze dat zijn

Dit is een samenvatting van dit Engelstalige artikel, geschreven door Cort Johnson. De oorspronkelijke vertaling is gemaakt door John Mulder en is geredigeerd door de ME/cvs Vereniging

Het volledige (Engelstalige) Larson-Workwell onderzoek vind je hier en het volledige (Engelstalige) Hodges onderzoek vind je hier.

18 fabels en misverstanden over PEM bij ME/cvs

PEM (ook wel PENE, “opflakkering” of “crash”) is een ernstig invaliderend symptoom, veroorzaakt door inspanning — Mark Guthridge, Twitter

1. PEM is gewoon vermoeidheid

FOUT

ME-patiënten ervaren na inspanning <pathologische> vermoeidheid, die langdurig kan zijn en zich uit in invaliderende vermoeidheid, griepachtige symptomen, cognitieve beperkingen, slaapstoornissen. https://www.pnas.org/content/114/6/E911

Reply to Roerink et al.: Metabolomics of chronic fatigue syndrome

We thank Roerink et al. (1) for their comments. We respond to their two points in order. Their first point asked about the effect of physical activity on sphingolipids. The sphingolipid response to exercise is complex.

2. PEM is niet echt

FOUT

“Er bestaat geen medische aandoening waarbij inspanning immuun- en inflammatiegerelateerde symptomen veroorzaakt, zoals keelpijn, gevoelige lymfeknopen of griepachtig gevoel, en toch rapporteerde 60% van de ME-patiënten dit soort symptomen.”

https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0197811

3. Sommige diagnostische criteria voor ME/CVS vereisen zelfs geen PEM, dus dan zal het toch niet zo belangrijk zijn.

FOUT

De Criteria van Oxford en Fukuda vereisten geen PEM, en dat is deels de reden waarom de NIH wil dat dit soort definities worden “ingetrokken”.

https://annals.org/aim/fullarticle/2322804/national-institutes-health-pathways-prevention-workshop-advancing-research-myalgic-encephalomyelitis

Pathways to Prevention Workshop | Annals of Internal Medicine | American College of Physicians

Speakers: Niloofar Afari, PhD (Associate Professor, University of California, San Diego, Healthcare System; Director of Clinical Research, Veterans Affairs Center of Excellence for Stress and Mental Health; and Division Co-Director, Mental Health Integrative and Consultative Services, Veterans Affairs San Diego Healthcare System, La Jolla, California); James M.

4. ME/CVS en PEM zijn psychologisch

FOUT

De standpuntnota over ME/CVS van NIH stelt dat ME-patiënten vaak geconfronteerd worden met scepticisme, onzekerheid en terughoudendheid, en dat men beweert dat ze gedeconditioneerd zijn of een primaire psychologische stoornis hebben. ”

https://annals.org/aim/fullarticle/2322804/national-institutes-health-pathways-prevention-workshop-advancing-research-myalgic-encephalomyelitis

5. PEM is simpelweg wat er gebeurt wanneer sedentaire ME/cvs-patiënten sporten

FOUT

Deze studies in PLoS One tonen aan dat inspanning een aanhoudende, immuungerelateerde, inflammatoire handtekening uitlokt bij ME-patiënten die anders is dan die van sedentaire personen.

https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0197811

6. ME/CVS-patiënten catastroferen gewoon over inspanning

FOUT

Tijdens een tweedaagse CPET-inspanningstest, toonden ME-patiënten beduidend lagere waarden voor O2-consumptie op dag 2, wat overeenkomt met een door inspanning veroorzaakte, verstoorde aerobische capaciteit en PEM.

https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1300/J092v14n02_07

7. ME/CVS-patiënten zijn gedeconditioneerd

FOUT

Deze inspanningsstudies tonen bij ME-patiënten een “verhoogde afhankelijkheid van glycolytisch metabolisme en verhoogd melkzuur [dus] inspanningsintensiteit kan niet aangehouden worden, wat resulteert in verminderde activiteit.”

https://academic.oup.com/ptj/article/93/11/1484/2735315

8. Het is onmogelijk om PEM te krijgen van gewoon douchen of koken

FOUT

Bij ME-patiënten met verstoord aerobisch metabolisme, leidt de nood aan “anaerobe energie” voor zelfs de normaalste dagelijkse activiteiten tot de symptoomverergering die men ziet bij PEM.

https://academic.oup.com/ptj/article/93/11/1484/2735315

9. ME/CVS-patiënten zijn aanstellers die PEM faken

FOUT

“Kinesisten/Fysiotherapeuten zouden moeten beseffen dat de postexertionele toestand van ME-patiënten gekenmerkt wordt door meetbare tekorten in metabolisme en werklast die zo goed als onmogelijk te vervalsen zijn.”

https://academic.oup.com/ptj/article/93/11/1484/2735315

10. Mijn dokter beweert dat GET zorgt voor herstel als ik door mijn PEM heen duw.

FOUT

“Aerobe energieprocessen reageren niet normaal op inspanning bij ME-patiënten [dus] onvoorzichtig toegepaste GET zal vaak leiden tot verergering van symptomen.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-12-104

11. Er is geen objectieve manier om PEM te meten.

FOUT

Studies van BioMedCentral vonden een significante daling in de maximale O 2-pols na inspanning, wat wijst op verstoorde O2 -toevoer bij ME/CVS-patiënten nadat de postexertionele malaise is ingezet.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-12-104

12. Er is geen wetenschappelijke grond voor PEM

FOUT

“Nadat PEM is ingezet, verlaagt de drempel waarop het anaerobe metabolisme versnelt bij ME/CVS [wat leidt tot] voortijdige anaerobiose in ME-patiënten, waardoor hun arbeidsgeschiktheid nog lager wordt.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-12-104

13. Sporten is goed voor vele ziektes, waaronder ME/CVS

FOUT

“ME-patiënten vormen op dit moment een unieke categorie van patiënten die geen maximale CPET-[oefening] kunnen herhalen, in tegenstelling [tot] cardiovasculaire-, long-, nier- en pulmonaire ziektes.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-12-104

14. Klinische studies over GET voor ME/CVS meldden geen nevenwerkingen of PEM.

FOUT

“De meeste studies spreken zich niet uit over nevenwerkingen. Dit zou de reden kunnen zijn waarom vele ME-patiënten buiten klinische studies verslechtering melden door GET.”

https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/2055102918805187

Graded exercise therapy for myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome is not effective and unsafe. Re-analysis of a Cochrane review – Mark Vink, Alexandra Vink-Niese, 2018

The analysis of the 2017 Cochrane review reveals flaws, which means that contrary to its findings, there is no evidence that graded exercise therapy is effective. Because of the failure to report harms adequately in the trials covered by the review, it cannot be said that graded exercise therapy is safe.

15. PEM-symptomen zijn vaag en niet diagnostisch

FOUT

“Via een binair regressiemodel waren slechts 4 postexertionele symptomen nodig (symptomen gerelateerd aan vermoeidheid, immuniteit, slaap en pijn) om 92% van ME/CVS correct te classificeren.”

https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0197811

16. ME-patiënten willen gewoon niet sporten, het heeft niets te maken met PEM.

FOUT

“Op basis van de zuurstofopname was de recuperatie van ME-patiënten na 24 uur niet voltooid. Dit wijst op een verstoord herstel [veroorzaakt door] postexertionele malaise.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-8-93

17. Hersenfunctie bij ME/CVS kan niet aangetast worden door PEM.

FOUT

“Inspanning verstoorde de cognitieve prestatie en tastte de hersenfunctie van ME-patiënten aan wat objectief bewijs [verschaft] van de schadelijke neurofysiologische effecten van postexertionele malaise.”

https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S088915911730051X

18. Fysieke deconditionering draagt bij aan de instandhouding van fysieke invaliditeit bij ME/CVS.

FOUT

Deze studies vonden dat “de waarde van de verhoging in cardiale output relatief aan de zuurstofopname losstaat van motivatie of deconditionering.”

https://translational-medicine.biomedcentral.com/articles/10.1186/1479-5876-12-20

© Twitter Mark Guthridge.
Vertaling ME-gids.

Nieuw bewijs voor systemische problemen met energieproductie

B-cellen en ME/cvs

De eerste paar succesvolle Rituximab studies wekten opnieuw interesse in B-cellen. Dit zijn de immuuncellen die het meest beïnvloed worden door dat medicijn. De laatste, grote Rituximabstudie was spijtig genoeg geen succes. Het medicijn werkt niet voor ME/cvs. Maar het Rituximabverhaal zorgde wel voor vooruitgang op een andere manier.

Ten eerste bracht het twee creatieve en toegewijde onderzoekers naar het veld, Oystein Fluge en Olav Mella. En het blies ME/cvs-onderzoek in Noorwegen nieuw leven in.

Ten tweede werden B-cellen, die een enorm belangrijke rol spelen in immuniteit (en autoimmuniteit), eindelijk bestudeerd in ME/cvs. Zoals dat al jarenlang de gewoonte is bij ME/cvs, blijkt de ziekte telkens opnieuw een buitenbeentje. Verschillende studies vonden geen aanwijzingen voor verhoogde niveaus van “klassieke B-celmarkers”.

Maar in een uitgebreide analyse kwam er wel iets eigenaardigs naar boven. Dit ging veel verder dan de klassieke markers die gewoonlijk worden onderzocht. In 2015 was er een studie die vond dat een molecuul die CD24 heet, een hoge mate van expressie vertoonde in een groep B-cellen.

CD-24 op B-cellen

CD24 is een adhesiemolecule die verschillende signaliseringsnetwerken inschakelt. In feite zegt het tegen cellen wat ze moeten doen. Ze wordt vooral tot expressie gebracht in B-cellen in een vroeg of overgangsstadium. Dit is wanneer ze vrijkomen uit het beenmerg.

Tijdens de normale overgang van onrijpe tot rijpe, metabolisch actieve B-cellen, worden vroege B-cellen telkens opnieuw getest om te kijken of ze niet het eigen lichaam zouden aanvallen. Hierdoor worden veel B-cellen weer afgebroken. Terwijl deze cellen zichzelf transformeren in rijpe B-cellen, verdwijnt de CD24 gaandeweg van hun oppervlakte. Hoge niveaus van deze moleculen bij mensen met ME/cvs wijzen erop dat er mogelijk een probleem is met B-celrijping.

Aangezien antistof producerende B-cellen een belangrijke rol spelen in het bestrijden van infecties, zou het voor problemen kunnen zorgen als er een hele hoop onrijpe B-cellen rondhangen in het immuunsysteem van ME/cvs-patiënten.

Een B-cel die antilichamen produceert om pathogenen te bestrijden

Bovendien is er bewijs dat de CD24-molecuul een rol speelt in verschillende ziektes. CD24- polymorfismen (genetische varianten van CD24) zijn in verband gebracht met een verhoogd risico op en een versnelde progressie van auto-immuunziektes zoals multiple sclerose, reumatoïde artritis en systemische lupus erythematosus. CD24 kan ook te veel tot expressie worden gebracht in veel soorten kankers waaronder B-cel-lymfomen.

Kortom: het is een molecuul dat wel wat aandacht verdient.

Problemen met energieproductie in het immuunsysteem

In een studie uit 2018 nam een Brits-Australische groep B-cellen af bij ME/cvs-patiënten en gezonde controles. Ze stimuleerden die B-cellen en monitorden vervolgens wat er gebeurde. Net als voorheen, vonden ze bij ME/cvs-patiënten een verhoogde frequentie van CD24 op B-cellen

Wat de verhoogde frequentie van deze B-cellen vol CD24 bij ME/cvs-patiënten echter zo interessant maakte, was de manier waarop ze energie produceerden. De groep onderzocht het metabolisme in de cellen van ME/cvs patiënten. Hierbij vonden ze een “sterk positieve” associatie tussen de mate van glycolyse en de hoeveelheid lactaat die geproduceerd werd , en de expressie van CD-24 moleculen op de B-cellen. Anders gezegd: hoe meer glycolyse gebruikt werd voor de energieproductie en hoe hoger de aanmaak van lactaat (een bijproduct van glycolyse), hoe meer CD-24 moleculen met aantrof op de B-cellen van ME/cvs patiënten.

Systemische problemen met energieproductie

Bevindingen wijzen steeds duidelijker in de richting van een systemisch probleem met de energieproductie van ME/cvs-patiënten.

Lagere aantallen mitochondriën in deze cellen wezen op een mogelijke reden waarom de B-cellen van ME/cvs-patiënten in deze modus blijven steken. Het is niet verwonderlijk dat de auteurs ontdekten dat deze prominentere B-celsubgroep in ME/cvs ook amper reageerde op stimulering.

Dat deed vermoeden dat de energieproblemen bij ME/cvs niet enkel de immuuncellen beïnvloeden, maar dat ze wellicht ook invloed uitoefenen op de, met de ziekte geassocieerde, immuunfunctie. Namelijk het in naïeve toestand houden van B-cellen van ME/cvs-patiënten.

Bevindingen stapelen zich op dat er door het hele lichaam problemen zijn met de energie productie bij ME/cvs

Bovendien is er een verband tussen verhoogde waarden van de CD24-molecuul en een toestand die “senescentie” wordt genoemd. In plaats van autofagie, een proces waarbij de inhoud van een cel veilig wordt gerecycleerd, door te maken, zorgen beschadigde mitochondriën er tijdens senescentie voor dat cellen langzaam aftakelen. Hierbij scheiden ze massa’s pro-inflammatoire factoren af.

Graham Salmun, een sportfysioloog, rapporteerde niet lang geleden dat de resultaten van zijn studie over lichaamsbeweging erop wijzen dat er bij ME/cvs inderdaad sprake is van senescentie. Hij gelooft dat problemen met aerobische energieproductie twee dingen doet. Enerzijds wordt het energieproducerend vermogen van ME/cvs-patiënten aangetast. Anderzijds brengt het een toestand van senescentie die chronische inflammatie veroorzaakt.

Conclusie

Deze studie toont ons een intrigerende metabolische momentopname van het immuunsysteem. Het feit dat verhoogde expressie van het CD24-molecuul in verband is gebracht met auto-immuunaandoeningen en kanker maakt de bevinding over CD24 in ME/cvs interessant. Maar de metabolische link die de onderzoekers vonden, is misschien nóg belangrijker.

Hun bevindingen suggereren dat het zou kunnen dat dezelfde problemen met energieproductie die elders gevonden worden bij ME/cvs, ook plaatsvinden in de immuun cellen. Bovendien wijzen de bevindingen op de mogelijke aanwezigheid van een toestand van senescentie, chronische inflammatie en een gebrek aan cellulaire reactiviteit. De mogelijke consequenties van een immuunsysteem met een defect aerobisch energieproductiesysteem gaan wellicht verder dan vermoeidheid en pijn. Ze kunnen een uitloop hebben in problemen als auto-immuniteit en misschien in zeldzame gevallen zelfs kanker.

Studies die een verhoogde afhankelijkheid van anaerobisch geproduceerde energie ontdekken in de spieren, de hersenen, in neutrofielen en nu ook in sommige van de B-cellen, wijzen wellicht allemaal in de richting van een systemische verstoring van de energieproductie bij ME/cvs.

Dit artikel is vertaald door Abby en geredigeerd door Zuiderzon, beiden van ME-Gids.

Het originele (Engelstalige) artikel van Cort Johnson vind je hier bij Simmaron Research

Het volledige onderzoek, gepubliceerd in Frontiers in Immunology, vind je hier

Wijdverspreide neuro-inflammatie gevonden in ME/cvs

Ze hebben lang gedacht dat inflammatie (ontsteking) tot de centrale vermoeidheid leidt (vermoeidheid die voortkomt uit de hersenen), die een grote rol speelt in ME/cvs. In 2013 stelde Watanabe voor dat inflammatie in de hersenen het “facilitatiesysteem” neerhaalde dat opduikt wanneer we moe zijn om signalen van de motorische schors te stimuleren om onze spieren in beweging te houden. Hij stelde ook de hypothese dat een remsysteem de vermoeidheid bij ME/cvs opvoerde.

Een studie uit 2016 maakte het plaatje af toen deze bewijs vond van verminderde dopaminerge activiteit van een deel van de hersenen (de basale ganglia) die die motorische schors activeert. Dat past precies bij de resultaten van Miller, die suggereerde dat
problemen met de basale ganglia zowel de vermoeidheid als de problemen met motorische activiteit in ME/cvs zou veroorzaken.

De grote doorbraak kwam in 2014 toen de Japanners zowat iedereen verbijsterden met een studie met een PET-scan die wijdverspreide neuro-inflammatie vond in de hersenen van ME/cvs-patiënten. De studie was klein (n=19) maar de bevindingen leken sterk.

De neuro-inflammatie was wijdverspreid, maar was het sterkst aanwezig in de gebieden van de hersenen (thalamus, amygdala, middenhersenen, hippocampus), die eerder waren opgedoken bij
ME/cvs. Bovendien waren de Japanners in staat om specifieke inflammatiegebieden te linken aan specifieke symptomen:

  • Inflammatie in de thalamus stond in verband met cognitieve stoornis, vermoeidheid en pijn.
  • Inflammatie in de amygdala stond in verband met cognitieve problemen.
  • Inflammatie van de hippocampus stond in verband met depressie.

Anthony Komaroff noemde de bevindingen de meest opwindende in decennia. De Japanners begonnen een veel grotere studie naar neuro-inflammatie (n=120). Dit jaar publiceerden ze een groot aantal papers over ME/cvs in het Japanse vakblad “Shinkei Kenkyu No Shinpo” (Hersenen en Zenuwen). Een van de papers ging specifiek over neuro-inflammatie, maar de bevindingen zijn nog niet in Engelse tijdschriften gepubliceerd.

Neuro-Inflammatie volgens Yarred Younger

Yarred Younger, die het Labo voor Neuro-inflammatie, Pijn en Vermoeidheid aan de University of Alabama aan Birmingham leidt, heeft lang geloofd dat neuro-inflammatie een grote rol speel in ME/cvs en fibromyalgie.

In 2015 merkte hij hoe populair het onderwerp neuro-inflammatie geworden was. Zeven jaar geleden werd er bijna niks over microglia gezegd op de pijnconferenties. Nu zitten ze vol met presentaties over microglia.

Deze immuuncellen zijn gevoelig voor zo veel factoren en kunnen uitgelokt worden op zo veel manieren dat bijna elke stressor, van een infectie tot toxinen en psychologische stress, mogelijk een staat van microgliale gevoeligheid kan uitlokken in de juiste persoon. Omdat ze in staat zijn om tientallen verschillende inflammatoire mediatoren te produceren, gelooft Younger dat het verschil tussen ME/cvs en FM eenvoudigweg kan neerkomen op kleine verschillen in hoe de microglia worden bijgesteld.

Beide ziekten zouden in gang gezet kunnen worden door een hoge mate van immuunactivatie, die in de loop van de tijd de microglia in een zodanige mate gevoelig maakt dat ze ontstekingsfactoren beginnen produceren bij het minste teken van een stressor.

Nieuwe, niet invasieve meettechnieken

Younger was net klaar met zijn studie met hersenthermometrie bij ME/cvs. Hij gebruikte een nieuwe, minder invasieve manier om de hersenen te beoordelen, die magnetische resonantie spectroscopische thermometrie (MRSt) wordt genoemd. De techniek, die als doel heeft een thermometer voor de hersenen te creëren, gebruikt een MRI-scanner (beeldvorming door magnetische resonantie). Terwijl Younger de temperatuur van de hersenen beoordeelde, onderzocht hij ook de chemische samenstelling ervan.

Met deze techniek duurt het slechts 20 minuten in de machine om een volledige 3D-warmte- en chemische kaart van de hersenen van een ME/cvs-patiënt te krijgen. Nadat het Solve ME/CFS Initiative (SMCI) financiering had verstrekt, ging hij aan de slag en scande uiteindelijk de hersenen van 15 vrouwen met ME/cvs en 15 gezonde controles gepaard volgens leeftijd en geslacht.

Wijdverspreide neuro-Inflammatie gevonden in de hersenen van ME/cvs patiënten

Het bleek dat Youngers hersenbrede zoektechniek precies goed was. Het kijken naar afzonderlijke gebieden van de hersenen in ME/cvs-patiënten, zou misleidende data voortgebracht hebben. Het bleek dat er geen enkel gebied of zelfs geen groep van gebieden in de hersenen abnormaal was in ME/cvs: bijna de volledige hersenen waren dat.

Younger vond lactaat – een product van anaeroob metabolisme – wijdverspreid doorheen de hersenen van mensen met ME/cvs. Hij opende een kaart met verbazingwekkende reeks van hersengebieden vol lactaat. Hij pikte er een paar uit: de insula, hippocampus, thalamus, en putamen, die bijzonder hoge niveaus [van lactaat] hadden. Het waren vrijwel dezelfde regio’s die de Japanners in hun studie uit 2015 hadden gevonden. Het feit dat de temperatuurstijgingen overlapten met de lactaatverhogingen, gaf verder vertrouwen dat Younger enkele sleutelgebieden had geïdentificeerd.

De cortex cingularis anterior in het bijzonder, die Younger “het centrum van het lijden” in de hersenen noemde, verscheen volop. Het gebied wordt geassocieerd met veel vervelende symptomen (malaise, vermoeidheid en pijn) en het is in het verleden aangetoond in studies naar zowel ME/cvs als fibromyalgie. Het hoge cholinesignaal in dat gebied van de hersenen suggereerde dat inflammatie daar een patroon van vernietiging en vervanging produceerde; d.w.z. dat er behoorlijk wat schade – mogelijk zelfs neuronale schade – werd aangericht.

Over het algemeen waren de lactaatgehaltes niet zo hoog als in andere ziekten – ze waren gewoon consistent aanwezig. Younger verwachtte niet om echt hoge niveaus te zien; echt hoge lactaatgehaltes zouden onherstelbaar beschadigde neuronen betekend hebben – het soort neuronale schade die gezien wordt bij MS, Parkinson en Alzheimer, het soort neuronale schade die echt moeilijk om te keren is. Het feit dat Younger neuro-inflammatie zag bij ME/cvs maar geen neuronvernietigende inflammatie is inderdaad goed nieuws voor mensen met ME/cvs.

Opmerkelijk genoeg toonden de gezonde controles geen enkel bewijs van een analyt zoals lactaat dat verhoogd is en geen enkel gebied van de hersenen dat verhit is. Het is zeer ongebruikelijk om geen enkel bewijs van een afwijking te vinden bij de gezonde controles. Meestal zijn de resultaten van toepassing op groepen, geen personen; sommige gezonde controles vertonen doorgaans bevindingen die vergelijkbaar zijn ME/cvs-patiënten en vice versa, maar hier niet – de twee groepen waren absoluut verschillend. Hoewel dit een kleine studie was, suggereren zulke zwart/wit-resultaten sterk dat neuroinflammatie van de hersenen een sleutelelement van ME/cvs is.

Wat betekent dit voor een eventuele behandeling?

Het documenteren dat neuro-inflammatie aanwezig is en het functioneren in ME/cvs aantast, zou drastische gevolgen kunnen hebben voor behandeling. Het zou ertoe kunnen leiden dat de wetenschappelijke en medische gemeenschappen zich minder op geneesmiddelen focussen die gericht zijn op het zenuwstelsel en meer op manieren om inflammatie te verminderen. Er zouden bijvoorbeeld pogingen gedaan kunnen worden om de huidige ontstekingsremmers aan te passen zodat ze door de bloed-hersenbarrière passeren (de meeste doen dit niet).

Vervolgonderzoek

Als het lukt om voldoende subsidies binnen te halen, zal Younger genoeg geld hebben om de neuro-inflammatie-invalshoek verder te volgen, inclusief het testen van ME/cvs-patiënten via inspanning – iets wat hij nooit eerder gedaan heeft – en zien wat dit doet met de inflammatie in hun hersenen. Het zal fascinerend zijn om te zien of ze stijgt, hoe lang de inflammatie duurt, hoe ze overeenkomt met postexertionele symptomen, en waar ze het meest duidelijk aanwezig is.

Younger speculeerde dat mensen met ME/cvs een immuungetriggerde metabolische aandoening hebben. Hij denkt dat de wijdverspreide neuro-inflammatie een aanwijzing geeft voor wat er aan de hand is. Dat patroon suggereert dat immuuncellen de bloed-hersenbarrière op meerdere plaatsen doorbreken; zoals een overstroming die een dijk doorbreekt, stromen ze in wezen door gaten naar de hersenen. Waarom dat gebeurt, weet hij niet zeker, maar zijn volgende stap bij ME/cvs is om aan te tonen dát het gebeurt

Het originele (Engelstalige) artikel, geschreven door Cort Johnson, vind je hier.
Vertaling: ME-Gids

Hoe cellen energie produceren: de basis & ME/cvs

Eerder heb ik beschreven hoe ME/cvs onze energie beperkt, zelfs op goede dagen.

Tot voor kort dacht ik niet veel na over hoe mijn lijf energie produceerde. Ik denk dat ik er vanuit ging dat er gewoon één manier was waarop dat gebeurde.

Niet waar! In het kort:

  • Energie wordt geproduceerd in dezelfde cel als die het gebruikt.
  • De voornaamste brandstof die onze cellen produceren en gebruiken is ATP, dat is een type molecuul.
  • Cellen hebben 3 belangrijke methoden om ATP te produceren.

Gezonde cellen hebben 3 belangrijke methoden om brandstof, oftewel ATP, te produceren. Om ze makkelijker te onthouden noem ik ze: de vlammenwerper, ontbranding en haardblokken. Ik laat ook de wetenschappelijke benamingen zien. Houd er rekening mee dat de eerste twee “anaeroob” zijn, dit betekent dat ze geen zuurstof nodig hebben. Houd er ook rekening mee dat, idealiter, het tweede proces, glycolyse of ontbranding, het derde proces zou moeten voeden.

Laten we terughalen dat onze lichamen bestaan uit minuscule cellen die niet veel groter zijn dan bacteriën. En bijna alle activiteit van ons lijf vindt plaats in cellen of bestaat uit transport of communicatie tussen cellen. Feitelijk wordt onze brandstof geproduceerd in dezelfde cellen die deze energie verbruiken, maar de grondstoffen voor deze brandstof, zoals suiker en vet, worden via het bloed getransporteerd vanuit andere delen van het lichaam naar de cellen die het nodig hebben.

Vlammenwerper

Oké, terug naar de drie belangrijke methoden om brandstof te produceren. Laten we beginnen met de vlammenwerper (het ATP-PCr systeem). Ik noem het een vlammenwerper omdat het direct klaar is en het een cel (bijvoorbeeld in een spier) een korte uitbarsting van explosieve kracht geeft. Een cel slaat een hoeveelheid PCr (fosfocreatine) op voor een korte uitbarsting. Maar na 10-15 seconden van volledig gebruik, is het weg.

Zover ik heb gelezen, hebben onderzoekers geen consistente problemen gevonden met de vlammenwerper bij ME/cvs. Dus misschien hebben mensen met deze ziekte in ieder geval een aantal seconden van kracht in zich. Aan de andere kant ben ik door moeilijke periodes heen gegaan, waarin het zelfs moeilijker was in beweging te komen dan in beweging te blijven. Wanner een persoon begint te bewegen, gebruiken cellen een kleine, opgeslagen hoeveelheid ATP terwijl de vlammenwerper wordt aangewakkerd en daarmee de andere twee systemen worden geactiveerd. Ik vraag me dus af of de vlammenwerper dan wel werkt, maar er niet voldoende start ATP beschikbaar was.

Ik moet wel even melden dat alle drie methodes van brandstofproductie tegelijkertijd plaatsvinden. Er is er slechts eentje die steeds op elk moment de andere twee overheerst.

Ontbranding

Verder met ontbranding (glycolyse), die de suiker glucose omzet in energie. Glycolyse is als ontbranding om twee redenen:

  • Het produceert niet veel energie; tijdens volledige inspanning, blijft het ongeveer een minuut beschikbaar.
  • En het zou pyruvaat moeten omzetten in de sterkere, langdurigere energieproductie van de derde methode (“haardblokken”). Bij ME/cvs gebeurt dat niet.

Nogmaals, er hoeft geen probleem te zijn met glycolyse bij mensen met ME/cvs. Of misschien is het probleem dat er geen probleem is, wat leidt tot ophoping van lactaat.

Haardblok

De derde en meest krachtige vorm van energieproductie is het haardblok (oxidatie). Dit wordt ook wel aerobe energie genoemd. Haardblokken leveren een hoop energie gedurende een lange tijd en deze derde methode heeft dezelfde voordelen bij het produceren van ATP. Bij oxidatie duurt het wat langer om op gang te komen dan de andere twee. Het vindt plaats in de mitochondriën en is zeer complex. Het bevat bijvoorbeeld een keten van processen die de citroenzuurcyclus heet en een ander wordt de elektronentransportketen genoemd.

Net zoals haardblokken van diverse verschillende soorten bomen gemaakt kunnen worden, kunnen onze cellen verschillende grondstoffen gebruiken voor oxidatie. De meest efficiënte, pyruvaat, komt uit glucose via het ontbrandingsproces. Bij een gezond persoon kan de brandstof, ontstaan uit glucose, ongeveer 90 minuten aan beweging voeden.

Daarna zal het lichaam de nadruk leggen op het omzetten van vet naar energie. Zelfs een mager persoon heeft dagen aan vet hier en daar opgeslagen zitten. Maar mensen kunnen niet zo snel ATP produceren van vet, als dat het kan met suiker. En het verbruikt meer zuurstof. Dus eigenlijk is het een ondergeschikte methode.

In nood kunnen onze cellen ook de bouwstenen van eiwitten – aminozuren – als haardblokken gebruiken.

Helaas vertelt een hoop onderzoek dat het gewenste haardblok, van suiker, niet gebruikt wordt in de cellen van mensen met ME/cvs. In plaats daarvan stapelt het zich op in de vorm van lactaat, wat voor verschillende problemen zorgt, zoals pijn en zwakte. Maar er is ook een probleem in het overgaan van ontbranding naar haardblok. Dus na onze gratis 15 seconden zijn we afhankelijk van ontbranding en daarna van het inefficiënte verbranden van vet en aminozuren.

Je vind het originele (Engelstalige) artikel geschreven door Tracy Duvall hier.

Waarom er zelfs op goede dagen geen energie is

Uit wetenschappelijk onderzoek komen een aantal zaken naar voren die te maken hebben met de stofwisseling.

Afwijkingen in de bloedbaan

Laboratoria hebben cellen van ME/cvs-patiënten in het bloed van gezonde mensen ingebracht. Deze cellen werden weer gezond. En andersom kan bloed van ME/cvs-patiënten de cellen van gezonde mensen ziek maken.

De oorzaak ligt in de bloedbaan. De reeks gebeurtenissen start met een stofje dat in de bloedbaan circuleert. Dit stofje zet cellen aan tot het produceren van minder energie en veroorzaakt waarschijnlijk nog meer veranderingen.

We weten nog niet welk stofje dit precies is. Of het een molecuul is of een cel. Of hoe en waarom het wordt geproduceerd. Wel weten we dat, omdat het stofje in de bloedbaan zit, het vrijwel door het hele lichaam circuleert. Het heeft dus interactie met veel verschillende soorten cellen. Waarschijnlijk lokt het een hele reeks veranderingen in deze cellen uit. En dat leidt mogelijk tot meerdere symptomen van ME/cvs.

Winterslaap of bloedvergiftiging?

Onderzoekers hebben opgemerkt dat bij ME/cvs de cellen lijken op die van een dier in winterslaap; of dat het lijkt op het effect van bloedvergiftiging en uithongering. Niet echt een energieke fysieke staat dus.

Defect in de brandstofketen

De metabolomische onderzoeken laten allemaal zien dat het gezonde proces waarbij energieproductie plaatsvindt, waarbij glucose wordt gebruikt, al in een vroeg stadium faalt. En dit gebeurt nog voordat er veel brandstof is geproduceerd.

De brandstof in onze cellen is een molecuul genaamd ATP. Onze cellen zijn verwikkeld in een lange, complexe keten van processen om die ATP beetje bij beetje aan te maken. Bij ME/cvs wordt die keten al vrij vroeg verbroken, voordat er veel brandstof is geproduceerd.

Dit defect zorgt ervoor dat er nogal wat van het molecuul pyruvaat blijft rondhangen, wat verandert in lactaat. Alleen al dit lactaat remt de productie van meer brandstof en doet de spierkracht afnemen. Tel daar de verbroken keten in de brandstofproductie bij op en je hebt driedubbele pech.

Alternatieve energie

Onze cellen zijn vindingrijk en in staat om alternatieven te gebruiken bij het produceren van ATP. Mensen met ME/cvs zijn afhankelijk van deze alternatieven, zoals onder meer het gebruik van vrije vetzuren uit vet, aminozuren, en eiwitten uit spieren.

Het gebruik van deze alternatieven is langzamer en minder efficiënt. Dit vertaalt zich, samen met de negatieve effecten van al dat lactaat, in een lager energieniveau. Zelfs op goede dagen.

Samenvatting

Een molecuul of cel in de bloedbaan van ME/cvs-patiënten zet cellen aan tot het produceren van minder energie. Het proces van energieproductie faalt al in een vroeg stadium. Hierdoor wordt er weinig brandstof geproduceerd en ontstaat er veel lactaat. Dat remt vervolgens de productie van meer brandstof en zorgt voor een verlies aan spierkracht. De cellen gebruiken alternatieve methodes voor het produceren van energie, maar deze alternatieven zijn langzamer en minder efficiënt. Samen vertaald dat zich in een lager energieniveau.

Wil je meer leren over de wijze waarop onze cellen energie produceren en de betekenis hiervan voor ME/cvs? Lees hier meer.

Lees hier het originele (Engelstalige) artikel geschreven door Tracy Duvall.