Tag Archief van: dysautonomie

Waarom dunnevezel-neuropathie (DVN) herkennen bij ME/cvs belangrijk is

Dunnevezelneuropathie (DVN) en ME/cvs – ME Research UK

Veel ME/cvs patiënten rapporteren symptomen die passen bij Dunnevezelneuropathie (DVN). Het is daarom een interessant onderwerp en verschillende onderzoeken bespreken de associatie tussen ME/cvs en DVN. In dit artikel gaan we daarop in.

Dunnevezelneuropathie (DVN) is een aandoening die dunne zenuwvezels in het hele lichaam aantast, wat leidt tot verschillende sensorische symptomen zoals pijn, “pinnen en naalden” , een branderig gevoel, en autonome symptomen zoals hartkloppingen, maag-darmproblemen en overmatig zweten.

Verminderde sensorische functie bij ME/cvs door DVN

Onderzoekers in Spanje beoordeelden 50 personen met ME/cvs, 87 personen met langdurige COVID en 50 gezonde controles. De aanwezigheid van autonome en sensorische DVN werd geëvalueerd met behulp van een Sudoscan (instrument dat zenuwbeschadiging meet door de zweetklierfunctie te beoordelen), contact heat evoked potentials (hersenreacties op thermische stimuli die op de huid worden aangebracht) en kwantitatieve sensorische tests (meet veranderingen in gevoeligheid voor verschillende sensaties zoals temperatuur, druk en trillingen).

Dunnevezelneuropathie en ME/cvs - De resultaten duiden op mogelijke schade aan soorten sensorische vezels die bekend staan als niet-gemyeliniseerde vezels van het C-type.

Zowel personen met ME/cvs als personen met langdurige COVID vertoonden significante verschillen in detectie van en reactie op hitte in vergelijking met gezonde controles. De resultaten duiden op mogelijke schade aan soorten sensorische vezels die bekend staan als niet-gemyeliniseerde vezels van het C-type.

DVN en dysautonomie

Eén studie stelde een hoge prevalentie van DVN vast bij ongeveer een derde van de ME/cvs-patiënten, iets minder dan de prevalentie van ongeveer 50% die wordt gezien bij het posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS), een vorm van dysautonomie (aantasting van het autonome zenuwstelsel) en een veel voorkomende comorbiditeit bij ME/cvs.

Bij POTS ervaren mensen abnormale bloedophoping (blood pooling) in de benen bij het opstaan, wat mogelijk te wijten is aan een slechte vernauwing van de aderen (venoconstrictie) veroorzaakt door beschadigde dunne zenuwvezels.

Bloedophoping in de benen kan ook betekenen dat er minder bloed terugstroomt naar het hart – een aandoening die bekendstaat als preload failure (falen van de voorbelasting) en die geassocieerd wordt met inspanningsintolerantie. Daarom stellen de onderzoekers DVN voor als “de belangrijkste oorzaak van preload failure bij een aanzienlijk, nog niet volledig gemeten, percentage ME/cvs-patiënten”.

Onderliggende mechanismen

Auto-immuniteit speelt mogelijk een rol bij DVN, waarbij het immuunsysteem van het lichaam zijn eigen zenuwen aanvalt. Er wordt ook verondersteld dat bij ME/cvs een overmatige productie van stoffen zoals bradykinine zou kunnen leiden tot een verhoogde doorlaatbaarheid van de bloed-hersenbarrière en de productie van cerebrospinaal vocht, wat op zijn beurt de druk op de zenuwen verhoogt, wat leidt tot DVN.

Bij ME/cvs en mestcelactiveringssyndroom (MCAS; een andere comorbiditeit van ME/cvs) kan geassocieerde DVN de productie verminderen van belangrijke neuropeptiden (chemische boodschappers) die betrokken zijn bij het verwijden van bloedvaten. Het tekort hieraan bij ME/cvs zou kunnen leiden tot een slechte bloedtoevoer naar de spieren, wat kan bijdragen aan symptomen zoals vermoeidheid en pijn.

Behandeling van DVN

De behandeling lijkt complex en afhankelijk van meerdere factoren. Eén bron stelt: “De behandeling van DVN moet bestaan uit behandeling van de onderliggende etiologie [sic] bij patiënten met een vastgestelde oorzaak van de neuropathie…

Pijnbehandeling is belangrijk bij de behandeling, omdat neuropathische pijn slopend kan zijn en een vermindering van het functioneren en depressie kan veroorzaken. Pijn die secundair is aan DVN kan vaak het beste worden behandeld door een multidisciplinair team, dat kan bestaan uit een huisarts, een specialist op het gebied van pijnbestrijding, een neuroloog en een psychiater.

Medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling, zijn onder andere anticonvulsiva, antidepressiva, lokale anesthetica [sic], verdovende middelen, niet-narcotische pijnstillers en antiaritmica, terwijl niet-farmacologische behandelingen zoals warmte, ijs, massage van pijnlijke gebieden en transcutane elektrische zenuwstimulatie (TENS) ook gebruikt kunnen worden.”

Zoals NICE stelt in hun richtlijn over neuropathische pijn: “Neuropathische pijn is zeer moeilijk te behandelen vanwege de heterogeniteit van etiologie, symptomen en onderliggende mechanismen…”.

Conclusie

Het diagnosticeren van DVN bij mensen met ME/cvs kan helpen de behandelingsbenadering te verschuiven naar meer gerichte therapieën, waarbij de onderliggende mechanismen worden aangepakt. Bij het beheersen van comorbiditeiten, zoals DVN, hebben zorgverleners de mogelijkheid om de symptoomlast bij ME/cvs te verlichten.

Verder stelt een artikel treffend: “Een uitgebreidere evaluatie wordt aanbevolen om de bijdrage van DVN aan ME/cvs volledig te onderzoeken. Hoewel noch ME/cvs noch enig op symptomen gebaseerd syndroom wordt veroorzaakt door slechts één enkele ziekte of pathofysiologie, zorgt het diagnosticeren van vastgestelde ziekten, indien aanwezig, ervoor dat in ieder geval deze patiënten in een effectiever klinisch kader terechtkomen en vergemakkelijkt het de detectie van resterende bijdragers.”

Dunnevezelneuropathie en ME/cvs
Dunnevezelneuropathie (DVN) = schade of verlies aan dunne zenuwvezels die leidt tot een scala van sensorische en autonome symptomen
DVN treft mogelijk een derde van de personen met ME/cvs en de helft van de personen met posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS)
Hypotheses voor mechanismen van zenuwschade: auto-immuniteit; druk van cerebrospinaal vocht…
pijn – autonome disfunctie – brandend gevoel – spelden en naalden

Lees meer over wat ME/cvs zo invaliderend maakt [in het Engels]

© ME Research UK, 10 juni 2024
Vertaling ME-gids.

Samenvatting Internationale ME/cvs-conferentie Berlijn

Samenvatting van de internationale ME/cvs-conferentie in het Charité Fatigue Centrum

Van 11 tot 12 mei hield het Charité Fatigue Centrum zijn 2e internationale ME/cvs-conferentie “Understand, Diagnose, Treat” [Begrijpen, Diagnosticeren, Behandelen] in Berlijn. Meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers presenteerden actuele onderzoeksresultaten en behandelconcepten in lezingen en wetenschappelijke posterpresentaties. De ME/CFS Research Foundation heeft de organisatie van beide evenementen gefinancierd en ondersteund. In samenwerking met het Charité Fatigue Centrum en de sprekers hebben we de lezingen en presentaties al gepubliceerd (in het Engels).

ME/cvs-Conferentie 2023: bekijk hier de presentaties

Prof. Carmen Scheibenbogen, directeur van het Charité Fatigue Centrum en een van de organisatoren van beide evenementen, was verheugd over de grote respons: “De internationale aandacht en uiteenlopende bijdragen aan lopend ME/cvs-onderzoek illustreren het grote potentieel van biomedisch onderzoek. We hebben nu een goede uitgangspositie in Duitsland, niet in de laatste plaats dankzij de onderzoeksplatforms en -projecten (bijv. ‘IMMME’, ‘NKSG’ en ‘ME/CFS Registry’)* die de afgelopen 2 jaar voor het eerst door de overheid gefinancierd zijn door de BMBF en BMG. Deze netwerken en het groeiende onderzoeksmomentum moeten nu duurzaam worden uitgebreid om snel vooruitgang te boeken op het gebied van diagnose en therapieën voor deze ziekte, die al meer dan 60 jaar officieel is erkend, maar nog steeds erg wordt verwaarloosd. Ik wil graag de meer dan 60 nationale en internationale onderzoekers bedanken die op indrukwekkende wijze hun baanbrekende werk hebben gepresenteerd tijdens deze twee dagen.

Ter aanvulling op de oorspronkelijke lezingen heeft de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Deutsche Gesellschaft für ME/cvs) nu korte samenvattingen van de wetenschappelijke presentaties gemaakt, die we hier samen met de lezingen publiceren. Deze samenvattingen zijn ook bedoeld voor niet-medische professionals om inzicht te geven in lopend ME/cvs-onderzoek. We willen de Duitse Vereniging voor ME/cvs bedanken voor hun initiatief en de goede samenwerking!

Sessie 1: ME/cvs en Post-COVIDsyndroom l

Prof. Yehuda Shoenfeld | Universiteit Tel Aviv (Israël)

Prof. Shoenfeld gaf een overzicht van auto-immuniteit en de verstoorde balans van het autonome zenuwstelsel bij ME/cvs. Hij stelde de hypothese voorop dat auto-immuniteit in veel auto-immuunziekten geassocieerd is met symptomen die typisch zijn voor het autonome zenuwstelsel (bv. vermoeidheid, tachycardie). Auto-immuniteit ontstaat door een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsfactoren. Als gevolg hiervan ontwikkelen zich schadelijke auto-antilichamen (antilichamen die de lichaamseigen cellen aanvallen). Prof. Shoenfeld legde ook uit dat bepaalde peptiden, die aanwezig zijn in zowel EBV (Epstein-Barrvirus) als in SARS-CoV-2, een rol spelen bij de vorming van autoantilichamen. In de toekomst zouden deze autoantilichamen mogelijk gebruikt kunnen worden voor de diagnose van ME/cvs, aangezien er een verband bestaat tussen de concentraties van autoantilichamen in het bloed en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Prof. Carmen Scheibenbogen | Charité Universiteit Geneeskunde Berlijn

Prof. Scheibenbogen legde uit dat de helft van de patiënten met het postcovidsyndroom (PCS) voldeed aan de diagnostische criteria voor ME/cvs in een observationele studie van het Charité Fatigue Centrum. Scheibenbogen benadrukte dat het huidige onderzoek naar COVID-19 mogelijk kan bijdragen aan het beantwoorden van de vraag welke pathomechanismen ten grondslag liggen aan ME/cvs. Een Charité-studie vergeleek personen met PCS zonder volledige ME/cvs en personen met PCS mét volledige ME/cvs, en toonde aan dat personen met volledige ME/cvs na COVID-19 significante verschillen vertoonden tot 20 maanden later in vergelijking met personen met PCS zonder ME/cvs. Deze patiënten hadden een tendens naar een chronisch verloop van hun aandoening en vertoonden minder verbetering in symptomen, evenals meer biomarkers die wijzen op chronische ontsteking en een verstoord energiemetabolisme in de mitochondriën. De laatste cijfers van Duitse ziektekostenverzekeraars geven aan dat het aantal personen met de diagnose ME/cvs minstens verdubbeld is sinds de pandemie. Bij sommige PCS-patiënten gaat een acute ontstekingsreactie na infectie, in combinatie met persistentie van het virus in het lichaam of reactivering van bijvoorbeeld EBV, over in ME/cvs-symptomen. Dit wordt dan gekenmerkt door endotheeldisfunctie, verminderde bloedstroom in de kleine bloedvaten (hypoperfusie) en verhoogde autoantilichamen. In de eerste klinische studies leidde de therapeutische aanpak van immunoadsorptie (het uitspoelen van autoantilichamen uit het bloed) tot een verbetering van de symptomen bij sommige van de PCS-patiënten met volledige ME/cvs.

Sessie 2: Diagnose I

Uta Behrends | Universiteitskliniek/MRI TU München, Duitsland

De tweede sessie behandelde de diagnose van ME/cvs. Prof. Behrends gaf een overzicht van de huidige status van onderzoek naar diagnostiek. Ze benadrukte dat het essentieel is voor de getroffenen om zo snel mogelijk een diagnose te krijgen om negatieve sociale en financiële gevolgen te beperken. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit het identificeren van initiële triggers van de ziekteaanvang, zoals virale infecties, en het evalueren van de huidige activiteitsniveaus. Er moet aandacht worden besteed aan de kernsymptomen van postexertionele malaise (PEM), vermoeidheid en slaapstoornissen. De Munich-Berlin Symptom Questionnaire (MBSQ), die werd ontwikkeld in samenwerking met de Charité, bevat een diagnostisch algoritme gebaseerd op de nieuwste diagnostische criteria en moet worden gebruikt voor diagnostiek. De volgende stap in de diagnose is een lichamelijk onderzoek met zo nodig aanvullende tests (bijv. handkrachtmeting, stresstest). Er kan gestart worden met labonderzoek, ook om verder wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers mogelijk te maken. Tot slot is het belangrijk om rekening te houden met differentiële diagnoses en comorbiditeiten die mogelijk ook behandeld moeten worden. Na enige tijd moeten patiënten opnieuw worden geëvalueerd, aangezien er kans is op verbetering van de symptomen, vooral bij kinderen en adolescenten.

Prof. Pawel Zalewski | Nikolaus Kopernikus Universiteit in Torún (Polen)

De lezing van Prof. Zalewski ging over de disfunctie van het autonome zenuwstelsel (AZS) bij ME/cvs. De complexe symptomatologie van ME/cvs is deels te wijten aan het feit dat het autonome zenuwstelsel niet alleen verdeeld is in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel, maar ook doordat het sympathische zenuwstelsel verdeeld is in verschillende deelgebieden. Bij ME/cvs zijn er disfuncties in zowel de sympathische als parasympathische gebieden van het AZS. Een minder actief sympathisch zenuwstelsel uit zich in orthostatische intolerantie (OI), vermoeidheid, warmtegevoeligheid, hypotensie en inspanningsintolerantie. Overactivering van het sympathische noradrenerge systeem leidt daarentegen tot bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk. Bijgevolg zijn er verschillende uitingen van autonome disfunctie bij ME/cvs, die kunnen worden opgespoord met verschillende diagnostische tests (bv. neurotransmittertests, immunologische tests, bloeddrukmeting, sta- of kanteltafeltests, enz.) Het bepalen van de ernst van de autonome disfunctie is belangrijk voor de keuze van de behandelingsaanpak, want ME/cvs-symptomen verschillen ook in ernst – met een verschillende focus op PEM of vermoeidheid.

Sessie 3: Diagnose II

Dr. Max Liebl | Charité Universiteitsgeneeskunde Berlijn

De focus van de lezing van Dr. Liebl lag op de functionele diagnose van ademhalings- en spierdisfunctie bij ME/cvs als basis voor het maatwerk van revalidatiemiddelen. Diagnostische tests omvatten bijvoorbeeld het meten van de borstomtrek tijdens in- en uitademen, een manueel onderzoek van het middenrif en de thoracale en cervicale wervelkolom, elk volgens functionele criteria. Een groot deel van de ME/cvs-patiënten vertoont musculaire triggerpoints, ook door gebrek aan lichaamsbeweging. ME/cvs-patiënten vertonen echter geen afwijkingen in andere bewegingstests: driekwart van de getroffenen kan voorover buigen zonder een compenserende stap en vertoont geen atrofie van de rompspieren. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan een individueel behandelplan worden opgesteld, dat bijvoorbeeld manuele therapie, ademtherapie en een individueel oefenprogramma met ademhalingsoefeningen voor thuis kan omvatten. Individuele therapieplanning is hier essentieel.

Prof. Carsten Finke | Charité

De lezing van Prof. Finke over diagnostiek ging over hersenmist en neurocognitieve diagnostiek bij PCS en ME/cvs. Hersenmist omvat vooral cognitieve tekorten in concentratie en aandacht, evenals verminderde snelheid van informatieverwerking en geheugenproblemen. In andere cognitieve domeinen (werkgeheugen, redeneren) vertonen PCS- en ME/cvs-patiënten geen achteruitgang in vergelijking met gezonde controles. De neurocognitieve beperkingen bij PCS en ME/cvs zijn ook gerelateerd aan vermoeidheid en slaapstoornissen. MRI’s toonden een verminderd volume in het putamen en de thalamus van PCS- en ME/cvs-patiënten, d.w.z. hersenstructuren die betrokken zijn bij de bedrading van sensoren. De structurele veranderingen in deze gebieden zijn gerelateerd aan de ernst van de vermoeidheid. Prof. Finke presenteerde ook gegevens van een bevolkingsrepresentatief onderzoek door NAPKON (National Pandemic Cohort Network) met 1000 personen met een positieve PCR-test en 1000 gezonde controles. Onder de mensen die besmet waren met SARS-CoV-2 werd vermoeidheid vooral aangetroffen bij jongere personen en vrouwen, terwijl cognitieve stoornissen vooral werden aangetroffen bij oudere personen en mannen. Dit zou een indicatie kunnen zijn van verschillende processen in de ontwikkeling van de symptomen.

Dr. Christian Veauthier | Charité

Slaapstoornissen waren het onderwerp van de lezing van Dr. Veauthier. Bij een slaapdiagnose van ME/cvs-patiënten is het noodzakelijk om rekening te houden met de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Vaak vindt er een slaapmeting thuis plaats, eventueel ook via een slaapdagboek of een onderzoek in het slaaplaboratorium. In een onderzoek onder 64 ME/cvs-patiënten voldeden slechts vier personen niet aan de diagnostische criteria voor een slaapstoornis. Slapeloosheid kwam het meest voor, gevolgd door slaapapneu. Slaapwandelen of rustelozebenensyndroom kwamen minder vaak voor. Verschoven slaapfases mogen ook niet over het hoofd gezien worden. Slaapstoornissen moeten worden behandeld op basis van de geldende diagnostische criteria. Indien nodig kan ook worden doorverwezen naar de slaapkliniek. Toekomstig onderzoek moet nagaan of de behandeling van slaapstoornissen andere ME/cvs symptomen verbetert.

Prof. Peter Rowe | Johns Hopkins Universiteit (VS)

Aan het einde van de sessies over diagnostiek ging de presentatie van Prof. Rowe over hypermobiliteit van gewrichten en het Ehlers-Danlossyndroom (EDS), dat samen kan voorkomen met ME/cvs. De belangrijkste symptomen van EDS zijn collageenstoornissen, snelle uitputting en pijn. In een onderzoek onder 100 ME/cvs-patiënten hadden 12 patiënten ook EDS, deze patiënten hadden ook een grotere hypermobiliteit en OI. Degenen met ME/cvs en hypermobiliteit hadden bijvoorbeeld minder goed doorbloede hersenen (hypoperfusie) bij rechtop staan dan degenen met ME/cvs zonder hypermobiliteit. De mechanismen achter deze samenhang zijn niet volledig gekend, maar er is bewijs van bindweefselzwakte en mestcelactivatiesyndroom. Bij het diagnosticeren en behandelen van ME/cvs moet EDS in overweging worden genomen, om bijvoorbeeld de juiste fysiotherapeutische therapieën aan te bevelen.

Wetenschappelijke posterpresentaties

Dr. Martin Kräter | Max Planck Instituut, Erlangen, Duitsland

Martin Kräter gaf kort inzage in fysische fenotypering als aanpak om informatie te verkrijgen over pathofysiologische processen bij PCS. Op het niveau van een enkelvoudige cel laat vervormbaarheidscytometrie verschillen zien in de functionaliteit van immuuncellen bij PCS in vergelijking met gezonde controles, en mogelijk ook bij ME/cvs, waardoor mogelijk een objectieve methode wordt geboden om pathologische aandoeningen te detecteren.

Dr. Marco Leitzke | Helios Kliniek, Leisnig, Duitsland

De posterpresentatie van Marco Leitzke gaf een nieuw perspectief op de pathologie van SARS-CoV-2 en als gevolg daarvan ook van PCS, door zich te concentreren op de betekenis van het NF-kB-reatiepad. Aangezien SARS-CoV-2 in staat is om neuronale nicotine-acetylcholinereceptoren (nAChR’s) te blokkeren, kan het toedienen van nicotine mogelijk de opwaartse regulering van nAChR’s ondersteunen, waardoor voordien geremde neuromodulatie versterkt wordt en de neutralisatie van dan vrijgekomen SARS-CoV-2-virusdeeltjes door vooraf aangemaakte antilichamen mogelijk wordt. Nicotine kan dan ook hypercoagulatie, auto-immuniteit en het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) bij PCS tegengaan.

Dr. Karl J. Morten | Universiteit van Oxford, Verenigd Koninkrijk

In zijn posterpresentatie belichtte Karl Morten hoe de analyse van mononucleaire cellen in perifeer bloed via profielen aangemaakt met machinaal leren, in staat was ME/cvs, MS en gezonde controles met 90% nauwkeurigheid te voorspellen. De presentatie ging vervolgens kort in op een afzonderlijk interessegebied en kaartte de vraag aan of niet-mitochondriale aerobe ATP-synthese voorkomt bij complexe membraansystemen van zoogdieren, iets waarvoor de nieuwste bevindingen mogelijk bewijs leveren.

Hanna Tabisz | Nicolaus Copernicus Universiteit Toruń, Polen

Hanna Tabisz presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de effecten van cryotherapie voor het gehele lichaam als behandeling voor ME/cvs. Taxonomische analyse op basis van ontlastingmonsters van elke patiënt voor en na 10 behandelingsrondes onthulde duidelijke verschillen in de samenstelling van het microbioom van ME/cvs-patiënten in vergelijking met gezonde controles. Na behandeling met cryotherapie in combinatie met statische stretching waren deze verschillen minder uitgesproken.

Charlotte Kröger | Universiteit van Bonn, Duitsland

In haar posterpresentatie pleitte Charlotte Kröger voor het analyseren van immuuncellen in het bloed van PCS-patiënten om de ziekte beter te begrijpen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Prof. Rob Wust | Vrije Universiteit Amsterdam, Nederland

Om de hypothese te testen of veranderingen in de skeletspieren bijdragen aan PEM bij PCS, voerden Wust en collega’s een tweedaagse biopsie uit bij 25 PCS-patiënten en 24 gezonde controles. In tegenstelling tot eerdere bevindingen werd er geen bewijs voor hypoperfusie gevonden bij PCS-patiënten. De verdeling van het vezeltype en de handgreepkracht vertoonden nochtans wel veranderingen in het skeletspiersysteem. Samengevat wordt PEM bij PCS waarschijnlijk beïnvloed door lokale en systemische metabole verstoringen, door inspanning geïnduceerde myopathie en microklonters in de skeletspier.

Kanchan Dulal | Charité Universiteitsgeneeskunde, Berlijn, Duitsland

In haar posterpresentatie presenteerde Kanchan Dulal de bevindingen van haar onderzoek naar de pathomechanismen van verminderde vasculaire functie bij PCS en ME/cvs na COVID-19, met als doel biomarkers te identificeren voor endotheeldisfunctie in beide aandoeningen. Analyses van endotheelcellen behandeld met serum van patiënten, onthulden een verhoogde afgifte van moleculen die de NO-synthese kunnen remmen, en leverden zo indirect bewijs voor een ontregelde vasculaire functie en vervolgens mogelijke endotheeldisfunctie bij PCS en ME/cvs-patiënten.

Franziska Legler | Charité Universiteit geneeskunde, Berlijn, Duitsland

Franziska Legler presenteerde haar bevindingen van een prospectief observationeel cohortonderzoek bij PCS en ME/cvs na COVID-19. PCS-patiënten met matige tot ernstige vermoeidheid bleven significant verzwakt tijdens een follow-up tot 20 maanden na de infectie. 106 patiënten werden in twee groepen ingedeeld, waarbij degenen die voldeden aan de CCC-diagnosecriteria voor ME/cvs, gedurende de gehele opvolgingsperiode slechter af waren. Correlatieanalyse toonde aan dat verminderde handgrijpkracht bij aanvang een betrouwbare indicator was voor aanhoudende symptoompersistentie en -ernst tijdens de follow-up.

Sessie 4: ME/cvs begrijpen I

Dr. Francisco Westermeier | FH Johanneum Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen, Graz (Oostenrijk)

De vierde sessie werd geopend door een lezing van Dr. Westermeier over endotheeldisfunctie bij ME/cvs, een onevenwicht tussen stoffen die bloedvaten verwijden en vernauwen. Stikstofmonoxide (NO) is een boodschappermolecule in cardiovasculaire processen, die leidt tot de versoepeling van de bloedvaten en het hart en tot de vorming van nieuwe bloedvaten, terwijl het ook de vorming van bloedstolsels tegengaat. NO, dat de bloedstroom bevordert, neemt normaal gesproken toe na inspanning, maar bij ME/cvs-patiënten is de vorming ervan in de bloedvaten verminderd. In studies waarbij vaatcellen in vitro werden geïncubeerd met bloedplasma van ME/cvs-patiënten, vertoonden deze cellen ook een verminderde productie van NO. De verminderde productie van NO kan worden verklaard door een gebrek aan het aminozuur L-arginine. Er waren ook verschillen in endotheeldisfunctie met betrekking tot geslacht en de ernst van de ME/cvs-symptomen.

Dr. Bettina Hohberger | Universiteitsziekenhuis Erlangen

Als oogarts gaf Dr. Hohberger een nieuw perspectief op het begrip van ME/cvs door parallellen te laten zien met de oogziekte glaucoom.

Bij beide ziekten worden autoantilichamen gevonden die het cellulaire evenwicht kunnen verstoren (functionele autoantilichamen) – deze werden ook gevonden in het bloed van patiënten met post-COVID. Neutralisatie/eliminatie van de functionele autoantilichamen kon de symptomen bij post-COVID-patiënten in curatieve trials verminderen. Een verklarende hypothese is dat de functionele autoantilichamen bloed- en vaatcellen aanvallen, wat leidt tot een verstoorde microcirculatie.

Prof. Martina Seifert | Charité

De presentatie van Prof. Seifert belichtte nieuw onderzoek naar biomarkers voor endotheeldisfunctie en stoornissen in vaatnieuwvorming bij PCS en ME/cvs. Deze biomerkers worden gezocht in serum en bloedcellen om een mogelijke verklaring te bieden voor de processen die leiden tot vasculaire ontsteking en endotheeldisfunctie. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat autoantilichamen tegen endotheelcellen verhoogd zijn bij patiënten met PCS die voldoen aan de diagnostische criteria voor ME/cvs. Dit zou verband kunnen houden met de hypoperfusie en microstolsels die bij PCS waargenomen worden. Bij patiënten met PCS met ME/cvs kunnen andere processen optreden dan bij patiënten met PCS zonder ME/cvs. Bij PCS werden compenserende nieuwe vaattakken gevormd, maar dit gebeurde niet bij PCS-patiënten met ME/cvs. Dit proces zou kunnen helpen bepalen welke patiënten herstellen van PCS en welke patiënten blijvende ME/cvs hebben.

Dr. Christian Puta | Friedrich Schiller Universiteit Jena

De lezing van Dr. Puta ging over het begrijpen van PEM door het analyseren van reacties op fysieke stress. De respons op lichaamsbeweging kan gebeuren in een aeroob en anaeroob metabolisme. ME/cvs-patiënten worden echter snel anaeroob en ontwikkelen PEM. Revalidatietherapie voor ME/cvs en PCS zonder rekening te houden met PEM kan de gezondheidsresultaten negatief beïnvloeden. Revalidatieprogramma’s die rekening houden met PEM, kunnen op hun beurt positieve effecten hebben. Een te lage zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning kan worden verklaard door een verstoorde microcirculatie en een verminderde bloedstroom naar de organen. Vervormde rode bloedcellen kunnen hierbij een rol spelen, omdat ze minder goed in staat zijn om weefsels van zuurstof te voorzien. Onvoldoende recuperatie na inspanning speelt ook een rol: ME/cvs-patiënten met PCS vertoonden al tijdens hun acute infectie een verhoogde hartslag in rust.

Sessie 5: ME/cvs en PCS II

Prof. Anthony Komaroff | Harvard Medical School (VS)

De presentatie van Prof. Komaroff ging in op de vraag of onderzoeksresultaten van ME/cvs gebruikt kunnen worden om de pathogenese van PCS beter te begrijpen. Hij presenteerde de resultaten van een literatuuronderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen ME/cvs en PCS, dat 1000 studies omvatte. Het overzichtsartikel onderzocht of er objectieve biologische afwijkingen zijn die gevonden worden bij de ziekten. Er waren overlappingen wat betreft neurologische afwijkingen en infectieuze organismen (bv. reactivatie van latente herpesvirussen, pro-inflammatoire bacteriën in het microbioom). Metabole en circulatoire afwijkingen werden ook gevonden bij beide ziektebeelden (behalve dat er geen oxidatieve stress na inspanning werd gevonden bij PCS). De verschillende afwijkingen zijn waarschijnlijk onderling afhankelijk. In vergelijking met personen die volledig herstelden van een SARS-CoV-2 infectie, werden bij 60% van de patiënten met PCS zelfs maanden na de infectie nog steeds viraal RNA en spike-eiwitten van SARS-CoV-2 in het bloed aangetroffen. Dit zou een chronische ontstekingsreactie in het lichaam bij PCS kunnen verklaren.

Prof. Leonard Jason | DePaul Universiteit (VS)

Prof. Jason behandelde ME/cvs na een EBV-infectie en mogelijke implicaties voor PCS. De basisvraag van de lezing was waarom sommige personen herstellen van de infectie en anderen niet. De aanpak die hij presenteerde, omvatte longitudinale studies waarbij personen vóór de infectie werden geïnterviewd om prognostische factoren te identificeren. Vóór de infectie waren er al onregelmatigheden in de immuunrespons bij die individuen die later niet herstelden. Professor Jason presenteerde ook analyses van cytokinenetwerken en toonde aan dat cytokines bij ME/cvs-patiënten al vóór de infectie clusters van hogere dichtheid gevormd hadden. Andere risicofactoren voor het ontwikkelen van ME/cvs na een EBV-infectie waren vooraf bestaande prikkelbaredarmsyndromen en andere spijsverteringsproblemen. Prof. Jason wees er ook op dat erkende en gevalideerde instrumenten zoals de DePaul Symptom Questionnaire (DSQ), die gebaseerd zijn op vastgelegde diagnostische criteria, gebruikt moeten worden om ME/cvs-symptomen via zelfrapportage vast te leggen. Centraal staat dat er niet alleen vragen gesteld moeten worden over het optreden van verschillende symptomen, maar ook over de frequentie en de ernst om ME/cvs nauwkeurig te kunnen diagnosticeren.

Sessie 6: ME/cvs begrijpen II

Dr. Anna Aschenbrenner | Duits Centrum voor Neurodegeneratieve Ziekten, Bonn

In de tweede sessie over het begrijpen van ME/cvs presenteerde Dr. Aschenbrenner onderzoek waarbij nieuwe technologieën zoals machinelearning en moleculair biologische methoden worden gebruikt om de immuunreacties bij COVID-19 te bestuderen.

(We zullen hier meer informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Andreas Goebel | Universiteit van Liverpool (Groot-Brittannië)

Dr. Goebel sprak over autoantilichamen gericht tegen gliacellen en presenteerde een onderzoek waarin de symptomen van fibromyalgie op een passieve manier werden overgedragen van mensen op muizen. Na overdracht van de autoantilichamen ontwikkelden de muizen typische symptomen van fibromyalgie (lagere pijntolerantie in de voeten, gevoeligheid voor kou, verminderde grijpkracht, dunnevezelneuropathie en minder activiteit tijdens de belangrijkste activiteitsperiode).

Prof. Nuno Sepúlveda | Technologische Universiteit Warschau (Polen)

De lezing van Prof. Sepúlveda richtte zich op mimicry van EBV bij ME/cvs en presenteerde verschillende theoretische verklaringen. Een van de benaderingen gaat ervan uit dat sommige ziekteverwekkers zo sterk lijken op de lichaamseigen cellen dat er een auto-immuniteit optreedt. Een andere benadering gaat ervan uit dat endogene signalen die wijzen op een chronisch risico op infectie, auto-immuniteit zouden kunnen uitlokken. Prof. Sepúlveda liet zien hoe machinelearning ingezet kan worden om ME/cvs-patiënten te onderscheiden van gezonde controles op basis van hun autoantilichamen. Met een combinatie van 27 verschillende autoantilichamen kon in een studie het onderscheid tussen patiënten en gezonde controles met 85% zekerheid worden bepaald.

Dr. Bhupesh Prusty | Universiteit van Würzburg

De lezing van Dr. Prusty ging over de relatie tussen mitochondriale disfunctie, herpesvirussen en auto-immuniteit bij ME/cvs en PCS. Volgens studies werden autoantilichamen tegen verschillende herpesvirussen gevonden in beide patiëntengroepen, wat wijst op virusreactivering tijdens de SARS-CoV-2-infectie. Dr. Prusty liet zien hoe bepaalde virale eiwitten mitochondriale disfunctie kunnen teweegbrengen. Een recente werkwijze analyseerde 120 autoantilichamen tegelijkertijd en mat de immuunrespons op basis van immunoglobulinen G en M (IgG/IgM). Een hogere IgM-respons werd in verband gebracht met een verhoogde last van ME/cvs-symptomen en een grotere vatbaarheid voor lichaamsvreemde antigenen (bijv. huisstofmijt, huidschilfers van katten). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de concentratie van fibronectine in het bloed en de cellen verhoogd is bij ME/cvs-patiënten. Deze glycoproteïne speelt een rol in de bloedstolling en weefselvernieuwing en fungeert als cellijm. Dr. Prusty suggereerde dat het samenspel van fibronectine en autoantilichamen een vicieuze cirkel binnen de cellen zou kunnen verklaren waarbij sprake is van mitochondriale fragmentatie, endotheeldisfunctie en microklontering bij ME/cvs.

Sessie 7: Behandeling I

Prof. Dr. Luis Nacul | Universiteit van Brits Columbia (Canada)

Prof. Nacul gaf een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de behandeling van ME/cvs. Centrale richtlijnen voor patiëntenzorg en behandeling zijn de huidige NICE-richtlijnen. Prof. Nacul noemde ook de deskundige aanbevelingen van EUROMENE, die als doel hebben de meest ernstige symptomen te behandelen en tegelijkertijd de getroffenen te steunen. Het therapieaanbod voor ME/cvs draait voornamelijk rond pacing in combinatie met multidisciplinaire ondersteunende benaderingen. Prof. Nacul presenteerde een actuele studie uit Finland, waarin de toediening van een lage dosis naltrexone (opioïde-antagonist) leidde tot een verbetering van de symptomen bij 74% van de ME/cvs-patiënten. In lage doses heeft naltrexone een ontstekingsremmend effect, reguleert het de immuunrespons en kan het pijn, slaapstoornissen en vermoeidheid verminderen. Er is verder bewijs dat het toedienen van een lage dosis aripiprazol (een atypisch neurolepticum) leidt tot een vermindering van vermoeidheid, hersenmist en niet-herstellende slaap. Prof. Nacul presenteerde ook een evaluatiestudie met 700 ME/cvs-patiënten uit zijn kliniek in Vancouver. Uitgaande van de NICE-richtlijnen werd een model geïmplementeerd met een geïndividualiseerde behandeling in combinatie met een groepsaanbod over pacing en mindfulness. De behandeling slaagde erin de vermoeidheid bij patiënten te verminderen en hun fysieke en mentale gezondheid te verbeteren. Een tijdige diagnose is ook van cruciaal belang voor de langetermijnprognose van ME/cvs. In het geval van off-label toediening van medicatie moeten de kansen en risico’s zorgvuldig afgewogen worden en moeten de behandelaars beslissingen nemen in samenspraak met de betrokkenen.

Prof. Dr. Johannes-Peter Haas Duits Centrum voor Reumatologie van Kinderen en Jongeren, Garmisch-Partenkirchen

Prof. Haas presenteerde een lopend multidisciplinair klinisch behandelconcept voor kinderen en adolescenten met ME/cvs. Het programma werd gelanceerd in 2019, en sinds 2020 worden op elk moment 6 jonge patiënten met ME/cvs of PCS (tot 25 jaar) behandeld. De eerste centrale stap van het programma is een uitgebreide diagnose om geschikte patiënten te selecteren voor de vijf weken durende opname. Individuele en groepstherapieën omvatten bijvoorbeeld de overdracht van kennis over pacing, slaaphygiëne, omgaan met pijn en een geïndividualiseerde analyse van energieverbruik en -winst. Therapiedoelen zijn het opbouwen van veerkracht en zelfredzaamheid en het aanleren van dagelijkse pacing. Het belangrijkste doel van het verblijf is dat de patiënten en hun families niet overbelast worden. Op het einde van het verblijf vertoonden de betrokkenen een gemiddelde verbetering, 4 maanden later trad er echter in sommige gevallen een nieuwe achteruitgang op. Prof. Haas benadrukte dat het meestal niet mogelijk is om ME/cvs te genezen met een ziekenhuisopname van vijf weken, maar dat verbetering van de symptomen wel mogelijk is.

Dr. Michael Stingl | Neuroloog in privépraktijk, Wenen

De lezing van Dr. Stingl vatte zijn klinische ervaring samen in de medicamenteuze behandeling van ME/cvs-patiënten. Tot op heden zijn er geen uitgebreide klinische studies en weinig wetenschappelijk bewijs over off-label medicatie bij ME/cvs. Daarom is het bij het toedienen van medicijnen altijd nodig om af te wegen welk effect bereikt kan worden en hoe goed de medicatie wordt verdragen. Als het onduidelijk is of een medicijn de symptomen verbetert, moet het worden stopgezet of moet de dosis worden verlaagd. Dr. Stingl stelde verschillende groepen geneesmiddelen voor die gebruikt kunnen worden als off-label medicatie bij ME/cvs. Benzodiazepines in lage dosering kunnen op korte termijn helpen bij PEM, sensorische overbelasting en mestcelactivatie, maar het risico op verslaving is hoog bij langdurig gebruik. Anticonvulsiva (medicijnen tegen epilepsie) kunnen worden gebruikt om zenuwpijn en mogelijk neuro-inflammatie te verminderen. Antidepressiva kunnen ME/cvs-gerelateerde depressie behandelen en hebben mogelijk ook ontstekingsremmende effecten. Naltrexone (opioïde-antagonist) kan ook een ontstekingsremmend effect hebben en cognitieve symptomen verbeteren. Pyridostigmine remt acetylcholinesterase en kan het posturaal tachycardiesyndroom (POTS) verminderen en de inspanningscapaciteit verhogen. Over het algemeen moeten deze geneesmiddelen in zeer lage doses en met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij ME/cvs.

Dr. Laura Froehlich | Fernuniversiteit in Hagen

Dr. Froehlich presenteerde gegevens over de zorgverlening en stigmatisering van ME/cvs-patiënten in Duitsland. Uit een onderzoek bleek dat personen met ME/cvs die in Duitsland wonen, medisch onvoldoende worden geholpen, omdat de meerderheid aangaf belemmeringen te ondervinden bij het krijgen van een behandeling (bijv. geografische belemmeringen zoals lange afstanden naar specialisten en financiële belemmeringen vanwege het ontbreken van kostendekking door ziektekostenverzekeraars). Driekwart van de ondervraagden kreeg geen specialistische behandeling voor ME/cvs en was ontevreden over de eerstelijnszorg. Bovendien werd stigmatisering van patiënten geassocieerd met een lager fysiek functioneren en een lagere tevredenheid over de sociale relaties van patiënten. Omdat het gebrek aan kennis van medische professionals omtrent ME/cvs kan leiden tot onderbehandeling en psychologisering van de symptomen, presenteerde Dr. Froehlich tot slot een evaluatie van een educatieve online lezing over ME/cvs en PCS. Een live webinar slaagde erin om de kennis van de deelnemende artsen over de epidemiologie, diagnose en behandeling van ME/cvs te verbeteren.

Bettina Grande | psychotherapeut in privépraktijk, Heidelberg

De presentatie van Bettina Grande belichtte de rol van psychotherapeutische ondersteuning voor volwassenen, kinderen en adolescenten met ME/cvs. Activeringstherapie is schadelijk, maar psychotherapeutische ondersteuning kan het welzijn van ME/cvs-patiënten verbeteren wanneer activering en stimulatie worden vermeden. Psychotherapeutische ondersteuning kan het begrip van PEM en Pacing vergroten en de acceptatie van individuele belastingsgrenzen en het omgaan met de frustratie die door de ziekte veroorzaakt wordt, verbeteren. Bettina Grande deed verslag van de voorwaarden waaronder psychotherapie voor ME/cvs nuttig kan zijn (bijv. met betrekking tot een aanvaardbare lengte en frequentie van videosessies). De kernelementen van haar psychotherapeutische benadering zijn het begeleiden van getroffenen bij het aanleren van pacing en het structureren van het dagelijks leven om PEM te vermijden. Ook het omgaan met eenzaamheid en frustratie als gevolg van de ziekte kan worden besproken. Tot slot wees Bettina Grande erop dat te ambitieuze psychotherapie kan leiden tot een verslechtering van de toestand van de patiënt en dat het primaire doel moet zijn om crashes en overbelasting te voorkomen.

Sessie 8: Behandeling II

Prof. Dr. Øystein Fluge | Universitair Ziekenhuis Haukeland, Bergen (Norwegen)

Prof. Fluge presenteerde de nieuwste benaderingen om auto-immuniteit bij ME/cvs te bestrijden. De basishypothese is dat er een permanent verminderde immuunrespons is bij ME/cvs. Eerst gaf hij een samenvatting van eerdere klinische studies naar de reductie van B-cellen via Rituximab en Cyclofosfamide. Deze studies leverden aanvankelijk niet de gehoopte resultaten op. Nieuwe follow-upgegevens zijn nu beschikbaar na 6 jaar. De patiënten behandeld met Rituximab vertoonden geen verbetering ten opzichte van een placebocontrolegroep, net als na 18 maanden, zelfs niet na 6 jaar. De patiënten die werden behandeld met cyclofosfamide vertoonden een lichte verbetering na 6 jaar, maar er waren verschillende progressies. Het team van Prof. Fluge blijft werken aan het gebruik van immunosuppressiva om het pathomechanisme bij ME/cvs te doorbreken, dat leidt tot endotheeldisfunctie en verminderde bloedstroom naar het weefsel bij belasting. Een nieuwe pilootstudie onderzoekt de effecten van Daratumumab, een ander geneesmiddel dat oorspronkelijk werd gebruikt bij chemotherapie, net als Rituximab en Cyclofosfamide. Er wordt nu onderzocht of Daratumumab de immuunrespons bij ME/cvs kan normaliseren.

(We zullen hier verdere informatie over deze lezing publiceren zodra we de goedkeuring van de spreker hebben).

Dr. Wolfgang Ries | DIAKO Ziekenhuis Flensburg

Dr. Ries gaf een overzicht van immunoadsorptie (het uitfilteren van autoantilichamen uit het bloed) als behandeling voor ernstige ME/cvs. Ziekenhuisopname en behandelpogingen kunnen schade veroorzaken door PEM te triggeren. Dit moet koste wat het kost worden vermeden, vooral voor de zwaarst getroffenen. Dr. Ries presenteerde hoe immunoadsorptie kan worden uitgevoerd bij personen die ernstig lijden aan ME/cvs zonder PEM op te wekken. Om dit te bereiken is het belangrijk om speciale aandacht te besteden aan de patiënten door maatregelen te nemen om de patiënt af te schermen. Eenpersoonskamer, beperking van lawaai, rekening houden met de gevoeligheden van de patiënt. De behandeling bestaat meestal uit 5 sessies (elk 3-4 uur) over een periode van 7 dagen en kan de immunoglobulines effectief verminderen. Een casestudie toonde een verbetering in de weken na de behandeling bij 22 van de 31 patiënten, waarbij bij geen van de personen een verslechtering werd waargenomen.

Dr. Elisa Stein | Charité

Een observationele studie naar immunoadsorptie bij PCS en ME/cvs was het onderwerp van Dr. Stein. Bij 10 patiënten* met ME/cvs na COVID-19 werd een vermindering van autoantilichamen in het bloed waargenomen na herhaalde immunoadsorptie en dit ging gepaard met een verbetering in fysiek functioneren en een vermindering van spierpijn en hoofdpijn. Minder verbetering werd gezien op het gebied van vermoeidheid en cognitief functioneren. Na een paar maanden verslechterde de algehele conditie van de patiënten echter weer tot het niveau van voor de behandeling.

Dr. Andrea Maier | Universitair ziekenhuis Aken

De behandeling van orthostatische intolerantie (OI) en posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) was het onderwerp van de presentatie van Dr. Maier. Voor de diagnose moet een gedetailleerde orthostatische anamnese worden afgenomen, gecombineerd met een sta-test (actief, passief of op een kanteltafel). Bij POTS is het ook belangrijk om andere aandoeningen uit te sluiten (bijv. lage bloeddruk, andere aandoeningen van het autonome zenuwstelsel). Om POTS te behandelen, moeten eerst de triggers worden geïdentificeerd (alcohol, vaak liggen, grote maaltijden). Behandelingen bestaan uit het drinken van twee tot drie liter vocht per dag, het eten van voldoende zout en het dragen van steunkousen of een buikgordel. Voor POTS zonder ME/cvs bestaan verdere therapieaanbevelingen uit het trainen van de kuit- en buikspieren, evenals sta- en uithoudingstraining. Deze aanbevelingen zijn echter moeilijk of niet uitvoerbaar voor ME/cvs-patiënten. Als symptomatische therapie niet helpt, kan medicatie in zeer lage doses worden gebruikt.

Prof. Dr. Klaus Wirth | KOSA Pharma B.V. en Universiteit van Frankfurt

In de laatste lezing van de conferentie ging Prof. Wirth in op de verstoorde vaatfunctie bij ME/cvs. Volgens zijn hypothese zijn uitzetting en samentrekking van de bloedvaten uit evenwicht. Het energietekort in de skeletspieren en in de hersenen wordt veroorzaakt door een combinatie van hypoperfusie en mitochondriale disfunctie. Prof. Wirth presenteerde de hypothese dat het vrijkomen van vasculaire mediatoren, gekoppeld aan het metabolisme, overgedragen wordt van de spier naar het bloed. De resulterende cyclus zou verbroken kunnen worden door vasoactieve medicijnen. Bloedvatverwijdende medicijnen in lage doses zouden hier bijvoorbeeld geschikt voor kunnen zijn, zodat de zuurstoftoevoer naar de spieren en de hersenen wordt verbeterd. Er zijn momenteel echter geen medicijnen die de bloedvaten in de spieren en hersenen selectief verwijden. Toch moet gelijktijdige verwijding van de aders in de buikholte worden vermeden. Terwijl sommige medicijnen de bloedstroom naar de hersenen kunnen verhogen, kan dit nog niet specifiek voor de spieren worden gedaan. Voor patiënten met OI kunnen nicotinepleisters en acetylcholineesteraseremmers helpen. De keuze van medicijnen hangt af van de aard van de problemen met de bloedsomloop: OI en POTS of orthostatische hypotensie.

Opmerking: Teksten voor samenvattingen van presentaties zijn geleverd door de Duitse Vereniging voor ME/cvs (Hartelijk dank!). Teksten voor onderzoeksposterpresentaties en alle vertalingen in het Engels door ME/cvs Research Foundation.

* Uitleg van de hierboven genoemde onderzoeksprojecten:

IMMME = Immune Mechanisms of ME: een fundamenteel onderzoeksnetwerk naar ME/cvs in Duitsland.

Meer: https://cfc.charite.de/forschung/immme/

NKSG = National Clinical Study Group: een vereniging van klinische onderzoekers van verschillende universiteiten voor ME/cvs,

Meer: https://cfc.charite.de/klinische_studien/nksg/

MECFS-Register/Biobank: https://cfc.charite.de/klinische_studien/mecfs_registerbiobank/

© ME/CFS Research Foundation.
Vertaling ME-gids.

Vergelijken POTS bij Long Covid en ME zonder en door EBV

De klachten van Long Covid patiënten lijken vergelijkbaar te zijn met die van ME/cvs. Ook Orthostatische Intolerantie (OI) komt bij Long Covid vaak voor.

Is OI hetzelfde bij ME/cvs na een infectie met EBV en Long Covid?

Is er verschil tussen de ME/cvs patiënten na een acute infectie (EBV) en ME/cvs patiënten waarbij geen trigger bekend is?

Speelt deconditionering een rol?

Er was geen significant verschil in vóórkomen van OI tussen Long Covid patiënten en ME/cvs patiënten met en zonder voorafgaande EBV-infectie. Deconditionering was bij ME/cvs en ook bij Long Covid geen verklaring voor optreden van OI.

De studie

De auteurs van deze studie onderzochten 3 groepen patiënten

  • met een kanteltafeltest
  • afnemen van anamnese
  • afnemen van een vragenlijst tijdens de test
  • meten van de doorstroming van het bloed naar de hersenen
  • meten van de cardiale slagindex, liggend en tijdens de kanteling

Ze onderzochten van december 2020 tot maart 2022

  • een groep van 14 patiënten, met aanhoudende klachten na infectie met SARS-CoV-2 virus. In deze studie wordt deze groep aangeduid met long-haul Covid (wij gebruiken in dit artikel Long Covid)
  • een groep van 14 ME/cvs patiënten (ICC + Fukuda criteria) waarvan was geregistreerd dat hun ziekte was begonnen na het doormaken van een infectie met het Epstein-Bar virus (EBV) dat de ziekte van Pfeiffer veroorzaakt
  • een groep van 14 ME/cvs patiënten (ICC + Fukuda criteria) waarbij er geen trigger bekend is
  • De proefpersonen werden gematcht naar leeftijd en gender.
  • Ze ondergingen allemaal een kanteltafeltest waarbij de bloeddoorstroming naar de hersenen werd gemeten om de mate van orthostatische intolerantie te bepalen.
  • Voorafgaand aan de kanteltafeltest werd een anamnese afgenomen waarin de klachten die verband houden met OI in het dagelijks leven werden uitgevraagd (duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, flauwvallen, misselijkheid, zweten etc.), naast een aantal vragen over triggers voor het ontwikkelen van de klachten, zoals in een rij staan, douchen, etc.

Kanteltafeltest

De kanteltafeltest werd volgens een vast protocol uitgevoerd (eerst 20 minuten liggend, daarna een kanteling gedurende 10 minuten, tot 70 graden).

Liggend en bijna rechtop staand (net voordat er weer teruggekanteld werd) werden metingen uitgevoerd van het slagvolume en de cardiale index bij de aorta door middel van een Doppler. Ook werden er metingen verricht aan de halsslagader en wervelslagader

Tijdens de kanteling werd er een vragenlijst afgenomen. Daarbij werd gevraagd naar symptomen die kunnen optreden, wanneer er minder bloed naar je hersenen stroomt, doordat je steeds verder rechtop komt te staan.

(duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, vermoeidheid, spierzwakte, hartklopingen, kortademigheid, wazig zicht, verandering in gehoor, nek/schouder spierpijn, lage rugpijn, druk of pijn op de borst, concentratieproblemen, zweten, hoofdpijn, of druk in het hoofd, tintelingen.

Daarbij werden hartslag en bloeddruk geregistreerd en bepaald of er sprake was van:

  • normale reactie van hartslag en bloeddruk
  • orthostatische hypotensie (afname van meer dan 20 mmHg systolisch) of diastolisch afname van meer dan 10 mmHg
  • POTS (toename van tenminste 30 hartslagen per minuten binnen 10 minuten na het gaan staan, zonder een significante afname van de bloeddruk)

Dysautonomie: ontregeld autonoom zenuwstelsel

Dysautonomie is de paraplu-term waar verschillende aandoeningen onder vallen, waaronder orthostatische intolerantie (OI), het posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en orthostatische hypotensie (OH). Het autonoom zenuwstelsel regelt alles in je lichaam waarbij je niet hoeft na te denken, zoals je hartslag en bloeddruk, de temperatuurregeling in het lichaam, etc. Daar gaat het mis bij dysautonomie. De symptomen van POTS en OH lijken erg op elkaar. Dat komt doordat er bij allebei sprake is van een verminderde bloedtoevoer naar het hart en de hersenen. Ook zijn er vaak andere verstoringen van het autonoom zenuwstelsel.

Orthostatische Intolerantie: klachten bij rechtop gaan zitten of staan

De kenmerkende symptomen van Long Covid  lijken op die van ME/cvs. Eén van de overlappende symptomen is orthostatische intolerantie (OI). Dit is een syndroom waarbij de klachten toenemen als je staat en weer verminderen als je gaat liggen. OI is een hoofdkenmerk van ME/cvs. Met name de onder OI vallende vorm POTS is herkend bij Long Covid.

Cerebrale Hypoperfusie: Er stroomt minder bloed naar je hersenen

De auteurs bestudeerden orthostatische intolerantie (OI), waarbij zij het mechanisme dat OI veroorzaakt (cerebrale hypoperfusie) meetbaar maakten.

Cerebrale hypoperfusie betekent dat de bloeddoorstroming naar je hoofd, dus naar je hersenen, verminderd is. Dit kunnen zij meten door de bloeddoorstroming te meten met een soort sensor, een Doppler, tijdens een kanteltafeltest.

  • Daarmee toonden ze al eerder aan dat de bloedstroom naar de hersenen bij ME/cvs patiënten afnam met 26%, terwijl dit bij gezonde vrijwilligers gemiddeld 7% was.
  • In een andere studie vergeleken de auteurs tijdens een kanteltafeltest Long Covid patiënten met POTS met een vergelijkbare ME/cvs controlegroep met POTS, en met ME/cvs patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk en met gezonde controles. De twee ME/cvs groepen en de Long Covid groep waren vergelijkbaar waar het de clusters van symptomen betrof en waar het de objectieve tekenen van OI betrof, nl. de afname van de bloeddoorstroming naar de hersenen.
  • Bij de Long Covid patiënten was een duidelijke trigger aanwezig in de vorm van het SARS-CoV-2 virus. Bij de ME/cvs patiënten worden er meerdere triggers aangegeven, waardoor de groep mogelijk niet homogeen is, daarom werd er vergeleken met ME/cvs na een EBV infectie

Resultaat studie

  • De Long Covid groep had een kortere ziekteduur dan de beide ME/cvs groepen
  • Alle 14 Long Covid patiënten hadden POTS
  • De groep met ME/cvs na EBV had 6 x POTS en 8 x een normale reactie hartslag/bloeddruk
  • De groep met ME/cvs zonder acute trigger  had 7 x POTS en 7 x een normale reactie

De Long Covid patiënten en de ME/cvs patiënten hadden vergelijkbare

  • ernst van OI gerelateerde klachten (mild, matig, ernstig)
  • OI klachten in dagelijks leven (anamnese)
  • OI klachten tijdens kanteltafeltest (vragenlijst)
  • objectieve afwijkingen van OI (metingen abnormale afname hersenbloedstroom en abnornale afname cardiale index)

Deze resultaten komen overeen met die van een eerdere studie bij gezonde controles en 429 ME/cvs patiënten, waar de afname van de hersenbloedstroom tijdens de kanteltafeltest gemiddeld 7% bij gezonden en 26% bij ME/cvs patiënten was. De afname die in de huidige studie bij ME/cvs werd gevonden (29%) is vergelijkbaar.

Deze resultaten komen ook overeen met de afname van hersenbloedstroom bij patiënten met OI in een eerder onderzoek, gemeten met transcraniële doppler.

Dit maakt het waarschijnlijk dat Long Covid hetzelfde is als ME/cvs in termen van ziekte, waarbij de trigger een SARS-Cov-2 infectie is geweest. Vanuit klinisch gezichtspunt zouden Long Covid patiënten hetzelfde moeten worden behandeld als ME/cvs patiënten, met als belangrijkste klachten: Vermoeidheid, orthostatische intolerantie, geheugen en concentratieproblemen, post-exertionele problemen, slaapproblemen, pijn, etc.

Ziekte-duur en mogelijk vervagen POTS reactie

Er werd bij alle Long Covid patiënten POTS gevonden, dit was slechts resp. 42-50% bij de ME/cvs groepen. In een eerdere studie vonden de auteurs dat POTS patiënten een kortere ziekteduur hadden dan de patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk tijdens de kanteltafeltest.

In deze studie was er een significant verschil in ziekteduur:

  • Long Covid mediaan 1 jaar
  • ME/cvs mediaan 11-16 jaar

Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat met toenemen van de ziekteduur de POTS reactie kan worden vervangen door een minder grote toename van hartslag, bijna alsof die vervaagt en plaats maakt voor een normale hartslag en bloeddruk.

Eén van de mechanismen van POTS is overmatige activatie van het sympathisch zenuwstelsel. Mogelijk is er bij milder zieke Long Covid patiënten in het begin een hogere sympatische aandrijving aanwezig, die in de loop van de tijd verdwijnt tijdens herstel van de infectie, dit herstel leidt dan tot verdwijnen van POTS. Deze hypothese wordt door patiënten ondersteund die zeggen dat de hartkloppingen zijn verdwenen in de loop van de tijd.

Het komt niet door deconditionering

Deconditionering als belangrijke oorzaak van POTS wordt vaak genoemd in de literatuur. Bij de Long Covid patiënten in dit onderzoek ligt dit anders. In deze studie van 14 Long Covid patiënten en een eerdere publicatie over 10 patiënten met POTS, ontwikkelden de OI/POTS klachten zich al in de eerste weken na het begin van de acute infectie.

Geen van de patiënten is opgenomen geweest in het ziekenhuis of had aan de beademing gelegen. Alle Long Covid patiënten waren fit voor het begin van de infectie en sportten tenminste wekelijks. Andere onderzoekers hebben vergelijkbare observaties gedaan.

Dit maakt het onwaarschijnlijk dat de POTS werd getriggerd door deconditionering.

Verder hebben de auteurs bij ME/cvs patiënten aangetoond dat de aanwezigheid van postexertionele malaise (PEM), orthostatische intolerantie (OI) en de abnormale afname van hersenbloedstroom ook aanwezig waren bij patiënten die niet gedeconditioneerd waren. Dit was vastgesteld bij een cardiopulmonaire inspanningstest, waar de afwezigheid van deconditionering werd gedefinieerd als een % voorspelde maximale zuurstofconsumptie van 85% of meer.

De abnormale afname van de hersenbloedstroom was vergelijkbaar bij de patiënten die niet gedeconditioneerd waren, en bij de patiënten met milde of ernstige deconditionering. (Deconditionering was dus geen factor).

Studie van Linda van Campen en Frans Visser gepubliceerd in Healthcare https://www.mdpi.com/2227-9032/10/10/2058

Vertaling en samenvatting: ME/cvs Vereniging

Dit artikel maakt onderdeel uit van de collectie “Waarom sommige patiënten nooit herstellen: de post-actieve fase van infectueuze syndromen”

Hoe Long COVID en ME/cvs het lichaam uitputten

“Miljoenen mensen blijven last houden van uitputting, cognitieve problemen en andere langdurige symptomen na een besmetting met het coronavirus. De precieze oorzaken van de ziekte, bekend als Long COVID, zijn niet bekend. Maar nieuw onderzoek biedt aanknopingspunten, beschrijft de tol die de ziekte van het lichaam eist en waarom het zo slopend kan zijn.” Josh Keller

De New York Times publiceerde onlangs een uitstekend en mooi geïllustreerd artikel, “How Long COVID Exhausts the Body”, door Josh Keller, dat prominent op de website werd geplaatst. Keller, die duidelijk zijn huiswerk heeft gedaan, merkte in het artikel verschillende keren een mogelijk verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) op. Het volledige verband tussen de twee werd niet onderzocht.

Dat zou wellicht wel moeten. Sommige groepen lijken immers niet te geloven dat deze ziekten veel met elkaar gemeen hebben. Zo is het National Institutes of Health (NIH), nadat het meer dan een miljard dollar had ontvangen voor het onderzoeken en vinden van behandelingen voor long COVID, doorgegaan met het afwijzen en, in sommige gevallen, zelfs schrappen van ME/cvs-financiering. Haar weigering om zelfs maar een klein aantal mensen met ME/cvs deel te laten nemen aan de massale Long COVID studies, haar besluit om de financiering van onderzoekscentra 7 maanden op te schorten en deze vervolgens op hun schamele niveau voort te zetten, haar vroegtijdige beëindiging van misschien wel de belangrijkste studie in de geschiedenis van ME/cvs, en haar verwijdering van een vermelding van ME/cvs van haar Long COVID website suggereert dat, als er al iets is, de NIH een stap achteruit zet op ME/cvs gebied.

Een belangrijk artikel van een van de grootste mediakanalen ter wereld over Long COVID geeft een verduidelijking van waar ME/cvs staat in relatie tot Long COVID.

Hoe Long COVID en ME/cvs het lichaam uitputten

Auto-immuunziekten?

“Onderzoekers hebben ook bewijs gevonden dat COVID een blijvende en schadelijke auto-immuunreactie kan veroorzaken. Studies hebben verrassend hoge niveaus van auto-antilichamen gevonden, die ten onrechte de eigen weefsels van een patiënt aanvallen, vele maanden na een aanvankelijke infectie.” Keller

Toch biedt auto-immuniteit een interessante manier om de opmerkelijke verscheidenheid aan symptomen, het onevenwicht tussen mannen en vrouwen en de infectieuze uitlokking die bij ME/cvs wordt aangetroffen, te verklaren.

De onderzoeken naar autoantilichamen bij Long COVID overtreffen die bij ME/cvs al in hun omvang en complexiteit en suggereren dat een breed scala van auto-antilichamen wordt ontketend door de coronavirusinfectie. Verschillende ME/cvs-studies hebben bewijzen gevonden van verhoogde niveaus van auto-antilichamen tegen receptoren (beta-adrenerge (AdR), muscarine-acetylcholine receptoren (M-AChR)) die onder andere de werking van het sympathische zenuwstelsel en de bloedvaten beïnvloeden. Kleine studies suggereren dat gerichte therapieën die deze auto-antilichamen verwijderen ook kunnen helpen en ten minste één daarvan wordt onderzocht bij Long COVID.

Een aantal onderzoekers heeft voorgesteld dat de combinatie van auto-immuun uitingen, dysautonomie en dunnevezelneuropathie bij ME/cvs, POTS, en sommige andere ziekten een nieuwe ziekteaanduiding vereist, genaamd “auto-immuun neurosensorische dysautonomie”. (Zoals zal blijken wordt die combinatie ook gevonden in Long COVID).
Verscheidene hypothesen en ook inspanningsonderzoeken suggereren dat auto-immuniteit een belangrijke rol speelt bij ME/cvs.

Het virus dat nooit wegging?

“Een mogelijkheid is dat het lichaam nog steeds vecht tegen restanten van het coronavirus. Onderzoekers ontdekten dat het virus zich tijdens een eerste infectie op grote schaal verspreidt, en dat viraal genetisch materiaal vele maanden ingebed kan blijven in weefsels – in de darmen, lymfeknopen en elders.” Keller

Aangezien is aangetoond dat ME/cvs, of een toestand die er sterk op lijkt, wordt uitgelokt door vele ziekteverwekkers (Epstein-Barr-virus, HHV-6, Coxsackie, Giardia, enz.) heeft het idee dat een virus, in een of andere vorm, nog steeds, zelfs nadat het grotendeels is bestreden, het immuunsysteem blijft aantasten, geleid tot enkele van de meest creatieve bevindingen op het gebied van ME/cvs.

Er zijn veel ziekteverwekkende triggers gevonden bij ME/cvs

Enterovirus

Verschillende eerdere studies hebben aangetoond dat er enteroviraal RNA achterblijft in de spieren van sommige mensen met ME/cvs. Sinds 2005 heeft Dr. John Chia bewijs geleverd van een ” sluimerende ” enterovirusinfectie bij ME/cvs, waaronder verhoogde antilichaamspiegels, de aanwezigheid van enteroviraal RNA in het plasma en in maagbiopsies, doorgaans na wat Chia “een ernstige griepachtige ziekte” van onbekende oorsprong noemt. Chia gelooft dat enteroviraal RNA in de spieren verantwoordelijk kan zijn voor de inspanningsproblemen bij ME/cvs.

Epstein-Barr Virus

Nu studies verklaren dat EBV [red.: in de onderliggende studie had ongeveer 25% van de MS-patiënten EBV en EBNA1 antilichamen in het bloed] de oorzaak is van multiple sclerose, krijgt EBV meer aandacht dan ooit. EBV was het eerste virus dat in verband werd gebracht met ME/cvs en wordt nu, bijna 40 jaar later, nog steeds bestudeerd.  In een langlopende NIH-beurs hebben onderzoekers van Ohio State bijvoorbeeld bewijs gevonden dat een vreemde, sluimerende EBV-infectie die niet in staat is zichzelf volledig te repliceren, toch eiwitten naar buiten pompt waar het immuunsysteem op reageert bij ME/cvs. Een recente Noorse studie die bewijs vond van een voortdurende ontstekingsreactie 6 maanden na een EBV-infectie suggereerde dat het virus een langdurige immuunrespons had uitgelokt bij ME/cvs.

HHV-6

In misschien wel de meest creatieve pathogene hypothese tot nu toe stellen Prusty en Naviaux voor dat een reactivering van HHV-6/7 een celgevaarlijke reactie teweegbrengt die uiteindelijk de mitochondriën fragmenteert en de energieproductie bij ME/cvs aantast.

Problemen met de bloedcirculatie

“Veel Long Covid-patiënten worstelen met lichamelijke activiteiten lang na hun eerste infectie, en ervaren een opleving van de symptomen als ze zich inspannen. De eerste studies suggereren dat een disfunctie van de bloedcirculatie de zuurstoftoevoer naar de spieren en andere weefsels zou kunnen belemmeren, waardoor de aërobe vermogens worden beperkt en ernstige vermoeidheid optreedt.

In één onderzoek vertoonden patiënten met aanhoudende Covid-symptomen onverwachte reacties op fietsen. Hoewel hun hart en longen ogenschijnlijk normaal waren, konden hun spieren tijdens het fietsen slechts een deel van de normale hoeveelheid zuurstof uit kleine bloedvaten halen, waardoor hun inspanningsvermogen aanzienlijk afnam. 

Een mogelijke boosdoener: chronische ontstekingen kunnen de zenuwvezels beschadigen die de bloedsomloop helpen regelen, een aandoening die dunnevezelneuropathie wordt genoemd. De beschadigde vezels, gezien in huidbiopten, worden in verband gebracht met dysautonomie, een verstoring van automatische functies zoals hartslag, ademhaling en spijsvertering, die veel voorkomt bij Long Covid-patiënten”. Keller

Hoewel auto-immuniteit en virale persistentie/reactivatie mogelijkheden zijn bij ME/cvs, blijven het slechts dat – mogelijkheden. Het bewijs dat er een soort circulatieprobleem bestaat bij ME/cvs, is daarentegen vrij sterk. Het eerste bewijs werd meer dan 20 jaar geleden geleverd toen McCully/Natelson een verminderde zuurstofstroom naar de spieren vonden. Problemen met de microcirculatie en het functioneren van endotheelcellen – twee belangrijke aandachtspunten in zowel Long COVID als ME/cvs enFM – doken vervolgens op in drie door ME Research UK gefinancierde studies/papers in 2000, 2003, en 2005
.

De doorbloeding van de spieren en de hersenen werd het meest bestudeerd.

Doorbloeding van de hersenen

“Een andere onderzoeksgroep ontdekte dat Long COVID de hoeveelheid bloed die de hersenen bereikt aanzienlijk kan verminderen, een bevinding die vóór de pandemie ook werd gezien bij patiënten met een verwante chronische aandoening, ME/cvs.” Keller

Het bewijs voor een verminderde doorbloeding van de hersenen kwam voor het eerst aan het licht in 1996 en varieerde in de loop der jaren. Het probleem van de doorbloeding van de hersenen werd grotendeels opgelost toen Visser/Van Campen/Rowe, met een nieuwere, nauwkeurigere techniek, verminderde doorbloeding van de hersenen vonden bij vrijwel iedereen met ME/cvs, ook bij mensen die niet voldeden aan de criteria voor orthostatische intolerantie.

Verdere studies wezen uit dat het na een kanteltafeltest veel langer duurt voordat de bloedstroom naar de hersenen weer normaal is bij ME/cvs, dat het bloedvolume – een cruciaal aspect van de bloedcirculatie – laag is, dat bij ernstige ME/cvs zelfs zitten of licht “kantelen” kan leiden tot een aanzienlijk verminderde hersenbloedstroom, en dat kanteltafeltesten soortgelijke effecten hebben bij patiënten met Long COVID.

Medow’s opzienbarende studie uit 2014 toonde de dramatische impact aan die verminderde zuurstoftoevoer naar de hersenen kan hebben bij ME/cvs. Toen Medow fenylefrine gebruikte bij ME/cvs-patiënten met orthostatische intolerantie om de bloedstroom naar hun hersenen te verhogen, verdwenen hun cognitieve problemen en symptomen volledig tijdens de gevreesde kanteltafeltest.

Inspanning

“Veel Long Covid-patiënten worstelen met lichamelijke activiteiten lang na hun eerste infectie, en ervaren een toename van de symptomen als ze zich inspannen. De eerste studies suggereren dat disfunctie in de bloedsomloop de toevoer van zuurstof naar spieren en andere weefsels zou kunnen belemmeren, waardoor de aërobe vermogens worden beperkt en ernstige vermoeidheid wordt veroorzaakt.” Keller

Inspanningsstudies behoren tot de meest verhelderende in wat waarschijnlijk de meest inspanningsintolerante ziekte op aarde is. (Het symptoom post-exertionele malaise – dat nu wordt gebruikt in Long COVID-studies – kwam voort uit het ME/cvs-veld en deskundigen stelden voor om ME/cvs Systemic Exertion Intolerant Disease (SEID) te noemen).

Veel studies hebben problemen aangetoond met aërobe vermogens bij ME/cvs.

Workwells nieuwe tweedaagse inspanningsstudies, die in de loop van de tijd goed gevalideerd zijn geraakt, tonen een kenmerk aan dat, tot een recente Long COVID studie het ontdekte – alleen was gedocumenteerd bij ME/cvs: dat inspanning op de ene dag iemands vermogen om de volgende dag energie te produceren schaadt.

Het invasieve inspanningswerk van David Systrom wijst op twee soorten problemen met de bloedcirculatie die opduiken bij ME/cvs tijdens inspanning: een shunt lijkt voldoende zuurstoftoevoer naar de spieren te verhinderen en lekkende aders verhinderen voldoende bloedtoevoer naar het hart (en uiteindelijk het hart). Vermeulen en anderen hebben ook bewijs gevonden van verminderde zuurstoftoevoer naar de spieren tijdens inspanning bij ME/cvs.

De invasieve en tweedaagse inspanningsstudies van respectievelijk Systrom en Mancini hebben – omdat ze direct de inspanningsproblemen bij Long COVID aanpakken – misschien de belangrijkste bevindingen tot nu toe opgeleverd. Beide hebben vergelijkbare inspanningsproblemen gevonden bij Long COVID-patiënten en ME/cvs.

Bovendien suggereren zowel ME/cvs als Long COVID studies dat beschadigde of slecht functionerende endotheelcellen ook de bloedstroom kunnen belemmeren.

Bloedstolsels

“Zuid-Afrikaanse onderzoekers vonden een ander circulatieprobleem: Microscopische kleine bloedstolsels. Kleine stolsels die tijdens een eerste Covid-infectie worden gevormd, worden gewoonlijk op natuurlijke wijze afgebroken, maar kunnen bij Long Covid-patiënten blijven bestaan. Deze stolsels kunnen de kleine haarvaten blokkeren die zuurstof naar weefsels in het hele lichaam transporteren.” Keller

Er is geen direct bewijs, voor zover ik weet, van microstolsels bij FM of ME/cvs, maar een paar kleine studies vonden ongeveer 20 jaar geleden bewijs van hypercoagulatie bij ME/cvs, FM en Golfoorlogsyndroom.

Dunnevezelneuropathie en dysautonomie

“Chronische ontstekingen kunnen zenuwvezels beschadigen die helpen de bloedsomloop te regelen, een aandoening die dunnevezelneuropathie wordt genoemd. De beschadigde vezels, gezien in huidbiopten, worden in verband gebracht met dysautonomie, een storing van automatische functies zoals hartslag, ademhaling en spijsvertering die veel voorkomt bij Long Covid-patiënten.” Keller

Slechts één kleine studie levert bewijs van dunnevezelneuropathie bij Long COVID, maar meerdere studies tonen aan dat het wel aanwezig is bij ME/cvs en FM. Het is interessant dat Keller de hypothese van Systrom en anderen omarmt dat de dunnevezelneuropathie die gevonden wordt in de huid de meest voor de hand liggende maar minst verontrustende manifestatie is van een probleem dat gevolgen heeft voor het hele lichaam en dat het bloed wegleiden van de spieren omvat.

Dysautonomie is natuurlijk een gemeenschappelijk thema bij ME/cvs, fibromyalgie en posturaal orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en lijkt ook aanwezig te zijn bij Long COVID. Een lagere hartslagvariabiliteit, die wijst op een dominantie van het sympathische zenuwstelsel, wordt aangetroffen bij ME/cvs, FM, POTS en Long COVID. Een eenvoudige sta-test die het autonome zenuwstelsel belast, is door ME/cvs-behandelaars voorgesteld als diagnostische test, en verminderde hartslagvariabiliteit was voorspellend voor slaapproblemen.

Een ontstoken brein?

“Hoewel het onduidelijk is hoe vaak het virus rechtstreeks de hersenen binnendringt, lijken zelfs milde infecties een aanzienlijke hersenontsteking te veroorzaken, volgens de onderzoekers, waaronder Dr. Nath, Dr. Iwasaki en Dr. Michelle Monje, een neuroloog aan Stanford. Infecties kunnen de overactivering van immuuncellen, microglia genaamd, teweegbrengen op een manier die lijkt op het proces dat kan bijdragen aan cognitieve problemen bij veroudering en sommige neurodegeneratieve ziekten.” Keller

De mate waarin neuroinflammatie een rol speelt bij ME/cvs is onduidelijk, maar verschillende kleine studies hebben bewijzen gevonden van wijdverspreide neuroinflammatie. De hoge kosten van beeldvormende studies van de hersenen en de geringe steun die ME/cvs krijgt, betekent dat de bevindingen over neuroinflammatie – waarvan vermoed wordt dat ze tot de belangrijkste in het veld behoren – inderdaad langzaam verkregen zijn met slechts drie kleine studies die in de afgelopen 8 jaar gepubliceerd zijn. Studies die een gelijkaardig hersensignatuur hebben aangetoond in de zusterziekten van ME/cvs – fibromyalgie en Golfoorlogsyndroom – schreeuwen om meer neuroinflammatiestudies. Gelukkig zullen die studies er zeker komen voor Long COVID.

Conclusie

“Miljoenen mensen blijven last houden van uitputting, cognitieve problemen en andere aanhoudende symptomen na een infectie. De precieze oorzaken van deze ziekten, bekend als Long COVID en Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/cvs), zijn niet bekend. Maar nieuw onderzoek biedt aanknopingspunten en beschrijft de tol die de ziekte van het lichaam eist en waarom ze zo slopend kan zijn.” Keller

De ene na de andere bevinding bij Long COVID kwam overeen met die bij ME/cvs.

De overeenkomsten zijn opmerkelijk, maar misschien nog opmerkelijker is hoe snel dezelfde kwesties naar voren zijn gekomen bij Long COVID en ME/cvs. En dat is niet omdat Long COVID-onderzoekers meeliften op ME/cvs/FM-onderzoek. Slechts enkelen hebben iets met ME/cvs te maken gehad. Het is eerder zo dat ze Long COVID -patiënten beoordelen op basis van wat ze voor zich zien; m.a.w. Long COVID zelf duwt het onderzoek in dezelfde richting die het bij ME/cvs is ingeslagen. In bijna alle gevallen komen de bevindingen die Keller aantreft bij Long COVID sterk overeen met die welke bij ME/cvs worden waargenomen.

We zijn nog maar net begonnen, maar de resultaten zijn veelbelovend voor zowel mensen met Long COVID als mensen met ME/cvs. Mensen met Long COVID zullen profiteren van de jarenlange studies naar ME/cvs, en mensen met ME/cvs zullen profiteren van de enorme financiële middelen die in Long COVID worden gestoken.

Er rijst ook een interessante vraag: als Long COVID 1,15 miljard dollar aan onderzoeksgelden waard is, hoeveel is ME/cvs dan waard, een ziekte waaraan in de V.S. tot 2 miljoen mensen lijden en waarvoor momenteel 15 miljoen dollar per jaar wordt uitgetrokken?

Bron: https://www.healthrising.org/blog/2022/02/27/long-covid-chronic-fatigue-syndrome-exhausts-body/

Vertaling: ME/cvs Vereniging

Orthostatische symptomen bij long COVID en ME/cvs

Tijdens de pandemie werd een grote internationale enquête gehouden onder volwassenen die aanhoudende symptomen hadden na een Covid-19 infectie. De 3 meest gerapporteerde symptomen daarin waren vermoeidheid, PEM en cognitieve problemen. Uit andere onderzoeken bleek ook dat orthostatische intolerantie en met name POTS al vlak na het begin van Long Covid ontstaan. Dit zijn ook allemaal belangrijke symptomen bij ME/cvs. Veel van de Long Covid patiënten voldoen na 6 maanden ziekte aan de criteria voor ME/cvs. Dit kan suggereren dat een infectie met SARS-Cov-2, net als infecties met SARS-Cov-1 en andere infectieziektes ME/cvs kunnen uitlokken.

Het onderzoek

De onderzoekers van Campen, Rowe en Visser hebben daarom een onderzoek gedaan waarin ME/cvs en Long Covid patiënten vergeleken werden. De auteurs onderzochten de orthostatische symptomen in het dagelijks leven en de reacties van hartslag en bloeddruk werden gemeten tijdens een kanteltafeltest. Ook hebben ze vergeleken hoe de hersenbloedstroom reageert als er orthostatische stress plaatsvindt.

De volgende patiëntengroepen werden vergeleken: 20 patiënten die zowel ME/cvs als POTS hebben, 20 ME/cvs patiënten die geen POTS hebben, 10 Long Covid patiënten en 10 gezonde controles. De patiënten werden gelinkt op leeftijd en geslacht. De ME/cvs patiënten voldeden aan de Fukuda, ICC en IOM criteria.

Alle deelnemers vulden vragenlijsten in over symptomen. Ze kregen dezelfde kanteltafeltest waarbij de hersenbloedstroom werd gemeten en de cardiale index.

Resultaten

Er waren geen significante verschillen in ME/cvs symptomen tussen long Covid patiënten en ME/cvs patiënten.

De long Covid patiënten ontwikkelden allemaal POTS tijdens de kanteling.

De afname van bloeddoorstroming in de hersenen en cardiale index verschilden niet tussen de 3 groepen patiënten.

De afname van de hersenbloedstroom was groter bij long Covid dan bij de ME/cvs patiënten, met een normale reactie van hartslag en bloeddruk.

Voordat de Long Covid patiënten ziek werden, waren zij allemaal fysiek erg actief. De orthostatische symptomen startten echter al vlak nadat zij ziek werden. Hierdoor is het erg onwaarschijnlijk dat de POTS werd veroorzaakt omdat zij gedeconditioneerd (fysiek niet fit) waren.

Conclusies

  • De symptomen van long COVID-19 zijn vergelijkbaar met die van ME/cvs-patiënten, evenals de reactie op kanteltafeltesten
  • De hersenbloedstroom en afname van de cardiale index tijdens het kantelen bleken bij long COVID ernstiger aangetast dan bij veel patiënten met ME/cvs
  • De gegevens en resultaten suggereren dat naast SARS-Cov-1, ook een infectie met SARS-Cov-2 een uitlokkende factor kan zijn voor het ontwikkelen van ME/cvs

Dit is een samenvatting van het onderzoek. De volledige (Engelstalige) publicatie kun je hier lezen.

Link tussen hersenstam en dysautonomie

Uit onderzoek bleek dat een deel van de langdurige COVID patiënten dunnevezelneuropathie heeft. In datzelfde onderzoek werd genoemd dat andere infecties, zoals de bof en Epstein-Barr, vaak dysautonomie veroorzaken. De onderzoekers denken dat dit mankement aan het autonome zenuwstelsel veroorzaakt kan worden door een auto-immuun reactie die ontstaat na een infectie. Dit wordt ook vaak gedacht bij ME/cvs en POTS.

De hersenstam

Een antwoord op het ontstaan van de problemen met het autonome zenuwstelsel kan misschien gevonden worden in de hersenstam. De hersenstam is de eerste ontvanger van alle signalen vanuit het lichaam. Het regelt basisfuncties in het lichaam, zoals ademhaling, hartslag, bloeddruk, spijsvertering, alertheid, slaap/waak. Deze functies zijn vaak ontregelt bij ME/cvs.

Eerdere SARS-virussen (dezelfde groep virussen als waar het coronavirus bij hoort) hebben de neiging zich aan de hersenstam te hechten. En ook het coronavirus gaat naar een centrum in de hersenstam volgens Franse onderzoekers. Van daaruit kan het de ademhaling en andere cardiovasculaire factoren reguleren. Het virus kan daar ook een schakelaar maken die hypoventilatie veroorzaakt. Dit is iets wat ook vaak bij ME/cvs gevonden wordt. Een ander mogelijk gevolg hiervan is dat het lichaam in de “vecht-of-vlucht” staat gebracht wordt en juist de “rust-en-herstel” staat verminderd wordt.

Ook in autopsieresultaten werd het coronavirus in de hersenstam gevonden. Er zijn ook aanwijzingen gevonden voor ontstekingen, neurodegeneratie en capillaire bloedingen in de hersenstam.

De hersenstam maakt ook allerlei neuronen, zoals serotonine. Als de hersenstam aangetast wordt, kan dit ook gevolgen voor die neuronen hebben. Hierdoor kunnen er weer een heleboel andere symptomen veroorzaakt worden, zoals vermoeidheid, pijn, hoofdpijn, depressie, angst, slaap- en cognitieve stoornissen.

ACE2-receptor

Nog een link in de hersenstam tussen ME/cvs en langdurige Covid werd gevonden in de ACE2-receptor. Het coronavirus bindt zich aan de ACE2-receptor. Dit zet een hele kettingreactie in gang met als gevolg dat de ontstekingsremmende activiteit afneemt.

Ook ME/cvs remt ACE2 en ook hierbij resulteert dat uiteindelijk in een afname van de ontstekingsremmende activiteit. De andere stoffen die hierbij ontstaan, dragen bij aan een groot aantal problemen zoals een verhoogde “vecht-vlucht” reactie, vernauwde bloedvaten, ontstekingen en problemen met de hartslag en bloeddruk.

Andere symptomen van dysautonomie die vaak voorkomen bij ME/cvs zijn hypoventilatie, ventilatieproblemen en kortademigheid. En dat in het bijzonder tijdens inspanning. We zullen de komende tijd gaan horen of de ademhalingsproblemen die bij COVID-19 horen, gerelateerd zijn aan die bij ME/cvs.

Conclusie

Er zijn veel links tussen ME/cvs en langdurige COVID. Dit is goed nieuws voor de ME/cvs patiënten. Er komt namelijk een enorme financiering voor onderzoek naar langdurige COVID. Hopelijk levert dat ook veel nieuwe inzichten op voor ME/cvs.

Deze samenvatting is voor je gemaakt door de ME/cvs Vereniging. Het volledige vertaalde artikel kun je hier lezen. Het originele (Engelstalige) artikel geschreven door Cort Johnson vind je hier.



Cognitief functioneren neemt af na OI

Cognitieve symptomen bij ME/cvs

De problemen met geheugen en concentratie worden door ME/cvs patiënten beschreven als:

  • brainfog,
  • verwarring,
  • desoriëntatie,
  • moeite met concentreren,
  • zich niet kunnen focussen,
  • moeite met verwerken van informatie,
  • moeite om te multitasken,
  • een slechter functionerend korte termijn geheugen.

In ernstiger gevallen hebben patiënten moeite om taken te doen die volgehouden aandacht vereisen en rapporteren problemen met het uitvoeren van zelfs relatief simpele activiteiten, zoals tv kijken.

De hypothese van de onderzoekers in deze studie is dat cognitieve achteruitgang bij ME/cvs patiënten aanwezig is na orthostatische stress veroorzaakt door de kanteltafeltest.

Orthostatische intolerantie

Orthostatische Intolerantie (OI) is een klinische aandoening. Hierbij verslechteren de symptomen bij het (gaan) zitten of staan. De symptomen verbeteren weer, hoewel ze niet hoeven te verdwijnen, door te gaan liggen. Het wordt gekenmerkt door de volgende symptomen:

  • Cerebrale hypoperfusie: hierbij is de bloedstroom naar de hersenen verminderd wat leidt tot een licht gevoel in het hoofd, (bijna) flauwvallen, verminderde concentratie, hoofdpijn en een (minder) scherp zicht.
  • Sympathische zenuwstelsel activatie: dit leidt tot krachtige hartslagen, hartkloppingen, trillingen en pijn op de borst.
  • Andere veel voorkomende tekenen van OI zijn vermoeidheid, een gevoel van zwakte, intolerantie voor lichte inspanning, misselijkheid, buikpijn, een bleek gezicht, zenuwachtigheid en kortademigheid.

Het onderzoek

385 ME/cvs patiënten bij wie ook OI werd vermoed, werden onderzocht. Na toepassen van de uitsluitingscriteria bleven hiervan 128 personen over. 84% hiervan rapporteerde tijdens de anamnese geheugen en concentratieproblemen.

Deelnemers voldeden aan de criteria voor deze studie als ze o.a.:

  • tussen november 2015 en juni 2018 werden onderzocht,
  • voldeden aan de criteria voor ME/cvs (zowel Fukuda 1994 als ICC 2011, waarbij de uitsluitingscriteria werden toegepast),
  • een kanteltafeltest ondergingen i.v.m. klinische verdenking op OI
  • diagnose OI kregen volgens de IOM criteria,
  • de volledige visuele 2- en 3-back tests hadden voltooid.

De scores op cognitieve testen werden slechter naarmate de hellingshoek van de kanteltafel groter werd en hoe ingewikkelder de cognitieve test was.

Het doel van deze studie was te bepalen of cognitieve beperkingen blijven aanhouden nádat de kanteltafeltest is voltooid.

Cognitieve disfunctie maakt onderdeel uit van de post-exertionele malaise (PEM). Het begin van PEM wordt op verschillende manieren gerapporteerd in de literatuur, van onmiddellijk na de stressor tot dagen nadien. Daarom onderzochten de onderzoekers cognitieve achteruitgang onmiddellijk ná de kanteltafeltest.

Methodes

2- en 3- back tests
In deze studie werden ME/cvs patiënten met orthostatische symptomen getest door middel van een cognitieve 2- en 3- back test, die zij vóór en binnen 5 minuten ná de kanteltafeltest online moesten invullen.

Patiënten moesten klikken wanneer het plaatje in het scherm overeenkwam met iets dat zij twee of drie plaatjes geleden hadden gezien. Het percentage correcte antwoorden en de reactietijden voor en na de kanteltafeltest voor zowel de 2- als de 3-back testen werd geregistreerd.

30 minuten kanteltafeltest
De 30 minuten kanteltafeltest houdt in dat patiënten eerst 15 minuten liggen, waarna de kanteltafel voorzichtig wordt gekanteld tot een hoek van 70 graden. Zij blijven dan 30 minuten in deze hellingshoek staan. De test eindigt na 30 minuten, of op verzoek van de patiënt of bij (bijna) flauwvallen. De hartslag en de bloeddruk (onderdruk en bovendruk) worden voortdurend gemeten, evenals de hoeveelheid koolstofdioxide via de neus.

Resultaten

Bij de patiënten met orthostatische symptomen nam het percentage juiste antwoorden op de 2-backtest na de kanteltafeltest af van 77 (18) tot 62 (21) en van de 3-terugtest van 57 (17) naar 41 (17), beide p < 0.0001).

De percentages correcte antwoorden werden lager en de reactietijd nam toe ná de kanteltafeltest. Het maakte hierbij geen verschil of iemand ernstiger of minder ernstig ziek was. Het maakte ook geen verschil of er naast ME/cvs sprake was van fibromyalgie.

Bij volwassenen met ME/cvs volgt achteruitgang van cognitief functioneren op orthostatische stress testen (kanteltafeltesten). Deze achteruitgang van cognitief functioneren trad onafhankelijk op van de veranderingen in bloeddruk en hartslag tijdens de kanteltafeltest.

Er waren geen verschillen qua percentages goede antwoorden en reactietijd tussen ME/cvs patiënten zonder afwijkingen in hartslag en bloeddruk en ME/cvs patiënten met POTS of OH. De cognitieve afwijkingen bij ME/cvs zijn dus niet beperkt tot de patiënten die ook POTS / OH hebben.

Discussie

Eerder stelden de onderzoekers al vast dat ME/cvs patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk op een 30 minuten kanteltafeltest tóch een significante afname hebben van hersenbloedstroom.

Het werkgeheugen bij volwassenen met ME/cvs blijft beperkt ná een 30 minuten kanteltafeltest. Deze achteruitgang van het werkgeheugen kan verklaard worden door een afname in hersenbloedstroom tijdens de kanteltafeltest, ondanks veranderingen in bloeddruk en hartslag.

Postexertionele malaise (PEM) is een verergering van sommige of alle ME/cvs symptomen. PEM treedt op na fysieke of cognitieve inspanning en leidt tot een afname in functionele mogelijkheden. De resultaten van deze studie suggereren dat PEM onmiddellijk na het voltooien van de orthostatische stresstest begint.

Dit was een samenvatting van opnieuw een studie van Linda van Campen, Peter Rowe, Freek Verheugt en Frans Visser, gepubliceerd in Autonomic Neuroscience. Het volledige (Engelstalige) artikel vind je hier.

Bij 20 graden kantelen al minder bloed naar hersenen

Eerder onderzoek

In een eerdere studie van Linda van Campen et al, met 429 volwassenen met ME/CVS, die voldeden aan zowel de Fukuda als de Internationale Consensus Criteria, werd aangetoond dat 86% van de onderzochte ME/CVS patiënten symptomen had van orthostatische intolerantie* in het dagelijks leven.

Tijdens kanteltafeltesten, met een kanteling tot 70 graden en gedurende 30 minuten, had 90% hiervan een abnormale afname van de bloeddoorstroming naar de hersenen (CBF). Dit was gemeten met Doppleronderzoek, een techniek die gebruikmaakt van ultrasone golven of geluidsgolven om aandoeningen van de bloedvaten te onderzoeken.

Deze abnormale afname van de bloeddoorstroming naar de hersenen was niet alleen aanwezig bij ME/CVS patiënten met goed gedefinieerde afwijkingen in hartslag en bloeddruk tijdens kanteltafeltesten, zoals orthostatische hypotensie, postureel orthostatisch tachycardie syndroom (POTS) en syncope (flauwvallen). Deze abnormale afname van bloedstroom naar de hersenen was ook aanwezig bij ME/CVS patiënten met een normale reactie van hartslag en bloeddruk bij het rechtop gaan zitten of staan.

De gemiddelde afname van hersenbloedstroom van 26% in de hele groep proefpersonen met ME/CVS verschilde significant met de afname van 7% die bij de gezonde controle proefpersonen werd waargenomen toen ze dezelfde test ondergingen.

Het nieuwe onderzoek

De ernstigst zieke bedgebonden ME/CVS patiënten verdragen een standaard kanteltafeltest van 30 minuten naar een kanteling van 70 graden mogelijk niet.

Daarom onderzocht een nieuwe exploratieve studie of een kortere test van 15 minuten met een kleinere hellingshoek van 20 graden voldoende zou kunnen zijn om de afnames in hersenbloedstroom en slagvolume index/cardiale index uit te lokken bij ernstig zieke ME/CVS patiënten. Dit was al eens getest door Wyller et al bij 27 jongeren met ME/CVS, waarbij de jongeren met ME/CVS onderscheiden konden worden van de gezonde proefpersonen van hun leeftijd. Bij een exploratieve studie worden op een systematische manier gegevens verzameld en geanalyseerd in de hoop nieuwe verbanden te ontdekken of nieuwe feiten aan de weet te komen.

De ernst van de ziekte werd ingedeeld volgens de Internationale Consensus Criteria (ICC):

  • licht: tenminste 50% of meer afname van activiteiten niveau van voor de ziekte
  • matig: grotendeels huisgebonden
  • ernstig: grotendeels bedgebonden
  • zeer ernstig: bedgebonden en afhankelijk van hulp bij fysieke functies

In de periode van juni 2019 – april 2020 werden 19 ernstig zieke ME/CVS patiënten met orthostatische intolerantie klachten in het dagelijks leven bestudeerd: 18 vrouwen. Alle 19 ernstig zieke ME/CVS patiënten voldeden aan de criteria voor een abnormale afname van de bloedstroom naar de hersenen.

Conclusies

Het gebruikmaken van een minder intensieve 20 graden kanteltafeltest gedurende 15 minuten bij ernstig zieke ME/CVS patiënten resulteerde in een gemiddelde afname van hersenbloedstroom van 27%. Dit is vergelijkbaar met de gemiddelde afname die eerder werd vastgesteld bij minder ernstig zieke patiënten die werden bestudeerd tijdens een 30 minuten 70 graden kanteltafeltest.

Dit onderzoek is alleen gedaan met bedgebonden ME/CVS patiënten. Wat verder nog onderzocht moet worden:

  • Of deze hoek van 20 graden de hoek van 70 graden kan gaan vervangen wanneer minder ernstig zieke ME/CVS patiënten worden getest.
  • Het effect op gezonde proefpersonen.
  • Of verschillen in ernst van de ziekte ook leiden tot verschillen in afname van hersenbloedstroom.
  • Of een kortere kanteling van 20 graden minder post-exertionele malaise uitlokt dan een langere kanteling van 70 graden.

Deze studie toont aan dat een korte 15 minuten kanteling van 20 graden voldoende is om een klinisch significante afname in hersenbloedstroom uit te lokken bij patiënten met ernstige ME/CVS. 

Lees hier het hele artikel

Hersenbloedstroom is verminderd bij ME/cvs

Veel ME/cvs patiënten (maar niet alle) vertonen één of andere vorm van orthostatische intolerantie. Hierbij reageren hartslag en bloeddruk sterk op verandering van houding. Dit kan worden gemeten door het doen van een kanteltafeltest. Bij deze test word volgens een vast protocol de tafel gekanteld waarop de patiënt ligt, totdat de patiënt staat.

Het onderzoek

Aan deze studie deden 429 ME/cvs patiënten mee en 44 gezonde controle proefpersonen. Zij ondergingen gedurende 30 minuten testen op de kanteltafel. Tijdens het kantelen werden halverwege en aan het eind bij iedereen de bloeddruk, hartslag en bloeddoorstroming naar de hersenen gemeten. Er werd halverwege een mondelinge vragenlijst afgenomen om 15 symptomen van orthostatische intolerantie vast te leggen.

De bloedstroom naar de hersenen werd gemeten met een echotechniek (doppler) aan slagaders naar de hersenen. De snelheid waarmee het bloed naar de hersenen stroomt, werd genoteerd. Het is normaal dat deze iets afneemt wanneer je gaat staan.

Resultaten

  • 247 patiënten hadden een normale reactie van hartslag en bloeddruk op de kanteltafeltest
  • 62 patiënten hadden vertraagde orthostatische hypotensie (dOH)
  • 120 patiënten hadden het posturale orthostatische tachycardie syndroom (POTS).

De gezonde proefpersonen hadden aan het eind van de kanteling een verminderde hersenbloedstroom van 7%. De ME/cvs patiënten hadden hierbij gemiddeld een vermindering van 26%. De ME/cvs patiënten die een normale reactie van hartslag en bloeddruk hadden op de kanteltafeltest, hadden een verminderde hersenbloedstroom van 24%. Voor de dOH patiënten was dit 28% en voor de POTS patiënten 29%.

Statistisch berekend is 13% “normaal” (13% = 2 x de standaarddeviatie van de afname van de hersenbloedstroom van de gezonde controles).

Dit cijfer werd vervolgens vergeleken met de cijfers van de ME/cvs patiënten. Van de ME/cvs patiënten liet 82% van de groep met de normale reactie van hartslag en bloeddruk een abnormale vermindering zien van hersenbloedstroom, 98% van de dOH patiënten en 100% van de POTS patiënten.

Conclusies

De bloedstroom naar de hersenen is tijdens de kanteltafeltest verminderd bij ME/cvs patiënten met POTS, uitgestelde OH en zelfs bij de patiënten die een normale reactie vertoonden van hartslag en bloeddruk.

De studie toont aan dat orthostatische intolerantie symptomen verband houden met afname van hersenbloedstroom. Ook laat de meerderheid van de ME/cvs patiënten een abnormale afname zien van hersenbloedstroom tijdens het testen met orthostatische stress. Dit kan implicaties hebben voor de diagnose en behandeling van ME/cvs patiënten.

Het volledige (Engelstalige) artikel vind je hier.

ME/cvs bij kinderen en jongeren

Prof. dr. Peter Rowe is professor in de Kindergeneeskunde. Ook is hij directeur van het Children’s Center Chronic Fatigue Clinic aan de Faculteit Geneeskunde van de Johns Hopkins Universiteit in Baltimore, Verenigde Staten. Zijn klinische specialismen zijn o.a. ME/CVS, Fibromyalgie en Orthostatische Intolerantie.

Prof. Peter Rowe speelde een belangrijke rol in de totstandkoming van de recente handleiding “Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome Diagnosis and Management in Young People: A Primer”. Hij was ook lid van het team dat het zeer invloedrijke [IOM] rapport “Beyond Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome: Redefining an Illness” schreef. Dit werd in 2015 door de National Academy of Medicine in de VS gepubliceerd en bevat diagnostische criteria, een handleiding voor clinici en een uitgebreid literatuuroverzicht.

Dr. Nigel Speight is een praktiserend kinderarts die al lange tijd een speciale interesse heeft in ME. Hij is gevestigd in Durham, VK. Ook is hij medisch adviseur voor verschillende organisaties waaronder de  ME Association, The Young ME Sufferers Trust en de 25% ME Group.

Dr. Speight bevond zich onder de in ME/CVS gespecialiseerde kinderartsen die hebben bijgedragen aan de “Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome Diagnosis and Management in Young People: A Primer “. Daarvoor droeg hij al bij aan de “Myalgic Encephalomyelitis International Consensus Criteria”.

Diagnose en behandeling van ME/cvs bij kinderen

Prof. Peter Rowe en Dr. Nigel Speight hebben 2 video’s gemaakt over ME/cvs bij kinderen en jongeren. Deel 1 gaat over de diagnose van ME/cvs bij kinderen. Deel 2 gaat over ernstige ME/cvs en behandelingen bij kinderen. Deze video’s zijn hier te bekijken.

“Deze video’s zijn van onschatbare waarde voor ouders, dokters en leerkrachten die niet weten op welke manier ze moet omgaan met het zieke kind dat aan hun zorg is toevertrouwd.”

Sue Waddle, vice voorzitter van ME Research UK en moeder vab een ernstig zieke dochter.

“Uitstekende bronnen voor medische professionals en anderen met betrekking tot ME/cvs, die niet alleen de blangrijkste symptomen identificeren maar ook op welke manier je de kinderen die er mee leven op de beste manier kunt ondersteunen, vooral de ernstiger zieken.”

Sonya Chowchury, Directeur, Action for M.E.

Belangrijke bronnen met betrekking tot pediatrische ME/cvs

Dit artikel is overgenomen en naar het Nederlands vertaald met vriendelijke toestemming van Voices from the Shadows. Het originele (Engelstalige) artikel vind je hier.

Storing op het kruispunt: het autonoom zenuwstelsel bij ME/cvs

Pockinki toont aan hoe zelfs milde stressoren dit fundamenteel belangrijke systeem, verantwoordelijk voor het onderhouden van de homeostase (functioneren) van het lichaam, kunnen overbelasten. Wanneer de ME/cvs erg genoeg is, kunnen normaal onschuldige stimuli zoals licht of geluid een overdreven respons van het autonoom zenuwstelsel uitlokken. Zelfs tijdens rust heeft het autonoom zenuwstelsel moeite om te kalmeren.

Diepe ademhalingsoefeningen, ontworpen om het eeuwig onderactieve “rust en herstel” of parasympatische zenuwstelsel te stimuleren, kunnen een omgekeerd effect hebben en een opflakkering van “vecht of vlucht” of het sympathische zenuwstelsel veroorzaken.

Health Rising, Alan Pocinki 24 juni 2017

(Met dank aan Corey voor het vinden van een kopie van het originele artikel)


http://solvecfs.org/dysfunction-junction-the-ans-and-cfs/

Storing op het Kruispunt : het autonoom zenuwstelsel bij ME/cvs

Door Alan Pocinki, MD, FACP George Washington University Hospital

Het disfunctioneren van het autonome zenuwstelsel is een algemeen kenmerk van ME/cvs, en kan in ongeveer elk orgaan symptomen veroorzaken. Symptomen in de bloedsomloop waaronder lichthoofdigheid, koude handen en voeten, hartkloppingen en angst. In het spijsverteringsstelsel kan autonome disfunctie misselijkheid, krampen, constipatie, diarree en een opgeblazen gevoel veroorzaken.

Autonome disfunctie kan ook leiden tot abnormale ademhalings- en urinepatronen en problemen met evenwicht en zelfs gezichtsvermogen.

Met de beschikbaarheid van nieuwe, meer toegankelijke apparatuur voor het meten van de functie van het autonome zenuwstelsel, is het niet alleen gemakkelijk om de autonome disfunctie aan te tonen in ME/cvs, maar ook de effecten van behandeling.

Het autonoom zenuwstelsel reguleert alle lichaamsprocessen die automatisch geschieden, zoals de bloedsomloop (met in begrip van de hartslag en bloeddruk), ademhaling en spijsvertering. Het autonome zenuwstelsel is verdeeld in twee systemen: het sympathische, of vecht-of-vlucht, dat over het algemeen lichaamsprocessen versnelt; en het parasympathische, of rust-en-herstel, die over het algemeen lichaamsprocessen, met uitzondering van de spijsvertering, vertraagt.

Een fundamenteel probleem

Het fundamentele autonome probleem in ME/cvs is het onvermogen om lichamelijke functies te handhaven op een normaal niveau. Als bijvoorbeeld de bloeddruk een beetje daalt bij bijvoorbeeld het opstaan, dan, in plaats van de sympathische activiteit een beetje te verhogen om zo de bloeddruk zo te verhogen tot normaal niveau, verhoogt het lichaam het sympathische systeem, in veel ME/cvs- patiënten te veel waardoor de bloeddruk te hoog wordt.

Aanvoelend dat de bloeddruk te hoog is, probeert het lichaam de parasympathische activiteit te verhogen om deze omlaag te brengen, maar schiet vaak door, waardoor de bloeddruk te veel verlaagt en bijdraagt aan orthostatische intolerantie en zo weer een verhoging van de sympathische activiteit activeert, deze vicieuze cirkel gaat soms zo lang door tot je er letterlijk misselijk van wordt.

Zulke overreacties op fysieke of emotionele stress, vaak gevolgd door overcorrecties, zijn verantwoordelijk voor veel van de problemen met het autonome zenuwstelsel die in verband worden gebracht met ME/cvs.

Chronische stress zoals ziekte, pijn, emotionele stress en zelfs vermoeidheid zelf, kan de sympathische activiteit verhogen en produceert ‘de moe maar opgefokt’-sensatie die het moeilijk maakt te slapen

Acute stress kan leiden tot sympathische piekspanningen, die je zenuwachtig en angstig maken (een fysiek, niet psychologisch fenomeen). Erger nog, plotselinge stijgingen van de sympathische activiteit kunnen leiden tot overmatige parasympathische correcties, die misselijkheid, zweten, duizeligheid, diarree en natuurlijk, zelfs meer vermoeidheid veroorzaken. Zelfs zintuiglijke prikkels, zoals fel licht of luide geluiden, kunnen leiden tot een overdreven reactie, resulterend in gevoeligheid voor licht en geluid.

Gezond versus ME/cvs

n.v.d.r. Dit plaatje gaat over EDS met dysautonomie ipv CVS, maar het is soortgelijk.

Hierboven is een dia (ontbreekt), die de resultaten tijdens een zes-stappen-test van een gezond persoon vergelijkt met een persoon met ME/cvs en dysautonomie aan de rechterkant.

De dia laat van beide personen de autonome reacties zien, de sympathische en parasympathische, op:

A. Vooraf aan de test (baseline);
B. Diepe ademhaling, die het parasympathische systeem zou moeten stimuleren;
C. Rustperiode;
D. Valsalva (belasting), wat het sympathische systeem zou stimuleren;
E. Rustperiode;
F. Staan, wat een kleine verhoging van de sympathische activiteit zou moeten veroorzaken om te compenseren voor de normale afname van de bloeddruk bij staan.

De sympathische modulatiegegevens zijn gebaseerd op de hartslagvariabiliteit en de parasympatische gegevens zijn gebaseerd op respiratoire variabiliteit. De rechterkant van de dia (boven) toont de autonome reacties van een patiënt met ME/cvs.

Opmerking: zelfs bij rustig zitten tijdens de eerste vijf minuten (periode A), zijn er buitensporige autonome schommelingen, alsof het autonome zenuwstelsel worstelt om de hartslag en bloeddruk te regelen, zelfs tijdens rust, zonder stress.

Met diepe ademhaling (B), is er een kleine toename van parasympathische activiteit, maar het lichaam overreageert zo erg, dat wanneer de diepe ademhalingsfase eindigt, het lichaam de noodzaak voelt om hiervoor te corrigeren met een grote opflakkering van het sympathische systeem aan het begin van de rustperiode (C).

Dit sympathische teveel triggert dan een nog grotere parasympathische piek, die het systeem zodanig vertraagt dat er helemaal geen sympathische respons is in fase D, wanneer de sympathische activiteit zou moeten worden gestimuleerd.

Bij staan (F) daalt de bloeddruk in eerste instantie, wat leidt tot een buitensporige sympathische respons, die op zijn beurt een nog grotere parasympatische reactie activeert, die met een steile daling weer een sympathische opflakkering veroorzaakt, gevolgd door weer een parasympatische piek. Zelfs na drie minuten staan is het autonome zenuwstelstel nog aan het worstelen om de boel gestabiliseerd te krijgen.

De initiële sympathische-parasympatische schommeling bij opstaan was de ENIGE keer tijdens deze test dat de patiënt symptomen had, ze was zeer kortstondig licht in het hoofd. Alle andere autonome schommelingen gaven geen symptomen, wat suggereert dat veel ME/cvs- patiënten aanzienlijke autonome disfunctie zouden kunnen hebben en zich hiervan niet bewust zijn.

Als je denkt aan de energie die wordt verbruikt bij elke toename van sympathische activiteit, kun je je voorstellen hoe een ME/cvs-patient de hele dag kan zitten en een paar keer op kan staan en nog uitgeput kan zijn aan het einde van de dag.

Hieronder staan de testresultaten van een andere patiënt met ME/cvs. Op het moment dat de test in de linkerkolom klaar was, kon ze zich niet meer genoeg concentreren om te werken, was ze te moe om ook maar iets te doen en kon ze toch niet slapen. Klinkt bekend?

n.v.d.r. mogelijk niet de juiste figuur

In het rechtse deel zie je de verbetering van haar autonome functie na 18 maanden behandeling voor pijn, slaap, depressie en autonome disfunctie.

Deze resultaten zijn natuurlijk nog steeds niet normaal, maar aanzienlijk veel beter dan de vorige, zoveel beter dat zij op dit moment terug in staat is voltijds te werken. Toen ik haar een paar weken geleden zag, was ze juist terug van een wandeling van 13 km.

Ik denk dat deze patiënt en deze afbeeldingen, die typisch zijn voor bijna alle ME/cvs-patiënten die ik op deze manier heb getest, meer zeggen over het belang van autonome disfunctie in ME/cvs dan ik in woorden kan uitdrukken.

_____________________________________

(Noot van de redactie): Er is niet een enkel medicijn dat kan worden voorgeschreven voor de behandeling van disfunctie van het autonoom zenuwstelsel en de aanpak van alle problemen die het veroorzaakt en vereist in het algemeen een geïndividualiseerde aanpak met aandacht voor voeding, medicijnen, ondersteunende zorg en levensstijlaanpassingen.

Dr. Pocinki is klinisch hoofddocent aan het George Washington University Medical Center en lid van de American College of Physicians. Hij heeft gewerkt voor de D.C. Medical Society in een verscheidenheid aan functies, onder andere als lid van de raad van bestuur, en werd onlangs geëerd door de medische wereld met de Distinguished Service Award. Hij heeft ook gewerkt als Voorzitter van de DC Society of Internal Medicine en werd uitgeroepen tot nationale Young Internist of the Year door de American Society of Internal Medicine in 1997.

Zijn patiënten hebben hem onlangs verkozen als een van de beste artsen in eerstelijnszorg in Washington in een toonaangevend consumententijdschrift, en zijn collega’s kozen hem eveneens als een van de beste artsen in Washingtons tijdschriften.


Klik hier voor meer informatie over Dr. Pocinki.

© Dr. Alan Pocinki en Health Rising.
Vertaling en redactie ME-gids.